logo van The Lemontree
joni mitchell: 1975-1980

Joni's jazz

omschrijving afbeelding

Joni Mitchell, het langharige ‘folk-meisje’ uit Canada maakte grote hits als ‘Big Yellow Taxi’, ‘Woodstock’ en het prachtige album ‘Blue’.

Eind jaren zeventig had Mitchell genoeg van de vaste songstructuren en helde steeds meer over naar jazz, maar ook daarin zette ze grote stappen.

Mitchell werkte met musici uit Weather Report, maar ook ‘jazzcats’ als Herbie Hancock en Pat Metheny. Heel bijzonder is haar album ‘Mingus’, het laatste album van (jazz-)basgigant Charles Mingus.

Lees het verhaal over de jazz-periode van Joni Mitchell met de vier albums die aanvankelijk niet zo gewaardeerd werden, maar inmiddels stuk voor stuk als haar beste werk gezien worden.




Roberta Joan ‘Joni’ Anderson (1943- /zang, gitaar, piano) wordt geboren in Fort Macleod, Alberta, Canada. Haar moeder, Myrtle McKee was lerares, haar vader, William Anderson, vlieginstructeur in de Royal Canadian Air Force. Gedurende de Tweede Wereldoorlog verhuisde de familie vaak, maar aan het eind vestigden zij zich uiteindelijk in Sasketoon, Saskatchewan. Vader werd daar kruidenier. Toen ze negen jaar was kreeg Joni Anderson polio en lag lang in het ziekenhuis. Een moeilijke en vervelende periode waarin haar ouders haar nauwelijks opzochten. Blijkbaar was ze niet het gemakkelijkste kind, maar werd ook veel aan zichzelf overgelaten. Uit frustratie begon ze vanaf haar negende al te roken (!) en dat zou ze stug blijven doen, pakjes per dag. School ging niet heel best, dus na haar ziekte wilde Anderson alleen maar met creatieve dingen bezig zijn, schilderen, dansen, zingen, muziek maken. Er was één leerkracht, Arthur Kratzmann, die Anderson wat beter begreep en haar stimuleerde gedichten te schrijven. Op haar eerste album, ‘Song to a Seagull’ wordt hij dan ook bedankt. Uiteindelijk hield ze op met de middelbare school en hing rond met een groep mensen die het ook wel gehad hadden met de maatschappij. Omdat die groep langzaam opschoof richting de criminele kant, verliet ze die en begon uit verveling meer aandacht te geven aan muziek. Country was populair en het liefst wilde ze gitaar spelen. Dat was misschien een te grote vraag, daarom kreeg ze van moeder een Ukelele. Daar zitten ook snaren op tenslotte. Later kon ze zelf een gitaar kopen en leerde zichzelf het werk aan van Pete Seeger. Door de polio had ze minder kracht in haar linker hand en kon ze moeilijk de snaren op de frets van de gitaar drukken. De oplossing was simpel, de spanning van de snaren verlagen. Daardoor wordt de gitaar anders gestemd, maar het werkte wel voor haar. Er zit hier een merkwaardige parallel met die van Tony Iommi van Black Sabbath, andere reden, zelfde oplossing. Misschien hadden die twee eens samen moeten spelen…
Anderson speelde vaak samen met vrienden, ’s avonds rond het kampvuur, maar mocht uiteindelijk in een folk & jazzclub in Sasketoon optreden. Ook al speelde ze het zelf niet, haar vrienden en zij ook waren gek op jazz: "My jazz background began with one of the early Lambert, Hendricks and Ross albums. That album, The Hottest New Group in Jazz, was hard to find in Canada, so I saved up and bought it at a bootleg price. I considered that album to be my Beatles. I learned every song off of it, and I don't think there is another album anywhere—including my own—on which I know every note and word of every song."
Zingen en gitaarspelen gaf Anderson zoveel rust dat ze nu ook haar middelbare school afmaakte. Na ‘highschool’ ging ze eerste naar de kunstafdeling van Sasketoon Technical Collegiate, maar al snel naar het Alberta collega of Art in Alberta. Maar ook hier ging haar schoolcarrière niet vlotjes, Anderson vond namelijk dat er teveel aandacht was voor techniek en te weinig voor de vrije expressie. Gevolg: ze hield er mee op. Ze was toen twintig.

Tussendoor was Anderson wel blijven optreden. Eenmaal bevrijd van de opleiding koos ze nu helemaal voor muziek. Ze vond een baantje in een koffiehuis in Calgary. Voor vijftien dollar per week zong ze daar voor allerlei gelegenheden, maar haar baan gaf Anderson te weinig voldoening. Daarop besloot ze naar Toronto te reizen om daar als folk-singer aan het werk te gaan. Tijdens die, toen driedaagse, reis schreef ze haar eerste echte song, ‘Day After Day’.

Eenmaal in Toronto bleek dat Anderson, om te kunnen spelen in bepaalde - de grotere - folk-clubs, een flink bedrag moest betalen een de Muziekvakbond. Dat geld had ze niet. Dus regelde ze noodgedwongen zelf optredens, bijvoorbeeld in kerken en bijeenkomsten van de YMCA. Met en baantje op de afdeling vrouwenkleren in een warenhuis en straatoptredens kon ze de huur net betalen. Ze had echter niet gerekend op de ‘wetten van de folk’: alleen de auteurs van een song mochten die spelen en uitvoeren, de rest kon en mocht dat absoluut niet. Rare wereld. De oplossing ligt meteen voor de hand: je eigen nummers schrijven.
Maar eerst moest Anderson nog een kind op de wereld zetten, ze bleek namelijk zwanger van een ex-vriend. Het meisje, Kelly, werd in februari 1965 geboren, maar daarna afgestaan voor adoptie, Anderson had nauwelijks geld om het meisje ook maar iets te bieden. Het raakte haar diep en ook al komt de gebeurtenis vaker in bedekte termen terug in haar songs, ze sprak er nooit over. In 1997 ziet ze haar dochter voor het eerst weer. Kelly heet dan Kilauren.

Na de gebeurtenis hierboven begon Anderson, zo vertelde ze later in interviews, pas echt te schrijven. Het waren vooral persoonlijke verhalen of zaken die haar raakten. Met vriendin Vicky Taylor kan ze dan alsnog spelen in een folkclub. Daar ontmoet ze Charles Scott ‘Chuck’ Michell. Mitchell is zowel onder de indruk van haar als Anderson’s spel en vertelt haar dat hij haar een vaste baan kan aanbieden als singer-songwriter in koffiehuizen in de Verenigde Staten. Het tweetal verlaat daarom Canada en begint samen op te treden. In juni 1965 trouwen ze. Anderson’s naam wordt dan Mitchell. Die naam houdt ze vervolgens aan, ook na de scheiding twee jaar later in 1967.

Joni Mitchell, zoals ze nu heet, blijft na de scheiding optreden in Amerikaanse folk-clubs. Haar songs worden meer en meer ontdekt en door anderen uitgevoerd. Op een dag liep David Crosby de club waar ze toen speelde binnen. Hij wist niet wat hij hoorde en vroeg of ze mee wilde gaan naar Los Angeles. Daar werd ze aan alle vrienden en bekenden van Crosby voorgesteld en regelde Crosby een manager, Elliot Roberts. Roberts kende David Geffen en beide heren deden hun best Mitchell onder te brengen bij een platenmaatschappij. Dat lukte bij Warner. Haar albums zouden uitkomen op het sublabel, Reprise. Crosby overtuigde de mensen bij Reprise ervan alleen Mitchell met haar gitaar op te nemen, zonder er de bekende en dan populaire folksaus over te gooien. Zo werd ‘Song of the Seagull’ (1968) werd Mitchell’s eerste album.
Langzaamaan wordt Mitchell populairder. In 1969 volgt het tweede album: ‘Clouds’, met daarop het nu bekende nummer ‘Both Sides Now’. Een jaar later ontvangt Mitchell een Grammy voor ‘Best Folk Performance’. In 1970 volgt ‘Ladies of the Canyon’, een album dat meer op haar piano dan op haar gitaar gecomponeerd is en al verder kijkt dan de folkgrenzen. In het dan bijna door iedereen gezongen nummer ‘Woodstock’, Mitchell’s song over het festival, begeleidt ze zichzelf op elektrische piano bijvoorbeeld. De echt grote hit van het album is ‘Big Yellow Taxi’. ‘Ladies of the Canyon’, werd al snel een ‘Golden Record’.
Misschien overviel het succes haar wat, maar na dit album stopte Mitchell even met tournees en schrijven en legde zich toe op schilderen en reizen. Ze duikt weer op als zangeres in de song ‘You’ve Got a Friend’ (1971) van James Taylor.

Mitchell’s vierde album, ‘Blue’ (1971) wordt zonder uitzondering gezien als haar beste werk. Op ‘Blue’ zingt Mitchell met prachtige, verhalende teksten over al haar levens- en recente reiservaringen. ‘Blue’ werd een enorm succes. Mitchell: “I have, on occasion, sacrificed myself and my own emotional makeup, singing 'I'm selfish and I'm sad', for instance. We all suffer for our loneliness, but at the time of Blue, our pop stars never admitted these things. At that period of my life, I had no personal defenses. I felt like a cellophane wrapper on a pack of cigarettes. I felt like I had absolutely no secrets from the world and I couldn't pretend in my life to be strong."
In 1972 volgt nu op asylum Records ‘For the Roses’, met enkele songs die gaan over de relatie die Mitchell heeft gehad met James Taylor. Het meest succesvolle - in Amerika 2e en in Canada 1e - album is is ‘Court and Spark’ (1974). Het album werd twee keer platina.
Na ‘Miles of Aisles’ (1974) ging Mitchell voor het eerst met een band op tournee, tot die tijd waren het solo-optredens. In de band, The L.A. Express, speelt een aantal studio-musici: John Guerin (drums), Max Bennett (bas), Larry Nash (piano) en Robben Ford (elektrische gitaar). Sommige van de heren spelen ook al mee op ‘Miles of Aisles’. Ben je bekend met het album ‘Hot Rats’ (1969) van Frank Zappa dan ken je zeker Guerin en Bennett. Van het album komen twee hitsingles: ‘Help Me’ en ‘Free Man in Paris’. Guerin zou Mitchell’s nieuwe lief worden.

En zo zijn we in grote stappen in Mitchell’s historie aangekomen bij de ‘jazz-periode’. Die begon in 1975 met het album ‘The Hissing of Summer Lawns’, het gesis in/van het van zomergras. Met de vorige albums had Mitchell al voorzichtig een afslag genomen in haar muzikale pad, een band, meer elektrisch gaan spelen, uitgebreider instrumentarium. Nu liep ze stevig door op dat pad. Ze liet de muziek vrijer, minder gestructureerd verlopen en gebruikte, naast de L.A. Express, een grote hoeveelheid musici uit de wereld van de jazz en de rock. Die combinatie gaf haar album een wat jazzrock-achtig geluid, precies die verandering die haar voor oren stond. Even een opsomming. Op het album hoor je: Victor Feldman (elektrische piano, keyboards, vibrafoon en percussie), Joe Sample (elektrische piano, keyboards), Jeff ‘Skunk’ Baxter (elektrische gitaar), Larry Carlton (elektrische gitaar), Robben Ford (elektrische gitaar), Chuck Findley (hoorn, trompet, cornet), Bud Shank (saxen, fluit, basfluit), Max Bennett (bas), Wilton Fielder (bas), John Guerin (drums), een stukje opname van The Warrior Drums of Burundi, James Taylor, Graham Nash en David Crosby (achtergrondzang). De arrangementen werden geschreven door Dale Oehler. Als je een beetje bekend bent met de L.A.-scene en de jazzwereld weet je dat Mitchell hier de topmusici uit de stad heeft gevraagd.
Mitchell maakte zelf het hoesontwerp, de foto’s zijn van Norman Seeff. Het enige gekleurde huis op de voorkant, dat blauwe rechts, is Mitchell’s eigen huis. Mitchell staat zelf op de achterkant en trekt aan een touw dat om de kop van een enorme slang zit. Op de voorzijde wordt die gedragen door de Burundi drummers? Zijn de Beverly Hills (huizen op de achtergrond) een soort jungle? Er was nogal wat ophef over de hoes, niet over de tekening, maar over de foto binnenin, waar Mitchell in bikini, zwemmend, liggend in het water te zien is. Dat paste toch niet bij haar imago? Maar eigenlijk had Mitchell daar – terecht – lak aan.
Het album begint met de (niet succesvolle) single: ‘In France They Kiss on the Main Street’. De song gaat over opgroeien in een kleine stad (die van Mitchell?) ten tijde van de rock’n roll. ‘The Jungle Line’, met de drummers uit Burundi, is een ode aan schilder Henri, ‘Le Douanier’ Rousseau (1844-1910). De eigenzinnige autodidact maakte ‘exotische, primitieve schilderijen’ vol planten en dieren. Ondergewaardeerd tijdens zijn leven, later een voorbeeld voor schilders als bijvoorbeeld Picasso. Het titelnummer gaat over een vrouw die ondanks een hoop gedoe toch bij haar man blijft, maar eigenlijk wordt gezien als diens ‘verzamelobject’. De laatste track, ‘Shadows and Light’ is het meest experimenteel, met synthesizers en laagjes (overdubs) om het werk op te bouwen.
Mitchell’s stem klonk op dit album, tenminste in mijn oren, iets aangenamer. Op ‘Blue’ zingt ze met hoge stem die naar mijn bescheiden optiek nog wel eens ongecontroleerd de bocht uit vliegt. Hier is haar bereik wat lager en daardoor aangenamer. Volgens de deskundigen het effect van het vele roken. Mitchell vertelt haar verhalen, zingt en vlecht om de muziek heen. Jazzy muziek blijkt daar heel goed bij te passen, een organisch geheel.
Zoals vaker in muziekland snapten de critici, de schrijvende pers niets of weinig van het album en sabelde het neer, de songs waren goed, maar de muziek een faliekante miskleun. Of omschreven de muziek als saai, ongeïnspireerd. Je vraagt je af of degene die dat schreven enig besef van muziek heeft? Het publiek zag het anders en kocht het album zonder dat gemor of geaarzel. ‘The Hissing of Summer Lawns’ kwam dan ook tot de 4e plek in de Billboard 200, werd 7e in de Canada Top Albums en 14 in de UK Album list. Ondanks alle kritieken werd Mitchell genomineerd van een Grammy Award, “Best Female Pop Vocal Performance”, maar die ging niet naar haar, maar naar Linda Ronstadt. Jaren later, soms duurt het even, wordt het album gezien als een ‘masterpiece’, een van Mitchell’s betere albums en staat het zelfs in de lijst van ‘500 Greatest Albums of All Time’(!). Dus.

Na het album ging Mitchell op tournee, deed mee aan de ‘Rolling Thunder Revue’, met daarin participerend Bob Dylan en Joan Baez. Ook was ze present bij het afscheidsconcert van The Band, ‘The Last Waltz.
Net als eerder ging Mitchell in haar eentje of met vrienden op reis door het land. Mitchell had geen rijbewijs, maar wist mogelijk gedoe met de politie te voorkomen door vooral achter en bij trucks te blijven. Die waarschuwden elkaar immers op tijd, dat hielp enorm. Uit de recente tournees, de roadtrips en het gerommel in haar relaties, haalde Mitchell genoeg inspiratie voor nieuwe teksten. De relatie met drummer Guerin liep stuk, die met Sam Shepherd zorgde voor zoveel spanning dat een tournee onderbroken werd. Ergens in deze periode, ze is dan al bezig met een nieuw album, ontmoet ze basreus Jaco Pastorius (1951-1987/basgitaar). Mitchell is dan, weer, op zoek naar een ander, vrijer geluid. Het irriteerde haar al enige tijd dat een baspartij zo strak was en bijna vaststond. Nou, dan had ze aan Pastorius een hele goede, want daar stond niets meer vast en wat vast stond werd zo enorm bewerkt dat dat niet meer opviel. Luister maar naar zijn werk binnen Weather Report, de band waar hij bassist werd. (beide verhalen elders op de LemonTree).

Op het nieuwe album, ‘Hejira’ (1976) is Pastorius dus van de baspartij, sterker nog, zijn specifieke en meteen herkenbare geluid domineert de klank van het album behoorlijk. De naam, ‘Hejira’, is een Arabisch woord en betekent zoveel als “uit elkaar gaan”. Daar wist Mitchell inmiddels alles van. De titeltrack gaat dan ook over het vastlopen van haar relatie met Guerin. “Amelia’ is het verhaal over pilote Amelia Earhardt, de eerste vrouw die over de Atlantische Oceaan vloog, maar bij een poging om de wereld te vliegen verdween. Na anderhalf jaar werd ze dood verklaard. ‘Song for Sharon’ gaat over een vrouw die moet kiezen tussen vrijheid en huwelijk. Het is het verhaal van een jeugdvriendin, die eigenlijk zangeres wilde worden, maar trouwde met een boer. Daarna wilde ze een goede boerin worden, maar werd uiteindelijk toch zangeres. Mitchell: "I suppose a lot of people could have written a lot of my other songs, but I feel the songs on Hejira could only have come from me."

Op het album hoor je op verschillende plekken Chuck Findley en Tom Scott (saxen), Abe Most (klarinet), Victor Feldman (vibrafoon), Larry Carlton (elektrische gitaar), Max Bennett (basgitaar), Jaco Pastorius (fretloze basgitaar), Chuck Domanico (contrabas), John Guerin – drums en Bobbye Hall (percussie) en Neil Young (harmonica op 'Furry Sings the Blues').
De hoes, de foto van Mitchell, met daarin geprojecteerd een highway, is van Norman Seeff. De anderen van Keith Williamson, Joel Bernstein.
‘Hejira’ werd door de critici warm ontvangen, ze loofden het geluid en de vrijere muziekinterpretaties, iemand als Pastorius kun je nu eenmaal niet als ongeïnspireerd aan de kant schuiven. Nu had het publiek iets meer moeite met het album: 13e in de USA, 22e in Canada en 11e in Engeland. Maar ook dit album is door de jaren heen opgewaardeerd en staat vaak net achter ‘Blue’ als het gaat om Mitchell’s beste albums.

“Als je platencontract bijna afloopt kun je wel wat experimenteren”, is het idee achter Mitchell’s eerste dubbel-lp: ‘Don Juan Wreckless Daughter’. Was Mitchell op de vorige twee albums al behoorlijk van het oude folkpad gedwaald, nu zette ze nog een stap verder. Ze vroeg of Pastorius de baspartijen weer wilde doen, maar die bracht dit keer bijna de hele Weather Report mee. Op de ‘roekeloze dochter’ horen we uit de band dan ook Wayne Shorter (sopraansax), Alex Acuña (percussie), Manolo Badrena (percussie) en Don Elias (percussie). Even hierbij opmerkend dat die nooit tegelijk in Weather Report speelden. Je hoort op percussie ook Airto Moreira (Miles Davis en Return to Forever) en verder toch nog John Guerin (drums), Larry Carlton (gitaar) en Michel Colombier (piano). In de achtergrondzang hoor je: Chaka Khan (!), Glenn Frey (The Eagles) en J.D. Souther (schreef songs voor The Eagles en Linda Ronstadt o.a.). De orkestarrangementen zijn van Michael Gibbs. Daarmee heeft Mitchell weer een aardig stel topmusici over de vloer.
Mitchell experimenteert met zang, geluiden en de klank van haar gitaarspel. Dat is meteen te horen in de ‘Overture–Cotton Avenue’, een tour de force met zes akoestische gitaren, allemaal anders gestemd. Na korte tijd valt Pastorius in. Hij heeft zijn bas ook anders gestemd en gaat letterlijk de diepte in. Aan de bezetting is al te zien dat het her en der flink losgaat met percussie. Dat gebeurt zeker in ‘The Tenth World’ en ‘Dreamland’. Op de achtergrond hoor je Khan. ‘The Silky Veils Of Ardor’, het slotnummer is bijna ouderwets Mitchell met akoestische gitaar. Een rustige afsluiter, maar dan is ‘Paprika Plains’ al langsgekomen. Het langste nummer van het album, één kant lang, ruim zestien minuten is het meest ‘vergaande’ dat Mitchell ooit gedaan heeft. Het nummer begint met akoestische piano, een geïmproviseerde partij, maar na enige tijd komt er een heel orkest bij, dat steeds stukjes muziek speelt, flarden, een illustratie bij het verhaal dat Mitchell vertelt. Het verhaal van een bijeenkomst van de originele bewoners van Canada die gesprekken hebben over hun hopeloze positie en het alcoholmisbruik. Tijdens de bijeenkomst gaat de verteller, Mitchell, naar buiten om wat meditatief naar de regen te kijken, onderwijl denken aan haar jeugd, onschuldige kinderdingen, maar dat beeld wordt verdrongen door een atoombom om vervolgens plaats te maken voor een groep mensen die wezenloos voor zich uit staart. Daarna gaat ze weer terug naar de bijeenkomst. Mitchell over ‘Paprika Plains’: The Improvisational, the spontaneous aspect of this creative process – still as a poet – is to set words to the music, which is a hammer and chisel process. Sometimes it flows, but a lot of times it's blocked by concept. And if you're writing free consciousness – which I do once in a while just to remind myself that I can, you know, because I'm fitting little pieces of this puzzle together – the end result must flow as if it was spoken for the first time. “
Op de voorkant van de hoes staan drie figuren, allemaal Mitchell zelf in diverse personificaties. De figuur met het geschminkte gezicht is gebaseerd op iemand die Mitchell ooit tegenkwam, een pooier genaamd Art Nouveau. Hij symboliseerde Mitchell’s draai naar de jazz. De foto’s zijn net als de vorige albums van Norman Seeff.
Het album kreeg gemengde reacties. Een positievere is die van een criticus, die noemde het album "ambitious as hell, a double-record of staggering depth, complexity and musical scope from one of the most talented artists working in pop music… there is so much on this record it‘s going to take months, perhaps even years, to absorb it all." Hij wist niet dat hij gelijk zou krijgen.
‘Don Juan Wreckless Daughter’ klom langzaam tot een 25e plek in De Billboard albumlijst, 20e in Engeland en 28e in thuisland Canada. Net als de vorige albums werd ook dit album in de loop der jaren meer en meer gewaardeerd en staat in de top10’s van beste Mitchell albums.

Daarmee kom ik bij het vierde en meest bijzondere in de Jazz & Mitchell-reeks. Nadat hij zelf ‘Paprika Plains’ gehoord had, nam niemand minder dan jazzcoryfee, bassist, componist en schreeuwer Charles Mingus (1922-1979) contact op met Mitchell. “Hij zou graag een album met haar maken.” Mitchell ging naar Mingus thuis om over het plan te spreken. Samen met diens vrouw Sue kwam er van alles langs in het gesprek. Sommige van die gesprekken zijn opgenomen en later in het album gemonteerd. Mingus zat toen al in een rolstoel, hij had ALS. Hij wilde een soort vierluik maken, maar dat vond Mitchell niets. Mingus had wel nieuwe composities en die humde, neuriede hij haar voor. Eén compositie moest er zeker op: ‘Goodbye Pork Pie Hat’. Dat deed Mitchell, ze nam het nummer op en maakte er een eigen tekst bij.
Nog voordat het album klaar was overleed Mingus. Hij heeft niet alles meer kunnen horen, maar volgens Sue Mingus had hij het prachtig gevonden. Er vonden twee sessies plaats, één met musici waarmee Mingus samengewerkt had en één met musici waar Mitchell mee samenwerkte. De opnames van de eerste sessie zijn kwijtgeraakt of vernietigd, al zijn er bootlegs van in omloop. De originelen terugvinden zou hetzelfde zijn als een verloren schat terugvinden. Tijdens die sessie waren namelijk de volgende mensen aanwezig: Eddie Gómez (bas), Stanley Clarke (bas) John Guerin (drums), Phil Woods (altsax), Gerry Mulligan (baritonsax), John MLaughlin (gitaar), Jan Hammer (mini-moog), Dannie Richmond (drums) en Tony Williams (drums). Die setting alleen al, een kleine geschiedenis van de jazz in een notendop.
Op ‘Mingus’ horen we eigenlijk Joni Mitchell plus Weather Report +/-. Minder cryptisch: Jaco Pastorius (basgitaar), Wayne Shorter (sopraansax) en Peter Erskine (drums). Dat is Weather Report minus Joe Zawinul. In de +-sectie zitten: Herbie Hancock (elektrische piano), Don Alias (conga’s) en Emil Richards (percussie). Voor Shorter en Hancock was het een na vele jaren wederzien. Zij zouden elkaar daarna nog vaker gaan wederzien.
Mitchell noemde het album, simpelweg ‘Mingus’ (1979) en zag het als een ode aan die prachtige, eigenwijze man. Ze maakte zelf de schilderijen op de hoes.
‘Mingus’ bestaat uit vier composities van Mingus, twee van Mitchell en een vijftal ‘raps’. In die ‘raps’ gaat het over de verjaardag van Mingus en dat hij ouder ging dan Duke Ellington: “I’m going to cut Duke!”. Helaas is dat niet gelukt. ‘God Must Be a Boogieman’ is een de compositie die Mitchell schreef na het overlijden van Mingus, het is de enige track die Mingus niet zelf gehoord heeft. De track ‘Goodbye Pork Pie Hat’ was een nummer dat Mingus had geschreven voor Lester Young. Young, die geweldige tenorsaxofonist met zijn typische hoofddeksel. Een ‘pork pie hat’ is een platte hoed.

Door het album op te bouwen als een collage met ‘rap’ is het meer geworden dan ‘zomaar’ een nieuw Mitchell-album. Het is in feite niet alleen hét afscheidsalbum van Charles Mingus, maar ook een tijdsdocument, waardig en stijlvol gedragen door de muzikanten die meespelen. Stel je ook eens voor Mingus én Pastorius bij elkaar, een wereld van basverschil, maar twee giganten op het basterrein. En de gesprekken tussendoor, toch niet bepaald alledaags, maar geweldig om Mingus’ stem te horen.
Jammer genoeg begreep het publiek het niet allemaal. Het album steeg weliswaar snel naar een 17e plek in de Billboardlijst, acht plaatsen hoger dan de dochter van Don Juan, maar zakte even snel weer weg. Het is het eerste album van Mitchell dat geen gouden of platina status kreeg. Maar ook hier bleek de voortschrijdende tijd en daarmee de groeiende wijsheid en inzichten het album anders te plaatsen. ‘Mingus’wordt inmiddels gezien als een van Mitchell’s beste en komt daarmee in die Top10 van beste Mitchell albums. Daarin staan dus alle vier haar meer jazz-georiënteerde albums. Dat is toch best bijzonder, niet?

Na ‘Mingus’ volgde een tournee, de eerste in drie jaar tijd, met een kleine, grote band; klein in bezetting, groot in namen. Natuurlijk Pastorius (basgitaar) met daarnaast: Pat Metheny (gitaar), Lyle Mays (keyboards/uit de band van Metheny), Michael Brecker (saxen) en Don Alias (drums, percussie). Speciale gasten, The Persuasions, zongen “Why Do Fools Fall in Love’ en ‘Shadows and Light’. Het spektakel werd uitgebracht op een dubbel-lp: ‘Shadows and Light’ (1980). Op het album hoor je het concert uit de Santa Barabara Bowl, september 1979. Later werd het concert uitgebracht op videoband, laserdisc en ook op DVD (2003). De meeste cd-versies moeten het doen met een gedecimeerd concert, dat vanwege zogenaamd plaatsgebrek op het schijfje. ‘Black Crow’, ‘Don’s solo’ en ‘The Man in Paris’ zijn verwijderd, maar eerlijk gezegd heeft ook niet alles de DVD gehaald. Sommige cd, dubbele, brengen het hele concert.
Op ‘Shadows and Light’ brengt Mitchell het publiek enkele ‘Mingus’-gerelateerde stukken, maar ook ander, ouder werk, zoals ‘In France they Kiss on Main Street’, ‘Coyote’, ‘Amalia’ en ‘Hejira’. De grootste verrassing is ongetwijfeld de uitvoering van ‘Woodstock’. ‘Shadows and Light’ was niet een heel succesvol album en is dat ook nooit echt geworden. Het was Mitchell’s laatste voor Asylum Records.

Mitchells’ oude vriend David Geffen, was inmiddels een eigen platenlabel begonnen, Geffen Records, en zorgde ervoor dat Mitchell’s albums op dat label zouden verschijnen. Nieuw label, nieuwe stroming. Vanaf haar volgende album, ‘Wild Things Run Fast’ (1982) keerde Mitchell terug of ging, het is maar hoe je het ziet, richting gestructureerdere songs, pop songs. Eigenlijk had ze weer genoeg van de jazz en zocht iets nieuws. Er doen nog wel jazzcats mee, maar de teneur is anders. Het is het laatste album ook met Guerin, de voorlopig nieuwe drummer is een bekende in Zappaland: Vinnie Colaiuta. Wayne Shorter zou nog wel even blijven hangen, hij zou blijven terugkeren op Mitchell’s albums.

Mitchell zou nog meer en ook prachtige albums maken, in 2002 trok ze zich terug uit de muziekwereld, maar verraste eenieder met ‘Shine’ (2007).
In 1997 werd Mitchell opgenomen in de “Rock and Roll Hall of Fame”, inmiddels negen Grammy’s rijker. AllMusic: "When the dust settles, Joni Mitchell may stand as the most important and influential female recording artist of the late 20th century".

De vier jazzalbums van Mitchell raakten in de tijd, zoals gezegd, meer en meer gewaardeerd en songs, composities werden door andere musici opgepakt. Jazzzangeres Cassandra Wilson legde het zo uit: "I didn‘t think about jazz when I started listening to Joni. I think everything we‘ve produced in America is jazz…because we‘ve learned how to improvise." Ik vrees dat dat niet voor iedereen in Amerika geld, maar ten aanzien van Mitchell is het een gepaste geste, want improviseren deed zij eigenlijk al vanaf het begin. Dat gesis uit het zomergras, bleek slechts een spreekwoordelijke slang, het was eigenlijk niets meer of minder dan het zich ontwikkelende geluid van Joni’s jazz.