Example
Talk Talk
Eenzame weg

omschrijving afbeelding

Talk Talk’s muziek ging in de tien jaar tijd dat de groep bestond van punk via synthi-pop naar post-rock om er maar eens wat jargon in te gooien.

Talk Talk bestond aanvankelijk uit vier mensen, maar na de eerste opnames bleven er drie over. Maar wat was de rol van de ‘onzichtbare’ vierde persoon? En de vijfde?

De groep hield niet zo van interviews en persconferenties. Dat zanger Mark Hollis zich helemaal terugtrok uit de muziekindustrie is dan ook weer niet vreemd.

Lees het verhaal van Talk Talk, de groep die met de jaren stiller en stiller werd in hun muziek, maar wat een visie en wat een ruimte…

 
Mark David Hollis (1955-2019/zang, basgitaar, percussie, keyboards, klarinet, etc.) was de middelste van drie broers. Hollis hield van muziek, liedjes schrijven en die zelf uitvoeren en opnemen. Na zijn schoolperiode werkte Hollis een tijdje als laborant. Zijn oudere broer Ed bracht hem op het meer professionele muziekpad. Ed Hollis was DJ, producer, manager. Hij geloofde in de kwaliteiten van het werk van zijn jongere broer en zette hem dan ook aan een band te beginnen. Dat werd The Reaction, een band met snelle punk/garagerock-achtige muziek. Simpel en doeltreffend. Hollis die twijfelde aan zijn kwaliteiten als muzikant hoefde binnen deze setting niets te bewijzen, net zo als zijn medebandgenoten Bruce Douglas (basgitaar) , George Page (gitaar) en Gino P. Williams (drums). Blijkbaar zag Island Records, een gerenommeerd platenlabel, ook wel iets in de muziek van The Reaction, want ze mochten in ieder geval een demo-single opnemen. Dat wel onder leiding van broer Ed: ‘Talk, Talk, Talk, Talk’ (1977): “All they ever do to me is talk, talk. Talk, talk…” Het is een up-tempo song over al het geklets en gezwets van politici, mensen op straat en de vriendin van de ik-figuur in het lied. Het werd geen fysieke single, maar kwam wel terecht op het compilatie-album ‘Streets’ (1977). Je raadt nu natuurlijk al waar de naam van de volgende band vandaan komt. ‘I Can’t Resist’/’I am a Case’ (1978) is de eerste, enige single van The Reaction. Ook een snel nummer, maar al meer richting new wave dan punk. En dat was het dan met The Reaction.

Zoals zovelen gingen de auditieve denkramen bij Hollis in de loop der dagen, weken, jaren meer en meer open, hoorde hij jazz en progressieve rock: Pink Floyd, Ornette Coleman, King Crimson, John Coltrane en vele anderen. Maar het meest onder de indruk was hij van het werk van Miles Davis met Gil Evans. Hun weergaloze ‘Sketches of Spain’ (1960), ‘Porgy & Bess’ (1958), naast ‘Miles Ahead’(1957) en ‘Quiet Nights’ (1964). Daarbij moeten we vooral kijken naar de rol van arrangeur/dirigent Gil Evans (1912-1988). Evans bracht invloeden mee uit de klassieke muziek, de impressionisten, maar ook invloeden uit Spaanse, klassieke muziek. Zijn arrangementen zijn soms vluchtig, traag, waarbij hij gebruik maakt van fluiten, hobo en harp. Niet bepaald allemaal dé instrumenten binnen de jazz, maar wel een enorme verrijking in klankkleur. We zullen dat later gaan terughoren bij Talk Talk.

Lee Harris (1962- /drums, percussie en Paul Webb (1962- /basgitaar, keyboards) kennen elkaar van school en speelden samen in een reggaegroep, Eskalator. Simon Brenner (?/keyboards) werkte in een platenzaak en kwam via Webb in aanraking met Hollis. Brenner bezocht daarna vaak Hollis’ in diens flat om plaatjes te luisteren. Ze schreven samen wat songs en via Island Music kwamen ze in aanraking met Don Black, die twee songteksten voor hun schreef. Later vroegen ze Harris en Webb erbij en gaf Island gaf het viertal de gelegenheid om een oefenruimte te gebruiken. Dat wel, maar men bood de groep geen contract, dat deden ze bij EMI.

Onder leiding van producer Colin Thurston (o.a. David Bowie/ Duran Duran) nam de groep een eerste single op: ‘Mirror Man’/’Strike Up the Band’ (1982). Die bracht weinig succes en werd daarom al snel gevolgd door een tweede, met een iets bekendere (?) song: ‘Talk Talk’/’?’ (1982). De A-kant is het van The Reaction bekende nummer ‘Talk, Talk, Talk, Talk’, nu teruggebracht tot ‘Talk, Talk’ en dat niet alleen, het wordt nu iets langzamer gespeeld. ‘Talk Talk’ werd wel opgepikt door de luisteraars en kwam uiteindelijk tot een 52e plek in de singlelijst. Beide A-kanten kwamen terecht op het eerste album, The Party’s Over’ (1982), de B-kantjes – en alle andere B-kantjes – uiteindelijk op ‘Asides Besides’ (1998).

‘The Party’s Over’ wordt gemaakt onder leiding van producer Thurston. Het album werd uitgebracht in juli 1982. Meteen ook werd een derde single uit de hoed getrokken: ‘Today’/’It’s So Serious’ (1982). Die single bracht het tot een 14e plek en werd daarom gevolgd door een heruitgave van ‘Talk Talk’ die nu op een 23e plek belandde. In Zuid Afrika (!) werd het nummer eerste (!) en in Nieuw Zeeland achtste. Daar werd ‘Today’ tiende. Niet de meest voor de hand liggende landen, maar ze hoorden daar blijkbaar al meer in deze band dan het volk in eigen land. De muziek is te vergelijken met die van talrijke ‘synthipop-bands’ uit deze periode. Vaak wordt Duran Duran als vergelijking geroepen, maar als er al iets vergeleken moet worden, luister dan eens naar Japan. Die groep zou, muzikaal gezien, een vergelijkbaar pad gaan bewandelen.
In Amerika werden de derde en vijfde track op het album, ‘Today’ en ‘Hate’ om onduidelijke redenen omgewisseld.
‘The Party’s Over’ bleef uiteindelijk hangen op een 21e plek (UK). Al met al niet slecht voor een eerste album.

De hoezen voor ‘The Party’s Over’ en de re-release van de single ‘Talk Talk’ werden gemaakt door James Marsh (?/vormgever, ontwerper, kunstenaar). Marsh, oprichter van de ‘Association of Illustrators’, was al een bekend vormgever van omslagen (Time Magazine), posters en boeken. Hij maakte ook albumhoezen en zo ook voor Talk Talk. Dat zou hij blijven doen. Alle hoezen, posters en andere vormgevingen van/rondom Talk Talk zijn door hem gemaakt. Daarmee werd hij in zekere zin een onzichtbaar bandlid, maar wel een die duidelijk zijn stempel op drukte.

Na het eerste album volgde een nieuwe single: ‘My Foolish Friend’/’Call the Night Boys’. Deze single werd gemaakt onder leiding van producer Rhett Davies (Roxy Music) en klinkt veel gladder, veel meer als de eerder genoemde Duran Duran inderdaad. Maar of dit hét pad was? Brenner bleek na de single afgehaakt. Talk Talk besloot als trio verder te gaan.

Met het trio gaan we op weg naar een tweede album dat vooral een enorm succes werd in Nederland. Ter ondersteuning van de eindmix werd muzikant/producer Tim Friese-Greene gevraagd, maar uiteindelijk deed hij ook het werk van producer en speelde mee op synthesizers, piano en zorgde hij voor de programmering van synthesizers en drumcomputers. De samenwerking verliep zo goed dat hij dat op alle komende Talk Talk-albums zou blijven doen. Daar bleef het niet bij, hij werd de vaste medeschrijver van Hollis. Officieel is hij nooit echt lid geworden en stond nooit met de groep op het podium, maar Friese-Greene is wel een onmisbare en onzichtbare schakel in het geheel. Samen met vormgever Marsh zijn dat er dus vijf.

‘It’s My Life’ (1984), met natuurlijk de hoes van Marsh, werd een hit. Niet in eigen land, maar wel in Nederland (3e en platina); Duitsland (4e en goud) en Zwitserland (2e). In ons land stond het album zelfs 64 weken in de albumlijst. Dat zegt wel iets over onze landgenoten. In Engeland kwam het album tot een magere 35e plek. Wij hoorden hier iets in Talk Talk’s muziek. Misschien was het de doorleefde, bijna gekwelde stem van zanger Hollis? Of was het het strakke ritme, bijna à la krautrock, van Harris?
Wel duidelijk was dat Talk Talk alleen nog op papier een trio is, want op het album spelen een aantal gastmusici mee, waaronder percussiespeler Morris Pert (bekend van Brand X), Robbie McIntosh (gitaar, bekend van The Pretenders), Henry Lowther (trompet, gewerkt met o.a. Jack Bruce, Davis Essex, Keef Hartley, John Mayall, Mike Westbrook, etc.) en Phil Spalding (fretloze basgitaar). Die laatste is bekend van de band van Mike Oldfield en het verhaal gaat dat hij de gevraagde baspartij voor ‘The Last Time’ opnam met een enorme kater. Dat hoor je er echter niet aan af.
Rondom het album worden twee singles uitgebracht: ‘Such a Shame’/’Again, a Game… Again’ (1984) en ’It’s My Life’/’Does Caroline Know’(1984). De meeste mensen die het hebben over Talk Talk denken daarbij aan deze twee songs. De laatste was het minst succesvol van de twee, de eerste kwam her en de singel-Top10: Oostenrijk, Frankrijk, Nederland, Zwitserland (1e) en Duitsland. ‘It’s My Life’ werd in 1990 overigens opnieuw uitgebracht om het compilatie-album ‘Natural History’ (1990) te promoten. Toen kwam het in Engeland tot een 13e plek, de hoogste van een single van Talk Talk daar.
Als derde single werd nog ‘Dum Dum Girl’/’Without You’ (1984) uitgebracht, maar die verdween in de typisch Engelse mist.

Talk Talk was niet heel blij met het gebrek aan succes in eigen land. Daarbij moet gezegd dat het muzikale klimaat in 1985 al anders was dan in het begin van de historie van de groep. In 1985 werd het landschap gekleurd door Kate Bush, Tom Waits, Talking Heads, REM, Prince, Dire Straits, tears for Fears, Simple Minds, Grace Jones, A-Ha, The Smiths, David Sylvian, Nick Cave, The Cure, Run DMC, en Sade. Hollis vond dat de muziek van Talk Talk ook wel anders kon. Denk daarbij nog even aan zijn favorieten van vroeger, dan wordt de richting ook meteen duidelijk. Het gaat niet meteen in een grote stap, maar geleidelijk, net zoals de lente.

En met het nieuwe album, ‘The Colour of spring’ (1986) begint daadwerkelijk een nieuw seizoen voor Talk Talk. Dat begint al met het ‘nieuw’ geluid, meer aandacht voor conventionele instrumenten dan het ingeblikte geluid van synthesizers. Daarvoor is dan wel een horde gastmusici nodig, alsmede een koor en een kinderkoor. Bij de gasten vinden we een paar opvallende namen: Steve Winwood (orgel, Traffic en solo), David Rhodes (gitaar, Peter Gabriel) en Danny Thompson (contrabas, Pentangle en de rest van Engeland). Morris Pert en Robbie McIntosh zijn wederom present, maar ook Martin Ditcham (percussie). Hollis speelt op dit album piano, Variophon (elektronisch blaasinstrument), orgel, Mellotron en melodica. Voor , ‘The Colour of spring’ werkte hij, zoals eerder gezegd, nauw samen met Friese-Greene die niet alleen zorgde voor de productie, maar ook samen met Hollis alle tekst en muziek schreef.
Talk Talk begon begin 1985 aan het album en had ongeveer een jaar nodig om het naar tevredenheid af te maken. ‘The Colour of Spring’ werd in februari 1986 uitgebracht, met daverend succes! In Engeland eindelijk in de album Top10: achtste, Nieuw Zeeland (7e) en in ons land eerste! Het album werd hier dan ook goud, net als in de UK en Canada. De release werd ondersteund door het single-succes van ‘Life’s What You Make It’/’It’s Getting Late in the Evening’ (1986). Die kwam in meerdere landen in de Top20 (Nederland, Nieuw Zeeland, België, Ierland, Zwitserland en UK). Het grappige is dat de song ongeveer de laatste was die ze voor het album opnamen. Het lied is losjes gebaseerd op een mix van ‘Running Up That Hill’ van Kate Bush en ‘Green Onions’ van Booker T. and the M.G.’s. Prachtige combinatie sowieso.

Talk Talk ging op een van haar schaarse tournees met een (tijdelijk) aangevuld trio: John Turnbull (gitaar), Rupert Black en Ian Curnow (keyboards), Phil Reis and Leroy Williams (percussie) en Mark Feltham (harmonica). Wat en hoe ze speelden is te zien op de beelden (DVD, 2008) opgenomen tijdens het Montreux Jazz Festival van 1986 en op de veel later uitgebrachte cd ‘London, 1986’ (1998). Daarover later meer.

‘The Colour of Spring’ leverde dus een mooie zomer op en het grootste succes van Talk Talk. Daarna werd de muziek voor de meesten minder bevattelijk. Door het succes mocht de groep meer geld spenderen aan het opnemen voor een nieuw album en daar werd natuurlijk goed gebruik van gemaakt. De opnames duurde meer dan een jaar, er werd geïmproviseerd, geëxperimenteerd en van alles uitgeprobeerd als het gaat om andere muziekstijlen: jazz, klassiek, dub zelfs. Het lijkt erop dat Hollis hier voor het eerst zijn echte richting, zijn klangfarben vindt. Voor de opnames werden opnieuw talrijke gastmusici gevraagd, waaronder een aardig deel dat al meedoet met het vorige album. Leuk is de aanwezigheid van de dan populaire violist Nigel Kennedy, maar dat zegt nu eigenlijk al niets meer. Roem is snel vergankelijk. Met het extra instrumentarium horen we hobo, fagot, klarinet en Engelse Hoorn. Dank Gil Evans. Meteen wordt duidelijk dat Hollis en medecompaan Friese-Greene opnieuw kiezen voor natuurlijk geluid ten faveure van het ingeblikte. De opnamesessies vonden veelal n het donker plaats, of enkel met een door ronddraaiende kaarsen verlichte studio. Als je het hebt over klangfarben is dit een album in aquarel, vloeiend, weinig fijn omlijnd, maar met talloze laagjes over elkaar.

De intensiteit van de opnames, het geluidspalet, je hoort het allemaal op ‘Spirit of Eden’ (september, 1988). Het was het eerste album van Talk Talk dat mijn oren raakte en het beviel ze meteen. Lp-kant A is in feite één track, bestaande uit drie delen: ‘The Rainbow’, ‘Eden’ en ‘Desire’. Totaal bijna 23 minuten. Dan weet je meteen uit welke geluidshoek de wind waait; in het kort: het is een mix van klassiek en jazz met een vleugje rock. Soms neigt de muziek naar een verstilling. Kant B heeft wel drie separate songs: ‘Inheritance’, ‘I Believe in You’ en ‘Wealth’, elk rond de vijf à zes minuten. Buiten Europa werden de songs op lp-kant A wel separaat vermeld, ook qua tijd, anders konden ze het niet aan natuurlijk. Iets te Westers klassiek of zo. Op de cd, dat vind ik wel mooi, staat een lange pauze van dertig seconden tussen de oude lp-kant A en de nummers van lp-kant B. Daar werd zo duidelijk gemaakt dat we hier toch op een andere manier met muziek bezig waren.

Dat vond ook EMI nadat ze een cassette met de opnames hadden ontvangen. Men schrok van wat daar opstond en vroegen Hollis een en ander over te doen. Die weigerde natuurlijk. Uiteindelijk ging EMI overstag en bracht alles toch uit zoals het bedoeld was, maar Hollis had inmiddels al wel door dat hij bij EMI niet meer goed zat en wilde van het contract af. Nadat EMI had contract zonder kennisgeving verlengd grepen manager Keith Aspden en Hollis die ‘kans’ aan een en ander voor het gerecht uit te zoeken. In eerste instantie gaf de rechter EMI gelijk, maar na het beroep kreeg de band gelijk. Het contract werd ontbonden en Talk Talk ging naar Verve Records, een van de grote jazzlabels, maar ook het label waarop in de jaren zestig albums van Frank Zappa and the Mothers of Invention (Freak Out) en The Velvet Underground (hun gelijknamige eerste met de afpelbare banaan) waren uitgebracht. Talk Talk zat daar dus wel goed.

Het gaf wel de lastige situatie dat een net nieuw album nauwelijks gepromoot werd en zelfs een song, ‘I Believe in You’ in kortere versie als single uitgebracht werd, overigens tot weinig succes. EMI wist ondertussen niet hoe ze dit ‘lastig bevonden album’ aan de mens moesten brengen en lieten het daarom maar afweten. ‘Spirit of Eden’ werd al snel vergeleken met ‘Brilliant Trees’ van David Sylvian, ook al zo’n prachtig, maar onverkoopbaar geacht album.
Er volgde geen tournee om het album te promoten, daarvoor was de muziek te complex. Hollis: "People would just want to hear the songs as they are on the album and for me that's not satisfying enough". Sterker nog, Talk Talk zou nooit meer op tournee gaan.

Geheel volgens verwachting bleef het succes dus uit. De hoogste posities vinden we in Zwitserland (12e), Duitsland (16e) en de UK (19e). De Nederlandse fans lieten het met een 32e plek ook enigszins afweten. Dat alles was toen, anno nu wordt ‘Spirit of Eden’ gezien als een van de mooiste, beste albums uit deze tijd, niet gedateerd, mooi vol op afdronk en een post-rock album voordat die term uitgevonden was. Inmiddels heeft het een zilveren status, maar een oud spreekwoord zegt: “Het is niet alles goud dat blinkt”. Welnu, dit album schittert ook zonder dat goud.

Maar de toekomst bleek minder schitterend. Webb verliet de groep, Talk Talk daarmee reducerend tot duo, maar wel een duo dat alsnog verder wilde op het ingeslagen pad. De werkwijze rondom ‘Spirit of Eden’ was Hollis goed bevallen. Opnieuw werden musici gevraagd naar de studio te komen en muziek te improviseren, maar dit keer bleef het aantal beperkt. In het instrumentarium treffen we aan altviolen, contrabas, cello, bugel en contrabasklarinet. Geen elektrische basgitaar meer, dus nog meer een ‘natuurlijk’ geluid. Net als de vorige keer werd een geschikte setting in de studio gecreëerd, klokken verwijderd, ramen afgeplakt en het licht beperkt. Perfectionist Hollis vroeg als een ware Zappanaat het beste van de musici en meer. Hij was pas tevreden nadat zij: "expressed their character and refined their contribution to the purest, most truthful essence." Werken aan het album duurde ruim een jaar, het uiteindelijk album werd opgebouwd uit talloze fragmenten en overdubs. Pas nadat het echt helemaal af was hoorden de gasten voor het eerst het resultaat van hun bijdragen. Het was een ware tour de force met na afloop het definitieve einde van Talk Talk.

‘Laughing Stock’ werd in september 1971 uitgebracht. Om dit album te ‘verbinden’ met het vorige lijken de hoezen best veel op elkaar. James Marsh maakte voor beide albums bomen met daarin dier- en andere figuren. Dat was een idee van Hollis, want Marsh had voor ‘Laughing Stock’ een ander ontwerp gemaakt.
Op Laughing Stock’ staan slechts vijf nummers. ‘After the Flood’ en ‘Taphead’ lopen in elkaar over en zijn in feite één en daarmee zo’n achttien minuten lang. In Amerika werden de tracks gescheiden aangeboden, opnieuw iets met aandachtspanne. Het album werd geprezen en verguisd. Anno nu wordt het gezien als een meesterwerk, Talk Talk’s beste album. Anno toen hadden niet veel mensen dat door, want het verkocht niet heel veel: 26e in de UK albumlijst en in succesland Nederland slechts zestigste. Je zou kunnen zeggen dat het soms even duurt voordat een album ‘landt’.

EMI, die nog de rechten had van al het vorige werk van Talk Talk schroomde niet parallel aan ‘Laughing Stock’ een compilatie-album uit te brengen :’Natural History, The Very Best of Talk Talk’ (1990) en daarachteraan ‘History Revisited (1991). Beide trouwens met hoezen van Marsh of een collage daarvan. Hollis schreef nog brieven aan EMI om deze uitgaven tegen te houden, maar dat had geen zin. Het vervelende was dat ‘Natural History’ heel goed verkocht en goud werk in Nederland, Engeland en Duitsland. Daar ga je dan met je nieuwe, schitterende album.

De opnames van het album waren behoorlijk intens geweest, zelfs zo dat het iedereen teveel geworden was. Talk Talk hield op te bestaan. Hollis had zoals altijd geen zin in promotie of tournees en gaf de voorkeur aan het leven met zijn gezin. Harris begon met zijn oude maatje Webb een nieuwe band: .O.Rang. Webb maakte later soloalbums onder de naam Rustin Man; een daarvan is met zangeres Beth Gibbons (Portishead). Prachtig album ook. Harris speelde een tijd bij Bark Psychosis (elders op de LemonTree). Onzichtbaar lid Friese-Greene ging zelfstandig verder als Heligoland.
Hollis bracht in 1998 een soloalbum uit, ‘Mark Hollis’ dat je zonder meer kan plaatsen in de rij met ‘Spirit of Eden’ en ‘Laughing Stock’. Het enige verschil is dat zijn album nog uitgekleder aan klangfarben, nog spaarzamer is en je daarmee dwingt naar de essentie van Hollis’ zeggen te luisteren. Jammer is dat hij Marsh niet gevraagd had voor de hoes. De zwartwit hoes die het album siert valt wat uit de toon. Het is een voorstelling van een Bijbels tafereel, het Lam Gods. Hollis: "I like the way something appears to come out of his head; it makes me think of a fountain of ideas. Also the manner how the eyes are positioned fascinates me. When I saw the picture for the first time I had to laugh, but there's something very tragic about it at the same time." (citaat: Music Minded Interview, 2009). Dat kun je dan wel mooi uitleggen, maar dat zie je niet, dat moet je weten. Ik vond het een onbegrijpelijke voorkant en snapte het pas toon ik dit verhaal in dook.

Vijf albums maakte Talk Talk. In de jaren daarna kwam er nog van alles uit aan compilaties. Twee daarvan zijn de moeite waard om aan het bescheiden œvre van de band toe te voegen: ‘Asides Besides’ (1998) en ‘Missing Pieces’ (2001). De eerste is een verzamelalbum van EMI met daarop de singles, B-kantjes daarvan en 12”versies. Vooral die single-B-kantjes zijn de moeite waard. Vaak werden kleine pareltjes verstopt op die B-kantjes, zo ook hier. Het zijn werkjes die niet pasten in de rij of sfeer op een album, dus maar gebruikt werden als vulling. Een in muziekland vaak gehanteerde manier. Daarmee maakt ‘Asides Besides’ het werk van Talk Talk weer net iets completer. Ik heb weinig met compilaties, maar deze mag van mij in de rij erbij. Dat geldt nog meer voor ‘Missing Pieces’, het album uitgegeven met goedkeuring van Hollis via zijn eigen opgezette Pond Life. Op de ontbrekende delen staan singles, B-kantjes van de latere Talk Talk, de post EMI periode. Alleen al voor het bijna vijftien minuten durende ‘Piano’ is dit de moeite waard. Luisterend naar dit nummer klinken sommige ambient stukken als een soort speedmetal. De barre essentie, stilte wordt bijna vatbaar hier.

Als laatste essentiële toevoeging is de eerder genoemde ‘London 1986’ (1999). Zowaar een live-album, opgenomen in Hammersmith Odeon op 8 mei 1986. Wat je hier hoort is ‘oud’ werk, liedjes als “Life is What You Make It’; ‘It’s My Life’ en ‘Such a Shame’. Liedjes die op een podium reproduceerbaar zijn. Naast het trio staan op de planken: David Rhodes (gitaar), Danny Cummins en Phil Reis (percussie), Ian Curnow (keyboards), Rupert Black (piano) en Mark Feltham (harmonica). Het is een enorm levendig concert, met gillend publiek en een band die behoorlijk pittig speelt. Drummer Harris knalt letterlijk de basis in het gehoor en Webb laat zich hier horen als een veel betere basspeler dan op de albums. Het concert begint met een prachtig intro: ‘Tomorrow Started’. Wisten ze toen al dat het hierna een stuk rustiger zou gaan worden? Mooi om de band live te horen en met terugwerkende kracht een bijzondere gebeurtenis in de historie van deze band.

De uit de muziekwereld teruggetrokken Hollis overleed in 2019 op vierenzestig jarige leeftijd. Als eerbetoon werd in november 2019 een concert gegeven met oudgedienden, waaronder lid van het begin Simon Brenner. Een eerbetoon van een heel andere orde is No Doubt’s versie van ‘It’s My Life’. Het nummer, gezongen door Gwen Stefani, werd in vele landen een flinke hit, met dank aan Hollis natuurlijk.
Het bijzondere aan het verhaal van Talk Talk/Mark Hollis is dat Hollis de muziek die voor hem belangrijk was, denk nog even aan Miles Davis/Gil Evans, vertaalde naar een heel eigen stijl, een stijl die niet past in een bestaande, heersende muziekstijlen maar daardoor juist opvalt. Dat je zo je eigen weg gaat verdient alleen waardering, jammer alleen dat die waardering vaak later, meestal te laat komt. Dat geldt absoluut voor Talk Talk. Meer Groten hebben dat aan dan lijve ervaren, niet alleen in de muziek, ook in de literatuur. Marten Toonder liet heer Olivier .B. Bommel niet voor niets vertellen over “mijn eigen, eenzame weg”. Hollis vertelde dat niet zo, maar heeft ongetwijfeld hetzelfde ervaren.

 
tekst: Paul Lemmens, april 2022
plaatjes: © EMI/Parlophone/Verve/Pond Life/Polydor