logo van The Lemontree
afbeelding linkimage how about under the lemontree afbeelding linkimage how about under the lemontree afbeelding linkimage how about under the lemontree afbeelding linkimage how about under the lemontree
yes: 1969-1974

Wonderlijke verhalen

omschrijving afbeelding

De Engelse band Yes stond met enkele andere bands aan de wieg van wat nu progrock genoemd wordt. Lange nummers, virtuoos gespeeld; een eigen klankwereld realiserend.

Met het vierde album, Fragile, werd de wereld van Yes verbeeld door kunstenaar Roger Dean, een gouden greep die Yes nog meer fans opleverde.

Net als veel andere bands wisselde de bezetting van de groep veelvuldig. Dat liep niet altijd even soepel, waardoor Yes menig stop- en startmoment doormaakte.

Lees het verhaal van Yes, de groep die ons zeker in de beginperiode trakteerde op prachtige albums vol lange verhalen en als gevolg daarvan in 1973 ‘zomaar’ een unieke triple-live-lp uitbracht.




Pas rond zijn zestiende kreeg Christopher ‘Chris’ Russell Edward Squire (1948-2015/basgitaar) de behoefte zelf iets in muziek te doen. Thuis was hij grootgebracht met jazz. Squire hield van de muziek van Ella Fitzgerald en Lena Horne, maar ook van kerkkoren. Vanaf zijn zesde mocht hij meezingen in het plaatselijk kerkkoor. Daar leerde hij vooral dat als je iets wil bereiken je ervoor moet gaan. In zijn tienertijd werden The Beatles populair en dat triggerde iets in de jongen, zoiets wilde hij ook. Een van zijn vrienden suggereerde dat hij, vanwege zijn lengte en grote handen, maar basgitaar moest spelen, een advies dat hij met begrip opvolgde. Hij kocht een goedkoop model en leerde daarop de basisvaardigheden. Nadat Squire vanwege zijn lange haren door het hoofd der school naar de kapper was gestuurd besloot hij dat school niet zijn toekomst was en kapte ermee. Squire kreeg werk in de plaatselijke muziekhandel. Met gespaard salaris en korting van de zaak kocht hij een Rickenbacker 3001 basgitaar. Het model zou hij altijd trouwe blijven, er werd later zelfs een gemaakt met vermelding naar hem.
Squire’s eerste band is The Selfs, met Martin Adelma (drums) en Andrew Pryce Jackman (keyboards). De groep speelt de dan gangbare muziek. Soul was leuker om te spelen, dus gingen The Selfs over in The Syn en werd uitgebreid met Steve Nardelli (zang), John Painter (gitaar) en een tweede drummer, Gunnar Hákonarson. Inmiddels is de psychedelische muziek opgerukt en dat is nog leuker om te spelen. Dat brengt wel wisselingen mee, Painter wordt vervangen door Peter William Brockbanks/Peter Banks (1947-2013/gitaar). De groep brengt het tot de beroemde Marquee-club en krijgt een contract voor twee singles, de gebruikelijke start in deze tijden. Beide singles voor het nieuwe, progressieve Deram-label. ‘Flowerman’/’14 Hour Technicolor Dream’ en ‘Created by Clive’/Grounded’ verschijnen in 1967, maar leiden niet tot enig succes, al is de flolalalalaflowerman’’ best een geinig nummer. Wel mag de groep openen voor The Jimi Hendrix Experience. Diens concert opent nogal wat auditieve ramen. The Syn valt al vrij snel uit elkaar. Dat geldt ook voor Squire in zeker zin. Na het gebruik van LSD is hij zo de weg kwijt dat hij dagenlang opgevangen moet worden in een ziekenhuis en vervolgens noodzakelijkerwijs moet herstellen bij zijn vriendin. Het is een ommekeer. Squire keert zich af van drugs en gebruikt de tijd om beter bas te leren spelen. Zijn voorbeelden zijn niet de minsten: John Entwhistle (The Who), Jack Bruce (Cream), Bill Wyman (Stones), Paul McCartney (The Beatles), maar ook soul/funkbassist Larry Graham (Sly and the Family Stone).
Eind 1967 wordt Squire bassist van Mabel Greer’s Toyshop. Met zo’n naam weet je bijna zeker dat het om psychedelische muziek gaat. In de speelgoedwinkel spelen oude bekende Banks, Clive Bayley (zang) en Bob Hagger (drums). Ook deze groep staat in Marquee, maar ene Jack Barrie vindt het helemaal niets. Hij spreekt de historische woorden: “This isn’t going anywhere.” Maar hij doet er wat aan en stelt Squire voor aan John ‘Jon’ Ray Anderson (1944- /zang, gitaar). Anderson werkt in een bar, maar zingt in zijn vrije tijd, solo of in een groep, The Gun. Het klikt, beide heren houden van harmonieuze samenzang, zoals die van bijvoorbeeld Simon & Garfunkel. Als snel schrijven ze samen songs, waarvan ‘Sweetness’ op het eerste album van hun aanstormende, nieuwe groep terecht komt. Langzaamaan verandert Mabel Greer’s Toyshop qua bezetting. Na Anderson, exit Bayley trouwens, vindt de band een betere drummer in William Schott ‘Bill’ Bruford (1949- /drums, percussie). Bruford had een advertentie geplaatst en Squire en Anderson hadden daarop gereageerd. Exit Hagger, maar ook Banks die vertrok naar Neat Change. Inmiddels was klassiek pianist Anthony John Selvidge/Tony Kaye (1945- /keyboards) aangehaakt. Ondertussen vond Neat Change het niks met Banks, dus werd die door Squire weer teruggevraagd voor de Toyshop.
Nieuwe bezetting, nieuwe naam. Anderson stelde ‘Life’ voor, Squire ‘World’ en Banks riep op beide voorstellen “Yes”, en dat werd de naam. Daar werd niet heel moeilijk over gedaan. De eerste Yes-concerten volgden, met op het repertoire vooral werk van derden. Dat beviel zelfs het publiek, dat Yes, bij plotselinge afwezigheid van Sly and the Family Stone, in plaats van in het voorprogramma in het hoofdprogramma kreeg. Gastheer/organisator Roy Flynn werd dezelfde avond hun manager. Helaas vertrok Bruford om zijn studie aan de universiteit af te maken. Zijn opvolger, Tony O’Reilly had het moeilijk in Yes, hij werd zelfs één keer vervangen door Ian Wallace (de toekomstige drummer van King Crimson). Bruford trok toch naar Yes en vroeg een jaar vrij van de universiteit, maar dat werd geweigerd. Wel stond hij met Yes op het podium met Yes bij het afscheidsconcert van Cream. Daarna wist hij het zeker, hij bleef.

In 1969 ging er een schok door de muziekwereld; King Crimson had het eerste concert gegeven. Dat was zo anders en van een zo andere orde dat menig groep wakker geschud werd. Dat gold ook voor Yes. Wilden ze iets bereiken dan moest er geoefend worden en goed en veel ook. Ieders eigen stijl werd zo meer ontwikkeld en begon deel uit te maken van de klankkleur van de band. Dat deed de groep goed met als gevolg een nieuw platencontract bij Atlantic Records.

‘Yes’ (1969) is het eerste album van de band. Uitgebracht in een opvallende hoes in strakke pop-art-stijl. Het album is, zoals vaker bij het eerste album, meer een verslag van het recente verleden dan een blik op de toekomst. Zo zijn er enkele tracks die geschreven zijn door Squire en Bailey uit de tijd van de Toyshop, de eerder genoemde ‘Sweetness’, twee tracks van derden, The Beatles (‘Every Little Thing’) en The Byrds (“I See You’) en drie tracks van Anderson die daarmee het voortouw lijkt te nemen.
Op ‘Yes’ hoor je het zo typische, hoge stemgeluid van Anderson al dan niet in harmonische zang met Squire. Je hoort ook al het al typische en herkenbare basgeluid van Squire’s basgitaar. Soms klinkt de groep een beetje als The Beatles, soms als een neefje van King Crimson. Banks speelt menig gitaarsolo en Kaye ondersteunt met zijn gehuurde Hammondorgel. Kaye had namelijk een Vox Continental vermomd als Hammondorgel, maar die Vox was niet heel toonvast. In het langste nummer, ‘I See You’ (lalalalalala) krijgt de muziek wat jazzy trekjes en zijn er veel ‘twists and turns’, inclusief lange gitaarsolo, te beluisteren. Het oude ‘Sweetness’, de eerste single ook, is geheel volgens de titel een rustig stuk met veel samenzang. Banks was niet blij met dit nummer als single, omdat het niet stond waarvoor Yes op dat moment stond. Ik kan hem geen ongelijk geven. Het slotstuk ‘Survival’ met een bruut intro van Squire’s bas is de meest ‘belovende’ track op ‘Yes’. Het is met de oren van nu, dé track die staat voor het toekomstige geluid van Yes.
Het album werd lauw ontvangen, al waren er enkele heren critici die potentie in de groep zagen. ‘Yes’ werd in 2003 geremasterd uitgebracht met een zestal, eigenlijk twee keer drie, bonustracks. Het zijn drie tracks in twee verschillende uitvoeringen: ’Everydays’ (Stephen Stills)’, ‘Dear Father’ (Anderson, Squire) en een verrassende ‘Something’s Coming’ (Bernstein, Sondheim).

‘Time and a Word’ (1970) is het tweede album van Yes. Tussen diverse tournees door werd nieuw werk opgenomen. Anderson bleek een schrijver met een grote dosis inspiratie en schreef de ene na de andere song. Daarbij putte hij uit een veel breder arsenaal dan allen de liefde, de wereld om hem heen bleek minstens net zo interessant. Het album volgt in de lijn van het eerste, een reeks eigen tracks, afgewisseld met die van derden. ‘Time and a Word’ opent met ‘No Opportunity Necessary, No Experience Needed’ (Richie Havens, Jerome Moross). Die opening is klassiek symfonisch met strijkers en meteen reden voor achterliggende conflicten. Anderson en Squire, beetje de richtingbepalers van de band, waren toe aan een breder geluid en probeerden een Mellotron. Dat werkte niet echt. Kaye hield vast aan zijn Hammondorgel en wilde niets anders spelen. Banks vond al die extra’s niets en was ook al niet blij met hoe de opnames verliepen. De spanningen liepen op, reden voor Banks de groep na de opnames te verlaten. Een ander verhaal is dat hij door Squire en Anderson de groep uitgezet is.
Tweede nummer ‘Then’ (Anderson) is het eerste nummer dat mij naar Yes lokte. Het is een turbulent nummer met Anderson’s stem als rustpunt, maar er gebeurt van alles, er is die opvallende bas van Squire, samenspel van Banks en Kaye en Bruford die pittig doortrommelt. Halverwege in een langer instrumentaal tussenstuk gaan we een beetje de kant op van Jethro Tull en na enkele fikse blazersstoten keert het nummer naar rust met alleen gitaar en Anderson’s stem totdat het ferm eindigt. Hier wilde ik wel meer van horen. ‘Everydays’ (Stephen Stills) wordt bijna jazzy gebracht, je hoort in Anderson’s zang het origineel van Stills in zijn tijd met Buffalo Springfield aardig terug. ‘Sweet Dreams’ (Anderson, Foster) is wat heavier vooral door bas en drums. Het heeft ook iets van The Beatles. Oude lp-kant twee bestaat vooral uit werk van Anderson: ‘The Prophet’ (Anderson, Squire); ‘Clear Days’ (Anderson); ‘Astral Traveller’ (Anderson) en ‘Time and a Word’ (Anderson, Foster). David Foster is een oude bandmaat van Anderson uit hun tijd in The Warriors, nu zanger voor Head, Hands and Feet. ‘Clear Days’ is een wat rustigere track, de andere drie gaan richting ‘Then’ en zijn meer Yes-sound bepalend. Al met al is het een aardig album, maar nog wat wisselend en zoekend, mij hadden ze in ieder geval al als ‘fan’ gestrikt.

‘Time and a Word’ werd verpakt in een wat surrealistische zwartwit-hoes met de gedeeltelijke afbeelding van een naakte vrouw. Dat kon niet in Amerika vond Atlantic. Daar werd gekozen voor een onschuldige groepsfoto. Die kwam er, maar wel mét Steve Howe, die niet eens meespeelt op het album. Banks was, zoals gemeld, toen al vertrokken en had zich gedistantieerd van het album. In zijn plek kwam Stephen ‘Steve’ James Howe (1947- /gitaren). Howe had al enkele bands achter zijn rug, waaronder Tomorrow, en was als gitarist met diverse mensen op tournee geweest. Een ervaren muzikant dus.

Dit keer was er iets meer succes, ‘Time and a Word’ raakte in Engeland tot de 45e plek in de albumlijst. De critici waren net zo verdeeld als bij het eerste album. Ondanks de lijstnotering verkocht het album slecht en trok Atlantic de stekker eruit. Maar na enig gesoebat met de nieuwe manager ging de stekker er alsnog weer in, tenminste, voor slechts één album. Gelukkig maar, want tijdens de opnames had de nieuwe technicus, Eddie Offord (1947- /technicus, producer), een sterke band met de groep opgebouwd. Offord zouden we voor de komende jaren blijven zien rondom Yes, als technicus en/of producer.
Bij de 2003 remaster voor de cd-versie werden vier bonustracks toegevoegd. Versies, geen nieuwe songs.

In navolging van het album stond Yes in The Queen Elizabeth Hall, Londen, voor twee concerten mét orkest. Het was nog een best primitief gebeuren met microfoons die een klerenhangers hingen en een goedkoop geluidssysteem, maar toch, ze stonden er wel én het betekende tevens een doorbraak naar een groter publiek. Die kwam er inderdaad met het derde album.

Yes had van Atlantic de mogelijkheid voor één album gekregen, het was nu erop of eronder. Om zich goed voor te bereiden trok de band zich terug in landelijke streken, een veelbeproefde aanpak. Niet alleen Anderson leverde nu composities aan, Squire deed meer mee, net als nieuwe gitarist Howe. Dit keer geen composities van derden. Over het algemeen waren de stukken langer, waardoor er meer tijd was de songs te laten ontwikkelen. Vanuit de hoeve ging het richting studio met Offord achter de knoppen. In korte tijd en tot ieders tevredenheid dit keer nam de groep zes nummers op: ‘Yours is No Disgrace’ (Yes); ‘Clap’ (Howe); ‘Starship Trooper’ (Anderson, Squire, Howe); ‘I’ve Seen All Good People’ (Anderson, Squire); ‘A Venture’ (Anderson) en ‘Perpetual Change’ (Anderson, Squire). Sommige composities zijn onderverdeeld in substukken. ‘Starship Trooper’ bijvoorbeeld, bestaat uit ‘Life Seeker’; ‘Disillusion’ en ‘Würm’.
Het album, simpelweg ‘The Yes Album’ genoemd wordt in februari 1971 uitgebracht en is vrijwel meteen een succes. Het staat al snel in de Engelse albumlijst en klimt omhoog tot een vierde plek. Ook in Amerika gaat het rap, daar komt het album tot een 40e plek en wordt daar zelfs platina. Voor menig fan, inclusief de groep zelf, wordt dit album gezien als het ‘eerste ’Yes-album, ook al is dit het derde.

Het succes was een enorme opsteker voor de groep die zich met ‘The Yes Album’ experimenteler dan eerder had gepresenteerd. Howe bleek een voortreffelijk gitarist die makkelijk van de ene naar de andere stijl kon ‘switchen’ en niet schroomde een akoestische gitaar erbij te pakken. Zijn gitaarwatervallen zijn ‘all over the place’. Bruford had zijn eigen, strakke stijl ontwikkeld en Squire speelde zijn baspartijen harmonieus, als een tweede gitaar bijna. Anderson op zijn beurt had zijn stembanden gerekt en bracht daarmee meer afwisseling in de zangpartij. Alleen Kaye bleef wat achter in ontwikkeling. Hij was afkerig van de nieuwe ontwikkelingen op keyboardgebied, zoals de synthesizers en ander elektronische ‘tuig’. Hij was vooral blij met zijn nieuwe Hammond B3. Een prachtig apparaat, dat wel. Dat weerhield de groep er niet van om tapeloops en baspedalen te gebruiken. Live werd die laatste door Anderson gespeeld.

Even een tussenwerpsel voor het tijdbeeld. ‘Oude’ groepen als Yes staan met hun muziek aan het begin van iets nieuws, iets wat er tot dan niet was en wat eerst progressieve rock, daarna symfonische rock genoemd wordt. In het Punktijdperk wordt de muziek gedegradeerd tot ‘Dinorock’, om vervolgens weer een herstelde status te krijgen als Progrock. Wat voorbeelden: in 1971 maakt Genesis ‘Nursery Cryme’; King Crimson ‘Islands’; Pink Floyd ’Meddle’; Emerson, Lake & Palmer ‘Tarkus’ en Jethro Tull ‘Aqualung’. In hun voetspoor volgen bands als Van Der Graaf Generator en Gentle Giant. Frank Zappa die zijn eigen wereld had bracht ‘200 Motels’ uit. Het was een avontuurlijke tijd met veel spannende muziek om te onderzoeken. Heerlijk zijn de muzikale verhalen die de groepen je presenteren of je kon met de veelal lange muziekstukken je eigen – fantasy(?) – je eigen verhaal bij de muziek maken. De songs waren onvoorspelbaar in ontwikkeling en er was heel wat nieuws aan klanken te horen . Anno nu is die spanning van toen moeilijk voor te stellen, maar de zaterdagreis naar de platenzaak was altijd een opwindende , kijken wat er nu weer in de bak stond.

Terug naar ’The Yes Album’. De hoes, met het modelhoofd is een vreemde. Er waren al foto’s gemaakt voor de hoes, maar daarbij zat niet de goede. Op weg naar fotograaf Phil Franks kreeg de groep een auto-ongeluk en moest naar het ziekenhuis. Kaye voet moest in het gips, voor de rest viel het mee. Met nog een half uur voor de fotoshoot kwam de groep wat aangeslagen bij Franks. Dat werkte natuurlijk niet. Daarop nam Franks de groep mee naar zijn flat, draaide een flinke peer in de lamp, pakte het schuimplastic hoofd en voilà, klaar.

De vooruitgang van de band ging ten koste van Kaye. Tijdens de opnames was Keith Emerson in dezelfde studio bezig met zijn Big Moog. Daar kwamen fantastische geluiden uit. Zoiets wilde men in Yes ook wel, dat gold ook voor de Mellotron. Kaye hield het echter bij zijn Hammond. Omdat men zijn bijdrage aan ‘The Yes Album’ minder vond en twijfels had bij de te volgen weg werd Kaye gevraagd op te stappen om plaats te maken voor een muzikaal breder denkend persoon.

‘The Yes Album’ is meerdere malen op cd uitgebracht met als laatste de 2014-versie met daarbij als tweede cd een 5.1 surround sound mix door Steve Wilson. Meestal zijn bij die cd’s enkele bonustracks toegevoegd, waaronder ‘extended mixen’ of livetracks.

En dan zijn we toe aan hét kwartet, de vier albums waar Yes groot, groter, grootst mee werd: ‘Fragile’, ‘Close to the Edge’, ‘Yessongs’ en ‘Tales from Topographic Oceans’. Maar eerst werd de nieuwe keyboardspeler binnengehaald: Richard ‘Rick’ Christopher Wakeman (1949- /keyboards, etc.). Wakeman had muziek gestudeerd, als sessiemuzikant op menig album/song meegespeeld, waaronder Mellotron op ‘Space Oddity’ van David Bowie. Hij was net uit ‘folkgroup’ The Strawbs gestapt omdat sessiewerk veel beter betaalde. Op één en dezelfde dag kreeg hij zowel telefoon van Bowie’s begeleiders en van Yes of hij in hun bands wilde komen spelen. Het was naar eigen zeggen “the most difficult decision”. Wakeman ging op verkenning, speelde mee met Yes en was verkocht. In deze muziek kon hij meer zichzelf kwijt dan in de band van Bowie. Het was reden voor Melody Maker hem de tweede keer op de voorzijde te plaatsen. De eerste keer was al meest belovende artiest, nu de nieuwe keyboardspeler van Yes. En wat voor een. Wakeman had al een arsenaal een spullen, orgels, synthesizers, Mellotron. Het ging allemaal mee naar de studio en vervolgens het podium op. Met zijn toetreden tot Yes maakte Wakeman het geluid van de groep rijker en breder. “Rock meets classic” en dat mocht men horen. Zo begon Yes een nieuwe reeks concerten steevast met een uittreksel van “L’Oiseau de Feu” van klassiek componist Igor Stravinsky. Het is te horen aan het begin van de eerste lp van ‘Yessongs’.

Maar eerst is daar nog ‘Fragile’ (1971), het eerste album met wat nu de ‘klassieke Yes-bezetting’ genoemd wordt. ‘Fragile’ bestaat uit negen composities, waarvan een aantal erg korte tot één wat langere. Op het album draagt iedereen een stuk(je) aan: ‘We Have Heaven’ (Anderson); ‘Five per Cent for Nothing (Bruford); ‘The Fish’ (Schindleria Praematurus)’ (Squire); Mood for a Day’ (Howe) en ‘Cans and Brahms’(Brahms, Arr. Wakeman). Die laatste dus ook al een ‘flirt’ met een klassiek componist. De meeste stukken zijn kort, rond anderhalve minuut en bijna allemaal instrumentaal. Ze gaan van klassiek (Brahms) via akoestische gitaar tot een klein percussiestukje. Al met al maakt die aanpak het Yes-geluid nog breder. Er zijn door verschillende bandleden verschillende redenen voor de opvallende korte stukken gegeven. De een noemt het een kostenbesparing op de dure studiotijd, de ander gebrek aan nieuw materiaal, weer een ander een ‘tentoonstelling’ van ieders vaardigheden. Hoe dan ook, ze zijn leuke intermezzi, maar de composities die het meest het progressieve oor vangen zijn ‘Roundabout’ (Anderson, Howe); ‘Long Distance Runaround’ (Anderson) en ‘Heart of the sunrise’ (Anderson, Squire, Bruford). Dat is Yes op en top, een mix van rock, klassiek, jazz en wisselende tempo’s, instrumenten, sferen en toch ieders herkenbare signatuur.
‘Fragile’ werd verpakt in een hoes van Roger Dean (1944- /kunst, design, architectuur). Dean’s fantasiewereld paste uitstekend bij de muziek van Yes, dat was immers ook al één groot avontuur. Tegelijkertijd ontwierp Dean de titel en een Yes-logo. Dat was nog niet hét logo, maar wel al een aanzet in de richting. Bij de eerste lp-oplaag zat een extra boekje met meer werk van Dean en foto’s van de bandleden.
De hoes en natuurlijk de muziek werkte prima, ‘Fragile’ werd alom positief beschreven en kwam terecht op de zevende plek in de Engelse albumlijst en maar liefst de vierde in de Amerikaanse Billboardlijst. In Nederland wist men het album ook te waarderen, het kwam op een achtste plek in de Album Top100. In de loop der tijd is ‘Fragile’ goed blijven verkopen en inmiddels dubbel-platina in Amerika en éénmalig platina in Engeland. Dan hebben we het over zo’n twee-en-een-half-miljoen exemplaren. In Amerika werd een korte versie van ‘Roundabout’ samen met ‘Long Distance Runaround’ op single gezet (1972) en die kwam zomaar terecht op een dertiende plek.
Bij de 2003 cd-releases kregen we ‘America’ van Paul Simon als bonus. Het nummer was alleen op een compilatiealbum van Atlantic Records te vinden. In 2015 wordt het nummer als bonustrack bij ‘Close to the Edge’ gevoegd. In 2015 wordt ‘Fragile’ als dubbel-cd uitgebracht met bonustracks en een 5.1 surround sound mix van Steve Wilson. Bij deze cd-versie is het boekje dat vroeger bij de lp zat weer terug. Heel fijn!

Yes’ vijfde album is ‘Close to the Edge’ (1972). Met terugwerkende inzichten wordt dit album als hét ‘magnum opus’ van de band gezien én tevens als een van dé beste albums in het progrock-genre. Maar van harte ging dat allemaal niet. Na ‘Fragile’ en de gebruikelijke tournees hadden vooral Anderson en Howe een idee van wat het nieuwe album zou moeten worden. Het waren veelal losse fragmenten die op een of andere manier aan elkaar geplakt moesten worden en daarvoor waren de andere drie bandleden nodig. Maar dat bleek lastig uitleggen. Daarbij waren de heren Yes nogal sterk in hun persoonlijkheid en wilden ze allemaal graag hun instrument goed klinkend hebben en hun solo vooraan. Anderson moedigde iedereen aan met ideeën te komen, maar soms pasten die niet in het Grote Plan. In een geval was zo’n idee achteraf toch een heel goed idee, maar bleek de tape met dat deel erop al in de vuilnisbak te liggen. Het werd gevonden én gebruikt. Maar de spanningen liepen op vooral tussen Squire en Bruford. De laatste altijd stipt op tijd en constructief, de eerste doorgaans te laat en uren bezig zijn geluid goed te krijgen om te ontdekken dat de eerste instelling toch de beste was. Technicus/producer Offord probeerde de zaken in goede banen te leiden, maar soms werden de urenlange sessies hem ook teveel. Hij viel dus een keer op het mengpaneel in slaap, oververmoeid, terwijl de tape keihard muziek liet horen. Wakeman voelde zich een speler in het spel van anderen en voelde zich ook niet heel gemakkelijk. Yes was niet echt een groep, maar meer een aantal individualisten die samen een album aan het opnemen waren. Dat het toch gelukt is én een geweldig album opleverde is in dat kader minstens bijzonder te noemen.

‘Close to the Edge’ bestaat ‘maar’ uit drie tracks, het lp-kant lange titelnummer van Anderson en Howe en ‘You and I’ (Yes minus Wakeman) en ‘Siberian Khatru (Anderson, Howe, Wakeman). De compositie ‘Close to the Edge’, bestaat uit vier ‘hoofdstukken’ en werd bedacht door Anderson na het lezen van Lord of the Rings van Tolkien (wie las dat niet in deze tijd), Siddhartha van Herman Hesse (wie las dat niet in deze tijd) én de muziek van Jean Sibelius, met name diens Symfonieën 6 en 7. Dan heb je een beste basis. Anderson besprak dit alles met Howe en vanaf dat moment werd gebouwd aan het stuk. Beetje bij beetje en met hulp van de anderen kwam het tot de bijna negentien minuten lange compositie. ‘Close to the Edge’ begint met stromend water en vogelgeluiden. Je wordt daarmee meteen in een bepaalde sfeer geplaatst, daarna kan de reis/het avontuur beginnen. Onderweg gebeurt er auditief van alles, halverwege is er een kort moment van bezinning, maar dan schudt Wakeman iedereen wakker met een kerkorgel en gaat de band in de versnelling terug naar het beginthema en eindigt het nummer zoals het begon met water en vogels. Dan heb je in je hoofd al wel een hele trip gemaakt. ‘And You and I’ is een stuk rustiger, beetje folk-achtig soms met, inderdaad, akoestische gitaren. Aan het eind is het echter ronduit symfonisch te noemen. Dat is de opmaat voor ‘Siberian Khatru’ een pittig stuk met een dominant gitaarthema, afgewisseld door een keyboardsolo van Wakeman. Het nummer heeft een beetje dezelfde opbouw als ‘Close to the Edge’ en gaat – volgens Anderson- ondanks de wat ijzige titel over “die heldere zomerdagen”.

Voor ‘Close to the Edge’ maakte Dean opnieuw de hoes én een nieuw Yes-logo. Dat laatste wordt tot op de dag van vandaag gebruikt. De hoes is in zekere zin eenvoudig, een verlopend groene kleur met titel en naam in een vloeiende letter. Op de achterzijde foto’s van alle bandleden én Offord, die inmiddels zo’n beetje het zesde bandlid was. De binnenhoes vertaalde de titelsong naar een fantasielandschap met watervallen en een interessant weggetje. Daar kon ik uren naar kijken.

'Close to the Edge' werd in 1972 ontvangen met gemengde kritiek. Iemand schreef dat de band met dit album “over the edge was gegaan”, een ander noemde het “overpretentieus, een bedwelmend niets”. Gelukkig wist het grote publiek allang dat critici er meestal goed naast zaten en dus was het album al snel te vinden op de vierde plek in de Engelse albumlijst, de 3e in de Billboard200 en maar liefst de 1e in de Nederlandse Album Top100. Het album is platina in Engeland, Amerika en Canada. Anno nu wordt het album gezien als een top-album en zelfs vergeleken, qua impact, met Sgt. Pepper van The Beatles. Dat is misschien een tikkeltje overdreven, maar het zegt wel iets.
Net als de vorige albums werd ‘Close to the Edge’ een aantal keer op cd uitgebracht. In 2013 net als de rij hierboven als dubbel-cd met een aantal bonustracks en een 5.1. surround soundmix van Steve Wilson.

Atlantic Records was blij met het succes en bood de band een nieuw contract aan. Bruford was minder blij met de gang van zaken en stapte op richting King Crimson, voor hem een ‘next level’-band met meer aandacht voor jazz. Hij benoemde de titel van het album ‘Close to the Edge’ als meer dan waar voor wat betreft de omgang onderling. Er ging een schok door de band zelf, Squire noemde het onbegrijpelijk, en de muziekwereld. Ik herinner me de koppen in de muziektijdschriften nog wel. Yes overwoog als opvolger Aynsley Dunbar, die op dat moment bij Frank Zappa speelde. Ik denk dat dat niet zo’n succes was geworden, Dunbar is minstens net zo jazzy als Bruford. Uiteindelijk kwam de vervanger uit de begeleidingsgroep van John Lennon, The Plastic Ono Band: Alan White (1949- /drums, percussie). Voor de buitenwereld een onverwachte stap, maar White was bevriend met zowel Anderson als Offord. Het management had nog een nare actie in petto, Bruford moest, vanwege zijn vertrek, de royalty’s delen met White, ook al had die niets gedaan. Het gaf scheve gezichten en gedoe, later heeft White ze overigens terugbetaald. Grappig is dan anno nu dat White het langst zittende Yes-lid is, hij ging nooit meer weg, terwijl de rest als een bijenkorf in- en uitvloog.

Yes ging na ‘Close to the Edge’ op een lange wereldtournee. Een verslag daarvan is te horen op ‘Yessongs’ (1973). De triple-album was het bewijs dat Atlantic blij was met Yes. Kosten noch moeite werden gespaard. Een triple-album was toen – en nu nog – vrije uniek in de pop/rock-wereld. Daarvoor waren er maar twee (!) en allebei uit 1970: Woodstock en ‘All Things Must Pass’ van George Harrison. Dat zegt genoeg. Zappa had altijd plannen voor drie, vijf of zelfs tien lp-sets, maar niemand wilde dat risico nemen.

Op ‘Yessongs’ staan geen nieuwe tracks, of het moeten de zes vrouwen van Henry VIII zijn, een uittreksel uit het gelijknamige soloalbum van Wakeman. De tracks zijn afkomstig van ‘The Yes Album’, ‘Fragile’ en natuurlijk ‘Close to the Edge’, waaronder het hele titelnummer. ‘Yessongs’ begint met een stukje ‘Firebird Suite’, oftewel ‘L’Oiseau de Feu’ van Stravinsky, daarna barst het los. Het is een album dat, ondanks de zes lp-kanten, zo voorbij is. Dat zegt genoeg, toch? Maar is het wel allemaal echt live? Offord, Yes’ geluidstechnicus ook, kon niet alles zelf doen. De opnames vielen ietwat tegen en werden in de studio bijgeschaafd. Dat ging op de bekende Yes-methode, doorgaan en doorgaan, totdat er niets meer te verbeteren valt. Ondanks dat vielen sommige critici over de matige geluidskwaliteit. Ik heb dat nooit kunnen vaststellen, het was en is gewoon een uitstekend album. Wel vreemd is dat het slechts één keer geremasterd is of anderszins bewerkt. Het is daarmee een beetje het stiefplaatje van Yes geworden. Natuurlijk zijn de drie lp’s op twee cd’s gezet en is de hoes aangepast aan het plastic doosje. Jammer. Wil je een authentieke hoes in klapversie met drie cd’s én het bijbehorende plaatjesboek dan bieden Japanse, dure, versies uitkomst. Want, dat moet gezegd, de drie-lp-hoes is bijzonder in klapvorm, met diverse panelen, landschappen, van Dean. Opnieuw kon je je, tijdens het luisteren, verliezen in een fantasiewereld. In het begeleidende boekwerkje staan foto’s van de band on stage met Wakeman gehuld in zijn typische/typerende lange glittercape en Squire in een Roger Daltrey-achtige ding met vleugels onder de armen. Bruford, hij is niet te zien op de foto’s, komt overigens nog op twee tracks voor, de rest wordt gedrumd door White, die natuurlijk wel in het boekje staat.

Ondanks de prijs verkocht het album uitstekend en kwam in Engeland en Canada in de lp top10, in Amerika tot een 12e plek in ons land helaas geen notering. Bietje zuinig misschien? Het album is dan nu wel weer platina in Amerika en goud in Canada, Duitsland en Engeland.
In 1975 volgde een film uit deze reeks concerten: ‘Yessongs’, opgenomen in The Rainbow Theatre London, 1972.

Als je denkt dat je met Yes dan wel alles gehad hebt is de verrassing van ‘Tales from Topograhic Oceans’ (1973) alsnog een grote. Een dubbel-lp met eigenlijk maar één, lang nummer. Een pittig album om in één keer te luisteren, maar wat een geweldige muziek. Net als bij ‘Close to the Edge’ kwam Anderson op het idee voor het album door het lezen van een boek: “Autobiography of a Yogi” door Paramahansa Yogananda. Deze beschrijft in het boek de ‘Shastras’, vier verschillende vormen van kennis, respectievelijk: śruti (het gehoorde), smriti (herinneringen), puranas (mythe), and tantras (bevrijding). Anderson was op Yogananda’s spoor gezet door Jamie Muir, de extroverte percussiespeler van King Crimson. Hij ging met zijn idee naar Howe en samen ontwikkelden ze het idee, elk ‘element’ kreeg een volle lp-kant om tot ontwikkeling te komen. In praktijk werd dat: ‘The Revealing Science of God Dance of the Dawn’; ‘The Remembering High the Memory’; ‘The Ancient Giants Under the Sun’ en ‘Ritual, Nous Sommes du Soleil’. Met het complete raamwerk ging het duo naar de andere drie Yes-leden. Omdat de inbreng van die drie gering bleek te zijn was er enige weerstand, maar uiteindelijk stemde iedereen in met het plan. Dat had vooral te maken met een achterliggend idee om live elementen weg te kunnen laten of toe te voegen, afhankelijk van de reactie uit het publiek. Dat is leuk bedacht, maar dat vraagt enorme discipline en heldere en afgebakende ‘bouwblokken’. Maar er waren geen blokken, alleen een raamwerk dat bovendien nog ingekleurd moest worden. De sessies sleepten zich daarom vijf maanden lang voort.
Producer/technicus Offord vatte het zo samen: "I think there was a psychological effect of, "Oh, we're doing a double album. Now we can make things twice as long, twice as boring, and twice as drawn out!" Om de opnames meer in goede banen te sturen werd de studio aangekleed met boerderij-elementen: hooibalen, planten, en kartonnen dieren. De planten gingen echter dood en de dieren stonden in korte tijd vol geklad met teksten. In de studio ernaast was Black Sabbath bezig met de opnames voor ‘Sabbath Bloody Sabbath’. Wakeman, die zich stierlijk verveelde, liep regelmatig binnen en werd gevraagd een stukje mee te spelen. Dat deed hij als vriendendienst, maar hij werd toch betaald… in bier! Uiteindelijk was het album af, maar had Wakeman het wel gezien. Hij zou dan ook snel vertrekken.
‘Tales from Topograhic Oceans’ heeft net als de vorige een fraaie hoes van Dean. De voorkant lijkt een planeet met Maya-tempel, maar als je de hoes openklapt blijkt het door de vissen een onderwatertafereel te zijn. In de hoes zitten elementen verwerkt uit de teksten.

‘Tales from Topographic Oceans’ was al goud in de voorverkoop en kwam dan ook op de eerste plek in de Engelse albumlijst, in Amerika werd het zesde, in ons land 8e. In Amerika en Zwitserland is het album inmiddels goud. De critici roemden het album of kraakten het af als “close to boredom” (Sounds) of “psychedelic doodles” (Rolling Stone). Anno nu zijn er nog steeds verschillende meningen, sommigen vinden het nog beter dan ‘Close to the Edge’, anderen vinden het te lang en soms saai. Anderson sloot zich aan bij de laatste groep en vond dat een deel van het album geslaagd was en delen niet. Hij wilde ooit een kortere versie maken van maximaal één uur, maar dat is er nooit van gekomen. Ik ben het met Anderson eens, er zijn prachtige stukken, maar ook taaie fragmenten die te lang doorgaan om interessant te zijn.
In 2013 werd ‘Tales from Topographic Oceans’ uitgebracht met twee bonustracks, in 2016 als 2cd/2dvd box met nieuwe mixen en 5.1. surround sound mix van Steve Wilson.

Nadat ‘Tales from Topograhic Oceans’ uitgebracht was ging Yes op tournee, de langste uit hun carrière. Een grootse tournee met een podium ontworpen door Dean, een ronddraaiende drumplatform, een scala aan instrumenten en lichteffecten. Op het menu ‘Close to the Edge’ en ‘Tales from Topographic Oceans’, maar al snel werd het jongste album een stuk ingekort, omdat het publiek niet goed reageerde. Tijdens de tournee liet Wakeman weten aan het eind ervan te willen stoppen, hij was het zat om het in zijn ogen en oren saaie, lange stuk te moeten spelen. Een bijzonder verhaal in deze setting is dat hij bij één show een technicus een curry-maaltijd liet brengen en die tot grote ergernis van Anderson smakelijk opat. Exit Wakeman. Op de dag dat Wakeman vertrok uit Yes, zijn verjaardag nota bene, bleek zijn soloalbum, ‘Journey to the Centre of the Earth’ op de eerste plek in de albumlijst te staan. Een dag om nooit te vergeten dus.

Als opvolger van Wakeman werd de Griek Vangelis overwogen. Anderson was onder de indruk geraakt van diens muziek en zag de combinatie wel zitten. Vangelis kwam, speelde en vertrok weer. Zijn aanpak paste niet bij Yes, bovendien had hij een te sterke persoonlijkheid en eigenheid. Na een tip van journalist Chris Welch werd Patrick Moraz (1948- /keyboards) gevraagd. De Zwitserse keyboardspeler had een gedegen opleiding, had muziek bij films gecomponeerd, hield van jazz, rock en zijn band, Refugee, was net opgeheven. Moraz kwam, speelde wat thema’s uit Yes-albums en mocht blijven. Hij moest zich nog wel wat aanpassen, want waar hij in Zwitserland lopend vijf kilometer lopend naar de studio ging, zag hij zijn nieuwe collega’s in limousines komen aanrijden. Ook moest hij zijn keyboard-arsenaal flink uitbreiden én bijdragen in stukken muziek voor een nieuw album dat voor een groot deel al klaar was. Hij hoefde niet per sé vegetariër te worden, net als de andere leden. Maar toch. Niet de gemakkelijkste klus. Prettig was wel dat de heren Yes besloten hadden een minder complex album te maken, een beetje terug te gaan naar ‘Close to the Edge’ met één lang nummer en twee wat kortere. Opnames voor het album vonden plaats bij Squire thuis, die in zijn landhuis een studio had laten bouwen. Dat scheelde tijd en geld. De kleine studio bleek niet genoeg voor wat men wilde, dus liet Offord zijn mobiele studio aanrukken. Het zou zijn laatste bijdrage aan het geluid van de band worden, ook hij was enigszins vermoeid geraakt met de aanpak en wist niet goed meer wat hij nog extra kon bijdragen.

‘Relayer’ (1974) bestaat, zoals gezegd, uit drie tracks: ‘The Gates of Delirium’, ‘Sound Chaser’ en ‘To Be Over’. Het is een typisch Yes-album maar met meer aandacht voor jazzy-elementen en synthesizerwerk van Moraz. Moraz is geen Wakeman en speelde zijn eigen stijl en met zijn eigen klankkleur. Het lange ‘Gates of Delirium’ kent veel wisselingen en is losjes gebaseerd op het boek ‘Oorlog en Vrede’ van Leo Tolstoj. Halverwege het nummer vindt een strijd plaats en vliegen de geluidseffecten je om de oren. Dat waren klappen en tikken op random voorwerpen, waaronder vuilnisbakken. Later werd het geluid wat bewerkt en voilà. ‘The Gates of Delirium’ sluit rustig af met een prachtig muziekdeel dat later geknipt werd en als single uitgebracht: ‘Soon’/’sound Chaser (edit)’(1975). Wat een eind van dat lange nummer. ‘Sound Chaser’ is een echt jazzrock nummer, waarbij we Yes in een andere hoedanigheid horen, al speelt Howe heftig en Spaans aandoende gitaarpartijen. ‘To Be Over’ begint rustig, met sitar-klanken zelfs, maar halverwege gooit Howe er een gitaarversnelling in en verandert setting en sfeer. Ik vond ‘Relayer’ een verfrissend en geslaagd album, Yes was en bleef op de goede weg. De weg vooruit.

Dat vond ook Dean, die ‘Relayer’ niet alleen het beste Yes-album vindt, maar ook dat hij hiervoor zijn mooiste hoes maakte. Wel vond hij dat de titel van het album verkeerd gekozen was, dat had ‘Gates of Delirium’ moeten zijn. De fans waren na de ‘teleurstelling’ van de klanken van ‘Tales of Topographic Oceans’ wat terughoudender. ‘Relayer’ verkocht goed, maar was geen goud in de voorverkoop en haalde uiteindelijk een 4e plek in de UK Albums-lijst. In Amerika een 5e en bij ons een ‘magere’ 10e plek. Inmiddels is het goud in Frankrijk en Amerika. Wakeman meldde desgevraagd dat hij blij was te horen dat de richting van Yes inderdaad niet de zijne was en hij dus een goed besluit genomen had.

Opnieuw volgde een tournee. Na de tournee nam de groep tijd en rust. In die periode maakte alle groepsleden soloalbums, waarvan in mijn optiek alleen Anderson’s ‘Olias of Sunillow’ (1976) geslaagd te noemen is. De andere albums zijn te wisselend van samenstelling en niveau.

En toen ging Yes voor die éne. Lees het grote geld en een nog grotere populariteit. Daar mag iedereen van alles van vinden, maar voor mij betekende dat het nieuwe album ‘Going for the One’ (1977) in de ‘twijfelhoek’ geplaatst werd. Ging ik nog door met Yes of hield het hier op? ’Tormato’ (1978) bevestigde die twijfel en dat betekende: exit Yes. De ‘nieuwe’ muziek was mij iets te populair, te weinig complex, te weinig avontuur, teveel gericht op een ander publiek ook. En dan die vreselijk lelijke hoezen van nota bene mijn favoriete (Pink Floyd) hoezenmakers. Die aanpak moest de band plaatsen in de nieuwe tijd, Punk heerste namelijk. De nieuwe zakelijkheid openbaarde zich in volle glorie. Vreemd genoeg was daarbij Wakeman terug op het nest gekeerd, maar na ‘Tormato’ vertrok hij weer, net als Anderson. Daarna werd Yes een soort bubblegum-groep met Trevor Horn en Geoff Downess. Er gebeurde nog veel meer, Anderson en Wakeman kwam weer terug, Howe vertrok en kwam weer terug, Kaye kwam weer terug en vertrok, zelfs Bruford kwam (even) terug. In 1981 was er zelfs een officieel persbericht dat Yes niet meer bestond, maar die afwezigheid duurde niet lang. In 1983 was de band terug met zelfs een wereldwijde megahit: ‘Owner of a Lonely Heart’. Fijn voor de jongens dat succes, maar de muziek was niet meer wat het geweest was. Tussendoor werden er diverse compilatie- en livealbums uitgebracht, waaronder 'Yes Years' (1991). Dat is een compilatie van oud werk en enkele opgedoken tracks. Fraai boek erbij. Howe had nog meer succes met zijn tweede groep Asia en Anderson maakte hits samen met Vangelis. In 1996 waren, Anderson, Howe, Wakeman, Squire en White weer bijeen en maakte ‘Keys to Ascension 1 en 2’, een verzameling ‘oude successen’.
Het laatste Yes-album stamt uit 2021, met Howe en White als oudgedienden en Geoff Downes iets minder oudgediend. In 2017 werd Yes opgenomen in The Rock and Roll Hall of Fame met Anderson, Squire, Kaye, Bruford, Howe, Wakeman, White en Rabin.
Dean is inmiddels de vaste hoezenmaker en daarmee het gezicht van Yes. Zelfs zijn oude logo is terug, het was even een tijd weg en/of aangepast. Zijn logo, dat vanaf ‘Close to the Edge’, is inmiddels hét logo.

Met alle wisselingen, veranderingen en draaiingen blijkt anno nu steeds opnieuw dat we de waardering voor Yes vooral moeten zoeken in de periode hierboven beschreven. ‘Classic Yes’ blijkt toch dé Yes te zijn. Dat de groep probeerde aan te haken met de wervelwinden van de stormachtige muziekwereld is mooi, maar uiteindelijk is jezelf blijven toch het best. Daarbij geldt als tweede regel dat de geschiedenis keer op keer herhaald wordt. Al enige tijd is de waardering voor – vooral - die oude symfonische/progressieve muziek van weleer helemaal terug en wordt Yes gerekend tot de Grote Vijf. Howe vertelde ooit dat Yes “a classy rock band” wilde worden. Dat is helemaal gelukt, niet alleen ‘classy, maar ook een groep met nogal wat ‘wonderlijke verhalen’, al dan niet als luistervoer.