Example
Psychedelic music
"Far out man..."

omschrijving afbeelding

‘Psychedelic music’, waar komt die muziek vandaan en wat het is eigenlijk? Is het alleen een zintuiglijke begoocheling of meer?

De wereld van psychedelische muziek was er een die verder ging dan muziek alleen, ook kleding, en posters waren er een onderdeel van. Nieuw? Nee, verrassend oud!

Bij psychedelische muziek werden de zintuigen bestookt met geluid, maar ook lichtshows, beeldmateriaal en vloeistofprojecties, alles in vloeiende, pulserende bewegingen, als een trip.

Lees het verhaal over psychedelische muziek; de muziek die tegelijkertijd zo herkenbaar is, maar dan ook weer zo niet dat er blijkbaar van alles en nog wat onder die noemer valt. Tijd om de magische wereld van ‘far out’ muziek te betreden.

In de tweede helft van de jaren zestig wordt er volop geëxperimenteerd in muziek, meer dan ooit tevoren. We moeten dan vooral zijn in Amerika, San Francisco en in Engeland, Londen. Er zijn meerdere redenen aan te wijzen voor die veranderingen. Een vrij simpele, voor de hand liggende, misschien wat banale, is geld. Na de Tweede Wereldoorlog was, zeker in de Westerse landen, na de wederopbouw een flinke welvaart ontstaan met voor het eerst meer vrije tijd én geld om te besteden. Met geld kun je op reis en dus verder kijken dan je eigen omgeving. Jongeren hadden via hun ouders eveneens meer tijd en geld en ook kregen daarbij veel meer mogelijkheden dan ze ooit eerder hadden. Reizen maken, maar ook een eigen kledingstijl ontwikkelen, muziek luisteren, plaatjes kopen, rondhangen, cruisen. Door de stijgende welvaart kregen jongeren de mogelijkheid en eigen cultuur te ‘bouwen’ en zich te distantiëren van of afzetten tegen die van hun ouders, de cultuur die de afgelopen wereldoorlog gebracht had.
Door het reizen kwamen mensen in aanraking met andere culturen en daarmee andere muziek. Binnen de jazz was er al een tijdlang een stroming op gang gekomen waarbij de veelal zwarte musici, terugkeken/luisterden naar hun roots. Die roots lagen vooral in Afrika. De herwaardering voor de afkomst werd vertaald naar het dragen van Afrikaanse kleding en het opnemen van Afrikaanse elementen in muziek. In de folk werd er vooral over de landsgrenzen gekeken en werd de muziek uit het Midden-Oosten, India, de muziek van sitars en tabla’s, omarmd.

Parallel werden door nieuwe ontwikkelingen muziekinstrumenten meer en meer elektrisch, konden dus versterkt worden en waren daarmee voor een groter publiek hoorbaar. Niet iedereen was daar trouwens blij mee. Het feit dat ‘folkie’ Bob Dylan samen met The Band elektrisch ging werd hem niet in dank afgenomen. Dylan werd – zeker door een deel van de ‘fans’ – vervolgens verguisd of weggezet als een ‘verrader’. Tsja, iets over de vrije jaren zestig…

Vrijheid hadden jongeren meer dan ooit, of ze zochten er bewust naar. Veelal op zoek naar een eigen identiteit, zoekend naar hun rol in de snel ontwikkelend wereld. Nooit meer oorlog, lief zijn voor elkaar, bloemen in het haar. Deze flowerkinderen brachten daarmee de Flower Power in de wereld. Kleurrijk, open en samen delen. Die openheid gold voor alle gebieden, sociaal, seksueel, geestelijk. In je blootje lopen is een uiting van die openheid, niets om je achter te verschuilen, “dit is hoe ik ben en dat is goed”. Een andere kant van die openheid is je geest verruimen. Dat gebeurde al door het opslurpen van andere culturen en elementen daarvan integreren in je eigen leven, maar ook door te blowen, te experimenteren met drugs. Alcohol was iets voor de ouders of ouderen, daarmee raakte je beneveld. Nee ,de ramen van je geest moesten open en ver ook. Onder invloed van drugs zag men nieuwe werelden, vloeibaar, kleurrijk. Werden details of heel belangrijk of totaal onbelangrijk. Dat er een andere kant aan het gebruik van drugs zat werd later pas duidelijk, in het begin stond vooral het plezier en de trip voorop. Drugs als heroïne, marihuana, mescaline, paddenstoelen etc., werden al gebruikt binnen de jazzwereld en The Beat Generation, de wereld van Jack Kerouac, William Burroughs en Allen Ginsberg. Niets nieuws dus, maar nu werden chemische drugs als LSD (lysergzuurdiethylamide) en DMT (dimethyltryptamine) populair.

LSD werd per ongeluk, hij was eigenlijk op zoek naar een medicijn, ontdekt door Albert Hofmann in 1938. Als medicijn werkte het niet, maar Hofmann ontdekte in 1943 dat het gebruikt kon worden als tripmiddel. Makkelijk in het gebruik, eetbaar in papiervorm of als druppels, bijvoorbeeld op een suikerklontje. Een LSD-trip kan zes tot acht uur duren, maar daarna nog wel 24 uur doorwerken. DMT was een stuk minder populair, maar de toepassing was net zo eenvoudig. DMT kan gedronken of gerookt worden.
Dat LSD zo populair werd kwam door de trip-goeroe bij uitstek: Timothy Leary (1920-1996). Leary was psycholoog, schrijver en voorvechter van LSD binnen zijn therapieën. Leary had in Life Magazine een artikel gelezen over het gebruik van psycho-actieve stoffen, entheogenen, tijdens ceremonieën bij de Mazteken in Mexico. Hij ging op reis om dat fenomeen te onderzoeken en kwam aldus in aanraking met het gebruik van bepaalde paddenstoelen. Hij gebruikte ze zelf en daarmee veranderde zijn leven. Terug thuis begon hij bij Harvard een studie naar de effecten van psilocybine en later LSD. Zo gebruikte hij, uiteraard met toestemming, LSD bij criminelen in de gevangenis. Het werkte, maar niet overtuigend, slechts twintig procent viel niet terug in hun oude gedrag. Hij paste het ‘middel’ ook toe bij zijn eigen therapieën en zag dat als een spirituele verrijking om de ‘vaste geest’ los of flexibel te maken. Harvard University die het project aandachtig volgde was niet heel blij met Leary’s aanpak, men vond dat hij teveel druk uitoefende op mensen om dit traject te volgen, hij werd dan ook ontslagen. Dat belette Leary niet zijn visie uit te dragen. Hij werd een veel gevraagd spreker bij ‘happenings’ en andere bijeenkomsten. Platenlabel Folkways bracht in 1966 zelfs een album van hem uit: The Psychedelic Experience: Readings from the Book "The Psychedelic Experience. A Manual Based on the Tibetan..."
Begin 1967 was Leary gastspreker tijdens een Human Be-In. Er kwamen zo’n 30.000 bezoekers en daarop liet hij zijn nu onvergetelijke slogan: “Turn On, Tune In, Drop Out”, voor het eerst horen. Turn On: keer terug in je eigen lichaam, maar ga uit je geest, “get high”. Tune In: gedraag/handel naar je eigen visie. Drop Out: bevrijdt jezelf van deze door TV-geregisseerde maatschappij. Dezelfde boodschap bracht hij trouwens voor die TV. Later in de geschiedenis werd hij gearresteerd wegens het overtreden van de opium/drugs-wet. Na zijn gevangenschap stortte Leary zich op computers en ‘virtual reality’. Hij overleed ten gevolge van prostaatkanker.

Dat hij een ‘statement’ gemaakt had is terug te horen in een aantal bekende songs, waaronder een aantal bekende. Zo is zijn naam te horen in ‘Legend of a Mind’ (1968) van The Moody Blues: "Timothy Leary's dead. No, no, no, no, he's outside looking in…”. In de musical Hair (1967) duikt hij op in het nummer ‘Let the Sunshine In’: “Life is around you and in you'. Answer for Timothy Leary, deary." Bij The Who duikt hij op in ‘The Seeker’ (1971): "They call me The Seeker. I've been searching low and high. I won't get to get what I'm after till the day I die. I asked Bobby Dylan, I asked The Beatles. I asked Timothy Leary, but he couldn't help me either." Voor John Lennon was Leary’s leer de inspiratie voor ‘Tomorrow Never Knows’ (Revolver) en ‘Come Together’. Hij komt ‘echt’ voor in diens ‘Give Peace a Chance’ (1969): “Everybody in the Soviet Union, unite. Go down to the shops and talk about John and Yoko, Timothy Leary, Barbara Windsor, Yoko Ono, Madonna, Bobby Dylan, Bobby Charlton, Eddie Charlton. Tommy Cooper and the Amazing Horseradish Dancers, Derek Baker, Norman Mailer, Alan Ginsberg and the Hare Krishna Three. “
Leary hemzelf is te horen op ‘Seven Up’ (1973) een album van de Duitse band Ash Ra Tempel. Gevlucht uit de gevangenis en ontsnapt uit Amerika verbleef Leary een tijd in Zwitserland en zag aldus kans voor die samenwerking.

Voor het ontstaan van de term en een van de eerste uitingen van ‘psychedelic music’ moeten we terug naar 1964, dus niet 1967 met de Summer of Love zoals vaker beweerd wordt, maar al drie jaar eerder. Folkclubs floreren in heel Amerika. Het is dé plek om koffie te drinken, te discussiëren en naar muziek te luisteren. Vaak waren de bezoekers kritische studenten. In San Francisco was een heel levendige folkcultuur met zelfs een eigen, onafhankelijk radiostation. Door de ontwikkelingen hierboven geschetst raken de ‘folkies’ geïnteresseerd in het verleggen van hun geestelijke grenzen en druppelen, letterlijk, de diverse drugs de wereld van de muziek van en voor het volk binnen.
Voor het gebruik van het woord ‘psychedelic’ is New York de geboorteplek. Anno nu zien de heren Peter Stampfel en Steve Weber, oftewel, The Holy Modal Rounders, er keurig net uit, maar ze wilden wel graag de klassieke, standaard folkmuziek omvormen naar iets meer hedendaags. Hun eerste album, The Holy Modal Rounders, werd in 1964 uitgebracht. Op het album staat een bewerking van ‘Hesitation Blues’ (origineel van Lead Belly). Daarop is deze zin te horen: “Got my psycho-delic feet, in my psycho-delic shoes. I believe lordy mama got the psycho-delic blues… “ Ze zingen nog braaf ‘psycho’ en ‘delic’ apart. De term stond voor iets avant-gardistisch, iets nieuws, nog ongrijpbaars. Stampfel en Weber hadden het woord niet zelf bedacht, maar gebruikten het in de context van iets nieuws. Humphrey Osmond, wetenschapper, gebruikt de term in 1956 in een brief aan schrijver, dichter Aldous Huxley (1894-1963). Hij combineert de woorden ‘psyche’ en ‘deloun’. Allebei Griekse woorden. ‘Psyche’ staat voor geest/mind en ‘deloun’ voor “iets zichtbaar maken, openbaren”. De combinatie wordt dan psychedeloun en die wordt dan ‘vertaald’ naar ‘psychedelic’. Osmond zag het gebruik van drugs als iets dat de geest verrijkte en aldus een bredere visie kon bewerkstelligen. Heel vergaand was The Holy Modal Rounders versie van ‘Hesitation Blues’ nog niet. Het nummer, uitgevoerd met akoestische gitaar en viool, moet het vooral hebben van de zang. Maar je hoort wel meteen waar Country Joe McDonald de mosterd vandaan heeft. Denk even aan diens optreden met The Fish op het Woodstock Festival (1969).

Voor een van de eerste psychedelisch albums komen we ook terecht in de folk-hoek en wel bij gitarist John Fahey (1939-2001). Fahey speelde een akoestische gitaar met stalen snaren. Zijn stijl wordt minimalistisch genoemd, maar was meteen de basis voor een heel genre: “American Primitive Guitar”. Primitief, omdat Fahey zichzelf alles aangeleerd had. Fahey schilderde ook, vooral abstract werk. Met zijn oren flink open introduceerde hij in zijn muziek modern-klassieke, avant-gardistische (!) elementen en muziek uit andere landen, waaronder India. Een verslag daarvan is te horen op ‘John Fahey Vol. 4’ (1966). Op het album staan diverse stukken waarin Fahey werkt met tapes, achterstevoren afgespeelde muziek, fluiten en sitar en andere gitaarstemmingen. Het album, zijn vierde voor het Tahoma-label, gaat ook door het leven als ‘The Great San Bernardino Birthday Party & Other Excursions’. Dat klinkt al een stuk psychedelischer, niet? Het deel voor de ‘&’ is de naam van de langste compositie van het album, bijna twintig minuten. Het tweede deel, na de ‘&’, komt van de compositie ‘Guitar Excursions into the Unknown’. Het klinkt anno nu heel braaf en weinig schokkend, maar dat was in 1966 wel anders. Fahey zelf was niet blij met het album, het vertolkte zijn weinig positieve gemoed van het moment en dat had hij liever anders gezien. Ook was hij niet blij met de verwijzing naar de psychedelische muziek, maar door de jaren heen bleef men naar dit album verwijzen als een van de meer geslaagde pogingen om een “far-out work” (Ritchie Unterberger) te produceren dat in de tijdgeest overeind blijft.

‘The Great San Bernardino Birthday Party & Other Excursions’ wordt vaak aangehouden als het eerste psychedelische album, maar drie jaar eerder, 1996, liet Sandy Bull (1941-2001) ook al ‘vreemde’ folkklanken horen op zijn album: ‘Fantasias for Guitar and Banjo’. Hij maakte het album samen met jazzdrummer Billy Higgins (1936-2001). Higgins is bekend als drummer van Hard Bop en Free jazz. Hij speelde tevens mee op de eerste, baanbrekende albums van saxofonist Ornette Coleman. Bull laat op zijn album in de bijna 22 minuut lange track ‘Blend’ horen wat zijn fantasias zijn. Hij combineert Indiase invloeden door zijn gitaar anders te stemmen en te spelen. Hij wordt daarin begeleid door drums/percussie van Higgins. Denk even sitar en tabla en dan ben je al een heel eind. Gitarist John McLaughlin (Shakti) had het ook niet van zichzelf…
Als je het hebt over het verruimen van de geest is dit wel een van de meer in het oor springende albums, meer dan het werk van Fahey.

We zijn met Fahey aanbeland in 1966. In datzelfde jaar dook het woord ‘psychedelic’ op in de wereld van de pop/rock. The Blues Magoos, net als Fahey uit New York, brachten hun eerste album uit: ‘Psychedelic Lollipop’ (november 1966). De lolly werd minder zoet gezogen dan verwacht, want het album klinkt meer als een ‘gewone’ band, dan een grensverleggende psychedelische rockband. Het merendeel van de tracks is geschreven door anderen, zoals John D. Loudermilk (Tobacco Road) en ‘I’ll Go Crazy (James Brown). Ook de hoes doet niet echt mee, het is een relatief eenvoudige hoes met foto van de band achter wat wolkachtige structuren. De single, ‘(We Ain’t Got) Nothin’ Yet’ kwam tot een vijfde plek in de Billboard Top100, het album tot een 21e. Leuke muziek, heerlijk primitief orgelgeluid. Maar far-out was dit nog niet.

Een maand eerder (oktober 1966) waren twee albums uitgekomen die al een stuk verder gingen en eerder het predicaat ‘psychedelic music’ verdienen. De een is ‘Psychedelic Moods’ van The Deep, de ander is ‘The Psychedelic Sounds of the 13th Floor Elevators’ van The 13th Floor Elevators.

De muziek voor ‘Psychedelic Moods (A Mind Expanding Phenomena)’ werd opgenomen op 19 en 20 augustus 1966. Rusty Evans (Marcus Uzilevsky) hield wel van wat LSD. Hij stelde producer Marcus Barkan dan ook voor een album op te nemen, terwijl hij onder invloed was. Barkan ging de uitdaging aan. Het duo vroeg David Bromberg (ritmegitaar, bas, zang) te helpen. Barkan zorgde voor percussie en zang en Evans voor zang en gitaar. Ongeveer de helft van het album was van tevoren bedacht, de rest ontstond in de studio. Het trio noemde zich ‘The Deep’ naar een “diepe beleving”. De studio werd verduisterd en men ging los, maar dan ook compleet los. Halverwege vertrok de drummer, maar dat bleek geen belemmering. Er ontstond een album "very strange, full of weird sound effects, haunting vocals, and acid-soaked lyrics", zoals de omschrijving luidt. Muziek voorzien van de nodige geluidseffecten, stemmen en seksueel getint gekreun op de achtergrond. Samenhangende teksten zijn er nauwelijks. Later werden er nog meer effecten toegevoegd en een en ander overgedubd. Drums zetten in en houden het ritme strak vast, Evans laat een typische, scherpe jaren-zestig gitaar-sound horen en Barkan speelt heerlijk vibrafoon. Af en toe wordt er wat gezongen en vliegen de geluidseffecten je om de oren, maar na ruim twee minuten landt je weer op aarde, want zijn de ‘Color Dreams’ alweer voorbij. In ‘Pink Ether’ waait het haar los en wordt Evans’ zang ondersteund door die van een niet nader genoemde vrouw. Dat lijkt zo al best op… Jefferson Airplane. Nader onderzoek bracht aan het licht dat David Richard Blackhurst, Caroline Blue, Arthur Geller en Lenny Pogan ook van de partij waren. Dan komen we terecht in een ‘mellow mood’ en horen we op de achtergrond blokfluiten. En zo gaat het album lekker door. Het is een prachtig, afwisselend album; de omschrijving hierboven is precies wat het is. Er gebeurt veel, maar de nummers zijn allemaal kort waardoor die geestverruiming steeds onderbroken wordt.
Er werd zelfs nog een tape naar The Beatles gestuurd, waarop Dick James, uitgever van The Beatles, liet weten het album te willen distribueren. Dat aanbod sloeg Evans echter af in de veronderstelling dat het een hit zou worden. Het succes bleef echter uit. De platenmaatschappij wist weinig te promoten, een andere artiest van hetzelfde label had plotseling groot succes en de schaarse vraag naar het album kon niet eens voldaan worden. Nu, jaren later, wordt ‘Psychedelic Moods (A Mind Expanding Phenomena)’ gezien als een der eersten, zo niet hét eerste, album met psychedelische muziek. In 2010 werd het als ‘The Definitive Master Edition’ uitgebracht op cd, met als bonus de outtakes van de sessies.

Dat gaat al anders bij het album dat door velen gezien wordt als hét eerste psychedelische album: ‘The Psychedelic Sounds of the 13th Floor Elevators’ van The 13th Floor Elevators. De band uit Austin, Texas, presenteert zich meteen met een gepaste vormgeving. De hoes met sterkte kleuren, vloeiende lijnen, een oog in het midden brengt je meteen al in een bepaalde sfeer. Bij het eerste nummer, ‘You’re Gonna Miss Me’, kom je nog een hechte structuur tegen, inclusief refrein en mondharmonicasolo. Het langste nummer, vijf minuten tevens het hoogtepunt van het album, gaat al veel meer richting een ‘trip’, de gitaren deinen lekker mee op de golven en tussendoor hoor je allemaal gekke bubbels van een elektrische (!) ‘jug’ (pot, vaas, kruik). De tekst zet de ramen open: "Come on and let it happen to you, Come on and let it happen to you. You've got to open up your mind and let everything come through. After your trip life opens up you start doing what you want to do and you find out that the world you once knew gets what it has from you. No one can ever hurt you because you know more that you thought you knew. And you're looking at the world through brand new eyes. And no one can ever spoil the view. “
Aan het eind van het album weet je dat het wel meevalt met de ‘psychedelic sounds’, maar het album is een stuk coherenter in geluid en sferen. Daardoor kan het meer als een geheel geconsumeerd worden en blijf je meer ‘in the mood’. Het album werd overigens geen succes, de erkenning kwam, net als bij The Deep, pas later. Een single van het album, ‘You’re Gonna Miss Me’ kwam tot een 55e plek in de Billboardlijst. Maar dat was de tweede keer dat het uitgebracht werd. De eerste keer was met The Spades, de toenmalige band van gitarist, zanger Roky Erickson.

In de vaart der volkeren grijpt nieuwe muziek snel om zich heen. De folkscene, in met name San Francisco Bay, transformeert als snel naar wat gezien wordt als de hippie-scene. In het heel kort: iedereen lang haar, drugs, bloemen, kleuren, peace. love en far-out. En dan bijpassende muziek . The Grateful Dead, een country-folk-rock-band, nam de ‘stijl’ van The 13th Floor Elevators over, verlengde hun nummers enorm. Vaak waren het improvisaties die onder invloed van alles en iedereen een luisterend oor vonden. Daarnaast begonnen andere bands hun muzikale horizon te verleggen: The Doors, Moby Grape, Quicksilver Messenger Service, Big Brother and the Holding Company, The Beach Boys, Jefferson Airplane, The Byrds (‘eight Miles High’) en Iron Butterfly. En vele anderen!

Als er één song/nummer aangewezen zou moeten worden uit deze tijd dat staat voor pyschedelische muziek is dat zonder twijfel ‘White Rabbit’ (juni, 1967, 8ste in de Billboard singlelijst) van Jefferson Airplane. De song gaat over Alice in Wonderland, naar het boek van Lewis Carroll, maar dan in een trippy setting. Het heeft precies die sfeer, het geluid dat past bij deze tijd: geluidsexperimenten en – vervorming gezet op bijna surrealistische of abstracte songteksten. Zo ook hier: “… And you've just had some kind of mushroom, and your mind is moving low. Go ask Alice. I think she'll know. When logic and proportion have fallen sloppy dead and the White Knight is talking backwards and the Red Queen's "off with her head!". Remember what the dormouse said: "Feed your head. Feed your head. Feed your head."“ Hersenvoer. Het hele verhaal over Jefferson Airplane is elders op de LemonTree te lezen.

Natuurlijk stond de ontwikkeling niet op zichzelf, het was, zoals gezegd, een uiting, een reflectie van de periode. In sommige steden sloeg het beter aan of ging men verder het pad op. San Francisco is daarvan het voorbeeld, in Europa was swinging Londen ‘the place to be’. Net als in Frisco ontwikkelde de jongeren hier een eigen stijl, mode, muziek. The Beatles volgden de ontwikkelingen nauwkeurig, maar voor de echte psychedelische muziek moest je wezen in de zogenaamde ‘underground’. Twee bands spelen daarbij een essentiële rol: Soft Machine en Pink Floyd. Dat waren dé bands waar hét gebeurde. Van beide bands zijn elders op de LemonTree meerdere verhalen te lezen.

Soft Machine had als basis jazz met wat soul en blues, maar maakte er een heel eigen stijl van met nummers die flink uitgerekt werden. Ruimte voor lange solo’s en muziek met een sterk repetitief karakter. Een song als ‘We Did It Again’ kon wel een half uur doorgaan, het publiek ondertussen in trance brengen al dan niet onder invloed van een schitterende lichtshow (of drugs): "We play hour-long sets," Mike Ratledge explains, "developing a concert style. The compositions are spaced with improvisations from drum and organ and punctuated with songs. The light show diverts the eye from the mind to the bodily functions. Soon, the audience is up on its feet. As the dancers react to the organic rhythms, the regular steps modulate into free form and movement." Dit citaat staat op de binnenhoes van Soft Machine’s eerste album , ‘Volume One’ (1968). Dat ze zolang doorgingen lag volgens drummer Robert Wyatt meer aan het feit dat het publiek dan geen kans kreeg de band uit te fluiten of van het podium te joelen. De muziek was keihard, de lichtshow meedogenloos. Je moest je er wel in overgeven of weglopen. Maar hoe dan ook, dat was nieuw, totaal anders, levendig, vibrerend. Vooral Wyatt’s teksten waren anders, gingen – en dat was nieuw - over het leven van alledag: “I've got a drum kit and some sticks. So when I'm drunk or in a fit I find it easy to express myself. I hit the drums so hard I break all my heads And then I end the day in one of my beds. I'm nearly 5 ft. 7 tall. I like to smoke and drink and ball. I've got a yellow suit that's made by Pam. And every day I like an egg and some tea, but best of all I like to talk about me!. You may laugh at me. Say I don't deserve. All the things I've had. Sad...” Wyatt was inderdaad niet lang, zijn vriendin (toen) heette Pam, hij was vaak dronken en de rest klopt ook. Bandgenoot Kevin Ayers (bas, gitaar, zang) had meer een verhalende, sprookjesachtige inbreng. Dat liet hij helemaal goed horen op zijn eerste soloalbum ‘Joy of a Toy’ (1969): “She climbs up the stairs by the light of a candle. Then the door with no handle is closing behind her again. She places the light on a chair by the window. Says a prayer while the wind blows. And then in her bed clothes she hides. Now she's safe from the darkness. She's safe from its clutch. Now nothing can harm her at least not very much. What will you dream of tonight lady Rachel? What will you dream of tonight?”
De hoes van Soft Machine’s ‘Volume One’ was/is bijzonder door de roterende draaischijf met daarachter allerlei afbeeldingen. De naakte vrouw op de achterkant maakte her en der nog wat los. In sommige landen had ze plotseling een blauwe bikini aan. Typerend voor de vrije jaren zestig….

In een parallel universum ‘heerste’ Pink Floyd. Ook daarbij harde muziek, lichtshows en lange nummers vol improvisaties. ‘Astronomy Domine’ en ‘Interstellar Overdrive’ waren de far-out songs, soms uitgerekt tot een half uur. Met onbekende ‘zwevende’ gitaargeluiden en een staccato ritme werd het publiek in een baan om de aarde gebracht om vervolgens de kosmos in te zweven. Beide groepen speelden soms na elkaar in UFO en later Middle Earth of The Roundhouse Allemaal ‘plekken’ waar je moest zijn om je onder te laten dompelen in zinsbegoochelingen al dan niet onder invloed van. Pink Floyd’s eerste album, ‘The Piper at the Gates of Dawn’ (1967) was, vergeleken bij hun concerten, een ‘braaf’ album en gaf niet echt weer wat er op het podium gebeurde. Later werd dat met sommige áanvullingen’ in box-sets goed gemaakt. Maar hoe dan ook gaf ‘The Piper’ weer wat Pink Floyd deed, lange nummers, bijna geïmproviseerde delen, experimentele, nieuwe geluiden en bijna kinderlijke sprookjesachtige teksten van Syd Barrett. Een voorbeeld: “I know a mouse, and he hasn't got a house. I don't know why I call him Gerald. He's getting rather old, but he's a good mouse. You're the kind of girl that fits in with my world. I'll give you anything, everything if you want things…“. De naam van het album komt uit het kinderboek ‘The Wind in the Willows’ (1908) van Kenneth Graham.
De hoes van ‘The Piper at the Gates of Dawn’ is al een soort overgangshoes. Wel nog een foto van de band voorop, maar in een psychedelisch aandoende setting. De foto van Vic Singh werd gemaakt met een lens die het onderwerp vermenigvuldigde als een soort prisma. Het vreemde wezen achterop, een idee van Barrett, is het schaduwpatroon van de groepsleden die achter elkaar staan. Totdat het raadsel ontsluierd werd was je er maar druk mee.

Beide groepen worden echter niet genoemd als het gaat om hét album met ‘psychedelische muziek’. De credits daarvoor gaan in mijn optiek enigszins onterecht naar The Beatles met hun ‘Sgt. Pepper’s Lonley Hearts Club Band’ (1967). Het bleek gebaseerd op twee andere albums: ‘Freak Out’ (1966) van Frank Zappa and the Mothers of Invention en ‘Pet Sounds’ (1966) van The Beach Boys. Brian Wilson wilde het ultieme album maken en dat was zijns inziens een verbetering van wat hij dan zag als het beste album dat er was: ‘Revolver’ (1965) van The Beatles. Die Beatles waren in die periode behoorlijk onder indruk van Zappa’s ‘Freak Out’ (dat is me ook een album…) en wilden die ‘verbeteren’. Dat klinkt wat raar, maar ze wilden een album maken dat nog beter was dan ‘Freak Out’. Natuurlijk hoorden ze ook ‘Pet Sounds’. Het dreef de ‘fab-four’ een eind verder en van huis. Bovendien waren John Lennon, maar vooral George Harrison bezig met Indiase muziek, Ravi Shankar’s werk met name. En natuurlijk waren diezelfde Beatles bezig hun grenzen te verleggen, te experimenteren met drugs, LSD enzovoorts. Die mix leverde het kleurrijke album ‘Sgt. Pepper’s Lonley Hearts Club Band’ op. Omdat The Beatles in 1965/1966/1967 vele malen populairder waren dan Pink Floyd of Soft Machine kwam dat album letterlijk en getalsmatig veel meer aan de mens. Tel daarbij op de outfit, oude legerjassen en Paisley-patronen, de bloemenstukken – Flower Power – op de hoes, de Indiase muziek, vreemde klanken van achterstevoren afgespeelde muziek, wat collages en dan heb je zo’n beetje het ultieme psychedelisch album. Tel daarbij op de vage, volgens Lennon onbedoelde, verwijzingen in de tekst naar LSD, zoals Lucy in the Sky with Diamonds: “Picture yourself in a boat on a river. With tangerine trees and marmalade skies. Somebody calls you, you answer quite slowly. A girl with kaleidoscope eyes. Cellophane flowers of yellow and green. Towering over your head. Look for the girl with the sun in her eyes. And she's gone. Lucy in the sky with diamonds…“. Hoe dan ook, het geschilderde landschap is met sinaasappelbomen, oranje luchten en dat meiske met caleidoscopische ogen waar je sowieso al in zou verdrinken best surrealistisch te nomen. Het is goed toeven daar in dat bootje op de rivier.
Terecht hét album of niet, ‘Sgt. Pepper’s Lonley Hearts Club Band’ opende de vensters wagenwijd en daarna volgde een zondvloed aan ‘psychedelische muziek’. Maar of het allemaal onder die bontgekleurde paraplu te vangen is? Vaak zijn het gewone popliedjes met een vleugje excentrisme, niet meer dan dat. Leuk om te horen en passend in het geluid van de tijd.

Dat geluid drong – later - ook door in andere muziekgenres zoals de wat meer blues-georiënteerde heavy-rock. Dan komen we aan bij een album/nummer dat indertijd iedereen kende, had of iemand kende die het album had: ‘In-A-Gadda-Da-Vida’ (1968) van Iron Butterfly. Het in gepast psychedelische hoes gestoken album was met het lp-kant-lange titelnummer bedwelmend, de drumsolo met echo toen indrukwekkend. Nu vind ik die te lang en te saai, maar de song met de wat magere tekst en dat ‘vintage’ orgelgeluid blijft nog wel overeind: “In a gadda da vida, honey. Don't you know that I'm lovin' you. In a gadda da vida, baby. Don't you know that I'll always be true. Oh, won't you come with me and take my hand. Oh, won't you come with me and walk this land. Please take my hand… “ Toch wel lief voor zo’n ruige band. Het album was er door het lange nummer een dat flink gebruikt werd voor allerlei trips en “open minded experiences”. Daarbij was het net als Sgt. Pepper een album dat genoeg stof en materie opleverde voor een nieuw stroom aan bands en muziek.

In Nederland, land van het nuchter volkje, liep het niet zo storm met de psychedelica. Natuurlijk deed men mee met mode en aanverwante zaken, maar het hoofd bleef doorgaans meestal redelijk helder. Eén van de bands die eruit sprongen, zelfs internationaal, is Groep1850 of Group 1850. De song ‘Mother No-Head’ van Peter Sjardin was zo ‘weird’ dat zelfs een refrein van Vader Jacob/ Frère Jacques er zonder aarzeling in werd opgenomen. Dat feit was natuurlijk al ‘far out’ en “helemaaltegekweetjewelman”. Dat laatste een typische opmerking uit deze tijd. Groep 1850’s 'Agemo's Trip to Mother Earth' (1969) heeft een onuitwisbare indruk achter gelaten. Het album stond bol van geluidscollages en experimenten en tripperige geluidsorgieën. Maar als je goed luisterde waren er in hun muziek zonder meer elementen van Pink Floyd in te ontdekken. De trip was na lp-kant-A wel over, op kantje B zocht de groep een iets rustiger vaarwater op met akoestische gitaar en fluiten. Maar ,het moet gezegd, samen met de 3D-hoes een echt geestverruimend album en dat werd en wordt internationaal gezien.

Minder bekend of begrepen in het buitenland, maar hier te lande alom gewaardeerd is ‘Picknick, Tuin der Lusten’ (1968) van Boudewijn de Groot. Het is niets meer of minder dan de Nederlandse versie van ‘Sgt. Pepper’. De Groot verlegde hier zijn grenzen enorm, net als vaste tekstschrijver Lennart Nijgh. De opmaat voor dit album is “Het Land van Maas en Waal’ (1967) waarin Nijgh alle registers opentrekt om ons een fantasiewereld voor te toveren: “Onder de groene hemel in de blauwe zon speelt het blikken harmonieorkest in een grote regenton. Daar trekt over de heuvels en door het grote bos de lange stoet de bergen in van het circus Jeroen Bosch…. Ik loop gearmd met een kater voorop, daarachter twee konijnen met een trechter op hun kop. En dan de grote snoeshaan, die legt een glazen ei, wanneer je 't schudt dan sneeuwt 't op de Egmondse abdij. Ik reik een meisje mijn koperen hand… “ Dank Alice in Wonderland…
De hoes van het album is ontworpen door Simon en Marijke, oftewel Simon ‘Seemon’ Posthuma en Marijke Koger. Het duo was in het buitenland bekend als The Fool en ontwierp menig platenhoes of anderszins. Hun ontwerp voor ‘Sgt. Pepper’ van The Beatles viel indertijd af, maar ook daarvoor waren ze gevraagd. Wel mochten ze de buitenkant van het ‘hoofdkantoor’ van The Beatles, Apple of Aplle Corps, beschilderen, net als de Rolls Royce van John Lennon. De hoes voor ‘Picknick’ in kleurige, psychedelische stijl viel op door het zogenaamde ‘Droste-effect’, de steeds kleiner wordende herhaling van het hoofdthema. Psychedelica ten top!

Natuurlijk waren er nog andere bandjes actief op het psychedelisch vlak, maar die maakten minder indruk. Een interessant album is ‘Waterpipes & Dykes - Dutch Psychedelic Underground 1966 - 1972 Volume One’ (1998), afkomstig van het wat zweverige Waterpipe Records. Het is samengesteld door Andy Warhoofd (?). Een tweede deel kwam niet meer uit de pijp helaas. Jammer, want het is een aardige kennismaking met wat er in Nederland anno toen gebeurde. Opnieuw mag je de vraag stellen of dit allemaal valt onder de noemer, psychedelisch, maar ‘weird’ zijn sommige tracks zeker en daar is die van schilder Karel Appel wellicht het hoogtepunt van. Duidelijk wordt wel dat dit een tijd is waar zowat alles kon en mocht.

Om de nieuwe stijl, muziek aan de mens te brengen werd een simpel maar doeltreffend middel ingezet: posters. De posters uit de afdeling psychedelica van de jaren zestig zijn in één oogopslag herkenbaar als zodanig: felle kleuren, onleesbare letters en een stijl die soms letterlijk gekopieerd was van die van de Art Nouveau uit het eind van de eeuw daarvoor. Scheutje Popart erbij en ‘wow’. Op veel posters zijn vrouwen te zien met lang, wuivend haar. Ze zijn afkomstig van kunstenaar Alfons Mucha (1860-1939). Mucha was een ‘vertegenwoordiger’ van de stijl die zich afzette tegen de ontwikkelingen van de industriële revolutie. De in hun optiek lelijke, harde vormen, luidruchtigheid en stank riepen een tegengeluid op. Die werd vertolkt door organische, vloeiende vormen, pastelkleuren, bloemen en abstracte vormen. Vaak ook is de afbeelding van een pauw te zien en bij Mucha het vrouwelijk schoon. Art Nouveau, ook Jugendstil genoemd, beperkte zich niet tot schilderkunst maar zocht de toepasbaarheid van hun ideeën in architectuur en alledaagse gebruiksvoorwerpen. De ronde, vloeiende vormen waren te zien in trappenhuizen, gevels, lampen, kasten, meubels, de Metro (de ingang van Abbesses, Parijs, ‘Metropolitain’ is een heel bekende). De pauw (en bij Mucha de vrouw) werd gezien als een schepsel van schoonheid en kwam dan ook vaak in afbeeldingen voor.
Met deze wetenschap in de bekende notendop is de sprong naar de jaren zestig een heel kleine. Door de jongeren werd de wereld van dat moment ook gezien als lelijk, hard en lawaaierig. Er was oorlog in Vietnam, de (Amerikaanse) politiek lag gevoelig, de hightech ontwikkelde zich razendsnel, raketten in de ruimte enzovoort. Het geweld van de oorlog werd bedekt met bloemen. Deze bloemekinderen of ‘flower power kids’ keerden zich af van de harde wereld om hen heen en zochten hun heil in de natuur, puurheid en schoonheid. Daarin paste de afbeeldingen uit de Art Nouveau naadloos. Alleen werd het kleurengamma iets ‘aangepast’, in plaats van pasteltinten viel de keus op contrasterende kleuren, fluorescerend, knetterhard en helemaal in stijl met de psychedelica zintuigen (het oog) betoverend of misleidend. Als een LSD-trip op zichzelf.
Dat gold al net zo voor de teksten op posters. De letters waren door de vloeibaarheid ervan en allerlei versieringen nauwelijks te lezen, daarmee kreeg de poster dan wel langdurige aandacht. Die letters waren ook al niet nieuw. Het meest ‘gangbare’, psychedelische lettertype komt uit 1902 en is ontworpen door de Oostenrijker Alfred Roller (19864-1935). Kijk je naar diens werk dan valt meteen de overeenkomst op.
Zoals eerder opgemerkt waren San Francisco en Londen dé steden waar het gebeurde. Dat zijn ook de steden van de ontwerpers. Uit San Francisco komt ‘The Big Five’, ze werkten soms samen, soms onafhankelijk van elkaar, maar wel in de typisch psychedelische stijl: Alton Kelley, Victor Moscoro, Rick Griffin, Wes Wilson en Stanley Mouse. Mouse en Kelley werkten vaker samen. Wes Wilson wordt alom gezien als de ‘vader’ van de psychedelische posters. Hun posters voor gelegenheden als The Fillmore of voor concerten georganiseerd door Bill Graham en Chet Helms werden vaak meteen na ophangen van de muur getrokken om thuis in de (slaap-)kamer te hangen.
In Londen zijn Martin Sharp en Hapshash and the Coloured Coat degenen die vooral de stijl bepaalden. Sharp werd bekend als maker van poster voor Bob Dylan, Donovan en werkte voor OZ-magazine. Hij maakte ook de hoes van Cream’s ‘Disraeli Gears’ (1967). Hapshash bestond uit/stond onder leiding van Michael English en Nigel Waymouth. Ook zij maakten posters en hoezen. Die laatste voor bijvoorbeeld Amon Düül en een flink deel van ‘Their Satanic Majesties Request’ 91967), hét psychedelische album van The Rolling Stones en hun ‘antwoord’ op dat album van hun Beatles-vrienden, ‘Sgt. Pepper’. Verder ontwierpen ze posters voor UFO-club, Middle Earth en OZ-magazine.

De kleurrijkheid van de posters kwam ook terug in kleding; nooit eerder was kleding zo kleurrijk, anders. Er werd van alles en nog wat gemixt, oude legeruniformen werden versierd met patronen en plotseling hip, de jurken van de dames werden behoorlijk kort, mini en de Bh’s gingen de prullenbak in. De ‘vloeibare’ stijl kwam ook terug in de zogenaamd ‘Paisley’-patronen. De traanvorm is te herleiden tot de Perzische ‘buta’. De Engelse naam komt , simpelweg, uit de Schotse stad waar de kleding gemaakt werd: Paisley.

Dan ga je dus goedgekleed naar een concert en wordt je behalve op geestverruimende muziek getrakteerd op ‘light & vision’. Alleen muziek horen was niet voldoende, je moest muziek ook zien. Met de nieuwe technische mogelijkheden kon van alles en nog wat geprojecteerd worden achter of voor de muzikanten. Niet alleen gekleurde lampen of stroboscoop-licht (snel flikkerend aan/uit), maar ook dia’s met afbeeldingen of vloeistofprojecties. Die laatste waren het summum van de psychedelische muziek. Blij vloeistofprojecties, de naam zegt het al, vloeien vormen naast elkaar of in elkaar, kleuren vermengen of spatten uiteen in tientallen andere vormen en dat allemaal in full color natuurlijk. Vloeistofprojecties waren nieuw. Het zijn diverse substanties, geperst tussen glazen, rondgedraaid en met hulp van een projector op bijvoorbeeld een muur zichtbaar gemaakt. Glazen kunnen gewisseld, maar er is soms ook de mogelijkheid iets tijdens de projectie toe te voegen en aldus vorm en beweging te ‘sturen’. Vaak worden er meerdere projectoren tegelijkertijd gebruikt. Het fenomeen staat bekend als ‘Liquid Light Show’ of ‘Psychedelic Light Show’. Light Shows werden gebruikt bij bijna alle bands hierboven genoemd en/of niet genoemd.
Net als bij de posters springen een paar namen naar voor: The Joshua Light Show in Amerika en Mark Boyle in Engeland. The Joshua Light Show is die van Joshua White. Bij zijn shows maakte hij gebruik van film-, overhead-, licht- en diaprojectors. Voor de vloeistofprojectie gebruikte hij glazen ‘wielen’/schijven, waterverf en glaskristallen. White verzorgde zijn shows bij bands als Jefferson Airplane, the Doors, Janis Joplin, Grateful Dead, the Band, Frank Zappa & the Mothers of Invention en vele anderen. Afbeeldingen ervan zijn te zien op het eerder genoemde ‘In-A-Gadda-Da-Vida’ van Iron Butterfly en de ‘Band of Gypsies’ (1970) van Jimi Hendrix.
De Schot, Mark Boyle deed ongeveer hetzelfde in Engeland. Ook hij werkte met meerdere projectoren en middelen. Hij werkte samen met zijn latere partner, de eveneens Schotse Joan Hills. Hun ‘Light Environements’ of ‘Sensual Light Shows’ waren te zien bij Soft Machine en Jimi Hendrix en in UFO-club en The Roundhouse. Maar onder de naam 'Son et Lumière for Earth, Air, Fire and Water' gaven de Boyles eigen shows zonder bands. Hun lichtshows waren ook buiten Engeland, onder andere in Nederland, te zien, ze gingen vaak mee met Soft Machine.
Pink Floyd, minstens net zo bekend van light-shows had in de begintijd een eigen lichtman, hun oude leraar en huurbaas Mike Leonard. Diens show was wellicht minder geavanceerd dan die van Boyle, maar desalniettemin indrukwekkend genoeg.
In Amerika opereerde onder anderen(!) nog: The Holy See, Brotherhood of Light, The Heavy Water Light Show, The Single Wing Turquoise Bird, en Diogenes Lanternworks. Van die laatste zijn veel afbeeldingen te zien op de posters van The Big Five.

The Summer of Love, Flower Power, psychedelische muziek, het hippisch idealisme spatte uit elkaar na de moord tijdens het festival van Altemont. Bij het fameuze Woodstock-festival (1969) waren er nog wel zo’n half miljoen mensen vredelievend bij elkaar, maar de harde wereld haalde hen snel in. Menig muzikant, Jimi Hendrix, Jim Morrison, Janis Joplin, overleed aan een overdosis drugs, Charles Manson vermoordde onschuldige mensen, LSD was inmiddels illegaal. Het was niet meer zoals het eerder geweest was. De wereld van illusies knapte als een zeepbel uit elkaar, het leven ging verder, anders verder. Muziek net zo vloeibaar als eerder, veranderde mee en daarmee kwam er een eind aan een achteraf heel bijzondere periode. Natuurlijk leefde en leven elementen ervan op en wordt, net als bij alle andere stijlen, vaker teruggegrepen op psychedelische invloeden of komt er een korte opleving in een smal deel van de muziekwereld.

Niet alle bands uit de jaren zestig zijn even populair geworden, sommigen maakten slechts één of enkele singles of hielden alweer op te bestaan. Er zijn talloze compilatie-albums uitgebracht met psychedelische muziek. De meest bijzondere, interessante, leuke staan hiernaast. Stuk voor stuk mooi uitgevoerde boxen, boekjes erbij, foto’s, info. Alles wat je zou willen. The Rubble Collection spant met 20cd’s (!) de kroon. Dan denk je dat je compleet bent, maar vind je in de andere boxen nog steeds ander werk. Het is welhaast een trip op zichzelf om de muziek op al die boxen te ontdekken. De een biedt meer aandacht aan de Amerikaanse pyschedelische muziek, de ander aan de meer, Europese, Engelse. Soms komen er Nederandse bands langs als Cuby & the Blizzards, Supersister, Golden Earrings, Brainbox of Dragonfly.

Leuk en aardig natuurlijk, maar of die of andere uitingen in de boxen vallen onder de noemer ‘psychedelic music’? Ik weet het niet. Zelfs tot op de dag van vandaag zijn over wat het nu inhoudt de meningen weinig eensluidend. Ik voeg er daarom maar een aan toe: psychedelische muziek is muziek die verschillende zintuigen minstens in verwarring achterlaat en daarmee de geest verruimd, al dan niet onder invloed van enig ondersteunend middel. Muziek waar je na het luisteren ernaar alleen nog bedremmeld voor je uit kan staren en denken “far out man…”

 
tekst: Paul Lemmens, maart 2022
plaatjes: © Past & Present Records/Music Brokers/Grapefruit/EMI/Otherside/Castle Music/Rhino Records/Rubble/Waterpipe Records/Takoma/Vanguard/International Artists/Parkway/RCA Victor/Probe/Philips/Atco/Psychic Circle