Example
3x geschiedenis in het kort
Klassiek-Jazz-Pop



Muziek heeft een lange geschiedenis. Op de LemonTree staat inmiddels heel wat muziek beschreven.

Om al die componisten, artiesten, uitvoerenden met hun muziek en albums in een goed perspectief te kunnen plaatsen is het goed iets van de geschiedenis te weten.

Daarom in dit hoofdstuk drie korte geschiedenissen: Klassiek, Jazz en Pop.

Lees het verhaal van de geschiedenissen en verbaas je over wat er door de jaren heen gebeurd is.


KLASSIEK

Waar en wanneer muziek is ontstaan en welke is niet bekend. Wel dat bij alle groepen mensen en volkeren muziek aanwezig is geweest. Die muziek heeft zich vanaf de oudheid ontwikkeld in grofweg twee sporen: de ene in zang- en begeleidingsmuziek bij feesten, partijen, dansen, de meer informele kant, de andere in een serieuzere kant, namelijk als kerkelijke muziek, muziek in dienst van een hogere orde. Religie speelde in de muziekhistorie een essentiële rol. Men neemt aan dat de ontwikkeling van die muziek via het Oosten en dus Oosterse muziek naar het Westen gekomen is. In een tijd vol veroveringen en onderdrukking wordt in een groot deel van Europa de Romeinse zang en liturgie ingevoerd. In Frankrijk leidt dat tot een samengaan met de tot dan gebruikte Gallicaanse muziek en zang. We hebben het dan over de Karolingische periode, in jaartallen: 768-814. Een belangrijke rol in die ontwikkeling speelt de bisschop van Metz, Chrodegang. In eerste instantie wordt de muziek “cantilena metensis” genoemd. Metz groeit samen met Sankt Gallen (Zwitserland), Reims en Chartres uit tot de invloedrijkste plekken voor wat dan al Gregoriaanse zang genoemd wordt. Onder leiding van Karel de Grote wordt die muziek door zijn rijk verspreid en wordt het de officiële zang. Daarmee wordt andere zang in Italië en Spanje vervangen door het Gregoriaans, “carmen gregorium”. Gregoriaans staat voor het ritmisch spreken/zingen van woorden/klanken in meerstemmigheid zonder begeleiding. In deze periode wordt opnieuw het notenschrift ingevoerd. Dat was al in gebruik bij de Grieken, maar ging verloren. Gregoriaanse zang is monofoon, zonder harmoniepartij. Men hanteerde vier lijnen om de toonhoogte aan te geven. Maar de lengte van de noten en daarmee ook het ritme werd niet genoteerd.
Rond 1320 ontstaat polyfone muziek, “ars nova” (nieuwe kunst) genoemd. In het notenschrift wordt nu ook lengte en duur genoteerd. Daarbij zijn er meerdere zanglijnen. Naast de hoofdlijn is er een of zijn er zelfs meer tegenlijnen of tegenmelodieën. Hieruit ontstaat het “motet”, een samenzang. In eerste instantie werd het motet alleen gebruikt binnen de kerk, later ook door minstrelen. Minstrelen waren rondtrekkende zangers die zichzelf begeleidden op een snaarinstrument en veelal liederen zongen over de “hoofse liefde”.
De volgende ontwikkeling is de “canon”, meerstemmige zang, waarbij de zangers niet allemaal op hetzelfde moment beginnen.
Aan het eind van de Middeleeuwen (1300-1400) ontstaat instrumentale muziek. Tot dan was alle muziek feitelijk vocaal. Instrumentale muziek werd gebruikt als ‘achtergrondmuziek’ bij koningen, graven, hertogen. De ‘rijken’ dus. Voor het volk was er begeleidende muziek bij de zogenaamde ‘wagenspelen’, toneel op een rondtrekkende platte kar.

De volgende, herkenbare periode in de muziek is de Renaissance (1400-1600). De ‘bevrijding’ van het kerkelijke muziekjuk gaat door en tegelijkertijd ontstaan nieuwe instrumenten, zoals de voorlopers van de fagot en trombone. Oude instrumenten worden verbeterd. Daardoor werd het nu ook mogelijk om de instrumenten letterlijk op elkaar af te stemmen. Daarmee werd de klankkleur van een groep musici rijker.
In 1439 ontstaat de boekdrukkunst. Muziek kan vanaf nu op papier vermenigvuldigd worden en is daarmee beschikbaar voor eenieder die het zich kan veroorloven. Dat maakt dat muziek niet meer alleen
Muziek werd meer en meer een ‘voertuig’ voor de vrije én persoonlijke expressie en kwam daarmee de kerk uit, de wereld in. In deze periode ontstaan het motet worden gezongen, al dan niet met begeleiding. De teksten gaan over het leven. De madrigalen zijn vier- tot zesstemmig polyfoon en a capella: zonder instrumenten. Die teksten zijn weliswaar kerkelijk, maar steeds meer “wereldlijk”. Bekende componisten uit deze periode zijn o.a.: Josquin des Prez, Giovanni da Palestrina, Hildegard von Bingen, Gilles Binchois, Johannes Ockegem, Guillome Dufay , William Byrd en Jacob Obrecht.
Anno nu kennen we nog steeds liederen uit deze periode, zoals ‘Greensleeves’ en ‘In Dulce Jubilo’. Parallel hieraan ontwikkelt de instrumentale muziek zich. De ontwikkeling toont zich in dansmuziek. In Italië ontstaan de eerste opera’s. In ons land ontstaat bij het verzet tegen de Spanjaarden een nieuw lied: ‘Wilhelmus’.
Op de Renaissance volgt de Barok (1600-1760). Grappig is dat barok komt van het Portugese woord ‘barocco’ dat “misvormde parel” betekent. Die misvormde parel leverde wel een explosie aan muziek op en tal van nu nog bekende én gespeelde componisten. De ontwikkeling van muziekinstrumenten gaat alsmaar door. In deze periode komen er instrumenten erbij; cello, contrabas, dwarsfluit, harp, draailier, hoorn, cornet, trompet, klavichord, fortepiano, klavecimbel, orgel, pauken, keteltrommels. Zowel klankspectrum als klankkleur werden hiermee enorm verrijkt. Met alle nieuwe mogelijkheden biedt het componisten de kans allerlei instrumentsamenstellingen te proberen. In de Barok ontstaat het orkest. Door alle uitproberen is de Barok een periode van expressie. Omdat er veel meer mogelijkheden waren kon muziek een stuk ingewikkelder worden, zoals bijvoorbeeld de “fuga’, verscheidene muzieklijnen die tegelijkertijd worden uitgevoerd. Daarbij ontdekte men dat tonen konden trillen, bijvoorbeeld op de snaren van een viool.
In deze periode ontstaat de “tonaliteit”. Simpelweg: de toon of grondtoon bepaalt in welke toon het stuk of lied geschreven is. De hierboven kort uitgelegde theorie. Maar er werd natuurlijk ook mee gespeeld, bijvoorbeeld door binnen één stuk de toon te veranderen (modulatie) of te werken met een toon die net niet past (dissonantie).
Als aanvulling op de melodielijn werd de “basso continuo” bedacht, een groep musici (luit, klavecimbel, viool, cello, contrabas) die een ondersteunende, doorlopende baslijn speelden.
Een andere, nieuwe ontwikkeling is de “danssuite” - nee - niet om te dansen, alleen luisteren! Voor het dansen zijn er de “gavotte”, “menuet”, “rigaudon” en ‘sarabande”.

De reeks bekende componisten uit deze periode is lang, een paar namen: Johann Sebastian Bach, Antonio Vivaldi, Georg Friedrich Händel, Georg Telemann, Claudio Monteverdi, Henry Purcell, Alessondro Scarlatti, Jean-Baptiste Lully, François Couperin en Jan Pieterszoon Sweelinck.
In de kerk wordt het orgel de standaardbegeleiding van de psalmen. Kleine orgels werden flink uitgebreid. Hoe rijker men was, dat wil zeggen de kerk en de stad, hoe groter, luxueuzer het orgel. Voor en na de dienst speelde de organist een miniconcert, een vrije improvisatie. Psalmen worden door toedoen van Maarten Luther en Johannes Calvijn nu in de eigen, geschreven taal gezongen.
Met het Classicisme (1750-1820) wordt teruggegrepen naar vroeger. Het is de tijd van de pruiken, maar ondanks de terug-naar-vroeger-beweging ook het tijdperk van de Verlichting. Het grote verschil met Barokmuziek is dat de muziek uit deze tijd lichter, minder ingewikkeld is en zelfs ‘eleganter’ genoemd wordt. Het wat harder klinkende klavecimbel wordt alom vervangen door de piano, want die kan veel subtielere klanken voortbrengen. In tegenstelling tot de periodes hiervoor werd instrumentale muziek nu leidend. Die muziek werd gespeeld in allerlei ‘bezettingen’, zoals solo, duo’s, trio’s, (strijk-)kwartetten, kwintetten en voor orkest, de symfonie. De symfonie is een drie- of vierdelig muziekstuk dat door meerdere instrumenten tegelijk gemaakt wordt. De ‘vader’ van de symfonie is Joseph Haydn. Ook nieuw is de “sonate”, een meerdelig muziekstuk voor één instrument.
De zang bleef, maar was nu van één zanger(es) begeleid door één of meerdere instrumenten. Veel muziek werd gespeeld bij de mensen van stand en dus met geld. Maar er werden ook concerten gegeven op openbare plekken zoals herbergen. De muzikanten vonden het echter nogal vervelend als mensen niet naar de muziek luisterden, maar met elkaar in gesprek bleven. Dat was toen gebruikelijk. Om dat te beperken werd voortaan geld gevraagd. Muziek werd hierdoor meer iets voor de rijken. Met name de adel zorgde ervoor dat muziek uitgevoerd kon worden. Simpel gezegd betaalden ze de componist en uitvoerenden. Hoe rijker, hoe meer kon. Veel muziek is dus gecomponeerd voor deze bovenlaag van de bevolking.
Bekende componisten uit deze periode zijn o.a.: Joseph Haydn, Frans Schubert, Ludwig van Beethoven en Wolfgang Amadeus Mozart. Omdat ze allemaal in Wenen werken wordt dit ook wel de “Eerste Weense school genoemd”.
Populair in deze periode werd de opera: zang, toneel én muziek. De opera was rond 1600 ontstaan in Italië naar voorbeeld van Aristoteles. Zijn “Poetica” ging namelijk over muziek en toneel. Aristoteles vertelde hierin dat drama de imitatie van het leven was en dat dat drama verlevendigd werd met een versiering, melodie, muziek. De eerste, bewaarde opera is ‘Euridice’ van Jacopo Peri. Bij de vroege opera’s werd de zang een soort spreekzang, men noemde dat “recitatief”. De tekst was het belangrijkste, muziek achtergrondversiering. Tot aan de Franse Revolutie (1789-1799) waren opera’s (“opera seria”) vaker mythologische verhalen vol rijke versieringen en sloten aan bij de rijkdom van de barok. In de tijd van de Verlichting/Classicisme werden opera’s realistischer met gewone mensen in normale, alledaagse situaties, de “opera buffa”. Deze vorm van opera kreeg - niet verrassend - veel belangstelling van die gewone mensen. De ‘vader’ van deze operavorm is Giovanni Pergolesi. Een van de meest bekende opera’s is ‘Il barbieri di siviglia’van Gioachino Rossini. Een satirevorm van de opera buffa is de “commedia dell’arte”. In deze vorm is naast de nodige satire ook improvisatie belangrijk.
De operette is verwant aan de opera, maar is minder zwaar, minder serieus ook. De ‘vader’ hiervan is Jacques Offenbach met zijn ‘Orphée aux enfers’ (1858).

Op het Classicisme volgt de Romantiek (1815-1910). Het is een periode van groei en bloei: groei in muziekstukken en in de bezetting binnen een orkest. Het orkest zoals we dat nu kennen stamt uit deze periode. De verhalen van de Romantiek zijn die van de emotie, angst, pijn, vreugde, verdriet, verlangen en nog steeds die van de liefde. Net als in de schilderkunst is natuur belangrijk. Omdat de muziekstukken gegroeid zijn, zijn ze lastig te spelen. De uitvoerende moet een gedegen opleiding aan het conservatorium hebben om die te kunnen uitvoeren. Dat kost geld. Ook de orkesten kosten geld en composities schrijven al net zo. De tijd van geldschieten is echter voorbij. Men moet dus ‘gewoon’ werken voor zijn geld. Om geld te verdienen wordt nu voor zowat alle muziekuitvoeringen een toegangsprijs gevraagd. Soms zijn er wel rijke lieden die componisten steunen, maar dat is eerder incidenteel dan structureel.

Om grotere groepen musici te kunnen onderbrengen werden speciale gebouwen neergezet, zoals later het Concertgebouw (1888) in Amsterdam. De Felix Meritis (1787) was echter het eerste gebouw in ons land dat een concertzaal had. Kleinere groepen konden in grotere (huis-)kamers spelen. Hieruit ontstaat de naam “kamermuziek”.
De muzikale groei van Ludwig van Beethoven en Franz Schubert (1797-1828) zorgden mede voor de stap van Classicisme naar Romantiek. Bekende componisten uit deze periode zijn o.a.: Anton Bruckner, Gustav Mahler, Hector Berlioz, Felix Mendelssohn-Bartholdy, Robert Schumann, Johannes Brahms, Frédéric Chopin, Pjotr Iljitsj Tsjaikovski, Sergej Rachmaninov, Franz Liszt, Modest Moessorgski, Camille Saint-Saëns en Edvard Grieg. Het zijn de namen van componisten die vandaag de dag nog steeds te horen zijn in de concertzalen.
In het genre van de opera horen we vooral werk van Giuseppe Verdi en Giacomo Puccini en Richard Wagner.
De scheiding tussen muziek voor het volk en muziek voor de elite loopt in de Romantiek door en wordt zelfs groter. Het normale publiek heeft weinig op met de ingewikkelde muziek waarvoor ze bovendien moet betalen. Liever houden ze het simpel. Voor hen schrijven componisten salonmuziek, wat lichtere stukken, makkelijk behapbaar en bovendien gratis te horen. Tegelijkertijd wordt er wat neerbuigend gedaan over deze simpele muziek. Het is meteen ook de muziek die uitgevoerd wordt door musici die het niet in zich hebben om een conservatorium te volgen. Dat kan zijn talent, maar ook vanwege geldgebrek. Het is in feite de grondslag voor het feit waar we anno nu nog steeds mee zitten, de scheiding tussen “hoge” en “lage” kunst.
We zijn aanbeland in de eeuw waar alles het snelst veranderde: de 20e eeuw. Deze periode daarvan loopt grofweg van 1900-2000. Preciezer gezegd loopt die van 1894 tot ongeveer 1975. De muziek uit deze periode wordt 20e-eeuws klassiek of ook wel Modern klassiek genoemd. Die laatste benaming is vreemd, omdat de muziek al meer dan een eeuw oud is. Tegelijkertijd wordt juist deze muziek door nogal wat mensen nog als modern ( lees: onbegrepen) ervaren. Zo stelde de jonge, Britse componist Howard Goodall (1958- ) zelfs: “Music was in a terrible state.” Wat volgens hem in de Moderne klassieke muziek ontbrak was melodie. Door de afwezigheid daarvan was klassieke muziek op een dood spoor beland. Hoe verder? De ‘oplossing’ kwam volgens Goodall uit onverwachte hoek: The Beatles. Doordat de Fab Four (de koosnaam voor The Beatles) melodieuze, klassieke klanken aan hun songs toevoegden opende dat een poort voor de oudere, dus melodieuze, klassieke muziek. Met de herwaardering voor melodie leefde die muziek op.

Terug naar de Modernen. In plaats van één stijl lopen in deze periode nogal wat stijlen langs en door elkaar. De Romantiek loopt gewoon door, maar vanaf 1894 begint het zogenaamde “impressionisme”. Claude Debussy is de naam die daarbij hoort, al hield hij er zelf niet van. Zijn muziek, soms zonder duidelijk begin- of eindpunt was beïnvloed door gamelanmuziek uit Java en Bali. Het zijn, net als in de gelijknamige schilderkunststroming, vastgelegde momenten. Een tweede naam is die van Maurice Ravel (1875-1937).
Hun tegenpool is Igor Stravinsky (1882-1972). Diens muziek wordt gerangschikt onder “Neo-Classicisme”. Deze muziek grijpt terug op de periode van het Classicisme en de Barok. Het woord “neo” geeft aan dat het geen replica is, maar wel degelijk nieuw en anders is. Stravinsky is baanbrekend. Denk maar eens aan diens ‘Le Sacre
du Printemps’.
Aan het begin van de 20e-eeuwse klassiek riep de Italiaan Luigi Russolo op tot “nieuwe muziek voor een nieuwe tijd”. Hierbij moet je denken aan het oprukkende industrialisme. De muziek voor machines en fabrieken zou anders moeten zijn. Die stroming heet “Futurisme”. De Fransman Edgard Varèse maakte nieuwe muziek, vol slagwerk, weinig of geen strijkers, maar die eerder een fusie was met elektronische muziek. Voor het Nederlandse paviljoen van Philips ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling Expo 58 in Brussel maakte hij het bijzondere 'Poème électronique', een meesterwerk dat binnen de elektronische muziek gerangschikt wordt.
De Tweede Weense School is de groep van Arnold Schönberg, Anton Webern en Alban Berg. Hun “Atonale” of “Twaalftoonmuziek” was anders. In plaats van een vaste toonsoort is er juist geen vaste toonsoort. Vandaar de naam a (a=geen) tonaliteit. Een andere naam voor twaalftoonsmuziek is “dodecafonie”. Schönberg bracht binnen de atonaliteit een strakke ordening aan van de twaalf tonen. Die twaalf tonen komen voort uit het octaaf, de afstand van de 1e naar de 2e C. Tel je alle witte en zwarte toetsen op de piano, dan kom je tot 12. Binnen deze muziek komt geen enkele toon vaker voor dan een andere. Een of meer reeksen worden als bouwsteen gebruikt om grotere werken te componeren. Deze muziek komt moeilijk en abstract over, zelfs zo dat men er meer dan honderd jaar later nog moeite mee heeft. Muziek die vooruitstrevend is of niet begrepen wordt, wordt vaak op de stapel “avant garde” gegooid. Letterlijk betekent ‘avant garde’ voor de garde, de horde, uitlopend. Het is een makkelijk hok waar alles wat niet begrepen wordt ingegooid wordt.
Naarmate de techniek vorderde en taperecorders voorhanden waren ontstond “Elektronische muziek”, elektronisch/elektrisch gegenereerde muziek, gevolgd door "Musique Concrète": elektronische muziek met de geluiden van alledag. Tussen 1947-1968 bouwen componisten als Pierre Boulez, Olivier Messiaen, Karlheinz Stockhausen, Karel Goeyvaerts, Hans Werner Henze, Milton Babbitt en Luigi Nono voort op de ‘dodecafonie’ met hun “serialisme”: muziek onder strak regime voor toonhoogte, toonduur, toonkleur en dynamiek.
Béla Bartók (1881-1945) liet zich bij diens muziek inspireren door volksmuziek. Hij reisde stad en land af om de muziek van het volk te horen en te registreren. Al die invloeden verwerkte hij in zijn muziek. Met Stravinsky, die dat tot op zekere hoogte ook deed, valt ook hij onder het Neo-Classicisme.
“Microtonaliteit” gaat nog een stapje verder dan het twaalftoonsysteem, want zo liet onder anderen Harry Partch (1901-1974) ons weten: tussen al die hele en halve stappen liggen ook nog kwartstappen enzovoorts. Als je dat ziet en toepast zijn de mogelijkheden in feite oneindig.
Rond de jaren ’60 werd “minimal music” plotseling populair: de muziek van de Amerikanen Terry Riley, Steve Reich en Philip Glass. Die muziek bestaat uit kleine thema’s die constant herhaald worden, maar toch langzamerhand veranderen. Oppervlakkig gezien lijkt er weinig te gebeuren, vandaar het woord “minimal”.
John Cage, de man van ‘ 4’33” ‘ noemde zijn muziek “aleatorisch” (alea=dobbelsteen), muziek van het toeval en factoren buiten de componist om. Om klanken te genereren gebruikte hij dobbelstenen of de “I Ching”.
Ondertussen zit de populaire muziek al volop in de Rock ’n Roll, Blues, Reggae, Pop, Rock, Psychedelische muziek, Jazz, Progressieve Rock, Blues, een schier oneindige lijst.
De eigentijdse, klassieke muziek is de muziek van nu. Eigentijdse muziek begint ongeveer in 1975 en wordt ook wel “Postmodern” genoemd: de muziek ná (post) de Moderne klassiek. Muziek uit deze periode is een zoeken naar een eigen stijl en gebruikt de hele geschiedenis hiervoor als basis. De Amerikaan John Adams bijvoorbeeld gebruikt zowel minimal music als Jazz in zijn composities, maar toch wordt hij door zijn grotere werken gezien als een componist in het genre van de Romantiek. Hij ziet zichzelf echter liever als onderdeel van de "postmoderne" stroming.
In Nederland is Louis Andriessen (1939-2021) iemand die invloeden uit de pop en Jazz gebruikt. Zijn muziek valt onder de noemer “Hoketus”. Hoketus is te herleiden tot de oude motetten uit de Veertiende eeuw, maar ook naar gamelanmuziek en Afrikaanse muziek. Een melodie beweegt al dan niet snel heen en weer tussen twee instrumenten, als de een stil is speelt de ander: het is een ritmische aangelegenheid die een enorme dynamiek in een stuk kan brengen.


JAZZ

Klassieke muziek stamt uit West-Europa, Jazz uit Amerika. Waar de bron van klassieke muziek in de kerk ligt, ligt die van Jazz in de bordelen. Een groter contrast is nauwelijks denkbaar. De oorsprong van Jazz ligt rond 1902, maar heette eerst “Jass”, had een seksuele lading (jassm=orgasm) en betekende zoveel als orgasme. Jazz kan ook verwijzen naar "Jezebel", hoer. De naam “Jazz” duikt in 1913 voor het eerst op in een krant uit San Francisco. Jazz is een “melting pot” van West-Afrikaanse muziek, Amerikaanse Folk, Creoolse traditionele muziek, worksongs van de zwarte arbeiders op de plantages, Blues, de New Orleans Marching Bands en elementen uit de Ragtime. Bij het ontstaan duiken twee namen op: Buddy Bolden die in een swingende vierkwartsmaat i.p.v. tweekwartsmaat speelde en Jelly Roll Morton die zegt de Jazz eigenhandig uitgevonden te hebben, door de Ragtime in vierkwartsmaat te spelen! Jazz komt volgens velen uit New Orleans, maar bewezen is dat nooit. New Orleans was een grote havenstad, met misdaad, corruptie en in de wijk Storyville veel luchtig vermaak (prostitutie) in de zogenaamde “sporting houses”. Luxere bordelen - vaak waren die niet meer dan een vies schuurtje - konden zich muziek veroorloven. Die werd gemaakt door een ‘professor’, een pianospeler. Niet te luidruchtig, want dat leidde af! Pianospelers waren ook te vinden in de “barrel houses” (kroegen), waar zowel zwart als blank hun armoedig bestaan wegdronk. In 1917 was het gedaan met Storyville. De toenmalige minister van Defensie verbood de manschappen naar sporting houses te gaan, de mariniers hadden te veel last van geslachtsziekten… In korte tijd werd Storyville een verlaten oord. De prostituees trokken via railroads en riverboats naar het noorden en met hen verhuisde de Jazz.

De eerste Jazzplaat wordt gemaakt op 26 februari 1917 door een geheel witte band: The Original Dixieland Jass Band. Ze nemen ‘Livery Stable Blues’ en ‘Dixieland Jass Band One-Step’ op. De 78-toeren plaat verschijnt op 7 maart en is meteen een succes. De muziek die ze maken wordt in het hok “Dixieland” geplaatst. Minstens net zo succesvol is ‘Crazy Blues’, een Bluesnummer, opgenomen in 1920 door Mammie Smith. De plaat wordt gekocht door een hoofdzakelijk zwart publiek. Het resultaat is genoeg voor de platenmaatschappijen om Race Records te gaan voeren met opnamen van Jazz en Blues speciaal voor een zwart publiek. Dit fenomeen bleef tot 1950 (!) in gebruik, alhoewel veel zwarte muzikanten toen ook al platen maakten voor de standaard muziekcatalogi.
Na 1950 werd Race Music omgedoopt tot “Rhythm & Blues”, kortweg R&B.
In 1922 nam Kid Ory met zijn orkest Kid Ory's Sunshine Orchestra onder de naam Spike’s Seven Pods of Pepper in Los Angeles twee nummers op: ‘Ory's Creole Trombone’ en ‘Society Blues’. Het is de eerste officiële plaatopname door zwarte muzikanten in de New Orleansstijl en wordt door menigeen beschouwd als de eerste echte Jazzplaat. Louis Armstrongs platen met zijn Hot Five en Hot Seven worden gezien als de laatste belangrijke opnamen door kleine bands. Kleine bands met hun karakteristieke solo’s/improvisaties vallen onder de “New Orleanssound”.

Er komt verandering in de muziek als er meer gewerkt wordt met voorbedachte, harmonieuze arrangementen. Een van de eersten die daarmee aan de slag gaat is Paul Whiteman. Hij bouwde de kleine bezetting om tot een grote, een big band en zette daarmee een nieuwe trend, “Big Band Jazz”. In 1920 had hij miljoenensuccessen met ‘Wang, Wang Blues’, ‘Whispering’ en ‘Japanese Sandman’. Door het succes werd Paul Whiteman de “King of Jazz” genoemd. De eerste bekende bigband van zwarte muzikanten is die van Fletcher Henderson. Met de komst van tenorsaxofonisten Coleman Hawkins, Buster Bailey en trombonespeler Charlie Green kreeg zijn band een zo eigen geluid dat dat later de basis werd voor de “Swing”. Een andere grote naam is Duke Ellington. Zijn karakteristieke geluid zat vol gecomponeerde elementen. Ellingtons kracht was dat hij speciaal voor de muzikanten in zijn band schreef. In Kansas City liet Count Basie een eigen geluid horen. Zijn muziek was meer op Blues gebaseerd en opgebouwd uit simpelere motieven. Door de grotere herkenbaarheid daarvan werd zijn orkest razend populair.
Bijzonder aan de big bands was dat naast vaste muziekthema’s ((een herkenbare melodie die als basis dient voor een (deel van een) compositie), kleinere thema’s ingezet werden, de zogenaamde ‘riffs’. Die werden herhaald door bijvoorbeeld de saxen en/of de koperblazers. De riffs werden als het ware heen en weer geslingerd tussen de diverse groepen, de zogenaamde “call and response”. Klarinettist Benny Goodman bracht in zijn muziek de improvisatie terug in de bigbandsound, waardoor zijn muziek avontuurlijker werd. Hij was veelvuldig op de radio te horen in het programma “Camel Caravan”. Mensen bleven er zelfs voor thuis! Door zijn succes werd hij de “King of Swing” genoemd. Andere bekende swingbands waren die van Count Basie, Duke Ellington, Woody Herman, Artie Shaw en Chick Webb. Webbs band speelde vooral in de Savoy Ballroom in New York. De zangeres in zijn band was nog een tiener: Ella Fitzgerald. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de bigband van Glenn Miller mateloos populair. Hij speelde eenvoudige, pakkende melodieën. Na de oorlog was het afgelopen met de bigbands. Enerzijds door een opnameboycot (bedoeld om via auteursrechten geld te vangen voor radio-uitzendingen), anderzijds door de overvloed aan bands met eenzelfde geluid.
Een nieuwe, goed opgeleide, generatie muzikanten zag niets meer in de grote, logge bands. Zij wilden grenzen verleggen en hun kunnen etaleren. Daarvoor zijn kleine groepen geschikter. Doordat het accent lag op soleren werden muzikanten virtuozer, inventiever, creatiever. Veel musici kwamen na hun concerten in de “After Hours” - de uren ná een concert - bij elkaar om samen geïmproviseerde muziek te maken, de “jam sessions”. Begin jaren veertig hadden in Mnton Playhouse (New York) pianist Thelonious Monk en drummer Kenny ‘Clook’ Clarke hun thuisbasis. In de After Hours waren er regelmatig sessies met trompettist Dizzy Gillespie en altsaxofonist Charlie Parker. Regelmatig was daar ook Charlie Christian, elektrisch gitarist (!), te vinden. In Minton’s Playhouse is in feite de basis gelegd voor de “Bebop”. Daarna verhuisde de muziek letterlijk naar 52nd Street, een straat met veel bars. Grootste aanstichter van de nieuwe stroming was Dizzy Gillespie. Eerst stond de ‘stroming’ bekend als “Rebop”, maar dat werd uiteindelijk “Bebop” of kortweg “Bop”. De naam is afgeleid van het meezingen van de melodie met woordloze klanken. Dat heet “scat” of “scatten”.
In de Bebop kreeg het slagwerk een prominentere plek. Kenny Clarke en Max Roach zorgden door hun onverwachte accenten voor onvoorspelbare situaties die de muziek levendig en spannend maakten. Accenten op de basdrum werden, wellicht als gevolg van de oorlog, aangeduid als “dropping bombs”. Een erfenis van de big bands was de “walking bass”, een bassist die zorgde voor een doorgaande cadans.

Door de opnameboycot, zie hierboven, wordt er in Amerika gedurende lange tijd geen muziek opgenomen. Het was voor veel luisteraars dan ook een schok toen dat weer wel kon en nieuwe muziek in de winkels stond. Nog in de sferen van melodieuze big bands werden ze geconfronteerd met het veel agressievere geluid van de Bebop. Een direct gevolg was dat de meer conservatieve luisteraars teruggingen naar de ‘roots of Jazz’ en zorgden voor een opleving (revival) van oude Jazzstijlen. De diverse stromingen veroorzaakten een scheiding in de Jazzwereld, een scheiding die lang bestaan heeft.
Bebop ontwikkelde zich verder tot “Hard-bop”. Binnen de Hard-bop was er meer vrijheid en de muziek meer gericht op menselijke gevoelens. Die vrijheid zie je terug in het citeren van passages uit Afrikaanse, Latijns-Amerikaanse en klassieke muziek. Zelfs Gospel en Rhythm & Blues werden er toegelaten. Daarmee werd de weg geplaveid voor nieuwe muzieksoorten als “Soul” en “Funk”. Hard-bop klinkt melodieus en heeft wat men wel eens noemt een echte 'swing'. Wellicht is het daarom nog steeds een van de populairste muziekstijlen binnen de Jazz. Belangrijke vertegenwoordigers van deze “Hard-bop”-stijl zijn drummer Art Blakey, zijn collega Max Roach en pianist Horace Silver. Tenorsaxofonist Sonny Rollins werd in het begin ook  genoemd als Hard-Bopper, maar door zijn muzikale groei onttrok hij zich daar snel aan. Altsaxofonist Cannonball Adderley had een heuse hit met zijn, door Joe Zawinul gecomponeerde: ‘Mercy, Mercy, Mercy’.

“East Coast Jazz”, “West Coast Jazz” en “Cool Jazz” zijn respectievelijk de namen voor een nieuwe invloed in de Jazzmuziek. De naam Cool komt direct van een sessie op 21 januari 1949. Een negental musici met een vrij alternatieve bezetting waaronder tuba speelt arrangementen van Gil Evans. De band bestaat uit bekende musici als Miles Davis, Lee Konitz, John Lewis en Gerry Mulligan en laat alleen gecomponeerde muziek horen. "Muziek met enige terughoudendheid in emotie" vond men toen. Het ging de heren hier in het bijzonder om het groepsgeluid. De sessie was opgenomen, het album kreeg de titel ‘Birth of the Cool’. Het gevolg was dat de muziek van deze aanpak/stijl onder de noemer Cool gerubriceerd werd.
De naam West Coast Jazz was verzonnen om louter commerciële redenen, namelijk om aan te geven dat deze muziek van elders was. East Coast Jazz, de muziek uit het warmere Californië, was een soepele, vloeiende en harmonieuze Jazz en dat is géén East Coast (lees: New York) Jazz. De bekendste exponenten van de West Coast worden het door Gerry Mulligan opgerichte kwartet met daarin trompettist Chet Baker. Net als Miles Davis speelde Baker zonder vibrato (trilling van de toon). Dave Brubeck, met in zijn band altsaxofonist Paul Desmond, kwam ook in het hok West Coast terecht, alhoewel zijn muziek meer elementen uit de klassieke muziek had. Veel West Coast-artiesten waren witte musici die ook als acteur figureerden in Hollywoodfilms of de filmmuziek ervan verzorgden. Aan de East Coast pikte tenorsaxofonist Stan Getz de Cool-stijl op. Zijn grote voorbeeld en dat voor veel andere Cool-musici was Lester Young, een tenorsaxofonist die op dat moment al lang Jazzhistorie geschreven had. East, West en Cool werd in de jaren vijftig verdrongen door de Hard-bop. Eind jaren vijftig gingen de drie varianten samen onder één noemer: ”Modern Jazz”.
Jazz had invloed op klassieke muziek, maar omgekeerd ook: klassiek in een Jazzjas. Zowel John Lewis als Gunther Schuller gaven de aanzet hiertoe.
In maart 1955 werd een eerste album met een verslag van deze ‘fusie’ opgenomen: ‘The Modern Jazz Society presents A Concert of Contemporary Music”. Deze 'nieuwe' stijl of stroming zou later de naam “Third Stream” krijgen; afgeleid van de eerste stroom (klassiek) en de tweede (Jazz). Al snel werd er weinig meer vernomen van de Third Stream. De reden? De klassieke invloed en/of het gebruik van klassieke muziekinstrumenten was snel binnen de Jazz geïntegreerd. Zo was op ‘Miles Ahead’ van Miles Davis een 19-delig orkest onder leiding van arrangeur Gil Evans te horen. Door de impact van de platen die Miles Davis en Gil Evans samen maakten raakte het gebruik van een orkest in de Jazzmuziek vertrouwd en hield de Third Stream als zodanig op te bestaan.

Eind jaren ‘50 stond de Jazz opnieuw voor een omwenteling. De grenzen van Hard-bop waren wel bereikt. Om de uitdaging in het spel te houden werd de muziek harder en agressiever. Maatschappelijk en politiek gezien werden met name zwarte artiesten zich bewust van de relatie tussen hun kleur en hun maatschappelijke positie van underdog. The Great Black Movement ontstond, politiek gesteund door Black Power. Het werd moeilijker om politiek en muziek gescheiden te houden. Veel Jazzartiesten speelden (veelal gratis) op politieke bijeenkomsten. Als slogan gold: “Black is Beautiful”. Het Art Ensemble of Chicago omschreef hun muziek later zelfs als "Great Black Music".
Op zoek naar het mooie van de zwarte muzikant kwamen veel musici terecht bij hun Afrikaanse roots. Die (h)erkenning had een duidelijke invloed op Jazz. Een belangrijk accent kwam te liggen op Afrikaanse ritmes. Veel muzikanten gingen zelfs naar Afrika om het land van hun ouders te herontdekken. De Afrikaanse cultuur gaf Jazz nieuwe impulsen, zowel wat betreft een muzikale uitwisseling als kleding. De Westerse jazzmuziek werd steeds diverser en de invloed van Afrikaanse instrumenten nam ook in Amerika en Europa toe.
Parallel aan de ontwikkeling hierboven loopt een tweede: muzikanten zochten de grenzen van de harmonie en het ritme binnen de Jazz op; zowel harmonie als ritme werden uiteindelijk ook losgelaten. Deze nieuwe Jazz klonk volgens velen nog maar nauwelijks als echte Jazz. Meest radicaal was Ornette Coleman. Zijn muziek was “zo anders” dat hij een keer betaald kreeg om niet te spelen. ‘The Shape of Jazz to Come’ (1959) en ‘Free Jazz’ (1960) waren het vertrekpunt voor de muziek van een nieuwe generatie en bezorgde de nieuwe stroming haar naam: “Free Jazz”. Vrije muziek gaf in dit geval ook een vrij uiterlijk: hun tuxedo werd overboord gezet en de haardracht werd, conform de tijdgeest, langer, het gezicht vaker dan niet voorzien van snor en baard in vele varianten. Nogal wat ‘oude’ Jazzcats (liefhebbers, maar ook musici) wisten met deze vrije ontwikkeling niet goed raad. Met name de getalenteerde muzikanten zochten de vrijheid op. Soms nog stevig geworteld in de Bop of Blues kwamen musici als Charles Mingus en Eric Dolphy los van het standaard-idioom of gebruikten dat juist voor vrijere stukken. Zowel Archie Shepp als Albert Ayler experimenteerden met 'geluid'. Ayler ging daarin zelfs zo ver dat het typische geluid van zijn saxofoon niet eens meer herkenbaar was. Sun Ra schiep een eigen universum dat, zoals hij zelf vertelde, afkomstig was van Saturnus. De muzikanten uit het Sun Ra Arkestra zagen er uit als ruimtereizigers. Cecil Taylor verkende zijn piano als een percussie-instrument en wist er daardoor nieuwe klanken aan te ontlokken. Een van de belangrijkste spelers in de Free Jazz werd John Coltrane. De muziek van diens kwartet met daarin watervalpianist McCoy Tyner en polyritmisch spelende drummer Elvin Jones, die duidelijk beïnvloed was door Afrikaanse ritmes, verlegde de grenzen op een andere manier. Coltranes muziek was zo intens dat ze volgens velen spirituele vormen aannam.
Eind jaren ‘60 raakte Jazz in een crisis. De vrije aanpak was zo uitvoerig verkend dat men niet meer wist hoe verder. De jazzmusici die hun oude stijl hadden vastgehouden hadden daarin geen ontwikkeling doorgemaakt. Inmiddels werd de muziek die ooit geassocieerd werd met rebellie, drugs, alcohol en seks, nu braaf bevonden, respectabel. De Free Jazz was veelal omarmd door intellectuelen. De ‘andere’ Jazzmuziek was "muziek voor een oudere generatie" geworden. Althans dat vonden althans de jongeren, die meer zagen in de inmiddels mega-populaire nieuwe muziekstijl die (in Engeland en elders) Pop of (in Amerika) Rock genoemd werd. Dat was de muziek die nu geassocieerd werd met seks en drugs: “Sex, Drugs and Rock & Roll”. Platenmaatschappijen zagen de ontwikkeling binnen de Jazz somber tegemoet. Hun oplossing: probeer mee te liften op het succes van pop of rock.
Miles Davis was een van de eerste Jazzmusici die probeerde Rock-invloeden in zijn muziek te integreren. Het resultaat werd ‘In a Silent Way’, gevolgd door ‘Bitches Brew’ in 1970. Die laatste werd een van de best verkochte jazzplaten ooit. Het gebruik van elektronica, lange rockachtige ritmes en experimenten met Indiase muziekinvloeden sprak de jongeren nu wel aan. Een nieuwe, elektrische jazz-stijl was geboren: “Jazzrock”.

Van de zijde van de rock werd overigens ook druk geflirt met Jazz, met name de wat "intellectueler overkomende" groepen als Soft Machine en Frank Zappa's Mothers of Invention doordrenkten hun rock met een flinke portie Jazz. Omdat ze rock-musici waren werd hun muziek in aanvang "Rock-Jazz" genoemd, later werd dat ook Jazzrock.
Frank Zappa was een van de eerste rockmusici die een Jazzrock-album maakte: ‘Hot Rats’ (1969). ‘Bitches Brew’ bleek, achteraf, de broedplaats van de Jazzrock. Op het album speelden Chick Corea en John McLaughlin. Al deze musici onder anderen mee: Herbie Hancock, Joe Zawinul, richtten later eigen Jazzrockbands op en waren stuk voor stuk uiterst succesvol. Pianist Chick Corea richtte in 1972 Return To Forever op. Het geluid van RTF werd gedomineerd door Latijns-Amerikaanse invloeden. De Engelse gitarist John McLaughlin bracht niet alleen zijn virtuositeit in de muziek maar ook een behoorlijke dosis oosterse religie. Zijn band, het Mahavishnu Orchestra, werd alom beschouwd als superband, net als Weather Report van Joe Zawinul en Wayne Shorter. Pianist Herbie Hancock werd bijna een Rock-idool. Zijn groep The Headhunters had met ‘Chameleon’ een regelrechte Top40 hit (1973). Later deed hij dat succes nog eens over met ‘Rockit’ (1983). Was zijn 'oudere' Jazz al erg ritmisch, middels het gebruik van synthesizers zocht Hancock de meer pop-georiënteerde richting op.

Jazzrock was begin jaren ’70 behoorlijk populair. De virtuositeit van de muzikanten had echter een nadeel: voor veel fans verdween het ‘gevoel’ uit de muziek. Dat verdwijnen van het gevoel is een herhaling van wat eerder al bij Free Jazz gebeurd was. Het etaleren van het muzikale kunnen in de Jazzrock leverde namelijk lang uitgewerkte solo's op. Als je populair wordt gaan er andere mechanismen spelen. Men wil meer geld zien of meer te zeggen hebben over de te maken muziek. Botsende ego’s zijn binnen de muziek zowel een lust als een last. Door wrijvingen kan de mooiste muziek ontstaan, maar het kan ook helemaal misgaan, met als resultaat een groep die uit elkaar valt. Ook binnen de Jazzrock gebeurde dit.
Door het verdwijnen van het gevoel en de botsende ego’s werd de term Jazzrock beladen.
Platenmaatschappijen verkochten deze muziek voortaan dan ook liever onder de noemer “Fusion” met als argument dat er in fusion meer te horen was dan Jazz of Rock. Voor een deel klopte dat wel. Een groep als Weather Report maakte veelvuldig gebruik van etnische muziek of samples ervan. Dat kreeg uiteraard navolging. Halverwege de jaren tachtig was de grootste groep fusionmuzikanten terug bij Hardbop of ging zelfs akoestisch spelen.
Fusion bleek dus slechts een korte opleving, Liefhebbers van oudere jazzstijlen waren allang afgehaakt of teruggekeerd naar de bron. Getuige de massale groei van “oude stijl Jazzfestivals” gebeurde dat volop. De meeste grote Jazzmusici waren inmiddels overleden en er was niemand die een nieuwe richting kon geven. De voornaamste Jazzmuziek kwam daarmee uit het verleden. Dat is de reden ook dat er zoveel reissue-projecten zijn. Jazz blijkt, net als andere muziekstijlen, aan mode onderhevig: Drums & Bass met Jazzsaus, zoals bijvoorbeeld Jazzanova, Lounge met Jazzsaus van bijvoorbeeld Saint Germain, popartiesten als Sade of Joe Jackson die flirtten met Jazz of dj's, zoals Maestro, die Jazz-lp's aan elkaar breien tot een gewenste geluidssfeer. Begin 21e eeuw is er een tendens naar Soul-Jazz. Zo'n opleving heeft tijdelijke voordelen: de oude Jazzcat staat plotseling opnieuw in de schijnwerpers en wordt soms zelfs letterlijk uit het bejaardenhuis gehaald om te spelen. Niets nieuws onder de zon: nostalgische trends zijn van alle tijden. Voor nieuwe Jazz wordt verwezen naar helden als James Carter, Kenny Barron, Joe Lovano en oudgedienden als Wayne Shorter, Herbie Hancock, Dave Holland. Ze maken zonder uitzondering prachtige muziek, maar wat ze doen is niet meer vernieuwend. Men roept dan ook langer dat Jazz dood is. Zappa gaf daar op zijn humoristische manier commentaar op: “Jazz is not dead, it just smells funny.”

POP

Popmuziek, de benaming is een afkorting van “populaire muziek”: muziek van en voor een groot deel van het volk. Met een Marxistische knipoog is het de opium voor het volk. Voor de oorsprong zou je terug kunnen gaan naar de tijd van de troubadours en minstrelen, gevolgd door die van de grote operazangers zoals Enrico Caruso en Nellie Melba, maar de ‘echte’ start ligt in de “roaring twenties”. Daar zijn twee redenen voor. De ene is Thomas Edisons en Emile Berliners uitvinding van respectievelijk de “phonograph” en de “gramophone’. Met de eerste kon via een folie rondom een cilinder opgenomen geluid weergegeven worden, met de tweede kon dat via een platte wasschijf. De schijven waren goedkoper en makkelijker in grotere hoeveelheden te maken. Het begin van wat wij nu kennen als single of lp. De tweede reden is een nieuwe copyrightwet, de “Copyright Act” (1911), in de VS. Die wet regelde dat componisten, uitvoerenden en uitgevers geld konden verdienen aan hun ‘product’. Hoe meer er van iets verkocht werd, hoe meer geld verdiend kon worden. Indirect leidde de wet tot “Tin Pan Alley”: een groep mensen in New York die begon met het schrijven en uitgeven van muziek, want daar was geld mee te verdienen. De naam Tin Pan Alley komt van het geluid van de vele piano’s waaraan tegelijk gecomponeerd werd. Dat klonk eerder als slaan op tinnen pannen dan als muziek. De vraag naar muziek op papier en composities was groot. Er was een groeiende groep mensen die zich bladpapier en grammofoons konden veroorloven. Uit Tin Pan Alley kwam allerlei muziek, van opera tot theatermuziek, van Ragtime tot Vaudeville. Werk van Irving Berlin, Cole Porter en de gebroeders Gershwin werd Amerikaanse geschiedenis, “The Great American Song Book”. Ondertussen werden er meer grammofoonplaten verkocht dan bladmuziek. Met de wet uit 1911 werd echter het verlies van de verkopen van bladmuziek goedgemaakt met een percentage voor de verkopen van grammofoonplaten.
Maar een nieuwe aanval lag op de loer: de radio. Vanaf 1920 kon radiostations muziek uitzenden. Je kon muziek nu thuis of elders gratis (!) beluisteren. Dan heb je dus geen papier of grammofoonplaten meer nodig. De bedreiging voor de nog prille muziekindustrie was zo groot dat er weer een wet aan te pas kwam. Die wet regelde dat van elk uitgezonden muziekwerk een percentage ging naar componist en uitgever.

Parallel aan de groei van Tin Pan Alley in New York ontwikkelde Jazz en Blues zich elders in het land.
In 1931 bedacht Adolph Rickenbacker de elektrische gitaar. Bluesmuzikant Muddy Waters omarmde die gitaar al snel. De elektrische geluidsversterking bood hem namelijk een mogelijkheid om boven het lawaai van de mensen in bars en nachtclubs uit te komen.
De volgende stap is de evolutie van het tape-deck ofwel de bandrecorder. Rond de jaren ’40 wordt dit apparaat beschikbaar voor het grote publiek. Een grondlegger in de verdere muziekgeschiedenis is (elektrisch) gitarist Les Paul. Hij gebruikte zijn bandrecorder om verschillende partijen, sporen, op te nemen. Het is te horen op diens ‘Lover (When You’re Near Me)’ (1948). In hetzelfde jaar wordt de oude 78-toeren schellakplaat vervangen door een 12-inch vinylschijf. Die werd/wordt afgedraaid op een toerental van 33⅓ toeren/minuut. Schellak is behoorlijk breekbaar en had een tijdslimiet van 5 minuten. Op de nieuwe long play – lp – kon zo’n 25 minuten per kant. Het werd de standaard geluidsdrager tot de uitvinding van de compact disc – cd – in 1979.

In de jaren ’40 waren artiesten als Ella Fitzgerald en Frank Sinatra populair. Niet vanwege hun platenverkopen, maar door radio-uitzendingen. Ook niet door ouderen, maar door een jonger publiek: teenagers. Bij optredens van Sinatra waren de jongeren in groten getale aanwezig, trekkend, duwend, schreeuwend, gillend. Dat fenomeen vindt voor het eerst plaats. Zeker niet voor het laatst.
Inmiddels zijn we aanbeland in de jaren ’50 met alweer een nieuwe ontwikkeling, die van de televisie. In 1953 had de helft van de Amerikanen al een tv in huis. Waar eerder radio grammofoonplaten bedreigde, was nu de tv een bedreiging voor de radio. Radio werd daarom ingezet als promotietool. Nieuwe muziek werd via de radio gepromoot. Dat ging met een top-lijst, gebaseerd op verkoopresultaten. Vanaf 1955 bestaan in verschillende landen Hitparades: Top 30, Top 40 en zelfs Top 100. Radiostations draaiden vooral muziek die in de toonaangevende Billboard Top 40 lijst stond. Er werd van alles ondernomen om singles op die lijst te krijgen. Platendraaiers, zogeheten disc jockeys, dj’s, kregen her en der wat toegestopt om singles te draaien: Een corruptieschandaal dat de naam “Payola” kreeg. Begin jaren ’60 werd Payola aangepakt en als misdaad beschouwd. Een van de meest populaire dj’s toen, Alan Freed, was het grote slachtoffer.

Populaire muziek was tot op dit moment een aangelegenheid van de witte bevolking. De componisten, uitvoerders en platenmaatschappijen waren allemaal wit. En let wel, muziek werd bedacht door groepen componisten in het land, zoals de befaamde Jerry Leiber en Mike Stoller. De uitvoerenden, zangers en zangeressen waren talentvol in wat ze deden, maar hadden geen enkele zeggenschap over welk lied en welke muzikale begeleiding. Voor die begeleiding werden studiomuzikanten ingezet. Die waren zeer kundig en wisten precies wat er moest gebeuren. Alles ging snel en daardoor goedkoop. Langzamerhand kwam er echter een verandering op gang, met name door zwarte muzikanten. Ervaren Bluesmensen als Muddy Waters, Howlin’ Wolf en B.B. King hadden hun Blues elektrisch gemaakt, speelden vlotter en flirtten met suggestieve sexy teksten. Deze muziek ging onder de noemer van “Rhythm and Blues (R&B)”. Jongeren, zwart en wit, vonden het prachtig. Maar muziek van zwarte muzikanten kwam niet terecht in de witte hitlijsten, dit was immers “race music”. Freed. De populaire DJ, had een eigen programma waarin hij als witte man zwarte muziek liet horen. Hij was de enige die dat deed. Uit onderzoek in een platenzaak bleek dat 40% van de witte luisteraars zwarte muziek kocht. Niet voor niets was Freed populair, want daar konden ze nieuwe muziek ontdekken. Freed noemde de snelle, nieuwe muziek geen R&B maar “Rock & Roll”. Little Richard en Chuck Berry waren de pioniers op dit vlak, maar een witte man met zwart geverfde kuif ging met de eer strijken: Elvis ‘the Pelvis’ Presley. Hij werd door zijn opzwepende muziek, het draaien van zijn heupen in een strakke broek “the King of Rock and Roll”. Presley sprak tot de verbeelding van de tienermeisjes. Het gegil, gekrijs, gehuil was voor, tijdens en na zijn optredens niet van de lucht. Met recht wordt hij het eerste Rock ’n Roll icoon.

Tot dan is Amerikaanse muziek ook een goed exportproduct naar Europa. Zowat alle Amerikaanse muziek wordt in landen als Engeland, Frankrijk, Italië en natuurlijk ook ons eigen land vertaald (de “Indorock”) en gebracht als land-eigen. Dat gaat zo tot ongeveer 1964. Vanaf dat jaar wordt alles anders. Uit Liverpool komt een viertal jongens met zelfgeschreven muziek, eigen klank en eigen looks: The Beatles. Zowel in Europa als in Amerika vallen de teenagers bij bosjes voor de muziek van The Beatles. De platenverkopen zijn navenant, net als optredens voor tv en radio. Dit is nieuw, anders fris en veel “yeah”. Nog meer dan bij Elvis staan hordes fans hun longen uit te gillen om een van hun favorieten, Paul, George, John of Ringo te zien, aan te kunnen raken. Fans vallen flauw van emotie en ook van het gedrang in de meute. “Beatlemania” is geboren. The Beatles zijn de succesvolste band ooit, tallozenummer 1 hitsingles, soms verschillende hoogste plekken tegelijkertijd in de hitlijsten. In Amerika treden The Beatles op in stadions, maar niemand kan ze horen door het gegil, maar ook niet door de dan nog primitieve elektrische apparatuur. Na The Beatles volgden anderen waaronder The Rolling Stones, The Kinks, The Zombies, The Animals. De Amerikanen nog aan het zwijmelen bij bijvoorbeeld Pat Boone waren niet voorbereid op al die nieuwe muziek uit Engeland en noemden dat dan ook “The British Invasion”. De schok was groot, net als de potentie. Platenmaatschappijen zagen $$$ en doken op het nieuwe fenomeen. Maar ook jongeren werden geactiveerd, net als die Britten konden zij het toch ook best zelf. Bandjes ontstonden in elke plaats. Daarmee werd de oude structuur dat alles van bovenaf geregeld werd omvergeworpen. Niet meteen trouwens, want ondanks alle creativiteit en goede ideeën hadden jongeren voorlopig nog te weinig techniek in huis om het zelf voor elkaar te krijgen. The Beach Boys is een aardig voorbeeld. Brian Wilson had prachtige plannen en kon ook wel wat. Om die uit te voeren moest hij samenwerken met studiomusici, want zijn medebandleden konden dat nog niet. The Beach Boys vielen in het hok “Surf Music”, maar inmiddels waren en werden er nogal wat hokken aangebouwd: “Folk”, “Motown”, “Folkrock”, “Soul”, “Rock”, “Beat”, “Psychedelic” enzovoorts. Jongeren hadden niet alleen een eigen luistermoment gekregen, ze hadden ook een eigen stem en podium gekregen.

In aanvang liepen de klassieke manier van werken en de nieuwe zoals gezegd nog naast elkaar. Bekend is de “Brill Building”, een kantoorgebouw in Broadway. Begonnen als kledingzaak werd het pand een locatie van muziekuitgeverijen. Later kwamen daar producenten, schrijvers, promotors bij. Ook was er een kleine studio. De lijnen waren ultrakort, mede door de vele kleine kamertjes. Er werd muziek geschreven voor orkesten van Glenn Miller, Benny Goodman, Jimmy en Tommy Dorsey door mensen als Johnny Mercer en Irving Mills. Later werkten in Brill Building onder velen: Burt Bacharach, Carole King en Gerry Goffin onder de noemer Goffin and King, Neil Diamond, Jerry Leiber en Mike Stoller (Leiber-Stoller), Paul Simon, Phil Spector en Neil Sedaka. Uit het gebouw stroomden honderden hits, waaronder ‘Yakety Yak’ (Leiber-Stoller), ‘Save the Last Dance for Me’ (Pomus-Shuman), ‘The Look of Love’ (Bacharach-David), ‘The Loco-Motion’ (Goffin-King) en ‘River Deep, Mountain High’ (Spector-Greenwich-Barry). Overigens werd exact dezelfde werkwijze toegepast bij Motown in Detroit. Het beroemde gebouw, “Hitsville USA” genaamd, huisvestte zowel componisten, als uitvoerenden en had een kleine studio. Visionair Berry Gordy wist wat hij wilde. Het leidde tot successen van onder anderen: Diana Ross (& The Supremes), Michael Jackson (& The Jackson 5), Stevie Wonder, Marvin Gaye, Smokey Robinson (& The Miracles), The Four Tops, The Temptations, Martha & The Vandellas en Lionel Richie.

Waar in Amerika “Folk” eerst nog een belangrijke rol speelde met zangers/zangeressen als Bob Dylan, Woody Guthrie, Joan Baez, Peter, Paul & Mary veranderde dat landschap met de komst van The Beatles ook. Dylan zag dat het anders moest en vroeg de elektrische The Band als begeleidingsgroep. Het kostte hem fans, maar hij kreeg er anderen voor terug. Overal ontwikkelde zich nieuwe muziek, nieuwe stijlen en richtingen. Dat culmineerde in 1967, “the summer of love”. De nieuwe, vredelievende generatie jongeren zocht muziek voorbij de grenzen: Jefferson Airplane, Grateful Dead, The Doors, Jimi Hendrix. Als afsluiting van die tijd zou je het Woodstock festival kunnen zien. Een half miljoen mensen drie dagen bij elkaar om naar muziek van die tijd te luisteren. Met het geweld in het Altamont Festival kwam er een eind aan de periode van Aquarius.
Vanaf de jaren ’70 worden “Glam Rock” en “Disco” populair. Bij de Glam Rock gaat het om glitter en glamour, met bekende artiesten als T-Rex, David Bowie, Gary Glitter, The Sweet. Bij Disco een horde aan acts, o.a.: Gloria Gaynor, Donna Summer, KC and the Sunshine Band, The Bee Gees.
Om zich af te zetten tegen de dan heersende politieke én muzikale moraal ontstond een tegenbeweging: “Punk” met artiesten als Sex Pistols, Johnny Rotten, The Clash, Blondie, The Ramones en New York Dolls. Punk ging over in “New Wave” en “Synthi-Pop”. Denk daarbij aan The Cure, Talking Heads, Patti Smith, Duran Duran, Spandau Ballet, Joy Division. Denk bij Synthi-Pop aan Yello, Tears for Fears, Depeche Mode, New Order, Orchestral Manoeuvres in the Dark, Ultravox, Pet Shop Boys, enzovoorts.
In de jaren ’90 begint van alles in elkaar over te lopen, wordt “Rap” van bijvoorbeeld Tupac, Snoop Dog, Ice Cube, Dr. Dre, Tupac Shakur populair. In Amerika ontstaat “Hip-Hop”, ook een stroming die zich afzet tegen de heersende cultuur. Het zijn veelal zwarte jongeren die met dans/breakdance, graffiti, draaitafels, rappen en samplen. Enkele namen hierbij: Grandmaster Flash, Afrika Bambaataa, Run-D.M.C., Beastie Boys, Sugarhill Gang, en Jazzy Jay.
In Seattle horen we “Grunge”, een ‘soort’ fusie van punk en heavy metal: Soundgarden, Pearl Jam, Nirvana, Green Day. Ondertussen valt iedereen voor Boy Bands en dito Girl Bands: Spice Girls, Backstreet Boys, ’N Sync en verovert Britney Spears in haar eentje zowat het toneel, gevolgd door Christina Aguilera en Pink.
Met het ontstaan van een TV-zender dat alleen maar muziekclips uitzendt, verandert er weer het een en ander in de jongerencultuur. Iedereen wil “hun MTV” en daar wordt goed gebruikt van gemaakt. De generatie die ermee opgevoed wordt heet niet voor niets de “MTV Generation”. Hoe je eruit ziet en je presenteert, wordt veel belangrijker. Denk hierbij aan artiesten als Madonna en Michael Jackson. De megapopulaire zwarte artiest Rick James werd geweerd op het in eerste instantie wit-dominante MTV. Later draaide ze eerst met Michael Jackson enigszins bij.
Begin deze eeuw zijn Kanye West, Black Eyed Peas, Lady Gaga, Katy Perry, Taylor Swift, Beyoncé en talloze anderen de populaire artiesten.

 
tekst: Paul Lemmens, september/oktober/november 2023
afbeeldingen: UndertheLemonTree
grote foto: © UndertheLemonTree