logo van The Lemontree
faust: beginjaren

Just Stücke

#

Op zoek naar een Duitse versie van een populaire popgroep als The Beatles presenteerde producer Uwe Nettelbeck zijn platenmaatschappij Polydor de band Faust, maar die bleek allesbehalve de gehoopte succesband.

Faust in het kort samengevat: twee groepen, één man en een sociale situatie.

Faust leefde en maakte muziek in een oud schoolgebouw in Wümme. Dat er een album gemaakt moest worden leek eigenlijk wel het minst belangrijk, de aanpak van de groep leek het meest op ‘leef het leven’.

Na een jaar kwam er toch nog een geheel transparant album, gevolgd door een tweede, nachtzwart. Daarna was het over met het contract, maar nog niet voor Faust. Lees het verhaal van een behoorlijk eigenzinnige en daarmee unieke Duitse band.




Eind jaren zestig had ieder land zo zijn eigen hitgroepen, maar er werd vooral gekeken naar The Beatles als hét grote voorbeeld. Dit verhaal begint in 1970 met in ons land als absolute hoogtepunt van het jaar de megahit ‘Huilen is voor jou te laat’ van Corry & De Rekels. Met nummer twee op die lijst hield het huilen al snel op: ‘Back Home’ van Golden Earring. Op drie: ‘El Condor Pasa’ van Simon & Garfunkel. Buurland Duitsland doet het in 1970 met klassiekers als ‘Dein Schönstes Geschenk’ van Roy Black; ‘Du’ van Peter Maffay, dezelfde ‘El Condor Pasa’ én ‘Whole Lotta Love’ van Led Zeppelin. Buiten de hitlijst om zijn in Duitsland de best verkochte albums voor Polydor (een Philips-tak) die van het James Last Orchester en Bert Kaempfert. Polydor zocht een mogelijkheid om aan te sluiten bij een jonger publiek en benaderde Uwe Nettelbeck (1940-2007/producer, journalist, filmcriticus): “Of hij een Duitse groep kon zoeken die vergelijkbaar was met The Beatles of The Rolling Stones of Kinks?” Nettelbeck ging aan de slag en vroeg een Hamburgse vriend, de regisseur Hellmuth Costard, om hulp. Costard maakte niet alledaagse films, in een van zijn films kwam bijvoorbeeld een pratende penis voor. Heel ‘toevallig’ had Costard een muziek makende buurman, de jonge Fransman Jean-Hervé Péron (1949- /gitaar, basgitaar). Péron was muzikant, fanatiek nudist en een enorme Dylanfreak (Bob Dylan is dat). Hij speelde in de band Nukleus samen met Rudolf Sosna (1946-1996/gitaar, keyboards, zang) en Gunther Wüsthoff (?/saxen). Nukleus had muziek verzorgd voor Costard’s films. Nettelbeck had zijn band gevonden, maar er ontbraken wat ‘onderdelen’, zoals de drums. “Of ze niet iemand wisten?” Iedereen kent elkaar, ook in dit geval. Er bleek nog een groep in trio-bezetting te zijn: Campylognatus Citelli, de naam van een vliegende dinosauriër. Dat trio bestond uit: Werner ‘Zappi’ Diermaier (?/drums); Arnulf Meifert (?/drums) en Hans-Joachim ‘Jochen’ Irmler (1950- /keyboards). Diermaier dankt zijn bijnaam ‘Zappi’ aan zijn voorliefde voor de muziek van Frank Zappa, een niet te onderschatten liefde, die ook in de nieuwe band een belangrijke rol gaat spelen.

Geheel in de wat mistige en mystieke stijl rondom Faust worden er over het ontstaan verschillende verhalen verteld: “De twee groepen hadden al eens samengewerkt.”, versus: “Wij hebben elkaar nog nooit ontmoet.” En de omkering: “Beide bands zochten Nettelbeck om met het verzoek een album te mogen maken.” Eigenlijk maakt het achteraf weinig uit, maar door al die verschillende invalshoeken wordt Faust’s verhaal wel iets ‘gekruider’. Hoe dan ook, Nettelbeck regelde een oefenruimte in een oude, ondergrondse bunker, die vooral bestond uit een heel, lange, smalle gang: “The corridor was so long we never went right to the end as we were frightened about what we might find there.” Twee maal drie is één? Of blijft het twee maal drie? Feit is dat beide trio’s een totaal andere aanpak en visie hadden. Ook hier weer tegenstellingen: gestructureerde songs, composities versus ‘Dada’; alles kan. Dit aspect maakt Faust zo boeiend en vormt de wezenlijke grondslag voor het geluid. In de schuilkelder wordt een demo voor Polydor opgenomen: ‘Party #4/Lieber Herr Deutschland’. Polydor zag er wel iets in, tenminste dat wordt zo verteld. Waarschijnlijk hebben ze de stukken nooit gehoord, anders was er niets terecht gekomen van hun aanbod. Nettelbeck wist de firma er op een of andere manier van te overtuigen de groep, tegen betaling van alle onkosten, de gang te laten gaan. Polydor bleek bereid flink wat te willen investeren. Bijna ondenkbaar, maar het gebeurde.

De naam Faust wordt nu voor het eerst als groepsnaam genoemd. De groep koos voor de naam om twee redenen. De eerste als symbool van verzet, de vuist werd geheven bij protesten en die waren er de afgelopen jaren, weken, dagen nogal eens geweest. De tweede reden is de voor de hand liggende verwijzing naar het beroemde werk ‘Faust’ van Johann Wolfgang von Goethe, vaak ‘gewoon’ Goethe genoemd. In het heel kort: Faust, de hoofdpersoon uit het verhaal, wil meer kennis dan God en sluit een pact met Duivel Mephisto. Vreemd genoeg wordt Faust daar niet gelukkiger van, maar ontdekt dat geluk voortkomt uit goed doen, of goede daden verrichten. Er ligt hier een soort analogie, immers de heren Faust verkochten hun ‘ziel’ nu ook aan een soort Duivel, alleen heette die Polydor.

Op zoek naar een geschikte locatie vond Nettelbeck een verlaten schoolgebouw in Wümme, een plaatsje op de Lüneburger Heide en slechts veertig kilometer vanaf Hamburg. Het schoolgebouw had de vorm van de letter H. In de ene I werden de diverse vertrekken van de bandleden gemaakt, in de andere I de studio en bij het – middenin, de keuken. Voordat een en ander klaar was verbleef de groep zo’n half jaar in Schwindebeck in het ouderlijke, leegstaande huis van Nettelbeck’s vrouw Petra. Dan heb je huisvesting, maar er moest natuurlijk ook een album komen en vooral opgenomen worden. Er is dus een technicus nodig. Nu kende Nettelbeck een hele goede: Kurt Graupner (?/technicus). Graupner werkte voor Polydor’s klassieke, sublabel Deutsche Grammophon. Graupner bleek geïnteresseerd. En hoe, zonder Graupner geen Faust, durf ik (en anderen met mij) wel te stellen.

In de periode in Schwindebeck gebeurde er niet heel veel, men hing rond in de tuin, in de buurt. Er was voldoende drank en drugs, dus waarom zou men zich druk maken? Soms werd er wel eens iets opgenomen. Die ‘houding’ zette door in Wümme, met het verschil dat er nu meer opgenomen werd. Flarden muziek, stukken tekst, geluiden van de omgeving, klanken. Graupner had kabels door het hele gebouw gelegd. Soms nam iemand een stuk gitaarmuziek op, liggend op zijn eigen bed. Soms werd er buiten iets opgenomen. Van verschillende kanten vroegen de heren Faust aan Graupner of hij geluid kon bewerken en veranderen. De immer vriendelijke en geduldige Graupner bouwde daarop twee ‘black boxes’ met een twintigtal controle-mogelijkheden. In feite zijn die niets minder dan alternatieve synthesizers waarmee geluid gemanipuleerd kon worden. De twee zwarte dozen, ze waren overigens transparant, bleken een ‘gouden’ constructie die het uiteindelijke geluid van Faust enorm bepaalde. Tussen al het blowen, drinken, eten, rondhangen en in je blootje lopen kwam er echter weinig concreets uit alle handen. Dat was, overigens, geheel volgens de eigen, opgezette, stelregels: “Alle muzikale invloeden, ideeën en inspiraties worden samengebracht, vermalen, gekookt en weer opgebouwd” en “Geen compromissen, we doen alleen wat we zelf goed vinden ongeacht de consequenties daarvan.” Alleen daarom al moest de studio dag en nacht operationeel zijn en daarom ook koos men ervoor soms nummers te spelen op juist dat instrument dat je het minst of totaal niet beheerste. Vergaand én revolutionair.

Alles leuk en aardig daar in Wümme, maar er was een contract voor een album. Nettelbeck, die wel wat zag in de aanpak van de heren, hield de Polydorboot af door ze af en toe tapes te sturen. Maar na één jaar was het geduld echt op, er moest nu wel heel snel een album komen. Faust begreep het. Er werd aanspraak gemaakt op een hoeveelheid drugs om in één avond/nacht het album te maken. Dat lukte, al was het resultaat mijlenver verwijderd van de beoogde Duitse Beatles. Integendeel, de drie tracks die Faust aanleverde hadden meer overeenkomst met een stuk ‘Musique Concrète’ van Pierre Schaeffer dan van een plaat met popliedjes. Musique Concrète’ is een muziekstroming waarbij geluiden, al dan niet alledaagse huis-tuin-keuken-geluiden, worden gemanipuleerd of elektronisch bewerkt, met als resultaat een werk in de vorm van een geluidscollage. Dat is exact wat er gebeurt, denk daarbij even aan de dozen van Graupner. Soms zijn er stukken pop met elektrische gitaren en herkenbare instrumenten te horen. Aan het eind van ‘Miss Fortune’ – ‘live at Wümme’- is zelfs een soort van lied te horen. Dat gebeurt tussendoor ook op ‘Why Don’t You Eat Carrots’, de openingstrack. Ergens heeft het iets weg van een Duitse blaaskapel, maar dan wel een op LSD met elektrisch vervormde gitaren en een grote dosis space-geluiden die rechtstreeks afkomstig lijken te komen uit een studio voor experimentele, elektronische muziek. De luisteraar met de open oren en ‘mind’ hoort snippers ‘I Can’t Get No Satisfaction’ (Rolling Stones) en ‘All You Need is Love (Beatles) in deze georganiseerde orgie van geluid. In ’Meadow Meal’ wordt gezongen, gepraat, soms lijkt het een echte song, maar al snel wordt die afgebroken. Een behoorlijk Dadaïstische aanpak en voor sommigen dan ook een letterlijk complex plaatje.
Minder complex en daarom juist weer wel is de verpakking. Het origineel was geheel transparant, de hoes en de plaat zelf. Een unicum. Liefst had men het label ook transparant gelaten, maar dat bleek technisch niet mogelijk. ‘Faust’ (1971), het album dus, heeft daarom een zilvergrijs label met erin gestanste tekst. In de transparante hoes met opdruk van de naam en een röntgenvuist (een verwijzing naar de naam?) zat een tekstvel met daarop in rode letters in typemachinestijl de teksten, vermeldingen en een verhaal van Nettelbeck. “Een fout dat tekstvel”, zo vond men later, “Het bedierf het transparant imago.” De tekst van Nettelbeck eindigt met de onvergetelijke woorden: “I Like the Beach Boys!”. In een interview geeft hij later uitleg. De muziek van Faust wordt op de ‘stapel’ experimenteel gegooid, in de hoek van Stockhausen en Cage geplaatst, maar “Just because some things we are doing nobody else is doing, it puts us in a position to be avant garde but that’s just accidentally. I don’t rate such terms very highly, it’s just music.”

Faust trad eigenlijk nooit op, maar na het album volgde er een concert in de Hamburger Musikhalle. Men had bedacht een rondomgeluid te maken met hulp van acht speakers die dus rondom het publiek opgesteld zouden worden. Een beetje als ‘Kontakte’ van Karlheinz Stockhausen. Maar er waren nogal wat problemen: het was erg koud, de apparatuur kwam te laat, er was te weinig kabel, iedereen was kabels aan elkaar aan het solderen. Zonder enige voorbereiding begon het concert. De muur van blikjes op het podium viel voortijdig om en Faust deed net alsof ze in Wümme waren, men praatte met elkaar, maakte soms muziek, soms deed een deel van de band niks. Het publiek werd al snel uitgenodigd mee te komen doen, kortom, één grote happening. Sommige mensen in het publiek liepen weg of lieten luidkeels hun afkeer horen. Een deel was tevreden. Faust was uiteindelijk niet zo tevreden, immers, als de voorbereidingen beter geweest waren hadden ze iets heel bijzonders kunnen neerzetten. Polydor was ook niet heel blij, want de gestuurde ‘afgezant’ vroeg zich af of dit gebeuren hun dure Deutsche Marken waard was.

Natuurlijk verkocht het album nauwelijks, behalve bij een kleine groep die de oren goed had openstaan. Vaak liefhebbers van de muziek van The Mothers of Invention en dus Frank Zappa. Denk daarbij vooral aan een album als ‘Uncle Meat’ (1969) met geluidseffecten, elektronische muziek, gespreksflarden, doo-wop, jazz en rock. Met de kennis van nu is het onvoorstelbaar dat Polydor zo ver meeging in de aanpak van de band. Het kostte al met al een aardige som geld en het album verkocht ook nog voor geen meter. Toen had men niet kunnen voorzien eigenlijk een uniek product afgeleverd te hebben; een waar collectors item. Begin jaren zeventig zag men het anders, Polydor wilde toch nog iets van hun geïnvesteerde geld terug, daarom moest een tweede album komen, maar wel heel anders dan het eerste. Daarover was eigenlijk iedereen het wel eens: “It became clear that we now had to produce music and stop fucking about… There was more determination in the air… It was also much clear that the next album should be more accessible.”

Dat ging wel ten koste van Arnulf Meifert. Waarom hij weg moest wordt door Péron uitgelegd: “Hij stelde teveel vragen; had platte billen; een te knappe vriendin; oefende elke dag; hield zijn kamer netjes; speelde te heftig vierkwartsmaat …” Meifert dacht dat hij weg moest, omdat Nettelbeck het heft strakker in handen nam: ‘een ware salon-Marxist!”. Hoe dan ook, Faust ging verder als vijftal. Dat vijftal leverde het tweede album af: ‘So Far’ (1972). Alles is anders, of toch niet? Het contrast met het eerste album kon niet groter zijn als het gaat om de verpakking. Was ‘Faust’ transparant, ‘So Far’ is vooral dicht en vooral zwart. Op de titel en bandnaam na is de buitenzijde van de hoes zwart, net als het boekje erbij en het label op het vinyl. Op dit label wederom geen tekst gedrukt, maar gestanst. Opvallend kleurrijk zijn de negen kunstwerken van Edda Köchl; voor elke track/song één. Ze zijn verpakt zijn in een aparte, zwarte hoes. ‘So Far’ is qua verpakking, net als ‘Faust’ een opvallend en prachtig product.
Dat geldt tevens voor de muziek, die net zo compromisloos is als die op het eerste album. De openingstrack, ‘It’s a Rainy Day, Sunshine Girl’, is nou niet bepaald een Beach Boys-song, maar een simpele tekst op een onafgebroken, staccato ritme. De songtitel is tevens de songtekst. Ja zou zo zeggen dat ze Polydor tegemoet zijn gekomen met een heus lied, maar de song duurt ruim zeven minuten en er wordt vrolijk op los geëxperimenteerd met klanken. Het is wel een ongelooflijk hypnotiserend nummer, maar dat kan ook komen door het zonnige meisje natuurlijk. ‘On the Way to Alabama’ is geen Country & Western, maar klassiek, akoestisch gitaar met een synthesizer-achtige klank. Die Faust-mensen kunnen dus echt wel spelen! Het stuk kan zo gebruikt worden als filmmuziek. ‘No Harm’ is het langste werk. Muziek bij een apocalyptische gebeuren? Na een opbouwend, dreigend intro gebeurt er van alles, komen The Beatles even langs, wordt er gerockt en in rockstijl gezongen/geschreeuwd: “Daddy take a banana, tomorrow is Sunday.”
Op de oude lp-kant B gaan we verder met zes tracks, waarvan twee onder de veertig seconden. ‘So Far’ is instrumentaal en lijkt qua opzet op het zonmeisje in de regen. ‘Mamie is Blue’ is Faust zoals we die kennen van het eerste album, al wordt er ‘gewoon’ gezongen. De conclusie van de song is een bijzondere: “That’s Kraut!”, en dat was lang voordat de naam Krautrock in zwang kwam. De term ‘Krautrock’ komt letterlijk terug als titel op ‘ Faust IV’ (1973) en is volgens sommigen de aanleiding voor de benaming van het ‘genre’. ‘I’ve Got My Car and my TV’ is een grappige song die zo op een vroege Zappa/Mothers-lp zou kunnen staan en dat geldt ook voor de twee, korte songs daarna: ‘Picnic on a Frozen River’ en ‘Me Lack Space’. Het sluitstuk, ‘…. In the Spirit’ is precies wat het belooft, in de geest van… het eerste album! Na een stuk elektronica met gemangelde stemmen volgt een maf deuntje met de boodschap dat we beter eerst onze sokken kunnen aandoen voordat we de schoenen aandoen. ‘So Far’ is een echt Faust-album, waarbij duidelijk is dat ze best op hun instrumenten kunnen spelen, liedjes kunnen zingen, maar tegelijkertijd hun afkomst niet verloochenen. Succes? Nou, nee.

Dit keer zaten de heren Faust minder stil, er kwam zelfs bezoek in Wümme. Tony Conrad (1940-2016/kunstenaar, muzikant, componist) legde een nogal stormachtig bezoek af. Conrad, een Amerikaan, hoorde tot de kring van experimentele kunstenaars als John Cale (ja, die van de latere Velvet underground), Angus MacLise, La Monte Young en Marian Zazeela. Ze opereerden onder de naam: The Theatre of Eternal Music en presenteerden als collectief hun kunstuitingen. Van alle voorstellingen is slechts een half uur bewaard gebleven en in 2000 uitgebracht op cd: ‘Inside the Dream Syndicate, volume I: Day of Niagara (1965)’. Voor sommigen zal het een droom zijn, voor anderen eeuwige herrie of zelfs een nachtmerrie. We moeten het even hebben over de term ‘Drone’ Plat vertaald is dat ‘dreun’, maar die vertaling doet de term tekort. ‘Drone’ staat eigenlijk voor een lang aanhoudende klank of klankenreeks die minimalistisch, vaak in de letterlijke zin van het woord, uitgevoerd wordt. Er lijkt nauwelijks iets te gebeuren en ondertussen klinkt het geluid alsmaar door en door en door. Je wordt er of ingezogen, of verlaat gillend het pand. Met deze achtergrond snap je meteen waar The Velvet Underground haar basis had liggen en met de aanpak van Faust komen we terecht bij diezelfde basis. Het liep helaas niet helemaal goed met het Theater van de Eeuwige Muziek, er ontstonden meningsverschillen. Conrad kreeg te horen dat hij fouten maakte, of op sommige plekken te weinig een bepaald thema liet horen. Als je dat hoort weet je meteen dat het eind van het collectief voorbij is en dat de groep letterlijk enger is dan aanvankelijk gedacht. Achteraf gaf Conrad aan dat de groep het vehikel van Young was, die de groep gebruikte om zijn muziek voor het voetlicht te brengen.
Dat Conrad bij Faust opduikt is niet verwonderlijk, dat zijn enige album met de groep ‘Outside the Dream Syndicate’ heet, gezien voorgaande, dan ook al niet meer. ‘Outside the Dream Syndicate’ verscheen in 1973 op Caroline Records, het sublabel van Virgin. Het album is natuurlijk opgenomen door Graupner met Nettelbeck als producer. Conrad (viool) nam een spontane sessie op met Péron (basgitaar), Zappi Diermaier (drums) en Sosna (keyboards). Péron had de opdracht gekregen één noot te spelen, maar hij besloot er toch twee te spelen. Sosna was niet uitgenodigd, maar wilde per sé iets bijdragen. Achteraf was Conrad blij met de input, het gaf zijn muziek een totaal ander soort dynamiek en kwam met name daardoor buiten het ‘Dream Syndicate’ terecht. Vanaf de eerste drumslagen van Diermaier start een ‘drone’ die bijna een half uur duurt. Het is letterlijk een geestverruimende ervaring, ZEN, je wordt er langzaam ingezogen, er is geen houden aan, of, zoals eerder geschetst, je wordt er helemaal gek van. Kant twee gaat ‘vrolijk’ verder met nog een half uur non-stop hypnose. In 2002 bracht Table of Elements een speciale verjaardagseditie uit op 2(!) cd’s met enkele extra tracks, waaronder een nog langere versie van ‘From the Side of Man and Womankind’, de eerste track van het oude album.
‘Outside the Dream Syndicate’ is zowel Faust als Conrad. Het album wordt vaak genoemd in de officiële Faust-reeks, maar is dan meteen wel weer zo deviant dat die niet opgenomen is in ‘The Wümme Years’- box.

Heel anders verloopt de samenwerking met Slapp Happy. Dat is een Hamburgs trio bestaande uit: Peter Blegvad (1951- /zang, gitaar, cartoons), Anthony Moore (1948- /keyboards, componist, producer) en diens vrouw Dagmar Krause (1950- /zang). Moore had, ook voor Polydor, al eens eerder muziek opgenomen in de studio van Faust: ‘Pieces from the Cloudland Ballroom’ (1971) en ‘Secrets of the Blue Bag’ (1972). Maar, net zoals bij Faust, verlangde Polydor meer toegankelijk werk, liedjes! Moore vroeg daarop een vriend, Blegvad, hem te helpen. Ze schreven een song, ‘Just a Conversation’ en namen die samen met enkele Faust-leden op in slechts twintig minuten. Alleen de zang was het niet. Moore’s vriendin, later zijn vrouw, Krause zong. Idee? Eigenlijk had Krause niet meer willen zingen, maar, goed, voor een vriend maakte ze een uitzondering. Het pakte beter uit dan iedereen verwacht had. Krause heeft een nogal opvallende stem, volgens sommigen “doordrenkt van die van Lotte Lenya”. Nadat Polydor de song gehoord had wilde ze die wel op single uitbrengen. Dat gebeurde in 1972 met op de B-kant de “pop ditty” ‘Jumping Jonah’. Het schrijven van “naive rock”, zoals Blegvad hun werk omschreef, beviel zo goed dat ze er mee verder gingen. Terug in Wümme namen ze een heel album op met dit soort eenvoudige liedjes: ‘Sort Of’ (1972). De setting is al bijna bekend; Graupner, techniek, Nettelbeck, producer, en leden van Faust; Péron (bas) en Diermaier (drums). Hoe anders dan het werk van Conrad en toch is de bijdrage van twee-vijfde Faust zo herkenbaar Faust. Het zegt ook iets over het ‘dualisme’ van Faust en juist dat element maakt die band zo bijzonder.
Nu had Polydor een groep en een album met echte liedjes, wilden ze niet optreden! Opnieuw verkocht een album nauwelijks. Toch was Slapp Happy druk met een tweede: ‘Casablanca Moon’. Zelfde setting, zelfde bijdragen. Alleen waren de songs geëvolueerd, een level verder. Meer richting kunst dan pop en meer richting poëzie dan popsongs. Polydor was niet blij met de richting en weigerde het album uit te brengen. In 1980 werd het gelukkig alsnog uitgebracht onder de naam: ‘Acnalbasac Noom’. Een woordspelletje. Maar er was inmiddels heel wat gebeurd. Slapp Happy was collectief opgegaan in Henry Cow, om daarna, met uitzondering van Krause, weer te vertrekken. De samenwerking leverde één prachtig mix-album op: ‘Desperate Straights’ (1975). Henry Cow viel in deze periode onder de paraplu van Virgin Records, maar nadat dat contract verbroken was zette drummer Chris Cutler een eigen platenmaatschappij op: Recommended Records. Op dat label werd in 1980 dus ‘Acnalbasac Noom’ uitgebracht. Wel met aangepast geluid en arrangementen, een tikkeltje ruwer, ruiger dan het soms bijna lieflijke ‘Sort Of’. Bij een latere uitgave, 2005, werden de authentieke arrangementen en opnames gebruikt. Dat album kreeg een andere hoes en vier bonustracks, maar hield de omgedraaide titel.

Geen album voor Slapp Happy bij Polydor meer, maar ook geen voor Faust. Beide groepen bleken toch niet de nieuwe Beatles, Stones, Kinks of James Last te zijn. Polydor trok de conclusie, zette de betalingen aan de band stop en haalde Graupner terug naar de ‘normale’ studio. De schuld van het voorschot en gemaakte kosten bedroeg ruim 500.000 DM. Tot op de dag van vandaag wordt die in termijnen afbetaald. Het schoolgebouw werd leeggehaald en later afgebroken.

Het gevolg was dat de groep moest leven op, naar eigen zeggen, “hondenvoer”. Men had nog wel tapes van de sessies rondom de eerste twee albums. Met die tapes ging Faust naar Engeland, een land dat sowieso al meer interesse in de band had getoond dan het volk in de Heimat. Ene Richard Branson was net bezig met het opzetten van een platenmaatschappij, Virgin Records. Voorafgaand was Branson eigenaar van een winkel, ook Virgin genaamd, waar vooral veel importalbums werden verkocht. Albums van Tangerine Dream, Klaus Schulze, Ash Ra Tempel én Faust. Faust gaf een privéconcertje voor Branson en diens creatieve rechterhand, Simon Draper. Branson, die nauwelijks verstand had van muziek vond het best, want Draper zag wel iets in deze band. Men bedacht een stunt: Virgin zou een album van Faust uitbrengen voor slechts 48 Pence, grofweg vijf gulden. Dat bedrag kon iedereen wel missen en daarmee was het verkoopsucces van Faust al aardig op weg. Eenzelfde actie deed Virgin met een album van Gong. Het plan werkte uitstekend. De verkopen van Faust’s album gingen richting 50.000 en zelfs 100.000. Eigenlijk te uitstekend, want de verkoop werd al snel gestaakt wegens, volgens Virgin, “gebrek aan geld om de zaak te blijven financieren”.
Hoe dan ook was de groep op de Engelse kaart gezet: “The social phenomenon of 1973”, aldus muziekkenner Julian Cope. We hebben het ondertussen over Faust’s derde album ‘The Faust Tapes’ (1973). Verpakt in een hoes met op de voorzijde een kunstwerk van Bridget Riley (een ruit met ‘dansende’ golven), op de achterzijde een soort krantenpagina. De boodschap wordt meteen duidelijk gemaakt in de eerste kolom: "The music on this album, drawn from Faust's own library of private tapes, was recorded informally and not originally intended for release. However, since British interest in the group has been unusually great, it has been decided to make some of this unofficial material available to the public in this country. These tapes have been left exactly as they were recorded - frequently live - and no post-production work has been imposed on them. The group wish to make it clear that this is not to be regarded as their third album, but a bonus release - on sale at the current price of a single - to mark their signing with Virgin Records, for whom they will shortly be recording their next official album. The Faust Tapes reveals Faust at their most personal and spontaneous. It's a unique glimpse behind the scenes of a group which European and British critics have hailed as one of the most exciting and exploratory in the world. Virgin Records"

Het dus niet derde album heeft twee lange tracks, allebei met dezelfde naam: ‘Untitled’. Bij de eerste cd-release in 1995 worden die twee tot één lang werk gesmeed. Vijf jaar later, 2000, wordt die lange track verdeeld in zesentwintig substukjes, met elk een titel. Iets als ‘Untitled’, maar ook als ‘Exercise’; ‘Dr. Schwitters’ of ‘Der Baum’. De hoes is dan veranderd in een reliëflandschap, kleine ode aan Riley, waarin de naam ‘Faust’ goed te herkennen is. Recommended Records bracht in 1980 een vinylversie van het album uit in een plastic draagzak en hoes met schreeuwend hoofd op de voorzijde en een bandafbeelding op de achterzijde. Een collector’s item nu.
‘Faust Tapes’ is, geheel volgens verwachting, een mix van de twee vorige albums, een collage van geluidseffecten, simpele liedjes, al dan niet in het Frans of Duits gezongen, ‘drone’, rock, stemmen, een boodschappenlijstje en her en der ‘bekende’ stukken. Typisch Faust dus en een goede kennismaking voor onze Engelse buren.

En dan is en wordt alles anders. Faust zit nu in Engeland in een reguliere studio, The Manor. Dezelfde studio waar in de late uren ene Mike Oldfield bezig is met zijn kunstwerk ‘Tubular Bells’. Er kan niet oneindig lang gewerkt of gehangen worden om nieuw materiaal op te nemen én er wordt iets verwacht gezien het recente, Engelse succes. Natuurlijk is Nettelbeck erbij, net als Graupner, die ingevlogen was, omdat de technici in Engeland niet goed wisten wat ze met de band aan moesten. Nettelbeck drukte dit keer zijn stempel behoorlijk op het album, immers gezien de verwachtingen een must. Met het nieuwe album moest Faust zich bewijzen en dat kon alleen door meer te kiezen voor heldere songs. Achteraf was de band niet heel blij met de aanpak, maar ja, zo gaat dat vaak, achteraf dan.

Ondanks de heldere tekst op ‘The Faust Tapes’ heet het nieuwe album ‘Faust IV’ (1973), je zou de tel eens kunnen kwijtraken tenslotte. Nummer Vier is gehuld in een hoes die bestaat uit de – blanco – lijnen van een partituur. Bewust gedaan, omdat de muziek van Faust niet op (muziek-)papier te ‘vangen’ is. Heel klein is naam en titel op de voorzijde te lezen. Op de bijna net zo lege achterzijde staan de ‘credits’. Op ‘Faust IV’ staan acht liedjes, de eerste, ‘Krautrock’, is met precies twaalf minuten het langst, de tweede, ‘The Sad Skinhead’ met twee-en-een-halve minuut het kortst. ‘Krautrock’ is Faust’s elektrische versie van hun droomsyndicaat met dank aan Conrad. Deze rock is flink gekruid en is nu synoniem voor het genre. De betekenis van het genre, ‘Krautrock, is in de loop der jaren wat afgevlakt, namelijk steeds breder geworden, soms behelst het alles wat aan rock- of vergelijkbare muziek uit Duitsland komt, zelfs blues… De essentie van wat het voorstelt is hier te horen. ‘The Sad Skinhead’ brengt een enorme verrassing, het is een reggaenummer maar dan wel met een gitaarsolo met vervormd geluid. ‘Jennifer’ is voor menigeen een van mooiste, voor zover dat kan, songs, van Faust: “Jennifer your red hair’s burning, yellow jokes come out of your mind”. Prachtig soundscapes en surfgitaarklanken. ‘Just a Second (starts Like That!) is bijna - het is Faust tenslotte – een rocknummer, halverwege verandert de track in een stukje Musique Concrète. ‘Picnic On A Frozen River, Deuxieme Tableau’ is typisch Zappa, inclusief de plotselinge wending. ‘Giggy Smile’ kent eenzelfde aanpak, inclusief heuse songtekst, alleen neemt het nummer in het tweede deel’ een afslag richting jazz en met name Zappa’s ‘King Kong’. Luister daar maar eens naar op diens album Uncle Meat (1967). In het laatste deel komt thema van de picknick terug en uiteindelijk eindigt het nummer abrupt. De mooiste titel van het album is ongetwijfeld: ‘Läuft... Heisst Das Es Läuft Oder Es Kommt Bald... Läuft’. Het stuk begint met akoestische gitaar en wordt gezongen in het Frans. De track wordt overgoten met kosmische- en percussieve geluiden. Ook in dit nummer zit een gedaanteverwisseling, want de tweede helft is bijna ambientmuziek, bijna dan. ‘Faust IV’ sluit af met ‘It’s a Bit of a Pain’, een rustige song met akoestische gitaar en ontspoorde elektrische gitaarsolo. Faust ging op tournee met Henry Cow, maar het succes voor het album bleef uit. Irmler verklaarde het gebrek aan succes op zijn eigen wijze: “Wümme was ostensibly made out of crap but it was very well put together crap and worked perfectly for us, whereas The Manor (Virgin’s opnamestudio) didn’t at all. It was designed for rock bands.”

Nettelbeck raakte tijdens de sessies voor ‘IV’ vermoeid met de aanpak van de heren en vond dat ze niet genoeg hun best deden. Van Branson moest hij ook al weinig hebben. Hij hield het voor gezien. Virgin wilde nog wel verder met Faust, maar zij niet meer met Virgin, hun aanpak, doen alsof ze progressief en begripvol zijn, maar ondertussen functioneren als een normaal zakelijk instituut, beviel de heren Faust niet. Kort na de opnames vertrok Nettelbeck naar Duitsland, Graupner reisde met hem mee. Met de opstelling was Branson’s interesse in de groep snel weg. Er was wel nog een kort tournee, maar die verliep al zonder Irmler en Sosna, die op hun beurt naar huis waren vertrokken. Peter Blegvad was een vervanger, de andere Uli Trepte van Guru. Na veel gebel kwamen Irmler en Sosna uiteindelijk toch terug om de tournee af te maken in een vreemde setting en gemengde gevoelens. Terug in Duitsland vestigde Faust zich in München in een luxe hotel en maakte gebruik van de plaatselijke studio daar. Een studio waar ook Giorgio Moroder en The Rolling Stones hadden opgenomen. Men begon, inclusief Graupner die op het Faustnest was teruggekeerd, aan een volgend album, want er was immers nog een contract met Virgin. Dat liep spaak nadat de studio en het hotel de gemaakte kosten, inmiddels zo’n 30.000 DM, onmiddellijk betaald wilde zien. De rekening werd doorgestuurd naar Virgin, maar die liet weten geen interesse te hebben in a. de betaling en b. een nieuw album. Graupner was op dat moment al weg, de groep probeerde het hotel uit te komen, maar werd buiten al snel ingerekend door de politie en vervolgens gevangen genomen. Nadat de diverse moeders en vriendinnen de schade betaald hadden konden de heren naar huis, inclusief de recent opgenomen tapes, dat dan weer wel. Dat was dan het laatste teken van leven, Faust verdween uit beeld en oor. Er was geen afscheid, gee n mededeling in de pers. Er waren zat geruchten over een wederopstanding of een reünie, maar die zou nog jaren op zich laten wachten. Daarna kwamen er diverse afsplitsingen en samenvoegingen, vaak allemaal onder de naam Faust, zodat soms niemand nog wist wie of welke band Faust nu was. Een deel bestaat nog steeds en er zijn de afgelopen jaren nog heel wat cd’s en zelfs cd-boxen verschenen, maar dan hebben we het niet meer over de Faust uit dit verhaal.

De ‘Munic’-tapes werden pas jaren later gebruikt. In 1986 werd een deel ervan uitgebracht als ‘Munic & Elsewhere’. Dat lijkt een analogie/knipoog naar Zappa’s ‘Roxy & Elsewhere’ (1974). Een ander deel werd uitgebracht op twee singles: ‘Faust Party 3’ (1979) en ‘Faust party 3 extracts #2’ (1980) en dat, aangevuld met nog wat werk op ‘The Last Lp’ (1988). En alles hiervoor samen weer op de cd ’71 Minutes’ die in de doos ‘The Wümme Years’ (2000) is opgenomen. Nog een Zappa-linkje, de openingstrack van ‘Munic’, ‘Munic/Yesterday’ heette eerste ‘Willie the Pimp’. Dat nummer kennen de Zappanaten van Zappa’s album ‘Hot Rats’ (1969). ’71 Minutes’ is in zeker zin een collage in een collage en bestaat uit diverse gevonden en bewaarde tapes, zelfs nog uit de begintijd van Faust. Daarom ook staat Meifurt ‘plotseling’ weer op de hoes. Als je de muziek van Faust kent is deze hele reeks een goed vervolg op de vorige albums, met tracks als ‘J’ai Mal Aux Dents’; Giggy Smile’ en ‘Lieber Herr Deutschland’. Die laatste is die eerste opname van Faust, het nummer dat Nettelbeck al dan niet aan Polydor liet horen met het oog/oor op een contract. Andere tracks zou je in andere versies al kennen van de albums. Zo is de track ‘Psalter’ bekend als ‘Lauft’.
In de “Wümme’-box zit nog een extra cd: ‘BBC Sessions+’. Die opnames zijn afkomstig van een optreden voor de BBC in 1972 en worden aangevuld met tracks van ‘Munic & Elsewhere’ en ‘The Last LP’. Tracks die niet op ’71 Minuten’ konden. Tijdens het BBC-concert hoor je ‘The Lurcher’; Krautrock’ en ‘Do So’ als één lange medley. Faust zoals we de band kennen, maar dan, dat moet gezegd, minder experimenteel. Echter anno 1972 was dat met de apparatuur van toen live ook niet of nauwelijks te realiseren.

In 2006 bracht EMI, dan eigenaar van Virgin Records, ‘Faust IV’ uit als een 2cd-set. Op de tweede cd staat nogmaals de BBC-sessie, de rest van de cd wordt gevuld met alternatieve versies, de ‘original mixes’ van de opnames in de Manor Studio. Sommige stukken zijn korter, andere weer langer. ‘Just a Second’ is meer dan verdubbeld, terwijl ‘Lauft’, net als ‘Jennifer’ bijna gehalveerd is. Ondanks het nu dubbel in de catalogus aanwezige BBC-concert, is het een leuke aanwinst in Faust’s œvre.

Faust verdween na 1973 weliswaar uit het beeld, maar niet uit het gehoor. Recommended Records deed er veel aan de band onder de onwetende oren van het grote publiek te brengen en bracht als sluitstuk van hun ‘campagne’ de prachtige box ‘The Wümme Years 1970-1973’ uit, met daarin al het werk van Faust, behalve de opnames met Conrad en Slapp Happy dan. Dan pas realiseer je je dat de groep in drie jaar (!) enorm veel gedaan heeft, muzikale bergen heeft verzet en een merkteken/mijlpaal heeft achtergelaten in muziekland. En dat muziekland is niet alleen in de Heimat. Uiteindelijk heeft het geklooi in een oud schoolgebouw dus heel wat opgeleverd, meer nog dan wie dan ook dacht of bedacht had kunnen hebben. Péron: “Even now, after almost half a century, I’m always amazed when people write about how influential we’ve been. Why are we a spring of inspiration for other people? I’ve no idea, but of course I’m very happy and proud of it. I was never aware that we were doing something special.” (interview: Prog magazine). Het feit dat er nog steeds over de band wordt geschreven en verwezen maakt dat wel duidelijk. De groep wordt genoemd in talloze genres als: Industrial; techno, Post-punk (eigenlijk al fout, want Faust maakt ‘punk’ voordat die naam in zwang kwam, daarmee protopunk of zoiets dus), electropop en post-rock. Met zo’n naametiket weet je meteen waar je aan toe bent, toch? Faust had niks met etiketten integendeel. Men had ook niets met songs, met afbakening. Voor Faust was alles muziek. Irmler vat de essentie van de Faust uitstekend samen: "There are finally no songs, they're just stücke.”