logo van The Lemontree
tangerine dream: 1970-1978

De heilige drie-eenheid

omschrijving afbeelding

Ook in na—oorlogs Duitsland zetten jongeren zich af tegen de gevestigde orde en zochten eigen en nieuwe wegen in cultuuruitingen. Overal werd flink geëxperimenteerd met geluid en werden muziekgrenzen flink opgerekt. Zo ook in Berlijn.

Edgar Froese, Klaus Schulze en Conrad Schnitzler vonden zich in het loslaten van klank en structuur. In die fase leek hun muziek eerder een nachtmerrie dan een droom, maar langzamerhand ontstond uit de chaos een oase van rust.

Tangerine Dream koos met het ‘afwijzen’ van klassieke instrumenten niet het makkelijkste pad. Hun ontwikkeling liep daardoor parallel aan die van de diverse synthesizers met hun eigen klankkleuren.

Tangerine Dream is een boek met veel hoofdstukken, de eerste en de laatste zijn voor mij het spannendst, daarom hier nu het verhaal uit de beginperiode van een groep waarbij je je eigen dromen mocht maken.




West-Berlijn is na de oorlog een stukje West-Duitsland in Oost-Duitsland. Oost-Berlijn is de hoofdstad van de DDR, de Deutsche Demokratische Republik. De DDR onderhield nauwe banden met de Sovjetstaten en keerde zich af van het westen. West-Berlijn is dan geen hoofdstad van West-Duitsland, dat is Bonn. Tussen de twee delen van Berlijn staat een grote muur, die dag en nacht bewaakt wordt. West-Berlijn oefende voor de oorlog aantrekkingskracht uit op kunstenaars, schilders, fotografen als muzikanten. In de oorlog werd de stad vaker gebombardeerd, met als gevolg dat die na de oorlog bijna helemaal opnieuw opgebouwd moest worden. Net als overal in de wereld zochten jongeren in die nieuwe maatschappij een eigen stem en weg. Dat betekende in Duitsland veelal geen Heimat-musik meer, geen schlagers, maar iets anders, iets nieuws. Groepen als The Beatles en The Rolling Stones lieten een enorme indruk achter, net als The Doors, The Velvet Underground, The Kinks, Jefferson Airplane en zeker Frank Zappa & the Mothers of invention. Die laatste leek met zijn maatschappijkritiek en collage-achtige muziek een ‘klik’ te hebben met wat er in Duitsland gebeurde. Maar het was niet slaafs andere, veelal Amerikaanse/Engelse muziek volgen. Het was vooral zoeken naar een eigen weg daarin, een weg die veel meer gebaseerd was op die van Europese, klassieke muziek. Dat leidde tot een zoektocht met vergaande experimenten.

In Berlijn woonde de in Litouwen geboren Edgar Wilmar Froese (1944-2015). Froese hield van kunst en had zich ingeschreven op de kunstacademie. In zijn vrije tijd speelde hij gitaar in een bandje, The Ones. Gitaar, omdat hij eigenlijk niet goed kon zingen. The Ones waren uitgenodigd in Cadaques, Spanje, om in het zomerseizoen concerten voor de jeugd te verzorgen (1965). Die concerten bestonden vooral uit het naspelen van de hits van dat moment. In het pakket zat een optreden thuis bij kunstenaar Salvador Dali. Koren op Froese’s molen. Hij sprak dan ook uitgebreid met Dali en leerde uit die gesprekken vooral dat binnen de kunst “alles mogelijk is”. Dat knoopte hij in zijn oren. Wat Froese probeerde met schilderen kon natuurlijk ook met muziek.
Regisseur J. Avery maakte in dezelfde periode een documentaire over Dali’s leven en werk en vroeg The Ones muziek daarbij te maken. Dat deden ze, maar succes leverde dat niet op. Zowel film als muziek lijken in het stof der historie verdwenen. Maar filmmuziek maken, dat was wel wat, dat bleef hangen. Na het seizoen vertrok The Ones naar Parijs, richting armoe en honger. Met weinig perspectief op een gezonde toekomst viel The Ones al snel viel uit elkaar, waarop Froese terugkeerde naar Berlijn.

In Berlijn ontmoette hij kunstenaars, andere artiesten, maar zocht vooral mensen met wie hij muziek met veel meer vrijheid kon maken. Hij speelde in frees-tyle met mensen als Lanse Hapsash (drums), Kurt Kerkenberg (basgitaar) en Volker Hombach (viool, fluit). Maar het trio was niet heel bezettingsvast, tientallen anderen speelden mee of improviseerde wat op de avondlange concerten (1967-1968). Die duurden soms wel acht uur en waren regelrechte ‘happenings’. Meedoen kon en mocht, dansen, liggen, roken, waar je dan ook zin in had. Meestal trad Froese met kompanen op in het Zodiac Arts Lab. Dat kunstenaarslaboratorium was opgezet door Hans-Joachim Roedelius en Conrad Schnitzler. Experimenten met licht en geluid daar ging het om. Er waren twee grote ruimtes, de een helemaal zwart, de ander helemaal wit geschilderd. Met geluid en primitieve lichtshows werden de zintuigen van het publiek geprikkeld of gebombardeerd. Dat is maar hoe je het ziet. Froese had dan al voor de ‘groep’ de naam Tangerine Dream gekozen. Die naam komt uit een song van The Beatles, ‘Lucy in the Sky With Diamonds: “Picture yourself in a boat on a river, with tangerine trees and marmalade skies…’. Tangerine Dream maakt dan vooral rock, maar met uitgetrokken thema’s, lange solo’s en veel improvisaties en dat alles op een fikse, soms monotone ‘beat’. De voorloper van wat later ‘Krautrock’ genoemd zou worden.

The Beat Studio is een muziekwerkplaats van Thomas Kessler. Kessler, maker/componist van elektronische muziek, had meerdere studio’s gebouwd en was lid van Die Gruppe Neue Musik Berlin. Kessler werkte er onder anderen met Luc Ferrari. Froese kwam in The Beat Studio een Engelsman tegen, Steve Jollife (1949- /multi-instrumentalist). Jollife’s groep, The Joint, was net uit elkaar gevallen. Froese en Jollife konden het goed met elkaar vinden en besloten samen verder te gaan, alleen zochten ze nog een drummer. Die werd gevonden in de persoon van de Ghanees Al Akhbar, maar die bleef niet lang. Zijn vervanger Steve Lemmon (?), een Zweed, smeet letterlijk met de bekkens, dat was het ook niet. Ergens in de herfst bezocht Froese de ‘Zwiebelfisch’, een club voor moderne muziek. In de uienvis (wat een naam) treedt dan een groep op: Psy-Free. De maniakale drummer van de band viel op: Klaus Schulze (1947- /drums, keyboards). Schulze, student psychologie en experimentele compositie, maakte nogal wat ‘lawaai’ met zijn band. Net als Froese was Schulze op zoek naar vrijheid in de muziek. Met zijn intense drumstijl probeerde hij letterlijk de grenzen te doorbeuken. Schulze was behoorlijk beïnvloed door Thomas Kessler, hij kende hem goed en kwam vaak in diens studio.
Met Schulze was de groep compleet, maar nadat alle bagage en bezittingen van Jollife na een concert van het dak van de auto ‘verdwenen’ waren moest die noodgedwongen terugkeren naar Engeland. Zijn vervanger werd een gitarist, ene Happy Dieter. Dieter, een van de ‘Umherschweifende Haschrebellen’, is ook maar kort lid van Tangerine Dream. Hij is wel te zien op een van de eerste filmpjes van de groep.
Froese had in het Zodiac Arts Lab inmiddels uitgebreide contacten met Conrad Schnitzler (1937-2011/cello, viool, elektronica) en vroeg hem of hij niet bij Tangerine Dream wilde komen spelen. Schnitzler’s antwoord: “You know I cannot play?” was voldoende als ‘toegangsbewijs’.

Het trio Schulze, Schnitzler en Froese treedt in september 1968 op tijdens ‘Die Inernationale Essener Songtage’ in Essen. Het is een festival “voor iedereen wat”, met groepen als: Amon Düül, Tim Buckley, Cuby & the Blizzards, Family, Floh de Cologne, Peter Brötzmann, The Fugs, Alexis corner én Frank Zappa met The Mothers of Invention. Het was op dat moment met zo’n veertigduizend bezoekers het grootste popfestival in Europa. Het publiek begreep echter niet wat Tangerine Dream wilde overbrengen, het onbeheerste klinkende geluid zette menig bezoeker aan tot luid boegeroep.

Dat het publiek het niet begreep deerde niemand. Met Schulze en Schnitzler heeft Froese enkele, muzikale ‘zwaargewichten’ in de groep, mensen met een visie én een missie. Meteen al duidelijk is dat het met dit trio niet bij één soort muziek blijft. De ‘nieuwe’ muziek wordt een mix van rock, jazz, klassiek, etnisch én elektronisch. Het trio experimenteert erop los met instrumenten als piano, gitaar, cello, viool, drums en percussie. En natuurlijk een Revox tapedeck. Die wordt niet alleen ingezet als opnameapparaat, maar ook als medium om geluiden mee te maken. Tangerine Dream neemt in de oefenruimte een vijftal stukken op, met als overkoepelende naam ‘Electronic Meditation’. Die meditatie bestaat uit ‘Genesis’, een reis door een brandend brein (titel waarschijnlijk geïnspireerd door het werk van Dali), ‘Journey Through a Burning Brain’, ‘Cold Smoke’, Ashes to Ashes’ en ‘Resurrection’. Wat de heren met een best conventioneel instrumentarium aan klanken laten horen mag, zeker voor de tijd, bewonderenswaardig genoemd worden. Het is niet de meest perfecte opname en niet alles verloopt vlekkeloos, maar je hoort een groep mensen die gedreven is om meer uit muziek te halen dan tot dan gebruikelijk was. Ondanks de primitieve aanpak is ‘Electronic Meditation’ een mijlpaal in de muziekhistorie.
Het duurde echter nog even voordat het werk als album op de markt kwam. Weinig platenmaatschappijen waren geïnteresseerd in deze “klankenbrij”. Rolf-Ulrich Kaiser, impresario en ‘vrijdenker’, zocht wegen om muziek aan de mens te brengen. Hij had contact met Philips, eigenaar van o.a. Philips Records, Polydor en Decca. Net als alle andere platenmaatschappijen zocht Philips klanten en muziek die ze bij de klanten konden brengen. Van muziek wisten ze niets, van handelen des te meer. Via Kaiser konden ze muziek daar brengen waar ze hoopte dat e er geld mee konden verdienen. Kaiser dacht hetzelfde en richtte zijn label ‘Ohr’ op. ‘Ohr’ van “Macht das Ohr auf”. Kaiser kende Tangerine Dream uit de ‘Berliner scene’ en bood de groep een contract aan voor vijf albums. Dat hij dat deed verbaasde iedereen in de band, ze hebben er eens flink om gelachen, maar uiteindelijk kwam er nu wel een echt album.

‘Electronic Meditation’ werd uitgebracht in oktober 1970 in een luxe klaphoes van Reinhard Rippen. Voorop een bedraadde pop op een printplaat, binnenin uitleg in Duits en Engels. De eerste uitvoering had een ‘cut-out denkwolk’ en is een gewild collectors item. Niet op hoes staat dat ook Thomas Keyserling (fluit) en Jimmy Jackson (orgel) als gast meespelen.
‘Electronic Meditation’ is, ondanks de apparatuur, volgens Schulze “Een album met elektronische muziek”. Dat is meteen te horen bij de openingstrack ‘Geburt’. Je hoort allerlei niet te plaatsen klanken, geluidscollages en flarden fluit en drums. Vergelijkbare muziek was alleen te horen bij Pink Floyd, bijvoorbeeld op ‘A Saucerful of Secrets’ (1968) en ‘Ummagumma’ (1969). Even tussendoor: in dezelfde maand als ‘Electronic Meditation’ kwam hun album ‘Atom Heart Mother’ (1970) uit. Dat waren nog eens tijden. Om het allemaal te bevatten was eigenlijk je hoofd te klein. Er gebeurde nogal wat in muziek in die tijd…
‘Reise durch ein brennedes Gehirn’ lijkt wel wat op de muziek van Pink Floyd. Schulze legt een drumbasis neer, waaroverheen Froese gitaarklanken uitstrooit en dat alles omgeven met flarden elektronica. ‘Kalter Rauch’ loopt over in ‘Asche zur Asche’. Beide typische underground-muziek. Orgel- en gitaarklanken op drumpatronen. Fluitjes, gehijg, van alles vliegt om je oren en het gaat lekker lang door. Het is de muziek die je in die tijd in clubs zou horen als je ergens binnenstapte. Experimenteel, geïmproviseerd. In het slotstuk ‘Auferstehung’ hoor je een kerkorgel en leest Froese de tekst van zijn bootticket voor. Zijn stem is bewerkt en achterstevoren afgedraaid. Plaatje afgelopen. Phew, wat een reis, of moet ik zeggen trip, want daarvoor werd dit album regelmatig gebruikt.
Het Duitse blad Sounds omschreef ‘Electronic Meditation’ als “an electronic rock excursion into a stereophonic nirvana.” Die omschrijving klopt precies.

Nog voordat het album op de markt was had Schulze aangegeven te willen stoppen met de band. Hij ging trouwen en zijn vriendin/vrouw vond het fijn als hij eens wat vaker thuis zou zijn. Het huwelijk duurde niet lang, maar Schulze keerde niet meer terug in Tangerine Dream. Hij was kort drummer bij Ash Ra Tempel, maar ging al gauw zijn eigen, eenzame weg. Zijn muzikale reis doet in niets onder voor die van Tangerine Dream, is zelfs vaker avontuurlijker en spannender, maar daarover een andere keer.

Opnieuw kwam het toeval op Froese’s pad door de ontmoeting met de dan zeventienjarige Chris(topher) Franke (1953- /drums, elektronica). Franke was drummer geweest bij Agitation en vervolgens Agitation Free. Net als de anderen was Franke op zoek naar een vrijer geluid. Froese vroeg of Franke geïnteresseerd was in Tangerine Dream. Dat was hij. Echter niet lang daarna verliet Schnitzler de band en was Tangerine Dream opnieuw een duo, maar Berlijn en de wereld daarbuiten zouden nog lang van zowel Schulze, Schnitzler als Tangerine Dream blijven horen.

Steve Schroyder (1950- /orgel, elektronica) had het eerste album van Tangerine Dream gehoord en was zo enthousiast dat hij met de band in contact wilde komen. Hij zocht uit waar Froese woonde en ging naar zijn huis: “Ik ben diegene op wie je zat te wachten, je nieuwe orgelspeler, direct gestuurd uit de ruimte!” De verbijsterde Froese vroeg hoe hij wist dat ze op zoek waren naar iemand. Schroyder’s antwoord: “Ik hoorde een stem, hier binnen” en hij wees op zijn hart. Typisch Tangerine Dream verhaal. Trio weer compleet.

Met dit trio trad Tangerine Dream regelmatig op, de apparatuur werd wat uitgebreid, het geluid steeds harder. Ook dat past in de tijd, muziek moest je niet alleen beluisteren, je moest die ook voelen. Met onze kosmonaut liep het niet zo soepeltjes. Schroyder werd meerdere malen opgepakt vanwege zijn LSD-gebruikt en afgeleverd bij een kliniek voor geesteszieken. Steeds wist hij op tijd te ontsnappen om met concerten mee te kunnen spelen, maar één keer ging het mis. Daarop gingen Froese en zijn vrouw Monika naar de kliniek om Schroyder ‘vrij’ te krijgen. Dat lukte. Net op tijd voor de opnamesessies voor een tweede album. Franke mocht overigens alleen meedoen met die opnames nadat zijn ouders hadden getekend voor goedkeuring. Hij was nog te jong om dat zelf te kunnen doen…

In januari 1971 is Tangerine Dream in de dan kleine studio van Dieter Dierks in Stommeln. Naast het vaste trio zijn Udo Dennenberg (fluit, teksten) en road-manager Roland ‘Rolli’ Paulyck aanwezig. In Dierks’ studio ziet de groep een eerste synthesizer, de EMS VCS3; het revolutionaire apparaat in een koffer, bedacht en samengesteld door Peter Zinovieff en David Cockerell. Er komen allerlei geluiden uit die interessant zijn voor Tangerine Dream’s muziek, maar er is te weinig tijd om het apparaat goed te leren kennen. Paulyck mag de helse machine bedienen. De rest van de apparatuur is net als op het eerste album normaal te noemen: gitaar, basgitaar, orgel, percussie, drums en als meest ‘buitenissige’ een citer. Al die instrumenten worden behandeld met effecten, al dan niet door tapebewerkingen. Alles is geluid, niets is geluid, immers. Voor het opnemen waren vijf sessies nodig, bij de laatste was Schroyder verdwenen. Hij had “berichten doorgekregen” en was op weg naar een onbestemde reis door Europa. Gelukkig was het album net af. De hoes werd dit keer gemaakt door Monika Froese (1947-2000/ontwerpster). Ze zou dat to haar vroegtijdige overlijden blijven doen.

In maart 1971 bracht Ohr Tangerine Dream’s twee album, ‘Alpha Centauri’, uit. Door een foutje stond alleen de titel op de voorzijde en niet de bandnaam. Er was wel een tekst op de hoes: "The music material of this album was felt by Tangerine Dream. This album Is dedicated to all people who feel obliged to space." Schroyder had blijkbaar enige invloed gehad op het groepsproces. Op lp-kant A: ‘Sunrise in the Third System’ en ‘Fly and Collision of Comas Sola’ (de naam van een komeet) en kant-B de lange titeltrack.
‘Alpha Centauri’ leunt erg op lange orgelklanken met daaroverheen ‘gedrapeerd’ talloze geluidseffecten. De geest van Rick Wright (Pink Floyd) is ‘all over the place’. De drums zijn minder aanwezig of helemaal op de voorgrond, dat is het grootste verschil met het eerste album. Een groot deel van de muziek is slechts schematisch vastgelegd, veel is geïmproviseerd, ‘gevoeld’ al dan niet telepathisch. De ‘partituur’ van ‘Alpha Centauri’ is op de hoes te zien.

Op de cd-versie uit 2011 staat een extra bonustrack: ‘Oszillator Planet’. Het is een live-stuk van acht minuten, opgenomen in de ORF-Studio, Klagenfurt ter gelegenheid van het derde “Internationales Musikforum Ossiachersee” in Oostenrijk op 29 juni 1971. Dat muziekforum had als ondertitel: “Die Musiker Improvisieren den Aufstand”. Er werden zowel jazz- als pop/rock-groepen uitgenodigd. Voor het derde forum was Tangerine Dream gevraagd net als Pink Floyd en The Dave Pike Set , een Amerikaans/Duits jazz-ensemble. ‘Oszillator Planet’ was opgenomen voor het album ‘Ossiach Live’, een 3lp-verzamelalbum met onder anderen werk van The Dave Pike Set, Weather Report, Tangerine Dream en een aardig deel Christelijke en Arabische liturgisch zang.
Tijdens dat concert was Tangerine Dream een vernieuwd trio. Schroyder weer weg en als nieuweling was de dan achttienjarige (Hans-)Peter Baumann (1953- /elektronica) in de groep opgenomen . Baumann had in allerlei bands gespeeld, zoals The Ken Su Chop Stix, Burning Touch en The Ants. Net als Froese was Baumann op zoek naar ‘iets nieuws’ in muziek. De twee hadden meteen een ‘klik’ en zouden dat blijven houden, zelfs na Baumann’s vertrek uit Tangerine Dream. Dat lag anders bij Franke, met hem kon Froese goed samenwerken, maar in de hele historie van Franke binnen Tangerine Dream is die slechts één keer bij Froese thuis op bezoek geweest.

Eind augustus bracht Ohr een single van Tangerine Dream uit: ‘Ultima Thule, part one/Ultima Thule, part two’ (1971). Het is een stukje ‘Fly and Collision of Comas Sola’ dat aangevuld is tot een nieuw werk. Voor het eerst is een nieuw instrument te horen, die goddelijke Mellotron. ‘Ultima Thule’ klinkt meer als de oude Pink Floyd, dan als de nieuwe Tangerine Dream. De allereerste editie van de single is nu een gezocht item, maar bij latere cd-re-releases is die meestal als bonus toegevoegd.

‘Alpha Centauri’ verkocht gestaag en werd her en der opgepikt door journalisten en radio-programmamakers. Het album was zelfs “lp van het jaar” en Tangerine Dream kreeg een derde plek als “groep van het jaar” bij de lezerspoll van Sounds Magazine.
Tangerine Dream stond regelmatig op het podium bij diverse concerten en maakte meer en meer naam. Dat zorgde ervoor dat de groep opnieuw gevraagd werd filmmuziek te verzorgen en wel voor de tv-film: ‘Vampira’ (1971) van regisseur George Moorse. Nooit op lp of cd uitgebracht. De muziek is met wat zoeken wel te vinden en klinkt als een voortzetting van ‘Alpha Centauri’.

Chris Franke was zo onder de indruk van de mogelijkheden van de EMS VCS 3 synthesizer uit de studio van Dierks dat hij er graag zelf een wilde hebben. Hij vertrok naar Engeland om er een te kopen bij EMS zelf. Alleen had hij daarna niet meer genoeg geld om de invoerrechten te betalen en bracht de koffer dan maar zo het land in. De VCS3 komt veelvuldig voor op Tangerine Dream’s derde album ‘Zeit’ (1972). Maar er duikt nog een nieuw apparaat op, The (big) Moog synthesizer. Florian Fricke van Popol Vuh had zo’n peperduur apparaat gekocht. Als kind van zeer welgestelde ouders was dat niet zo’n probleem. Het was het eerste exemplaar in Duitsland. Fricke werkte er veelvuldig mee in zijn eigen groep. Met een Moog kan nog meer dan met een EMS, dus vroeg Froese of Fricke niet een Moogje wilde helpen bij de opnames. Opnieuw ging iedereen naar Stommeln en de inmiddels uitgebreide studio van Dierks. Ook aanwezig daar een viertal cellisten: Christian Vallbracht, Jochen von Grumbk(c)ow, Hans Joachim Brüne en Johannes Lücke. De cellisten werden ingewerkt/begeleid door niemand minder dan Steve Schroyder die even terug was van zijn kosmische zoektocht. Een vreemde setting, niemand kende elkaar en niemand wist wat er ging gebeuren of wat er met hun partij zou gaan gebeuren. Een deel van de cello-opnames is te horen in de openingstrack van het ‘First Movement’: ‘Birth of Liquid Plejades’. Het klinkt een beetje als wat Arvo Pärt later zou doen. Een beklemmende klank die na enige minuten, men had alle tijd immers, overgaat in lange orgelklanken en effecten van Fricke’s Moog. De muziek beweegt voorwaarts, maar lijkt tegelijkertijd stil te staan. Dat geldt ook voor ‘The Second Movement’: ‘Nebulous Dawn’. Als je het hebt over kosmische muziek dan zitten we hier goed: ijle klanken in de ruimte en niet weten wat waar en hoe. Het tijdsgevoel werd al aardig opgerekt. Froese: "Zeit, which means 'time', was based on the philosophy that time was in fact motionless and only existed in our own minds."
De muziek van ‘Zeit’ valt eerder onder elektronische muziek dan rock, drums zijn niet te horen, wel bekkens. ‘Third Movement’: ‘Origin of Supernatural Probabilities’ begint al iets meer te ‘kabbelen’ met ‘synthi-waves’. Het slotstuk, ‘Fourth Movement’, bestaat uit lange tonen, zachte klanken, onaardse muziek. De meeste stukken zijn al improviserend ontstaan. Na vier lp-kanten, ‘Zeit’ werd een dubbel-lp, ben je bijna letterlijk van de wereld.

‘Zeit’ werd in augustus 1972 uitgebracht. De prachtige, sfeervolle hoes was van Monika en Edgar Froese, het kindje binnenin hun zoon Jerome. Vele jaren later zou hij bij pa in de band komen spelen, maar dat leidde tot onaangename situaties en het vertrek van hem. ‘Zeit’ was een van de eerste albums, zo niet hét eerste dat muziek liet horen zonder drums: “The Purest expression of Space Music.” (AllMusic). Voor veel mensen was dit een moeilijk album, waarbij de vastigheden van ritme, tijd, cadans, songteksten niet aanwezig waren. Hoe kon een band dat vier lp-kanten lang volhouden? Wie luisterde hiernaar? Zat! Blijkbaar had Tangerine Dream iets aangeboord wat mensen aansprak. Bij deze muziek konden ze hun eigen film maken. En natuurlijk werd diezelfde muziek gebruikt om eens lekker bij te trippen. Far out man, letterlijk! De waardering voor ‘Zeit’ kwam pas jaren later, maar dat maakte Froese niet uit. Op het moment van maken hadden ze de absolute vrijheid om te doen wat ze wilde doen.

Bij optredens in Duitsland die volgden op het album werd de groep regelmatig uitgejouwd, maar muziekliefhebbers in andere landen waren een stuk positiever. Zo draaide de populaire Engelse DJ, John Peel, het hele album (!) in zijn radioshow. Hij gebruikte het album ook om tot rust te komen: “After a day of listening to perhaps 15 or 20 new (and usually terrible) lp’s, my lady and I sit down and listen to Zeit before going to bed. It clears all the muck out of heads.”

Bij de cd-rerelease versie in 2011 werd als bonus ‘The Klangwald Performance, Cologne, November 1972’ gevoegd. Die bestaat uit ‘Klangwald, part one’ en ‘part two’; samen met een lengte van bijna tachtig minuten(!) Indertijd een concert voor de radio, opgenomen in de ‘Grossen Sendesaal des Rundfunkhauses’. Een uniek moment en mooi om hier te kunnen horen. ‘Klangwald’ ligt in het verlengde van ‘Zeit’, je hoort dat Froese, Baumann en Franke snelle leerlingen zijn en al veel meer uit hun EMS VCS 3’s halen.

Het vierde album is ‘Atem’ (1973). Meer nog dan de VCS 3 wordt op ‘Atem’ de Mellotron gebruikt. Het sample-achtige apparaat leende zich immers voor ‘strange sounds’, maar ook voor gewonere geluiden als fluit. Op ‘Atem’ spelen zowel Franke als Baumann de VCS 3, Franke orgel en percussie, Baumann orgel en piano en Froese de Mellotron, gitaar en orgel. De hoes is van de Froese’s. Het album werd eind 1972, begin 1973 opgenomen in de bekende studio van Dierks.
Op ‘Atem’ staan vier tracks. ‘Atem’ is bijna ambient-muziek. Verstild met percussie op de achtergrond. Het is het langste nummer van het album en ruist vooral van synthesizerklanken.’Fauni-Gena’ is een reis door de jungle, de warmte slaat je al tegemoet. Ondertussen hoor je naast alle Mellotron-klanken geluiden als van dieren in de bomen en in de verte. Het nummer lijkt daarmee een voorloper te zijn op Froese’s prachtige soloalbum ‘Epsilon in Malaysian Pale’ (1975/elders op de LemonTree te lezen). ‘Circulation of Events’ en ‘Whan’ zijn voor Tangerine Dream’s begrippen relatief kort, tegen de zes en vijf minuten. In ’Circulation of Events’ gebeurt tegen het eind iets bijzonders, daar begint een klein ritmepatroon te spelen. De voorloper op de sequenties die later zo het geluid van de groep zouden bepalen. ‘Wahn’ is een collagenummer, het meest ‘drukke’ van dit album, stemmen, geschreeuw, drums, gelukkig eindigt het weer in hemelse sferen en in alle rust. ‘Atem’ werd goed ontvangen. De Engelse DJ John Peel was meteen fan en verklaarde het album zijn album van het jaar. Peel was een gezaghebbend man, als hij iets goed vond had dat gevolgen. Zo werd Tangerine Dream gevraagd voor concerten in Engeland en albums geïmporteerd door een nieuwsgierig geworden Engels publiek. Ergens in een andere deel van een ander verhaal begint ene Richard Branson met zijn lp-importwinkeltje in Londen, Virgin. Vanwege de stijgende vraag bracht Philips’ dochter, Polydor, het album kort uit in Engeland.
“Atem’ werd omschreven als ‘pure spacerock’, maar het is net zo goed ‘puur-meditatief’. Wat je er ook maar in wel horen. Het was in ieder geval wel een album dat duidelijk anders was dan de vorige drie.
Bij de re-release-cd in 2011 krijgen we als bonus een tweede cd met het concert uit de ‘Deutschlandhalle’, Berlijn, opgenomen op 29 november 1973. Dat concert mag je met enige fantasie is de ‘missing link’ naar de nabije toekomst van Tangerine Dream noemen. Wat ze hier laten horen gaat al heel veel richting sequencers en onderliggende ritmische patronen. Een fascinerend concert!

Vele jaren later zijn alle releases in tijdvakken of periodes verdeeld. Met ‘Atem’ worden de zogenaamde ‘Pink-Years’ afgesloten. Pink refereert waarschijnlijk aan Pink Floyd. Maar tegeelijkertijd werd ook het tijdperk met Rolf-Ulrich Kaiser werd afgesloten. Kaiser wilde Tangerine Dream meer en meer verkopen als ‘kosmische Musik’, maar dat was tegen de zin van Froese die dat niets vond, hij was al verder in de groei en wilde zich absoluut niet beperken tot één paraplu.

Dat beperken gold zeker ook voor Baumann. Hij was misschien wel de meest avontuurlijke van de drie en wilde zich niet alleen vastleggen in Tangerine Dream. Na ‘Atem’ vertrok hij dan ook naar Nepal en India. Het was geen afscheid van de groep, meer een retraite. Froese en Franke werkten ‘gewoon’ door aan een volgend project en zaten in augustus 1973 in Skyline Studios, Berlijn. Bij zich hadden ze nieuwe apparatuur als de Mini-Moog en een eerste versie van een sequencer, de EKO ComputeRhythm. Die kon nog niet heel veel, maar in ieder geval al wel voorgeprogrammeerd worden met een sequentie van een beperkt noten en die konden herhaald worden. In het geheugen waren zes (!) geluiden opgeslagen, maar de machine kon ook extern aangestuurd worden. Franke: "The rhythm controller came from Italy and looked like something from science fiction with its console of 128 buttons which all lit up. It could be programmed, it was analogue and it was polyphonic! The lights blinked, I had hands on control and later I used it as a sequencer to trigger other synthesisers." Er zijn wereldwijd slechts twintig EKO’s gebouwd. De EKO is ook te horen bij de eerste albums van Jean Michel Jarre.
Met de tape van de opnames ging Froese naar Richard Branson in Londen. Die had net Virgin Records opgezet. Het contact verliep aangenaam, waardoor Froese een vijfjarig contract kreeg bij het label waar op at moment ook Mike Oldfield, Gong en Henry Cow zaten. Geen slecht adres, tenminste toen.

Wat die twee in 1973 opgenomen hadden hoorden de fans pas in 1986 voor het eerst met de lp: ‘Green Desert’. Nadat Baumann was teruggekeerd werd er aan en nieuw album gewerkt en deze sessie op de plank gelegd, In 1984 ‘vond’ Froese die, bewerkte alles met machines van toen, waardoor er een ander klankbeeld ontstaat. Het lijkt Zappa wel. Het album is in de loop der tijd in verschillende hoezen uitgebracht, de lelijkste is een futuristisch bedoelde neongroene. Over het algemeen wordt nu de hoes met het rotslandschap gebruikt, maar er zijn ook met afbeeldingen met een detail van een luchtballon. Froese was indertijd niet heel tevreden met het werk, hij miste de creatieve input van Baumann, degene die het dichtst bij zijn benadering kwam ook. Lezend in Froese’s autobiografische boek, ‘Force Majeure’ (2020), bleek dat de zaken op Tangerine Dream’s diepere achtergrond anders lagen dan ik tot dan toe had gedacht. Uit dat boek komt Baumann veel meer over als het creatieve brein naast Froese en Franke meer als een uitvoerder. Ik heb ook regelmatig gelezen dat Froese opleefde als bij live-concerten Baumann zijn sequenties inzette, terwijl ik altijd had gedacht dat die van Franke afkomstig waren. Het zette mijn oranje-wereld wat op de kop, maar tegelijkertijd vielen allerlei puzzelstukjes op zijn plek, waaronder de tolerantie van het meerdere keren komen en gaan van Baumann en het feit dat die vele jaren later nogmaals benaderd werd om terug te keren in de groep.

‘Green Desert’ is heel helder hét album tussen ‘Atem’ en ‘Phaedra’, Tangerine Dream op weg van abstract naar concreet. Op ‘Green Desert’, de titeltrack, horen we de eerste drummachine, maar ook een veel duidelijkere gitaar van Froese. Wat vooral opvalt: de muziek heeft veel meer structuur gekregen. ‘White Clouds’ is bijna een ‘gewoon’ rocknummer met een duidelijk ritme, melodielijn, thema en een duur van vijf minuten. Dit is de Tangerine Dream van de nabije toekomst. ‘Bij Astral Voyager’ staan de ritmesequenties nog meer op de voorgrond, de gitaar is afwezig ten gunste van synthesizerthemaatjes. Het slotstuk ‘Indian Summer’ is een rustig nummer, hier geen ritmes, maar wel een duidelijke lijn en herkenbare structuur. Hoe het origineel klonk is onduidelijk, wel is het achteraf een album op weg naar…

‘Phaedra’ (1974), het eerste album op Virgin Records en meteen een mijlpaal in de muziekwereld. ‘Phaedra’ definieerde de ‘sound’ van Tangerine Dream. De langere, geïmproviseerde stukken op basis van reeksen sequenties afkomstig uit de Big Moog. Met het voorschot van Virgin kon de groep een echte Moog synthesizer kopen. The Big Moog is een modulair systeem, met diverse onderdelen uit te breiden. Je kon er allerlei geluiden mee maken, maar ook repetitieve klankenreeksen en die in allerlei herhalingen of settings programmeren. Dat onderdeel heet de ‘sequencer’. Zowel Franke als Baumann stortten zich op het apparaat, Franke zelfs tot diep in de nacht. Je zou kunnen zeggen dat met het gebruik van de sequencer de drums via de achterdeur terugkwamen in het muziekbeeld.

Alle machines en manschappen vertrokken naar Virgin’s The Manor-studio in Engeland. Maar opnemen daar was geen feestje. Door temperatuurschommelingen raakte de apparatuur ontstemd. Het duurde uren om alles op elkaar af te stemmen. Alle instellingen moesten opgeschreven worden, er was geen geheugen, geen ‘presets’, niks, alleen papier en pen. Verder waren er regelmatig problemen met de geluidsmixer, ging de opname-tapedeck stuk, net als de luidsprekers in de studio. Die laatste waren niet berekend op de door Tangerine Dream gebruikte frequenties. Na elf dagen hadden ze pas zes minuten muziek. Na een lange dag lagen Franke en Baumann te slapen, Froese ging met vrouw Monika (soms wordt ze in Engelstalige stukken Monique genoemd) naar de studio. Terwijl Froese zich uitleefde op de Mellotron, bediende Monika de phaser. Met een phaser krijg je een wat golvend (klinkt als de zee of als wind), elektronisch geluid. Samen namen ze zo ‘Mysterious Semblance at the Stand of Nightmares’ op. Vroeger vroeg je je af waarom dit stuk die naam had, met bovenstaand verhaal is het in één klap duidelijk. Wat het echtpaar heeft opgenomen is zo op het album beland.
Het titelnummer, bijna zeventien minuten lang, is een groepsimprovisatie. Die begint met de geluiden van het stemmen van de apparatuur, maar na drie munten gaat een sequencer te lopen en zet Froese in met zijn Mellotron. Daarna was Tangerine Dream nooit meer dezelfde. Aan het eind ontspoort de apparatuur wat door het ontstemd raken als gevolg van temperatuurwisselingen, maar dat is met wat vogelachtige geluidseffecten opgevangen. ‘Movements Of A Visionary’ is de tweede groepscompositie. Daar gebeurt in het kort hetzelfde als bij de titeltrack in de zin van: geluiden beginnen, de sequencer gaat aan en daaroverheen wordt geïmproviseerd.
Het slotstuk, ‘Sequent C.’ is van Baumann. Het is een kort, zacht, dromerig stuk met Mellotron-fluiten.
Na zes weken was het album af. Bij de hoes voor ‘Phaedra’ mag je je eigen fantasie gebruiken en dat past prima bij deze muziek. De verkopen, zeker in Engeland, liepen uitstekend. Het album kwam tot de vijftiende plek in de albumlijst en was daarmee het eerste grote succes en dat zonder enige promotie van radio of tv. In de ‘Heimat’ verkocht het album nauwelijks!
‘Phaedra’ wordt gezien als het eerste album van Tangerine Dream’s ‘definitieve stijl’ en is een van de grondleggers van de zogenaamde ‘Berlijnse School’. Daarmee wordt gedoeld op de sequencer-gestuurde muziek. Het album wordt tevens gezien als een van de beste van de band, een van de ‘most exciting’ in elektronische muziek én zeker een album dat je gehoord moet hebben in je leven.

‘Phaedra’ is regelmatig opnieuw uitgebracht al dan niet geremixed. De jongste versie is die van Steve Wilson, inclusief een 5.1. surroundmix in de verzamelbox ‘In Search of Hades - The Virgin Recordings 1973-1979’ (2019).

Hoe Tangerine Dream live klonk is goed te horen in ‘The Official Bootleg Series, Volume One’. Het concert in Reims Cathedral was spraakmakend (elders op de LemonTree te lezen). Het concert in Mannheim is twee jaar later en in de tijdbalk een in de buurt van de muziek die de band toen maakte na ‘Stratosfear’ en ‘Sorcerer’. Maar daarvoor was al heel wat gebeurd. In diezelfde box hoor je ook Baumann’s invaller, Michael Hoenig (1952- /elektronica, componist). Baumann was met goedkeuring van Froese opnieuw op stap en zou na terugkeer gewoon zijn plek weer innemen. Met Hoenig werden enkele concerten in Engeland en Europa gegeven, maar daarvoor was eerst nog ‘Rubycon’ verschenen.

‘Rubycon’ (maart, 1975) is het jongere zusje van ‘Phaedra’. Duidelijk familie. ‘Rubycon’ bestaat ‘slechts’ uit één stuk, respectievelijk ‘part one’ op lp-kant A en ‘part two’ op lp-kant B. Beide delen hebben een lengte van bijna achttien minuten. De stijl is dezelfde als op ‘Phaedra’, alleen nog iets meer uitgekristalliseerd. Froese: ‘When we did Rubycon we talked much about if we wanted a commercial success or if we wanted to be progressive on our own terms. And honestly, we decided that it was mostly ourselves it was all about. We wanted to develop the music we liked the most and to express ourselves personally.” (citaat: In Search of Hades boxboek).
Het instrumentarium is niet drastisch veranderd, alleen Baumann heeft de ARP 2600, een modulaire synthesizer, aan zijn rek toegevoegd.
‘Rubycon’ wordt gezien als een van Tangerine Dream’s beste albums. In Engeland kwam het in 1975 tot de tiende plek in de albumlijst.

‘Heet op de hielen’ van ‘Rubycon’ volgde diens broertje ‘Ricochet’ (1975), een live-album. Tenminste… Net als bij ‘Rubycon’, bestaat ‘Ricochet’ uit slechts één lang nummer, verdeeld over de twee lp-kanten. Volgens de hoes live opgenomen in Frankrijk en Engeland, maar in werkelijkheid – en daar kwamen we pas jaren later achter – is het album voor een klein deel op lp-kant B opgenomen in Fairfield Halls, Croydon en de rest in de studio. Zorgvuldig samengesteld met behendig knap en plakwerk door Herr Baumann. En dat heeft hij wel heel goed gedaan. Een groot deel van het originele concert is te horen op een van de cd’s uit ‘The Bootleg Box Set - vol. one’ (2003). De andere stukken van ‘Ricochet’ komen van restopnames uit The Manor die in de periode na het concert in Croydon plaatsvonden.
Wat voor de vorige twee albums telt, geldt ook voor ‘Ricochet’, het is het typische geluid van de groep in deze tijd, een aaneenschakeling van diverse thema’s, vrije improvisatie en de sequencer als ritmische ondergrond. De muziek is wel steeds rijker, omdat de groep simpelweg meer ervaring heeft met de apparatuur. Ondanks de prachtig hoes van Monika Froese verkocht het album toen niet heel geweldig, nu is het er een uit de serie ‘beste albums van’.

Met ‘Stratosfear’ (1976) sloeg Tangerine Dream een andere weg in, ik zou bijna zeggen, de weg van de popmuziek, maar dan uitgevoerd met synthesizers: wat kortere stukken, meer ‘gearrangeerd, meer duidelijke ritmiek en meer duidelijke gitaarpartijen. In eerste instantie zou het album ‘Stratosphere’ heetten, maar na allerlei problemen in de studio tot zelfs het verdwijnen (!) van de mastertape toe werd de naam veranderd in ‘Stratosfear’.
Er staan vier tracks op het album, het titelnummer, ‘Th Big Sleep in Search of Hades’, ‘3 AM at the Border of the Marsh from Okefenokee’ en ‘Invisible Limits’. Het is een prachtig album, opnieuw, dat flink gebruik maakt van de fluit-preset van de Mellotron. ‘Stratosfear’ is een track in fiks tempo. Filmmuziek. En dat is precies wat na dit album zou gaan volgen. Zowel Franke als Froese spelen op het album Moog, Baumann heeft dan de speciaal voor hem gebouwde Projekt Elektronik Rhythm Computer in gebruik, een modulaire synthesizer die vergelijkbaar is met de Big Moog, maar veel meer kon, makkelijker in gebruik was en vooral stabieler. De Grote Moog werd daardoor een stuk minder ‘belangrijk’.
Met ‘Stratosfear’ neemt Tangerine Dream ‘afscheid’ van de kosmos. De vage, ijle geluiden uit de beginperiode zijn inmiddels verdrongen door meer én herkenbare structuren. Of de overgang te groot was voor het bedwelmde publiek? Het album komt niet voor in een albumlijst.

De filmmuziek kwam helemaal tot leven met de soundtrack voor de film ‘Sorcerer’ (1977) van William Friendkin. Het verhaal is gebaseerd op de Franse novelle ‘Le Saliare de la peur’ (1950) en wordt gezien – ook al spreekt Friedkin dat tegen – als een nieuwe versie van de film ‘The Wages of Fear’ (1953) van Georges Clouzot. De kern: een groep mensen brengt in het Zuid-Amerikaanse regenwoud dynamiet en nitroglycerine met hulp van oude trucks naar de plaats van bestemming. De hoes zegt genoeg. Friedkin wilde voor zijn film heel andere muziek, hij had Tangerine Dream in München gehoord en dat leek hem perfect. De groep maakte ‘random’ een reeks muziekstukken, totaal zo’n anderhalf uur. De tape ging naar Friedkin, waarna deze keek bij welke scene iets het best paste. Meestal werkt het andersom, maar in dit geval kon Friedkin uitstekend uit de voeten met de reeks composities van Tangerine Dream. De film was niet zo’n succes, dat succes ging vooral naar Star Wars die min of meer tegelijkertijd verscheen. Tangerine Dream’s muziek was wel een succes, na deze filmscore werd de groep regelmatig gevraagd voor filmmuziek. In mijn bescheiden optiek zelfs zo veel, dat dat pad afleidde van waar de groep eigenlijk voor stond of mee bezig was. Hoe dan ook, het beïnvloedde de toekomstige muziek van de groep behoorlijk en niet altijd ten goede.
Op ‘Sorcerer’ horen we Mellotron’s, Moog, Projekt Elektronik synthesizer én Sequencer. ARP Pro Soloist, Oberheim sequencer, ARP Omni, PPG Synthesizer, Elka String Ensemble. Daarmee maar even aangevend dat Tangerine Dream de ontwikkelingen van nieuwe apparatuur op de voet volgde er en bijna onmiddellijk gebruik van maakte. Soms als ‘proefband’, maar vaak als deskundigen, waarbij tips over verbeteringen retour fabrikant gingen.
Bijzonder is dat ‘Sorcerer’ in Engeland wél in de albumlijst kwam en wel op de 25e plek. Het album viel indertijd wat uit de band’s albumboot, maar hoort er tegenwoordig zonder meer bij in de rij van betere/beste albums.

Ik merkte dat al eerder op, Froese zou een goede leerling van Frank Zappa geweest zijn, want ook hij verbouwde en ‘verbeterde’ veel aan zijn muziek. Partijen afkomstig van nieuwe synthesizers en daardoor anders klinkend werden ‘rücktsichtslos’ over oude partijen gespeeld of die werden verwijderd ten gunste van nieuwe, zodat het in Froese’s oren beter klonk. Dat deed hij ook met ‘Sorcerer’, In 2014 maakte hij de ‘Sorcerer Cinematographic Score’. Het zijn twee cd’s, met als basis de originele soundtrack, aangevuld met materiaal uit de sessies van toen en dat alles bewerkt in een remix. Froese deed dat live’ in de studio in Berlijn: “performed live 2014 at the Eastgate academy of music and arts”. Het is een heel andere trip door de Dominicaanse Republiek, zeker de moeite waard, maar die haalt het niet bij de originele soundtrack. Die liet een enorme indruk achter, dat deed de breedbeeldversie minder.

Het laatste album met het ‘Triumvirat’ is opnieuw een live-album: ‘Encore’ (1977). ‘Encore’ is net als ‘Ricochet’ in de basis live, maar ook hier is flink aan gesleuteld. De dubbel-lp van toen was het verslag van Tangerine Dream’s concertenreeks in maart april 1977, door Amerika. Het album is niet één specifiek concert, maar een samenstelling van. Een deel van het concert uit Washington waar ‘Monolight’ vandaan komt is te horen op de ‘Bootleg Box Set, vol. 2’ (2004). Alleen dit nummer is ook zo live gespeeld, de anderen zijn samenstellingen van concerten, sound-checks en rehearsels. Alles, opnieuw, zorgvuldig samengesteld en gemixt door Peter Baumann. Het was zijn laatste taak voor Tangerine Dream, daarna vertrok hij en zocht zijn eigen weg. Baumann wilde graag op dezelfde manier blijven werken, Froese en Franke meer gestructureerd.
‘Cherokee Lane’ en ‘Monolight’ zijn in Amerikaanse zalen vaker gespeeld. ‘Coldwater Canyon’ is maar één keer gespeeld en dat ‘verslag’ is te horen op dit album. Voor al deze drie tracks geldt dat ze klinken als typisch Tangerine Dream, dus met thema’s, improvisaties en sequenties. Soms is er een inleiding op vleugel/akoestische piano, soms is er een elektrische gitaar te horen. De muziek is minder gestructureerd als op ‘Stratosfear’, maar aan de andere kant lopen er meer thema’s in elkaar over. Lp-kant 4/D is anders. ‘Desert Dream’ is niet live, maar samengesteld uit oude, studio-opnamen én opnamen van de verloren gewaande soundtrack bij het toneelspel ‘Oedipus Tyrannus’. Die soundtrack duikt in volle glorie op in de box ‘In Search of Hades’ (2019). Door deze, collageachtige samenstelling klinkt ‘Desert Dream’ cleaner en heeft niet de ‘sfeer’ van de andere tracks. Vroeger liet ik het daarom vaak bij drie lp-kanten, in het cd-tijdperk mocht het nummer er wel achteraan, maar het bleef ‘wringen’.
Hoe een live-concert van Tangerine Dream er eind jaren zeventig uitziet is enigszins op de foto op de hoes te zien. Flink wat apparatuur op het podium, nieuwe Oberheim synthesizers, waaronder de eerste polyfone; meer tonen tegelijk, tot die tijd kon er maar één noot ‘tegelijk’ gespeeld worden. Dat is voor keyboardspelers een fikse hindernis. Baumann spelt op dit album Mellotron, EMS Vocoder (een synthesizer die de stem ‘manipuleert’. Die vocoder zou op zijn soloalbums terugkeren. Meer bijzonder was dat er überhaupt een stemgeluid in de muziek van Tangerine Dream te horen was.

Je moest er even op wachten maar in 2019 werden Tangerine Dream’s opnames voor Virgin Records geremasterd en compleet uitgebracht in een box: ‘In Search of Hades, the Virgin Recordings 1973-1979’. De box met achttien cd’s en een boek op lp-formaat bracht enkele verrassingen. Zo zijn er twee cd’s met outtakes van ‘Phaedra’. Dan hoor je wat de band in die dagen in de studio gedaan heeft en hoe de bouwstenen van het album separaat klinken. Het is een indrukwekkend kijkje in de keuken. Dat geldt ook voor ‘Rubycon’, al is daar minder materiaal van. Een aanvulling zijn promo-singles en drie oudere solo-tracks die al bekend waren van de lp-verzamelbox ‘Tangerine Dream 70-80’: ‘Haunted Heights’ (Baumann); ‘Barryl Bleu’ (Froese) en ‘Chimes and Chains’ (Franke). Prachtig zijn de concertverslagen uit: ‘Victoria Palace Theatre, London’, juni 1974; ‘The Rainbow, London’, oktober 1974 en ‘The Royal Albert Hall, London’, April 1975. Dit laatste concert is met Hoenig. En dan het kersje: ‘Oedipus Tyrannus’, de muziek bij de gelijknamige voorstelling van Keith Michell voor het Chichester Festival op 18 augustus 1974. Na het festival bleven de opnames daarvoor goed bewaard, al werden delen ervan gebruikt voor andere albums van Tangerine Dream, zoals ‘Rubycon’ en ‘Encore’. Dat zegt genoeg over de kwaliteit van de muziek.

Met alle losse cd’s, bootlegboxen en de ‘ultieme’ box ‘In Search of Hades’ is de beginperiode van Tangerine Dream goed gedocumenteerd. Na het vertrek van Baumann zou, zoals Froese het omschreef, “Tangerine Dream blijven doorgaan op zoek naar perfectie”. Het bracht de band op vreemde wegen, zelfs die van een meer showorkest met langharige, blonde dames op het podium. Voor zijn overlijden in 2015 was Froese bezig Tangerine Dream terug te brengen naar de kern van de muziek. Hij deed dat met de cd ‘Quantum Key’ (2015) met dan in de groep Thorsten Quaeschning, Ulrich Schnauss en Hoshiko Yamane. Voor het album had hij ook Baumann gevraagd, maar die was na een lange stilte toevallig net bezig met zijn eigen, nieuwe album. Froese had het trio gevraagd de muziek van Tangerine Dream te blijven uitdragen en liefst volgens zijn laatste inzichten, waarbij die gemaakt werd zoals in de begintijd, samen improviserend. Froese’s tweede vrouw Bianca -Acquaye steunde dit project van harte. Zoon Jerome, waarvan je zou verwachten dat die het werk van vader zou voortzetten, koos daar echter niet voor. Sowieso was de relatie nogal vertroebeld, Jerome Froese dacht ook dat het ‘nieuwe’ trio niet zonder Edgar Froese kon. Daarin heeft hij zich behoorlijk vergist. De jongste Tangerine Dream, sinds kort aangevuld met Paul Frick, maakt boeiendere muziek dan vele jaren hiervoor. Misschien zelfs net zo boeiend als uit de beginperiode, de tijd die door veel fans gezien wordt als het hoogtepunt van Tangerine Dream; de tijd met ‘de heilige drie-eenheid’.