logo van The Lemontree
afbeelding linkimage how about under the lemontree afbeelding linkimage how about under the lemontree afbeelding linkimage how about under the lemontree afbeelding linkimage how about under the lemontree
sweet d'buster

Magische momenten

omschrijving afbeelding

Hééé hallo Sweet d’Buster! Sweet d’Buster? Sweet d’Buster! Een ‘super’-groep die alles in huis had om tot een van ‘s lands beste bands te gaan behoren, maar dat liep anders.

Live deed de groep het uitstekend, misschien is dat ook de reden dat hun meest ‘populaire’ album juist een live-album is: ‘Gigs’. Daarom ook wellicht het enige album van Sweet d’Buster dat is uitgebracht op cd?

Sweet d’Buster bracht wel singles uit, maar degene die het meest succes boekte met een single van deze groep, “Still Believe’, was een ander: Herman Brood & His Wild Romance.

Lees het verhaal van Sweet d’Buster, de groep die funk, soul, pop, reggae en rock moeiteloos combineerde tot een eigen, energieke muziek die je meteen herkent.




Het verhaal van Sweet d’Buster is er bijna een die achterstevoren verteld moet worden. Het allerlaatste album, niet eens onder de groepsnaam, is namelijk het allereerste en is zelfs gemaakt nog voordat de groep gestart was. Ingewikkeld? Niet echt. In 1974 nam Bertus Borgers (1947- /tenorsax, dwarsfluit, zang) met wat vrienden/kennissen een aantal demo’s op voor Bubble (wat is in een naam tenslotte?). Bij de lijst musici lezen we Broer Bogaart (drums, congas), Bonkie Bongaerts (keyboards), Eric Tacq (basgitaar), Ché Chu le Vicq (drums), Co Schnelling (slide), Robo Switch (keyboards), Rus Garoedsen (basgitaar) en de zingende zussen Paay: Patricia en Yvonne. Of je alle namen op de hoes serieus moet nemen is even de vraag. Grapjassen die lui. Net als de eerste lp-hoes van Sweet d’Buster waar Borgers met een gitaar te zien is en de foto hierboven, waarop niemand zijn eigen instrument vastheeft. Terug naar de demo. Er zijn behoorlijk sterke vermoedens dat sommige Golden Earring-leden zich achter de lichtelijk uit de toon vallende namen verschuilen: Rinus Gerritsen (Rus Garoedsen) en Cesar Zuiderwijk (Ché Chu le Vicq), maar ook Eelco Gelling (Co Schnelling) wordt genoemd en de Robo Switch is niemand minder dan Robert Jan Stips. Borgers had in die periode contact met de Earring en stond vaker met ze op het podium, zowel in eigen land als in Amerika. Dat laatste met Robert Jan Stips (1950- /keyboards, zang). Stips was na zijn avonturen met Supersister gevraagd voor de Earring en kwam aldus Borgers tegen. Beide heren hadden een goede samenwerking en hadden beloofd op elkaars soloalbums een gastrol te spelen. Aldus geschiedde. Borgers deed mee op Stips’ Nevergreens (1976) en Stips met Borgers’ nieuwe band Sweet d’Buster. Borgers verklaart de bijzondere naam zo: “In die tijd (beginperiode) zei ik altijd dat het de naam van een Canadese houthakker was die zich van de wereld had teruggetrokken en een boek had geschreven dat ik gelezen had, maar dat is helemaal niet waar. Dat deed ik om het makkelijk te maken. Ik wilde eerst een soloplaat maken, 'Demo '74' en ben toen gaan zoeken naar een geschikte naam. Buster vond ik lekker klinken en is bovendien een anagram van mijn eigen naam, Bertus. Sweet komt van Soeters, de naam van mijn moeder, die een paar jaar daarvoor gestorven was. Die 'd' heb ik er tussen gezet omdat ik destijds onder invloed van Afrikaanse muziek was en daar zaten een heleboel artiesten tussen met zo'n 'd' in hun naam, zoals Manu d'Bango. Ik vond dat lekker lopen, alsof een bass drum dat doet! Vandaar die 'd' en Sweet d'Buster aan elkaar geschreven!

Nadat de Earring-tournee afgelopen was en de groep uit Amerika huiswaarts keerde kreeg Borgers te horen dat zijn demo-opnames goed genoeg bevonden waren en hij voor Bubble een album mocht opnemen. Borgers vroeg oud makker Broer Bogaart (1945 -2019/drums, congas, percussie) voor de groep. Hij kende Bogaart nog van de samenwerking uit Duitse nachtclubs en hun vorige band Mr. Albert Show. Bogaart was gek op congas spelen en ging er helemaal voor. Overigens de op de demo meespelende Bonkie Bongaerts kwam ook uit dezelfde Mr. Albert Show. Door eerdere ontmoetingen in het clubcircuit kende Borgers hét Nederlandse ritmetandem: Hans Lafaille (1947- /drums) en Herman Deinum (1946- basgitaar), allebei ex-Cuby & the Blizzards. Ideaal voor de band. Voor de keyboards dus Stips en op gitaar een onbekende uit Eindhoven, Paul Smeenk (1952- /gitaar). Smeenk hoorde via zijn buurmeisje, Marion die toen bij de Effenaar werkte, dat Borgers op zoek was naar een gitarist. Smeenk: “Ik ben de volgende middag naar de Effenaar gegaan en op Bertus afgestapt met de woorden: "Ik hoorde dat je een gitarist zoekt. Misschien kan ik eens meespelen?" Bertus keek mij fronsend aan - terwijl hij zijn saxofoon aan het inpakken was - en zei knorrig: "Zo eenvoudig is dat niet hoor….." Maar hij mocht blijven.

Stips was in eerste instantie gastspeler, maar nadat het album klaar was bleek dit toch wel heel aantrekkelijk te klinken. Daarbij kwam nog dat zijn verplichtingen bij de Golden Earring ten einde liepen. Hij ging er nog even over denken. Bogaart bleef niet en de in feite totaal onbekende Smeenk bleek veel beter dan wie dan ook verwacht had. Basis gelegd, contract met de nieuwe manager getekend. Alleen was die manager een groentje zonder veel kaas gegeten te hebben. Hij wist weinig van de muziekwereld, maar hij had wel geld. Dat dan weer wel. Inmiddels wist Stips dat hij graag met Sweet d’Buster verder wilde, maar na het zien van het contract met het management deed hij er alles aan om erger te voorkomen. Dankzij Stips’ steun en toeverlaat Aad Link werd het contract ontbonden en maakte plaats voor een wat realistischer aanpak met Link als nieuwe manager.

Gezien de bezetting werd al snel gesproken van een ‘supergroep’, een term die vaak veel te snel van stal gehaald werd als het ging om bekende muzikanten. Natuurlijk had, behalve Smeenk, iedereen de muzieksporen verdiend en achtergelaten ook nog, maar eerst horen en dan oordelen is dan het nuchtere Nederlandse devies. Stips: “Waar we ook vandaan kwamen, echt helemaal vanaf nul te beginnen, dat was echt niet makkelijk in het begin. Het eerste half jaar is echt afzien geweest. We konden nauwelijks optredens krijgen, echt als een beginnend bandje, terwijl toch al die namen erin zaten.”

Sweet d’Buster koos wel meteen voor de op dat moment best uitgeruste studio; Soundpush in Blaricum, met een van de meest gewaardeerde producers/technicus: Jan Schuurman. Het lijntje Schuurman-Stips was een heel korte, Schuurman had bijna alle Supersister-albums ook opgenomen. Uiteindelijk is de muziekwereld in eigen land klein. Bij de sessies werd nog wat extra volk gevraagd: Frans Mijts (trompet) en een vier zangeressen: Anita Meyer, Hilde Vermeulen, Laurie Langenbach (meer schrijfster dan zangeres) en Sjoukje van ’t Spijker alias Maggie McNeal.
Van de demo-opnames overleefde alleen ‘Bread’, de andere acht nummers werden nieuw geschreven. Iedereen in de groep componeerde mee, zelfs roadie Willy van Hal. Die laatste neemt, samen met Borgers, twee nummers voor zijn rekening: ‘One Way or Another’ en ‘Minutes (have Come to a Chain)’. Een vreemde eend in het gezelschap is ‘Ready for Love’, een compositie van de drie-eenheid Holland-Dozier-Holland.
De hoes van het album met nota bene nog Borgers op gitaar(!) wordt gemaakt door Dorien van der Valk, dan de vriendin van Stips.

Sweet d’Buster, het album verscheen in 1976. Even voor het tijdbeeld waarin dit album op de markt komt. De nummer één hits zijn dan onder anderen: ‘Mississippi’ (Pussycat); ‘Bohemian Rhapsody’ (Queen); ‘Love Hurts’ (Nazareth); ‘Fernando’, ‘Dancing Queen’ en ‘Money, Money, Money’ (Abba), ‘Mon Amour’ (BZN), ‘If You Leave Me Now’ (Chicago); ‘Baretta’s Theme (wie kent dat nog?/Sammy Davis jr.) en in de carnavalsmaand ‘Willempie’ van André van Duin. En dan komt Sweet d’Buster met de single ‘One Way or Another/Going Nowhere’ (1976). Misschien toch een iets te heftig plaatje voor het merendeel van de luisteraars? Dat ‘gekke’ intro met het roepen van de eigen naam in verschillende uitingen? Vette bassen en synthesizers, de blazers (sax, trompet) en het koortje. Het heeft iets weg van een funky Chicago of Blood, Sweat and Tears, maar meteen ook weer niet. Daar zorgt de bas van Deinum wel voor of Stips met opvallende synthetische intermezzo’s. Het nummer klinkt prachtig, vol en gelikt, maar maakte helaas weinig impact. Dat geldt voor het album in feite ook. De mix van rock, funk, soul, ska, reggae, pop, whatever, geeft Sweet d’Buster een heel eigen geluid en karakter. Dat kan ook bijna niet anders met het bluesy ritmetandem, de progressieve achtergrond van Stips en de roots van Borgers uit de Mr. Albert Show, een groep die nu gezien wordt als een progrock of jazzrock groep, maar dat in feite helemaal niet was. Borgers: “We maakten gewoon lekkere muziek, dingen die we fijn vonden. Wij waren helemaal niet bezig met welk vak of hok dan ook!”.
Het meest onder indruk was ik van de mij totaal onbekende Paul Smeenk. Wat kon die man spelen! Waarom had niemand eerder hem gehoord? Hij gaf het hele album net dat extra’s dat het bijzonder maakte.

Sweet d’Buster ging op tournee door vooral eigen land. Ze zagen zo elke zaal en gelegenheid of feesttent en sommigen daarvan wel vaker dan één keer. Het was even afzien voor de heren. Geen luxe hotels, maar een tweepersoonskamer huren, of ’s avonds laat naar iemands huis rijden en daar blijven slapen. Geografisch gezien dekte de groep een groot deel van het land. Stips woonde in Den Haag, Borgers/Smeenk in Eindhoven en Deinum/Lafaille in Kampen en Zwolle. Wat ook vaker gebeurde, zo was op de voormalige site van Stips te lezen, was dat een vrouw genegen was haar huis (en meer) ter beschikking te stellen, althans, voor een van de heren. En zo niet, dan naar huis met de auto’s van Stips of Lafaille.

Door de vele optredens werd de groep een stuk bekender, sterker nog ze hadden door al die optredens een uitstekende live-reputatie opgebouwd en werden gezien als een van de populairste acts. Je zou verwachten dat een nieuw album zou lonen. De band ging opnieuw de studio in. Dit keer werd het Relight met aan de knoppen Robin “King of the Knobs” Freeman. Freeman werkte of zou gaan werken met bands als Urban Heroes, Herman Brood, Carlsberg, Houseband, White Honey, Massada, Het Goede Doel, enzovoorts. De werkwijze was bijna identiek aan het vorige album, iedereen schreef mee aan songs en er is een ‘vreemdeling’ in de rij: ‘Can’t Buy Me Love’ van Lennon/McCartney. Voor de achtergrondzang zorgden dit keer Josee van iersel en Meike Touw. De productie was een samenwerking tussen band en technicus. Voor de hoes werd Studio Myosolis gevraagd, het idee was van Wim van Gerven. Het had zomaar een hoes kunnen zijn van Hypgnosis, de groep die de hoezen van onder anderen Pink Floyd verzorgde. Ik zie in ieder geval wel overeenkomsten.

Friction (1978) werd uitgebracht door Ariola, maar bracht niet het beoogde succes. Het album werd goed verkocht, daar niet van, meer niet zoals verwacht na al die live-successen. Vreemd is de keus voor de single: ‘No More Cricket’/’Still Believe’ (1978). ‘No More Cricket’ staat niet op het album, maar heeft meer iets van een Stips-solo-album-song dan van een Sweet d’Buster-song. Er zijn iets teveel maatwisselingen en verrassingen voor het doorsnee publiek. Was de B-kant de A-kant geweest, was het misschien anders gelopen. Herman Brood die inmiddels het land had bestormd met pure rock ’n roll en de albums ‘Street’ (1977) en ‘Sphritz’ (1978) in de buurt van ‘Friction’ had ten huize van Stips het nummer ‘Still Believe’ gehoord, bijna een ballad-achtig nummer. Brood woonde toen in het huis van Stips en diens inmiddels ex-vriendin Van der Valk. Brood vroeg Borgers meer details over het nummer, maar ook of hij het zelf mocht opnemen. Dat mocht. Hij zette het op single, samen met ‘Jilted’. Diens gedreven, maar recht-toe-recht-aan-versie versie werd een hit! Prachtig gitaarwerk daarop van Dany Lademacher. Het succes bracht Sweet d’Buster wat meer over het podiumlicht. Dat laatste geldt zeker voor ‘frontman’ Borgers, die op beide albums tot dan van Brood meespeelt.

En dan valt het wijze besluit een live-album te maken. Sweet d’Buster is immers live op zijn/haar best én populair in het circuit. Dus. Opnames worden gemaakt met hulp van The Manor Mobile en technici Jeremy Allom, Paul Ward en Peter Greenslage. Voor de ‘tracks cleaning’ tekent Robin Freeman (Relight Studio), de finishing touch en eindmix wordt gelegd in Sunset Sound (Recorders) in Los Angeles onder leiding van de Amerikaanse producer John D’Andrea. Dat klinkt behoorlijk, eh… internationaal toch? Dat laatste klopt, want Sweet d’Buster vaart mee op de golven van Brood’s succes in Amerika. Zo staat de band bijvoorbeeld in het voorprogramma van Santana. D’Andrea ziet wel mogelijkheden deze band in Amerika tot meer succes te leiden. Vandaar ook diens aanpak in Sunset Sound.
De hoes is opnieuw gemaakt door Dorien van der Valk, de foto’s zijn van de dan snel bekend wordende Anton Corbijn.

‘Gigs’ (1979) is in heuse Zappa-stijl samengesteld uit verschillende optredens op verschillende momenten. Dus geen één avond ergens, maar een soort ‘the best of’. Achter de tracks valt te lezen dat opnames komen uit Zwolle, Arnhem en Tilburg. Waar, wat, wanneer, bij wie en hoe laat staat er niet bij. Wat er ook niet bij staat is dat het een geweldig album is. Je snapt meteen dat Sweet ‘d Buster meer live- dan studioband is. Deinum geeft een fenomenale solo in ‘Manja’. Onderschatte bassist. In het buitenland wordt hij wel eens vergeleken met Who’s bassist John Entwhistle. Stil staan, maar ondertussen… Borgers brengt een song als ‘Going Nowhere’ door zijn sterk ritmische zang tot een grotere hoogte dan de studioversie. ‘Still Believe’ is dan natuurlijk dé hit, ook al is het andermans hit. D’Andrea heeft het gejoel en geklap wat dikker, lees Amerikaanser, aangezet, waardoor de feestvreugde nog toeneemt. En opnieuw valt Smeenk op. Wat speelt die man fantastisch gitaar.
Het is niet heel vreemd dat juist dit album het populairste van Sweet d’Buster is. Waarschijnlijk is het daarom het enige dat op cd is gezet (1988) en dan ook nog met drie bonus-live-tracks: ‘’You’re Gonna Be a Winner’; ‘Takes a Lot of Time’ en ‘Stir Up the Fire’. Ik ben blij met die bonustracks, het hadden er best nog meer mogen zijn.

Maar zo langzaam is d’Buster minder ‘sweet’. Stips had al eerder aangekondigd zijn wegen te willen gaan en de band dus te verlaten om zich te richten op een nieuw ‘project’: ‘Transister. ‘Gigs’ was zijn afscheid, een proeve van des bands kunne. In zijn kielzog stapt ook drummer Hans Lafaille op. Lafaille wilde een platenzaak beginnen en meer vastigheid creëren voor zijn gezin. Eenmaal aan het rommelen is het eind kort zoek. Achtereenvolgens spelen mee: Rinze Posthuma (Keyboards); Jan Pijnenburg (drums); zelfs, maar slechts kort, Eelco Gelling (gitaar). Met weer een andere bezetting, namelijk Jons Pistoor ( ?/keyboards) en master-drummer Pierre van der Linden (1946- /drums, ex-Brainbox, Focus, Flavium) maakt Sweet d’Buster een nieuw album: ‘Shot into the Blue’ (1979). De naam lijkt niet voor niets zo gekozen, er gaat namelijk van alles mis.
D’Andrea, die weer de productie doet, gaat door op zijn aanpak. In navolging van een Amerikaanse tournee vraagt hij Sweet d’Buster een nieuw album in Amerika op te nemen en wel in Dawnbreaker Studios, San Fernando, of all places. De studio is gebouwd door Seals & Crofts, dat dan weer wel. Het is enige tijd de studio van die groep, maar bijvoorbeeld ook The Manhattan Transfer, Art Garfunkel, Neil Diamond en Al Jarreau. Geen kleine namen. Sweet d’Buster neemt een aantal tracks op met technici Carmine Rubino, Bill en Debbie Thompson. De achtergrondzangeressen komen uit de buurt: Clydene Jackson en de zussen Julia en Maxine Waters. Paulinho Da Costa zorgde voor congas en percussie. Daarmee lijken we bijna terug bij af.
De meeste songs zijn dit keer van het duo Borgers/Deinum of Borgers solo, alleen de openingstrack, ‘Rittum of Your Soul’ is geschreven door Borgers met Pistoor en Van der Linden. De in mijn optiek wat vage hoes is van ‘Bel Esprit’. Het lijkt erop dat dit de enige hoes is die ze – wie? – ooit gemaakt hebben/heeft.

Bij terugkeer in Nederland kiest Van der Linden ervoor iets anders te gaan doen en wordt vervangen door Leon Klaasse (1959- /drums, ex Valley of the Dolls). Maar dan, met eerste oplaag van het nieuwe album, ‘Shot into the Blue’(1979)al in de winkel slaat de schrik de heren om het hart. Dit klinkt toch echt voor geen meter! En het album verkoopt dan ook voor geen meter.
Naar verluidt deed d’Andrea Sweet d’Buster er laat in de avond bij, vermoeid van de activiteiten overdag met andere bands. En ja, als je je hoofd er niet bij hebt. In allerijl wordt Robert Jan Stips, inmiddels een flink aan de weg timmerende producer, gevraagd een en ander te herstellen. Samen met Robin Freeman maakt dat duo een compleet nieuwe mix. Daarbij verandert de volgorde van het album iets. ‘Two Nights’ wordt in twee stukken gesplitst, deel 1 op lp-kant B en deel 2 op lp-kant A. Soort van omgekeerde logica. ‘It’s True verhuist naar lp-kant A.
Het klinkt al iets beter, maar toch. De start was al niet goed en om aan het GP (grote publiek) uit te leggen dat er een betere versie is…
Veel gedoe, kortom. Ariola zag het inmiddels niet meer zitten, want tot dan toe was het met Sweet d’Buster meer tegen dan meegevallen. Daarbij is de band door de optredens van de afgelopen jaren overpopulair in het land en wordt minder gevraagd. Alweer Sweet d’Buster? Nee hè!
Gezien dit alles besluit Borgers de stekkers uit de band te trekken. Einde Sweet ‘d Buster. Deinum en Smeenk gaan naar de Harry Muskee Gang, wat als voordeel heeft dat Deinum en Lafaille, die daar al was, weer ‘back together’ zijn. Smeenk blijft een paar jaar en verdwijnt in de luwte. Ze zijn alle drie te horen op het album ‘Geronimo’ (2000). Leon Klaase gaat drummen bij Powerplay en Jons Pistoor neemt met Borgers een single op: ‘Night Cat’ (1981). Daarop doen ook Cees van der Laarse (bas), Rob ten Bokum (gitaar), Neppy Noya (percussie) en Dennis Bristel (drums) mee. Later zou Pistoor naar Earth & Fire gaan. Maar dat was geen gelukkige stap, want die band hield er al snel mee op. Borgers bleef in diverse bands spelen of deed vaak mee als gastmuzikant. Zo duikt hij regelmatig op bij Cuby/Harry Muskee.

Sweet d’Buster lijkt anno nu historisch gezien al afgeschreven. Mensen die een cd van de band zouden willen hebben moeten zich beperken tot ‘Gigs’, als ze die al kunnen vinden. Ja er zijn cd’s, maar dat zijn Russische namaaksels. Gelukkig brengt Ariola in 1992 een cd met ‘hoogtepunten’ uit: Magic Moments’. Kijk je naar de tracklist dan zie je dat het bijna de complete eerste twee albums zijn, alleen ‘Summertime’ van het eerste album ontbreekt. Dus dan heb je inderdaad bijna alle magische momenten in huis.
In 2006 doet Sony het anders met ‘Collections’. De eerste twee albums worden in twaalf tracks door elkaar geklutst. Die ‘Magic Moments’ is dus iets prettiger.
En dan komt in 2020 toch nog een ruimer overzicht in de serie ‘The Golden Years of Dutch Pop Music’. De gouden jaren beginnen met de Mr. Albert Show, een stukje ‘Stars & Stips’ van Robert Jan Stips met Borgers (trouwens ook voor het eerst op cd dan), drie tracks met Herman Brood & His Wild Romance mét (Bertus) en Borgers solo, waaronder het nummer ‘Nightcat’. Er staan slechts twee tracks op van ‘Shot into the Blue’. Als je deze set met ‘Gigs’ en ‘Magic Moments’ aanschaft, heb je alsnog bijna het complete œvre van Sweet d’Buster in huis. En dat mag best, want het was ooit een van ’s lands beste (live-)bands. Sweet d’Buster is echter helaas ook een band die in de geschiedenis van de Nederlandse popmuziek een beetje tussen de wal en het schip valt en daarmee onder water verdwijnt. Jammer, want ik geloof nog steeds in die magische momenten!