Example
Japan/Rain Tree Crow
Allesbehalve een "stil leven"

omschrijving afbeelding

Begonnen als een glam-rock groep werd het al snel een new-wave-romantic-art-rock-band, tenminste dat was het hok. Maar Japan was meer dan dat.

Japan was ook een Engelse band die flirtte met Chinese ‘looks’. De groep was vooral populair in Japan en Nederland.

Na een vijftal albums werd Japan vanwege onderlinge, “verschillende visies’’ ontbonden om acht jaar later terug te keren als Rain Tree Crow. Maar die verschillende visies bleken nog steeds actief.

Lees het verhaal van Japan, de groep die op het hoogtepunt van de populariteit niet meer verder kon en besloot te stoppen. Maar de individuele vervolgstappen liegen er ook niet om.


Op Catford Boy’s School, Zuid-Londen, begonnen, zoals zo vaak hier onder muzikale boom, drie vrienden een bandje. Van die drie waren er twee broers, David Alan Batt (1958- /zang, gitaar, keyboards) en Stephen Ian Batt (1959- /drums, keyboards). Vader Batt was stukadoor, moeder verzorgde het huishouden. Het leven was niet al te opwindend, totdat een oudere zus (naam wordt nergens genoemd) muziek het huis in bracht, Motown, soul. Beide broers, David verlegen en Stephen meer extrovert, speelden vaak samen, bouwden raketten en vliegtuigen of buiten, fietsen. De gewone dingen voor jongens in de jaren zestig. Met de muziek kwam ook de ‘drang’ om zelf iets te doen. David speelde wat gitaar. Stephen sloeg overal op, dus die werd drummer.
Op de middelbare school, Catford’s dus, kwamen ze Anthony Michaelides (1958-2011/basgitaar, keyboards, sax, klarinet, hobo) tegen en ontstond het idee van een band. Michaelides, zoon van Grieks/Cypriotische ouders, werd de zanger, begeleid door David op gitaar en zang en broer Stephen op drums. Ze hadden nog geen naam, waarop David voorstelde te beginnen als Japan, dat leek hem wel geinig. Later zou de echte naam wel komen. Maar die kwam niet meer en Japan bleef. Geoefend werd eerst thuis bij de Batt’s, maar nadat zuslief klaagde over het lawaai van de drums verhuisde de groep naar de zolder boven de slagerij van Michaelides vader. Het eerste, officiële concert was ter gelegenheid van het huwelijk van Michaelides broer.
Na een jaar werd de groep uitgebreid met De iets jongere Richard Barbieri (1957- /keyboards) en nog weer later met Rob Dean (1955- /gitaar).

De heren Japan zien er op dat moment expressief uit, glimmende kledij, forse kapsels, oogschaduw, lippenstift enzovoort. Helemaal in de stijl van glamrock, maar dan met een androgyn-uiterlijk. De invloeden komen van T.Rex, David Bowie, Lou Reed en The New York Dolls.
Japan, lees vooral David, schrijft meer en meer eigen songs, maar die zijn eerder gebaseerd op Motown, soul en funk dan de rock van de bands hierboven genoemd. Sylvian neemt de zangrol over, in Dean hadden ze immers een goede gitarist. Karn wilde zich verder ontwikkelen op zijn bas en saxen. Eenmaal op het serieuze pad vinden de jongens in Napier-Bell een goede manager. Via hem doen ze mee met een talenten-wedstrijd, uitgeschreven door het Duitse (!) Hansa-Ariola-label (1977). Dat label brengt vooral disco-muziek op de markt. Met Japan, de groep wint de wedstrijd, komt daar wat verandering in.

Er komt nog meer verandering. Drie van de vijf besluiten een artiestennaam aan te nemen. David Batt, ziet in Sylvain Sylvain, gitarist van The New York Dolls een goed voorbeeld en besluit zich David Sylvian te noemen. Net iets anders, maar in eerste instantie vond Hansa de gelijkenis niet oké, later draaiden ze bij en mocht Sylvian blijven. Broer Stephen werd Steve Jansen naar David Johansen/Jo Hansen zanger van The New York Dolls. Michaelides noemde zijn oudere broer altijd Mick, omdat Michaelides lastig uit te spreken was. Hij besloot Mick Kar als naam te kiezen, maar na het zien van de naam Kahn in een boek kwam er achter de Kar een N, Mick Karn dus.

Eind 1977 zit de band in de Audio International Studios in Londen om onder leiding van producer Ray Singer een eerste album op te nemen. Eind maart 1978 komt de eerste single uit: ‘Don’t Rain On My Parade’/ ‘Stateline’ . Misschien om iets van succes voor te bereiden is de A-kant het enige niet-Sylvian nummer, het is geschreven voor Bob Merrill en Jule Styne voor de musical ‘Funny Girl’ (1964) en werd daar gezongen door Barbra Streisand. De zeer langharige, geblondeerde Sylvian verliest achter zijn alias blijkbaar zijn verlegenheid, want hij zet een stevige versie neer. Rock, Punk, New-Wave, maar zeker geen regenachtige-musical-versie.
Japan ging op tournee in het voorprogramma van Jim Capaldi (and the Contenders). Een bijzondere combinatie!

Begin april lag het eerste Japan-album in de winkel: ‘Adolescent Sex’ (1978). Omdat de titel in sommige landen ‘shockerend’ kon overkomen werd het album daar simpelweg ‘Japan’ genoemd. De hoes is er een uit het land van de ondergaande zon met daaroverheen de hoofden van de bandleden. Het album bestaat uit ferme rock met gitaarsolo’s, maar ook weer niet, new-wave-synthi-pop, maar ook weer niet, punk door de wat hese, vervormde stem, maar ook weer niet en dan sommige koortjes… Intrigerend is het in ieder geval wel. Nog even voor later in het verhaal. Kijk eens naar het nummer ‘Communist China’. Onthoudt dat maar even.
De ontvangst was lauw, behalve in Japan (20e plek in de albumlijst) en in ons land, waar de tweede single, ‘Adolescent Sex’/’Sometimes I Feel So Low’ tot een 27e plek in de Top40 kwam. In België kwam de single tot een mooie 28e plek in de Ultratop.
Na het album ging Japan op tournee en stond als voorprogramma van de band Blue Öyster Cult. Bij de meeste concerten werd Japan van het podium gejoeld. Je snapt ook echt niet wie zo’n programma samenstelt. Amerikaanse basic rock versus de onzijdige verschijningen en ‘more sophisticated’ muziek van Japan.
Ondanks dat ging de groep toch naar Amerika. Het onthaal was beter dan bij Blue Öyster Cult, maar een doorbraak kwam er niet. Geschiedkundig gezien is dit dan ook meteen de laatste tournee in Amerika, ze zouden er niet meer terugkeren. Nog meer historie hier. Achteraf gaven de bandleden aan dat ze dit eerste album liever niet gemaakt hadden en veroordeelden het zelfs publiekelijk. Sylvian: "I regret the first album, 'Adolescent Sex', in the sense that we were too young, too naive to make it. The people around us should have realised that and not had it released. The second album is okay as a first album.” (Smash Hits magazine, 1982).

Bij de geremasterde cd-versie (2006) worden als bonus-materiaal vier video’s toegevoegd. Af te spelen via de computer: ‘Don’t Rain On My Parade’; ‘Communist China’ en twee versies van ‘Adolescent Sex”.

Binnen het jaar kwam al een opvolger: ‘Obscure Alternatives’ (1978). Omdat promotie niet werkte in Engeland werden de pijlen gericht op Europa en Amerika. Net als het eerste album was de productie in handen van Ray Singer. Opnames vonden plaats in Morgan Studios. Nog tijdens de opnames liet Sylvian weten zich meer met de gang van zaken te willen bemoeien in plaats van werkeloos toekijken. Een week voor het album kwam een single uit: ‘Sometimes I Feel So Low’/’Love is Infectious’ (1978). Maar de verkopen daarvan vielen tegen. Het album deed het redelijk in Nederland (41e) en iets beter in Japan (21e).
Veel critici plaatsen dit album in de ‘post-punk art house’-hoek. Maar dat is een oppervlakkige beschouwing. Als je goed luistert hoor je opnieuw soul en funk, maar ook reggae (‘Rhodesia’) en ska en zelfs klassiek. Het accent van de muziek ligt meer op de keyboards/synthesizers en duidelijk is dat Karn zijn bas meer op de voorgrond heeft kunnen krijgen. Iets dat ten goede komt aan de eigenheid van de muziek. Ook is hij de fretloze bas gaan bespelen, wat zorgt voor een mooi, glijdend geluid. Het laatste nummer van het album, ‘The Tenant’ is het meest bijzondere. Rustig, instrumentaal, ambient, minimalistisch, met vleugjes Erik Satie en Robert Fripp-achtig gitaargeluid. Ook nieuw hier, de sax van Karn. Het lijkt alsof ze het toetje inderdaad tot het laatst bewaard hebben, maar het is tegelijkertijd meteen een opmaat voor het komende album.

Of het nu komt door de naam van de band is niet duidelijk, maar in Japan (het land) is Japan mega-populair geworden. Dat bleek bij een tournee door het land, waarbij het Budokan Theater met zo’n elfduizend zitplaatsen drie dagen achter elkaar uitverkocht was. Gillende meiden: “David, San”; ‘Mick, San’ en idem voor de rest. Vergelijk dat eens met het magere succes in eigen land (Engeland).

Dat de zaken anders moesten had Sylvian al bij de vorige opnamesessies aangegeven. Met het derde album zette hij dat door. Nog voordat er een nieuw album kwam werkte Japan eenmalig samen met niet de minste producer: Giorgio Moroder. Die had kortelings een reuzenhit gescoord met Donna Summer: ‘I Feel Love’ (1977). Nu was disco natuurlijk Hansa’s speerpunt, maar Japan en Moroder kwamen tot een iets andere invalshoek: ‘Life in Tokyo’ (short version)/’Life in Tokyo, part 2’ (1979). Het bracht niet het gehoopte succes (28e bij de UK Singles), maar was wel een breuk met de muziekstijl van daarvoor. Nog meer elektronica, minder gitaar, zangeressen en nieuwe ‘looks’. Sylvian zingt meer met een gewone stem, qua uiterlijk heeft hij nu iets weg van Debbie Harry/Blondie. Ondanks de switch in muziek kan Karn er alsnog zijn saxen in kwijt.
Eén nummer maken met Moroder in Los Angeles, is leuk, twee ook nog wel. Een tweede track, ‘European Son’, overtuigde de groep niet. Het nummer werd afgevoerd, net als Moroder. Liever hadden ze Roxy Music’s producer John Punter, maar die had geen tijd. Japan wilde het dan maar liever, samen met Napier-Bell, zelf doen. Ze begonnen met ‘All Tomorrow’s Parties’, een nummer van Lou Reed, om dan te ontdekken dat Punter inmiddels wel kon. Hij deed de mix van ‘All Tomorrow’s Parties’ over en nam de rest samen met de groep op in Trident Studios. Punter had een positieve invloed op het geluid en mocht blijven. Voor de orkestrale arrangementen tekende Ann O’Dell.

‘Quiet Life’ (1979) verscheen in november (in Engeland in januari 1980) en verkocht, net als de vorige albums, nauwelijks. De pers vergeleek het met een album als ‘Low’ (1977) van David Bowie en deelde de groep in bij de ‘new romantics’. Tsja.
Meer nog dan de vorige albums was dit een synthesizer-album, maar met constante accenten van Karn’s fretloze basgitaar en Jansen’s steeds spaarzamer wordende drumpartijen. In het trage, grotendeels instrumentale ‘Despair’ horen we voor het eerst Sylvian’s lagere stem. Dit nummer klinkt behoorlijk als tracks van ‘Low’, maar is uiteindelijk het vervolg op het pad wat met ‘The Tenant’ was ingezet. Opnieuw belooft het laatste nummer, ‘The Other Side of Life’, het meest voor een komend vervolg. Prachtige track, orkestraal, filmisch en een blauwdruk voor de toekomst van zowel Japan als Sylvian solo.
De band was tevreden, de samenwerking was top, dit was een album dat duidelijk maakte waar Japan voor stond. Zelfs na jaren wordt dat nog door de bandleden bevestigd. Alleen zag het publiek dat allemaal nog niet zo. De hoogste score kwam opnieuw uit Japan, 24e. In Engeland kwam het album slechts tot een 72e plek.

Hansa vond het nu welletjes en verlengde het contract niet meer. Maar de wegen naar succes zijn grillig. Japan ging naar Virgin Records en bouwde daar verder aan hun muziek. Met Tin Drum, daarover later meer, kreeg Japan het lang verwachte succes. Prettig voor Hansa die nu oud werk opnieuw uitbracht, net als een live-EP, ‘Live in Japan’ (1980) en een compilatiealbum: ‘Assemblage’ (1981). ‘Assemblage’ bestaat uit singles, alternatieve versies en niet uitgebracht werk, zoals ‘European Son’ en de single ‘I Second That Emotion’ (1980); een nummer van Smokey Robinson en Al Cleveland. ‘Live in Japan’ bestaat uit vier tracks: ‘Deviation’; ‘Obscure Alternatives’; ‘In Vogue’ en ‘Sometimes I Feel So Low’. Die vier tracks worden overigens ook als bonus toegevoegd aan de geremasterde versie van ‘Obscure Alternatives’ (2006).
Door het latere succes werd ook ‘Quiet Life’ herontdekt. In 1982 stond het album op de 53e plek in de Engelse albumlijst. In 1984 was het zo goed verkocht dat het een gouden album werd. Maar toen bestond de band al niet meer.

Hansa had beslist ook niet gerekend op enig succes in Canada. Na het uitbrengen van het album daar verkocht het als “kaarsen tijdens een staking van energieleveranciers”. De groep ging daarom naar Canada en deed enkele concerten. Tijdens die concerten werden ze bijgestaan door een tijdelijk zesde lid: Jane Shorter (?/sax). Het was, net als in de USA eerder, voor het eerst en het laatst dat ze in het land waren.

‘Quiet Life’ werd vaker op cd uitgebracht, meestal voorzien van enkele bonustracks. In 2006 zijn dat er vijf plus één. Vijf alternatieve versies, single-versies, 12”en een B-kantje., Die ene is een video ‘Quiet Life’ af te spelen met een computer. In 2021 kwam er een luxe box, bestaande uit 3 cd’s, bestaande uit alternatieve mixen, remixen, een opname van ‘Live at Budokan’, een voormalige bootleg, en nogmaals de EP ‘Live in Japan’.

Hansa trok de stekker eruit, Virgin deed hem er weer in. Ondanks het feit dat Japan doorging op de weg die ze met ‘Quiet Life’ hadden ingezet, zou je zonder enige moeite de historie van Japan in twee perioden kunnen verdelen: de Hansa-periode en – inderdaad - de Virgin-periode. In die laatste groeide niet alleen Japan in hun muzikale uitingen, maar groeide ook de onvrede binnen de groep met als uiteindelijk resultaat de breuk en het opheffen van de band.

Maar eerst is daar nog ‘Gentlemen Take Polaroids’ (1980). Het gevolg van een kort durende actie. Tussen juli en oktober zat de groep, met opnieuw John Punter, als producer in de studio’s, begin november lag het album al in de winkel. Net als bij ‘Quiet Life’ staat David Sylvian prominent op de voorzijde. Langzamerhand was Japan een beetje zijn band geworden. Hij schreef alle stukken en had van ‘Obscure Alternatives’ ook in de studio de zaken meer en meer in eigen hand genomen tot aan een ongezond perfectionisme aan toe. Waar de opnames bij ‘Quiet Life’ nog een harmonisch groepsproces was, ging het bij ‘Gentlemen take Polaroids’ om een uitvoering van Sylvian’s uiterst strikte ideeën. Nu mogen die er best zijn, want in tegenstelling tot de vorige drie albums is ‘Gentlemen Take Polaroids’ veel meer uitgebalanceerd, rustiger, introverter zelfs. Japan is hier zeker geen new wave of-wat-dan-ook-groep meer, maar een groep die gebruik maakt van de Europese klassieken, met name Erik Satie, maar ook de oren richt naar het oosten. Satie horen we zonder moeite terug in ‘Nightporter’, het langzame nummer dat nadat de groep niet meer bestond zelfs nog een bescheiden hit werd.
Voor ‘Gentlemen Take Polaroids’ werkte Sylvian voor de song ‘Taking Islands in Africa’ samen met Ryuichi Sakamoto, dan de keyboard/synthesizer-speler van YMO, het Yellow Magic Orchestra. Een vruchtbare samenwerking, want de heren zouden dat nog veel vaker gaan doen. Opvallend is toch dat opnieuw een song van ‘derden’ opduikt: ‘Ain’t That Peculiar’ van Smokey Robinson en geschreven door Robinson, Warren Moore, Marvin Tarplin en Bobby Rogers. De soul is het hart nog niet uit, al verschillen beide versies als dag en nacht, of als zon en maan.
Andere gastmusici zijn: Simon House (viool), Cyo (zang), Barry Guy (contrabas) en Andrew Cauthery (hobo).

Kort voordat het album uitgebracht werd, kwam ‘Gentlemen Take Polaroids’ uit als een luxe dubbele single. De andere drie tracks zijn: The Experience of Swimming’ geschreven door Barbieri; ‘The Width of a Room’ van Dean, zijn enige Japan-compositie, en een iets andere mix van ‘Burning Bridges’. De stukken van Barbieri en Dean zijn instrumentaal en gaan meer richting ‘ambient muziek’ dan pop. Later werden ze gevoegd bij de geremasterde cd (2003, 2006). De single kwam tot een 60e plek in de Engelse hitlijst. Het album deed het ietsje beter met een 51e plek. In 1982, nadat Japan gestopt was, keerde het album terug in de lijst. In 1986 kreeg het de ‘gouden’ status.
De meest opvallende recensie kwam voor ‘Gentlemen Take Polaroids’ kwam van Steve Taylor (Smash Magazine): "If Brian Eno, rather than Bryan Ferry, had rerouted the original direction of Roxy Music, this might well have been the result..." (November, 1980). Japan werd, tot ongenoegen van de bandleden, met hun nieuwe muziekstijl afgeschilderd als ‘New Romantics’. Die Nieuwe Romantici waren stijlvol, lief, vol glamour met make-up en bijzondere haardracht. Denk daarbij aan bands als Culture Club, Duran Duran, Tears for Fears, Yazoo, Eurythmics enzovoorts. Kijk je naar de stijl van Japan, dan kun je niet anders dan concluderen dat ze die ‘stijl’ al hadden vanaf hun eerste album, al is die in de afgelopen periode meer en meer gecultiveerd.

Er bleek nog een restnummer bij de opnamesessies te zijn, ‘Some Kind of Fool’. Het werd, opgenomen, maar Sylvian vond het teveel als ‘The Other Side of Life’ (Quiet Life) klinken en parkeerde het. In de plek daarvan kwam op het album ‘Burning Bridges’. Dat was in een zo laat stadium dat sommige hoezen de geschrapte track alsnog vermelden. ‘Some Kind of Fool’ kwam weer tevoorschijn bij Sylvian’s verzamelalbum ‘Everything and Nothing’ (2000), maar onder zijn eigen naam. Onterecht vond Dean, want diens gitaarpartijen stonden er ongewijzigd op.

Dean had dan wel zijn enige bijdrage aan Japan geleverd, in de studio waren zijn bijdragen minimaal. Hij hield het voor gezien en daarmee werd Japan een kwartet. Sylvian, lang geleden de gitarist van de band, nam die rol nu erbij.

Net als bij ‘Gentleman Take Polaroids’ zijn de lijnen voor het vijfde – en naar later bleek het laatste – studioalbum kort: opnames van juni tot september 1981 en op de markt begin november. Technicus Steve Nye heeft de taak van Punter overgenomen, maar feitelijk is het meer een Nye/Sylvian-productie. Voor ‘Tin Drum’(1981) zijn de meeste songs geschreven door Sylvian. Op ‘Canton’ en ‘Visions of China’ helpt broer Steve mee, op ‘Sons of Pioneers’ doet Karn een bijdrage. De prachtige hoes met de foto van bijna vaste Japan fotograaf Fin Costello (hij bracht meerdere fotoboeken van de band uit) maken meteen duidelijk dat Japan zijn blik nu helemaal op het oosten richt, maar vreemd genoeg niet naar Japan, maar China. Denk even aan het eerste album terug. Sylvian was zich meer en meer gaan interesseren in de Oosterse cultuur en filosofie en liet dat hier horen én zien. Nog meer dan elk vorig album domineren de synthesizers en Karn’s fretloze basgeluid. ‘Tin Drum’ werd zorgvuldig opgebouwd, laagje voor laagje. Barbieri: "It was a very laborious process, but creatively satisfying... it was the first album where we actually produced something... completely original." Dat klopt zonder meer en daarmee is ‘Tin Drum’ eigenlijk het magnum opus van Japan. Al zijn er zat liefhebbers die voor dat opus ‘Quiet Life’ kiezen.
‘Tin Drum’ deed het dit keer goed in Engeland en kwam tot een 12e plek. De critici waren lovender dan eerder. Roland Orzabal van Tears for Fears vond het een meesterwerk in alle opzichten en gaf aan dat het een flinke invloed had gehad op hun eerste album (The Hurting, 1983).

Virgin zag het album ook als een bijzonder en bracht maar liefst van vier songs singles op de markt: ‘The Art of Parties’ (48e), ‘Visions of China’ (32e), ‘Ghosts’ en ‘Cantonese Boy’ (24e). ‘Ghosts’ deed het met een vijfde plek het best. En dat voor een behoorlijk oprecht en bijna kwetsbare song, of juist daardoor, van Sylvian: “Well I'm feeling nervous, now I find myself alone. The simple life's no longer there. Once I was so sure. Now the doubt inside my mind comes and goes but leads nowhere… Just when I think I'm winning, when I've broken every door. The ghosts of my life blow wilder than before…”

‘Tin Drum’ werd al snel goud. De BBC gaf het album in 2011 met terugwerkende kracht een gouden prijs als “Beste album van 1981”. In 2003 werd ‘Tin Drum’ uitgebracht in een luxe-box met boekje en een tweede (single-)cd met live en single-versies van ‘The Art of Parties’, ‘Life Without Buildings’, en ‘Ghosts’. Foto’s in het boekje zijn van Fin Costello, Steve Jansen en Yuka Fujii, de vriendin van Karn. Zowel Sylvian als Jansen zijn zelf flink aan het fotograferen geslagen, mét resultaat (en boeken).

Nadat het album uitgebracht was ging de groep op een korte tournee met als gast David Rhodes op gitaar. Japan heeft eindelijk het gewenste succes, maar op de achtergrond rommelt het behoorlijk. Karn was druk met eigen projecten en had minder bijgedragen aan het laatste album. Sylvian was natuurlijk weer de regelende perfectionist. Op een ander vlak lopen de spanningen ook op, Yuka Fujii, vriendin van Karn krijgt een nieuwe relatie met Sylvian. Dat maakt het samenwerken een nog groter probleem. De ‘Sons of Pioneers’-tournee brengt de groep in Engeland, Nederland, België, Duitsland, Zweden, Frankrijk en het ‘verre’ oosten: Thailand, Hong Kong en Japan. Maar het is de laatste tournee van de band. Omdat Sylvian live keyboards speelt wordt voor de gitaarpartijen opnieuw een gastmuzikant ingezet, Masami Tsuchiya, dan bekend van de Japanse band Ippu-Do. Het afscheid op het hoogtepunt is best wrang. In oktober staat Japan zes dagen achtereen in een uitverkocht Hammersmith Odeon. De concerten worden gefilmd en gebruikt voor een live-album en een film. Het laatste concert is op 16 december 1982 in Nagoya, Japan.

Nadat Japan gestopt is gebeurt er van alles. Karn brengt zijn eerste soloalbum, Titles (1982) uit. Daarop spelen Jansen en Barbieri mee. Hansa brengt ‘I Second that Emotion’ opnieuw uit, het wordt een Top10-hit, negende. Kort daarvoor het Virgin ‘Nightporter’, een kortere versie, op single uitgebracht. Die kwam tot een 29e plek. In Nederland was dat geen hit, maar het nummer staat wel vanaf 2005 in de jaarlijkse Top2000. Sylvian brengt samen met Sakamoto de single ‘Bamboo Houses’ (1982) uit en Jansen werkt samen met Yukihiro Takahashi, de drummer van het Yellow Magic Orchestra.

Als een soort afscheid voor de fans brengt Virgin in 1983 ‘Oil on Canvas’ uit, een dubbel-live-lp. Het wordt het meest succesvolle album van de band met een vijfde plek in de Engelse hitlijst. In Japan 11e, Nieuw Zeeland 20e en in ons land 29e. Het was dan ook snel een gouden album.
Op "Oil on Canvas' is Japan, minus Dean dus, maar wel met Tsuchiya te horen. Bij de foto-credits is een bekende naam te lezen: Anton Corbijn. Het schilderij op de hoes is van Frank Auerbach. ‘Oil on Canvas’ heeft zowel een sfeervol intro als outro: ‘Oil on Canvas’ (Japan) en ‘Temple of Dawn’ (Barbieri). Allebei een “instrumental studio recording”. Er is er nog een, eind kant B: ‘Voices Raised in Welcome, Hands Held in Prayer’ (Sylvian, Jansen). Vreemd dat een live-concert werd verrijkt met studiotracks. Later vertelde Jansen dat alleen de drums live zijn en de rest in de studio is gemonteeerd. Misschien wel omdat live niet alles goed verliep. Karn’s saxpartijen stonden namelijk op tape en werden gestart indien nodig. Lastig spelen zo. Waarschijnlijk zijn live-delen gebruikt en in de studio bijgewerkt. Een gebruikelijk procedé overigens. ‘Nightporter’ is helemaal een studio-opname met live-overdubs’. Als luisterraar weet je uiteindelijk niks. Daar kom je dan pas jaren later pas achter.
De nieuwe single ‘Canton’/’Visions of China’ (1983) deed het minder goed dan het album: 42e.

Bij de eerste cd-versie (1984) moesten we het “wegens plaatsgebrek op de cd” doen zonder ‘Gentlemen Take Polaroids’ en ‘Swing’. In Japan maakte ze er daarom een dubbel-cd van. Die kregen wij in 2003 ook. Wat dan opvallend is dat de hoes nu uitgevoerd is in zwartwit. In 2012 blijkt alles ‘gewoon’ op één cd te kunnen…

Na Japan werd David Sylvian onder eigen naam bekend en had menig succes. Dat verhaal is elders op de LemonTree te lezen. Karn werd vaak als sessiemuzikant gevraagd voor bijvoorbeeld Kate Bush en Joan Armatrading. Hij werkte met Peter Murphy als Dali’s Car en met voormalig groepsleden Barbieri en Jansen als JBK. Jansen en Barbieri werkten onder eigen naam, maar ook als The Dolphin Brothers.

Zo gaat ieder zijn eigen gangen, maar in september 1989 zit het oude kwartet weer opnieuw bij elkaar. Nu iedereen zijn ei in eigen projecten kwijt heeft gekund en Fujii’s switch naar Sylvian door Karn verwerkt lijkt is samen ‘iets doen’ mogelijk. Gezien de spanningen uit het verleden en de inmiddels geleerde lessen was het idee dat iedereen inbreng zou hebben in nieuw werk aan de hand van Sylvian’s ‘schetsen’. De groep ging de studio in met oude bekende Steve Nye aan de knoppen. Ondanks de druk van Virgin om het album onder de naam Japan te maken gaf Sylvian al meteen aan dat dat geen goed plan was. Uiteindelijk zag iedereen dat in en ging deze versie verder onder de naam Rain Tree Crow. Prachtige naam toch?
Tijdens de opnames in Marival Studios (Frankrijk) en Condulmer (Venetië) werd alles opgenomen wat er gespeeld werd. De tape liep door en naderhand werd gekeken wat ze ermee konden doen. Soms werd een stuk weggestemd als onbruikbaar. Soms werd er flink gediscussieerd, zoals met name over het deel dat later ‘Blackwater’ zou worden. Sylvian moest er flink voor praten, want hij vond dit een prachtig element. Juist dit nummer werd later en als enige single uitgebracht.
De sessies verliepen dan wel prettig, op een bepaald moment moeten alle puzzelstukjes gelegd worden en tracks afgebakend. En daar loopt het opnieuw verkeerd. Virgin Records heeft dan allang door dat Rain Tree Crow geen Japan I of zelfs Japan II is. De muziek is te abstract, te anders. Maar zonder de naam Japan bieden ze geen geld meer om een en ander af te maken. De vier leden geven Virgin daarom toestemming de naam Japan wel te mogen gebruiken om bijvoorbeeld reclame te maken en bijvoorbeeld een sticker op de albumhoes te plakken. Sylvian heeft zich inmiddels teruggetrokken in het buitenland en stuurt vanaf daar zijn zangpartijen. Maar als het album in de fase van de eindmix beland moeten er knopen doorgehakt. Sylvian is de enige met ruime ervaring en met tijd en geld en neemt die taak op zich. Nye en hij maken een, volgens Barbieri, goede eindmix waar iedereen tevreden mee kan zijn. Dan is ook al duidelijk dat er geen geld komt voor een mogelijk vervolg en Rain Tree Crow dus een eenmalig project is.
Hoe het album ontstaan is wordt netjes op de hoes gemeld: "The majority of the material on this album was written as a result of group improvisations. There were no pre-rehearsals; the improvisation took place in the recording studio and much of the finished work contains original elements of those initial performances."

Het gelijknamige album wordt uitgebracht in april 1991 in een hoes van Russell Mills. Die heeft dan al vaker samengewerkt met Sylvian. Op het album horen we verder Bill Nelson (gitaar), Djene Doumbouya en Djanka Sjabate (zang), Phil Palmer (gitaar, slide), Michael Brook (conga, percussie, ‘treatments’ en ‘infinite guitar’) en als toetje de Phantom Horns: Johnny Thirkell (trompet, bugel) en Gary Barnacle (saxen). Brian Gascogne zorgt voor de orkestratie. Yuka Fujii is de ‘art director’. Je kunt van alles vinden van dit album, maar in lijn met de muziek past het meer bij de soloalbums van Sylvian dan de groepsalbums van Japan. Dat is niet alleen door de muziek, maar door de hele uitstraling en vormgeving. Sylvian zet enkele nummers dan ook op zijn playlists voor zijn concerten. Zo horen we ‘Every Colour You Are’ ook op diens album ‘Damage’ (1994) tijdens een concertreeks met Robert Fripp.
‘Rain Tree Crow’ kwam ondanks de onbekendheid, of juist door de ex-Japan sticker, tot een 24e plek in UK Albums lijst en in ons land tot een gematigde 61e plek. De single ‘Blackwater’/’I Drink to Forget’ tot een 62e plek. Die single moest je eigenlijk kopen, want het nummer op de B-kant, ‘I Drink to Forget’ stond niet op het album. Later, bij de cd-versies (2003) weer wel, maar bij de vinyl-re-release in 2019 was het weer verdwenen.

Japan, noch Rain Tree Crow kwam daarna nog eens samen, ook al vonden er onderling allemaal samenwerkingen plaats. Sylvian bleef vooral soloartiest totdat hij steeds meer in de anonimiteit verdween. Jansen maakte, net als Karn soloalbums, waaronder een aantal heel mooie. Barbieri zocht weer een band op: Porcupine Tree en maakte daarnaast een aantal verstilde soloalbums. Mick Karn overleed in 2011, waarmee een mogelijke reünie helemaal van de baan was, ook al was die kans daarvoor al nauwelijks reëel te noemen.

Dat in Japan uitstekende musici zaten is in de geschiedenis wel bewezen. De groep maakte in korte tijd een enorme ontwikkeling door van expressieve glim en glitter naar een verstilde, bijna Zen-achtige rust. Of: van luidruchtige puberseks naar het korte verhaal in drie woorden: regen-boom-kraai. De waarde van Japan, de band, zat hem in het groeiende karakter. Maar is dat niet wat alle pubers doen? Groeien, ontwikkelen, wijzer worden. Soms doet het pijn en gaat de groei niet over rozen. Daarmee ‘leefde’ Japan het leven zelf, maar dat was allesbehalve “stil”.

 
tekst: Paul Lemmens, december 2021
plaatjes: © Ariola/Hansa/BMG/Virgin