logo van The Lemontree
ella fitzgerald: song books

Ella ver vooraan

omschrijving afbeelding

Zangeres Ella Fitzgerald wist onder leiding van haar manager en latere Verve-platenbaas Norman Granz op te klimmen tot de “First Lady of Song”. Vaak werd ze “Queen of Jazz” genoemd, of, uit respect, “Lady Ella”.

Ella Fitzgerald zong in acht jaar tijd de hoekstenen van de twintigste-eeuwse, Amerikaanse, populaire muziek bij elkaar, de ‘Song Books’. Daarna was de jazz niet meer hetzelfde vonden de kenners.

De acht ‘Song Books’ hadden elk een eigen aanpak, overwegend big band opnames, afgewisseld met kleine combo’s, maar (bijna) altijd bestaande uit een mix van bekende en onbekende songs van één componist.

De Song Books leken in 1964 afgerond, maar zeventien jaar later (!) werd er op een ander label nog een toegevoegd. Lees het verhaal over Fitzgerald’s Song Books met een gelauwerde reeks albums waar tegenwoordig – vreemd genoeg – best weinig aandacht voor is.




Ella Jane Fitzgerald (1917-1996/zang), geboren in Newport News, Virginia, is de dochter van William Fitzgerald en Temperance Henry. Het stel was niet gehuwd. Na enige tijd kreeg moeder een nieuwe partner. Fitzgerald deed het goed op school, maar moest vaak wisselen door verhuizingen. Ze hield vooral van dansen, iets dat ze op weg naar school en in de pauzes constant deed. Door het geloof van moeder en haar nieuwe vriend Joseph da Silva kwam Fitzgerald in de Bethany African Methodist Episcopal Church in aanraking met muziek en zang. Later hoorde ze Bing Crosby en Louis Armstrong, maar ze was helemaal weg van de zang van The Boswell Sisters. Die drie Boswell-zussen, Martha, Connee en Helvetia zongen in ‘close harmony’-stijl de sterren van de hemel. Het trio was actief vanaf 1925 tot 1936, daarna ging Connee solo door. Connee was de zus die bij Fitzgerald het meest was opgevallen en ze wilde niets liever als net zo zingen.
In 1932 kreeg Fitzgerald’s moeder een auto-ongeluk en overleed. Da Silva zorgde enige tijd voor haar, maar die taak werd plotseling overgenomen door een tante. Waarschijnlijk was er misbruik in het spel, maar daar is nooit over gesproken. Dat er iets speelde bleek uit het feit dat Fitzgerald vaker niet dan wel naar school ging en haar eerst uitstekende resultaten flink kelderden. Uiteindelijk ging ze aan het werk als uitkijk bij een bordeel en als hulpje bij een maffia-gang. Over deze periode heeft ze nooit één woord losgelaten. Een ‘soort van geluk’ was het dat de autoriteiten haar in het vizier kregen, waarop ze in een weeshuis in The Bronx geplaatst werd. Omdat het daar te vol werd, werd ze overgeplaatst naar de New York Training School for Girls.

De belangrijkste dag uit haar tienertijd is 21 november 1934. Fitzgerald is dan zeventien en heeft zich opgegeven voor een optreden tijdens de ‘Amateur Night’ in het Apollo Theatre. Ze zou een dans doen, maar na het zien van een andere, indrukwekkende dansact wisselde ze ad hoc naar zang. In de stijl van Connee Boswell zong ze twee nummers, ‘Judy’ en ‘The Object of my Affection’. Dat leverde haar de eerste prijs op én een weeklang optreden in Apollo Theatre. Maar, omdat ze zich niet had opgegeven in de goede categorie ging die week niet door.
Beter ging het een jaar later. Drummer en bandleider Chick Webb (1905-1939) zocht een zangeres voor zijn band. Charlie Linton, de zanger van Webb’s band, bracht daarop Fitzgerald mee. Webb twijfelde omdat Fitzgerald nauwelijks ervaring of opleiding had, maar gaf haar alsnog een kans. Zo kwam Fitzgerald alsnog op het podium terecht. Webb trad in deze periode op in de Savoy Ballroom. Fitzgerald werd als snel populair bij band en publiek en nam met Webb’s band enkele songs op die een hit werden: ‘(If You Can’t Sing It) You’ll Have to Swing It’, ‘Love and Kisses’ en natuurlijk ‘A-Tisket-A-Tasket’. Die laatste was een versie van een kinderliedje dat Fitzgerald samen met Al Feldman bewerkt had. Ze nam het met de band van Webb op in 1938 en het werd een gigantische hit, een van de beste verkochte songs uit deze periode.
Webb overleed in 1939 aan TBC, waarop Fitzgerald de leidersrol overnam en de band omdoopte tot: Ella and her Famous Orchestra. Daar bleef het niet bij, ze nam ook songs op met het Benny Goodman Orchestra en, in kleinere bezetting, als Ella Fitzgerald and Her Savoy Eight. Een drukke dame. De drukte nam af in de periode van de tweede Wereldoorlog, het was moeilijk een big band op de been te houden. Fitzgerald zocht daarom andere wegen. Ze kwam terecht bij Decca Records en zong met en bij allerlei artiesten. Tegen het eind van de oorlog werkte ze met Norman Granz. In 1954 werd die haar manager. Granz (1981-2001) wordt gezien als een van de grootheden in de muziekindustrie. Hij zette Clef, Norgran, Down Home, Pablo en Verve Records op, was jazzpromotor en organiseerde in die hoedanigheid talloze jazzconcerten. Daarbij is ‘Jazz at the Philharmonics’ wel de bekendste geworden. Die naam is eigenlijk bedacht door de drukker van het affiche, omdat ‘A Jazz Concert at the Philharmonic Auditorium’ er niet in zijn geheel op kon. Nog later ging de serie als ‘JATP’ door het leven. In de reeks concerten bracht Granz jazzmusici uit verschillende stromingen bijeen. Hoogtepunt was vaak de ‘spontane’ jamsessie waarop die musici met hun verschillende achtergronden samen muziek maakten. Een van die nieuwe stromingen was ‘bebop’; jonge musici zochten een andere stijl dan die van hun voorgangers. Vaak waren ze uitstekend thuis op hun instrument en zochten de uitdaging. Ze kwamen met snelle, complexe muziek, wisselende toonladders, onverwachte wendingen en improvisaties. Dit was een ‘afrekening’ met de dansmuziek, voortaan ‘moest’ (het kon bijna niet anders) geluisterd worden naar jazz.
Fitzgerald kwam door Jazz at the Philharmonics in contact met een van de voorgangers van de Bebop, Dizzy Gillespie (1917-1993/trompet). Ze merkte dat ze zijn tempo soms niet bij kon houden en ontwikkelde een eigen zangstijl. Woordenloos, korte klanken alsof haar stem een instrument was. Die stijl staat nu bekend als ‘scatten’. Fitzgerald kon het uitstekend en het werd zelfs een vast onderdeel van haar zangstijl.

Fitzgerald was inmiddels een van de populairste jazz-zangeressen geworden, reden voor de in Australië wonende Amerikaan Lee Gordon haar naar Australië te halen. Dat werd een succes met een naar randje. Fitzgerald kon namelijk niet bij de eerste concerten zijn, omdat zij, pianist John Lewis, assistente Georgiana Henry (een nichtje van haar) en Granz geweigerd werden in het vliegtuig. Ze reisden eerste klas en waren al in het vliegtuig toen ze te horen kregen dat ze niet mee mochten, zelfs niet hun handbagage op te halen. Pas na drie dagen kon het gezelschap doorreizen naar Australië. Terug in Amerika klaagde Fitzgerald, Lewis en Granz Pan-Am (de vliegtuigmaatschappij waarmee ze vlogen) aan vanwege discriminatie. Pan-Am ontkende (natuurlijk), maar in de rechtszaak verloren ze en moesten een behoorlijke vergoeding aan het drietal uitkeren. Granz, de enige blanke/witte in het gezelschap moest sowieso al niet hebben van enige scheiding van ras en kleur. Bij zijn Jazz at the Philharmonics was zelfs een clausule opgenomen dat er gedanst mocht worden en er geen scheiding van kleur mocht zijn in het publiek. Het leidde soms tot verhitte taferelen en dreigen met annuleren van het hele concert. Zowel Granz als Fitzgerald zouden zich de rest van hun carrière blijven inzetten voor gelijke rechten. Dat bleef nodig ook. Zo kwam Fitzgerald alleen in Mocambo Night Club, Hollywood, op het podium door toedoen en inzet van actrice Marilyn Monroe (1955). Het was een feit dat breed uitgemeten werd en werkte ten gunste van Fitzgerald.

In 1955 verliet Fitzgerald Decca Records. Daarop zette Granz in feite voor Fitzgerald een nieuw platenlabel op: Verve Records. De reden was simpel. Fitzgerald zong vooral bebop, maar dat was uiteindelijk toch te beperkt, er was immers veel meer muziek. Granz vond dat ze haar muzikale horizon flink moest uitbreiden en kwam met het idee van album, een Song Book, rondom de songs van Cole Porter. Fitzgerald: “It was a turning point in my life.”

‘Ella Fitzgerald Sings the Cole Porter Songbook’ kwam uit in 1956. Cole Porter (1891-1964/componist) was een klassiek opgeleide componist. Hij werd echter vooral bekend door zijn werk voor Broadway (musicals) en voor films. Zijn teksten zijn een afspiegeling van de tijd waarin hij ze schreef en zijn vaak gevat, geestig. Bijzondere van Porter is dat hij zowel muziek als tekst schreef, meestal was dat anders. Een val van een paard in 1937 zorgde voor een negatieve wending in zijn carrière, maar elf jaar later wist hij opnieuw succes te boeken met de musical ‘Kiss Me Kate’. Tot zijn grote werken horen: ‘Anything Goes’; Fifty Million Frenchmen’; ‘Silk Stockings’ en ‘Can-Can’. Tot de bekende songs van Porter horen: ‘Night and Day’; ‘I’ve Got You Under My Skin’; ‘I Get a Kick Out of You’; ‘Anything Goes’; ‘Begin the Beguine’; ‘My Heart Belongs to Daddy’ en ‘You’re the Top; een topje van de bekende ijsberg.

‘Ella Fitzgerald Sings the Cole Porter Song Book’ was bij de eerste release een dubbel-lp met uitgebreide tekstbijlages. Die laatste van Don Freeman en Granz. Een uitgave op deze wijze was in jazzkringen helemaal nieuw, tot dan was dat alleen gebruikelijk bij klassieke muziek. Op dit Song Book staan 32 songs, bij de latere cd-versies, de Master Edition (1997), komen daar drie ‘alternative takes’ bij. Vijf songs komen uit films, zesentwintig uit musicals en ééntje, “Miss Otis Regrets’ uit geen van beide. Uit de films komen onder anderen: ‘Don’t Fence Me In’; ‘In the Still of the Night’ en ‘I’ve Got You Under My Skin’. Uit de musicals: ‘Anything Goes’; ‘Begin the Beguine’; ‘Every Time We Say Goodbye’ (later bekend geworden door Simply Red); ‘Love for Sale’; ‘Night and Day’ en ‘You Do Something To Me’.
Voor de meeste songs werkte Granz en Fitzgerald met het Buddy Bregman’s Orchestra. Bregman (1930-2017/componist, arrangeur, tekstschrijver) schreef alle arrangementen voor deze opnames. Bregman was een natuurtalent en schreef al in zijn tienertijd arrangementen. Op vijfentwintig jarige leeftijd was hij al orkestleider van de Gary Crosby Show, een show die werd uitgezonden voor CBS Radio. Op dezelfde leeftijd werd Bregman A&R (artist & repertoire) manager bij het door Granz opgezette Verve label en begon daar met arrangementen voor Anita O’Day. Daarop volgde de samenwerking met Ella Fitzgerald, maar hij schreef ook arrangementen voor Bing Crosby. Hun beider album, ‘Bing Sings Whilst Bregman Swings’ (1956), leverde dat duo een platina album op.

Op twee nummers van ‘Ella Fitzgerald Sings the Cole Porter Song Book’, ‘Get Out of Town’ en ‘Easy to Love’ werd een kleine bezetting ingezet: ‘Berney Kessel (gitaar), Joe Mondragon (bas) en Alvin Stoller (drums). Op ‘Let’s Do It, Let’s Fall in Love’; ‘In the Still of the Night’; ‘I Get a Kick Out of You’; ‘Don’t Fence Me In’; ‘You’re the Top’ en ‘I Concentrate on You’ kwam daar als vierde man Paul Smith (piano) bij. Door deze aanpak is meteen de toon gezet, bigband met orkest, afgewisseld met een kleiner jazzcombo. In de bigband komen we ‘bekende’ jazzmusici tegen als Bud Shank (klarinet, fluit, altsax), Bob Cooper (klarinet, tenorsax, hobo), Pete Candoli (trompet), Harry ‘Sweets’ Edison (trompet) en Maynard Ferguson (trompet). Het orkest bestaat uit studiomusici.
De diverse opnames vonden plaats op slechts drie dagen (!): 7, 9 en 27 maart. Fitzgerald’s stem is dan op haar top. Ze zingt, zuiver, toonvast en brengt de teksten helder over. Met het complete album onder de arm ging Granz op bezoek bij Porter. Diens commentaar: “What a marvelous diction that girl has.”

De muziek op ‘Ella Fitzgerald Sings the Cole Porter Song Book’ is -simpel gezegd - door de arrangementen - swingend jazzy, met een mix van violen, waardoor het weer iets meer ‘pop(populair)’ wordt en daarmee geschikt voor iedereen. De meest korte nummers liggen makkelijk in het gehoor. Het grootste deel was bij een flink deel van de bevolking sowieso al bekend. De wat minder bekende songs van Porter liften mee op het succes en konden daardoor groeien in een rol die ze eerder niet hadden.

‘Ella Fitzgerald Sings the Cole Porter Song Book’ zette Fitzgerald nog beter op de kaart, ook buiten het jazzgebied en vooral door de niet gekleurde luisteraars. Daarmee brak ze een bestaande rassen-barrière. In 2000 werd dit Song Book opgenomen in de ‘Grammy Hall of Fame’ met een nieuw gecreëerde Grammy voor “qualitative or historical significance recordings” bedoeld voor opnames die ouder waren dan 25 jaar. Drie jaar later (2003) werd ‘Ella Fitzgerald Sings the Cole Porter Songbook’ door The Library of Congress opgenomen in The National Recording Registry. Die is bedoeld om opnames die “culturally, historically, or aesthetically important, and/or inform or reflect life in the United States" te bewaren voor het nageslacht als essentieel onderdeel van de geschiedenis van het land. Het is leuk om die – lange- lijst van het ‘registry’ eens te bekijken, die gaat van Kermit the Frog via Henry Cowell en The Temptations naar Frank Zappa om maar wat namen te noemen.

Na het succes van het eerste album volgde ‘hot on the heels’ (1956) een tweede in de reeks Song Books: het liederenboek van Rodgers en Hart. Een bewuste keus voor dit duo, want Rodgers had immers samen met Oscar Hammerstein ook menig succesnummer geschreven. Richard Rodgers (1902-1979/componist) maakte de muziek voor 43 Broadway musicals en schreef bijna duizend songs. Ook maakte hij muziek bij films. Met die prestatie wordt Rodgers een van de meest gerenommeerde en belangrijkste componisten van de populaire muziek in Amerika. De meest bekende werken schreef Rodgers samen met Lorenz Hart (1895-1943/tekstschrijver). Rodgers en Hart zijn beide afkomstig uit Joodse immigranten. Het duo maakte samen talloze hitsongs, waaronder ‘Blue Moon’; ‘My Heart Stood Still’; ‘My Romance’; ‘My Funny Valentine’; ‘Dancing on the Ceiling’; ‘Lover’; ‘Here in my Arms’; ‘Mimi’; ‘Falling in Love with Love’ en vele, vele anderen. Sommige songs zijn ook weer door anderen hits gemaakt, ‘Blue Moon’ (1934) bijvoorbeeld werd ook een hit voor Elvis Presley (1956) en de Doo Wop groep The Marcels (1961) Minder bekend hier is de versie van Glen Grey and the Casa Loma Orchestra, dat in 1936 (!) drie weken lang successen vierde. ‘My Funny Valentine’ werd misschien nog bekender door de uitvoering van Chet Baker en Gerry Mulligan of die van Frank Sinatra.
Veel musicals liepen onder leiding van producent Oscar Hammerstein II. “With Hart Rodger’s music came first, while with Hammerstein the music came after the lyrics and was written for the dramatic effect of the play.” (citaat boekje bij de cd).

De werken van Rodgers en Hart liggen enigszins in het verlengde van die van Porter en het is dan ook niet vreemd dat Granz deze koos als opvolger voor Fitzgerald’s eerste Song Book.
‘Ella Fitzgerald Sings the Rodgers and Hart Song Book’ werd opgenomen tussen 21 en 31 augustus 1956 en later dat jaar uitgebracht volgens het eerder gevolgde procedé: dubbelalbum met uitgebreide teksten. De teksten waren dit keer van Richard Rodgers zelf, Oscar Hammerstein II, William Simon (muziekcriticus) en Granz. Opnieuw werd gebruik gemaakt van het Buddy Bregman Orchestra en verzorgde Bregman de arrangementen. Anders is dat het merendeel van de 35 songs door het orkest worden gespeeld, slechts vier songs worden begeleid door en kleine groep, één song zelfs door één persoon. De kleine groep is dezelfde als bij Porter: Smith (piano), Kessel (gitaar), Mondragon (bas) en Stoller (drums). Zij zijn te horen op: ‘To Keep My Love Alive’; ‘With a Song in My Heart’; ‘Ev’rything I’ve Got’ en ‘Bewitched’. Kessel is de enige begeleider op ‘Wait Till You See Her’. Fitzgerald’s nam tijdens deze sessie ‘The Lady is a Tramp’ op. Later werd die één van, wat ze nu noemen, haar signatuursongs.
In de zin van orkest, geluid, aanpak en keus voor Rodgers en Hart naast het Song Book van Porter zou je deze twee bundels als broer en zus kunnen zien. Beide albums werden beloond met platina. ‘Ella Fitzgerald Sings the Rodgers and Hart Song Book’ werd tevens opgenomen in de ’Grammy Hall of Fame’, maar één jaar eerder (1999) dan dat van Porter. Wel weer in dezelfde categorie, die van ‘de oudjes die het nog steeds goed doen en historisch belangrijk zijn geworden’.
Bij de cd-versie in 2009, de Verve Master Edition, werd één bonustrack toegevoegd, de mono-versie van ‘Lover’.

Bij het derde Song Bok in de dan groeiende serie ging het er behoorlijk anders aan toe. ‘Ella Fitzgerald Sings the Duke Ellington Song Book’ (1957) bestond niet alleen uit twee delen, vier (!) lp’s toen; het is ook het enige Song Book waarop de componist zelf meewerkt. Eerlijker zou zijn geweest als dit Song Book ‘Ella Fitzgerald Sings the Duke Ellington and Billy Strayhorn Song Book’ was genoemd. Strayhorn was immers verantwoordelijk voor een groot aantal composities die door Ellington en diens orkest uitgevoerd werden. Maar zo ging dat in die tijd, Ellington had de naam en die kwam op de hoes.

Duke Ellington (1899-1974/componist, piano) werd wereldberoemd met zijn composities. Zijn orkest was een broedplaats voor nieuw talent. Ellington’s optredens in The Cotton Club in de jaren dertig zijn vermaard. In de bands van Ellington kom je namen tegen als Johnny Hodges (altsax), Jimmy Blanton (bas), Juan Tizol (trombone), Harry ‘Sweets’ Edison, Ben Webster (tenorsax) en Paul Gonsalves (tenorsax). Ellington’s orkest was een geoliede machine en zijn composities/uitvoeringen worden gezien als hoogtepunten in de jazzhistorie. Denk daarbij aan ‘Caravan’ (Tizol); ‘Mood Indigo’ (Ellington/Bigard); ‘Take the A Train’ (Strayhorn); ‘Black and Tan Fantasy’ (Ellington/Miley)’; ‘It Don’t Mean a Thing (If it ain’t got that swing) (Ellington/Mills)’; ‘Cocktails for Two (Johnston/Coslow)’; ‘Black, Brown and Beige’ (Ellington) en ‘Diminuendo and Crescendo in Blue (Ellington)’. Het verhaal van Ellington is een uitgebreid en vraagt eigenlijk om een eigen plek hier onder de boom.
Waarschijnlijk was Ellington minder populair geworden zonder William Thomas ‘Billy’ Strayhorn (1015-1967/piano, componist, arrangeur). Strayhorn werkte zo’n dertig jaar samen met Ellington en componeerde werken als ‘Take the A Train’, ‘Lush Life’, ‘Chelsea Bridge’ en arrangeerde composities als ‘Such Sweet Thunder’; ‘A Drum is a Woman’, ‘The Perfume Suite’ en ‘The Far East Suite’.

Het Duke Ellington Song Book werd opgesplitst in twee delen: een dubbel-lp met het orkest van Ellington en een dubbel-lp in kleine bezetting. Bij het orkest viel op dat toenmalig ster-tenorsaxofonist Paul Gonsalves niet op alle nummers speelt. Hij was ziek en werd vervangen door Frank Foster. Foster werkte vooral met de band van Count Basie en was dus een ervaren rot in het jazzvak. De samenwerking tussen Ellington, Fitzgerald en het orkest verliep zeer aangenaam. Fitzgerald, dan toch al een grootheid in de muziek, stelde zich rustig en afwachtend op. In feite was zij erg verlegen, ze gaf zelden interviews ook, maar die verlegenheid viel weg als ze kon zingen. Trompettist Willie Cook: “Ella was well liked by the guys. They respected her so much because when she sang tunes, they described what she was singing in such a beautiful way. She sang her songs in a way that made people realize what the song was actually standing for. Ella’s musical interpretation was more like musicians would play it.” (citaat boekje bij de cd).
Tijdens de opnames dook plotseling John Birks ‘Dizzy’ Gillespie op, trompet onder de arm. Hij kreeg een warm welkom en speelt mee op ‘Take the A Train’. Met de big band van Ellington achter zich en de strijkerssectie afwezig, klinkt dit Song Book meer jazzy dan Fitzgerald’s vorige Song Books.
De tweede set was er dus een van kleinere bezettingen. Daarop horen we een groep bestaande uit Ben Webster (tenorsax), Stuff Smith (viool), Paul Smith (piano), Barney Kessel (gitaar), Joe Mondragon (Bas) en Alvin Stoller (drums), maar we horen ook duetten met alleen Kessel of Oscar Peterson (piano) en een aantal songs met Oscar Peterson en leden van diens groep: Herb Ellis (gitaar), Ray Brown (bas) en Alvin Stoller (drums). Bijzonder eigenlijk dat Peterson niet ook op de voorkant wordt vermeld, hij heeft dan al menig succesvol album afgeleverd.
Op dit Song Book komen heel wat bekende werken van Ellington en Strayhorn langs, met 35 stuks kan dat makkelijk. Welbeschouwd is het van begin tot eind één groot genoegen om naar dit Song Book te luisteren. Dit was dan ook hét album dat mij de jazzwereld introk. Daarna gingen de sluizen pas echt open. Het Ellington Song Book leverde Fitzgerald de ‘Grammy for Best Jazz Performance, Individual’ op. De chemie die tussen Fitzgerald en Ellington was ontstaan bleef hangen, want ze zouden nog vaker samen optreden en albums maken, zoals ‘Ella and Duke at the Cote D’Azur’(1966). Die is later ‘gevangen’ in een bijzondere en mooi vormgegeven 8cd-box (1998).

‘Ella Fitzgerald Sings the Duke Ellington Song Book’ werd bij de cd-uitgave in 1999 voor de Verve Master Edition uitgebreid met een bijzondere en waardevolle derde disc. Niet alleen staat daarop een extra song, ‘Chelsea Bridge’, maar ook een ode van Strayhorn aan Fitzgerald: ‘Portrait of Ella Fitzgerald’. Het is een compositie in vier delen, movements, van ruim zestien minuten. Daarbovenop komt nog een ‘ode’ van Strayhorn: ‘The E and D Blues (E for Ella, D for Duke). De rest van deze derde cd zijn elf nummers met ‘rehearsels’ voor ‘Chelsea Bridge’ en ‘All Heart’. Dank Verve.

Vroeg Irving Berlin zelf om een Song Book? Die vraag uit 1958 is nooit beantwoord, misschien hoefde dat ook niet, want ‘Ella Fitzgerald Sings the Irving Berlin Song Book’ (1958) was net zo’n succes als de vorige. Irving Berlin/Isreal Beilin (1888-1989) werd geboren in Rusland, maar zijn familie vertrok al snel naar Amerika. Berlin was toen vijf. Op 18-jarige leeftijd publiceerde hij zijn eerste song ‘Marie from Sunny Italy’. Zijn eerste hit had hij in 1911 met ‘Alexander’s Ragtime Band’. Maar Irving werd het meest beroemd door zijn werken voor Broadway Musicals. Daarmee zijn we weer terug in het spoor van de eerste twee Song Books. Berlin is een van de Grote Amerikaanse Componisten (ja, met hoofdletters), maar kon geen noot lezen en nauwelijks piano spelen. Bekende songs: ‘Puttin’ on the Ritz’; White Christmas’; ‘Cheek to Cheek’; Happy Holiday’; ‘Anything You Can Do (I Can Do Better)’ and misschien wel de allerberoemdste naast de witte kerst: ‘There’s No Business Like Show Business’. Berlin’s songs zijn door talloze vertolkers uitgevoerd en tot hits gezongen of gespeeld, zelfs tot op de dag van vandaag, bijvoorbeeld door Lady Gaga. Waarschijnlijk had Berlin dus niet eens hoeven vragen om een Song Book, zo hij dat al gedaan heeft.

De opnames vonden plaats van 13 tot 19 maart 1958, maar dit keer niet met Bregman, maar met Paul Weston (1912-1996/piano, componist, arrangeur, dirigent). Weston staat bekend als “The Father of Mood Music”. Dat is die muziek, Muzak is een bekendere term, op de achtergrond in warenhuizen en publieke gebouwen. Vanaf 1934 werd die doorgaans rustige, eenvoudige muziek gebruikt om de potentiële kopers in de goede ‘sfeer/stemming/mood’ te brengen. Weston maakte echter ook ander werk, zoals ‘Day by Day’ en “I Should Care’ en schreef klassieke – en religieuze muziek. Weston werkte met Tommy Dorsey, Bing Crosby, en Johnny Mercer (onthoudt die naam even). In het kort: Fitzgerald is met Weston dus in goede, muzikale handen.

De opzet is niet anders dan eerder, twee albums in luxe verpakking, 31 songs, uitgevoerd door afwisselend een groot orkest, The Paul Weston Orchestra, en in kleinere setting. Dat orkest moet je ruim zien, het bestaat alleen voor deze opname en is samengesteld uit studiomusici en jazzcats, waaronder de van Ellington bekende Harry ‘Sweets’ Edison (trompet) en de van de Song Books bekende kleine groep, Smith, Kessel, Mandragon, Stoller. Dit keer echter worden echter alle songs opgenomen in een uitgebreidere bezetting.
‘Ella Fitzgerald Sings the Irving Berlin Song Book’ was opnieuw een succes. Time Magazine; “Ella proves again that she is mistress of more moods than anybody else in showbusiness.” Op de hoes van de cd’s van dit Song Book wordt gemeld dat Fitzgerald in haar latere carrière weinig deed met de songs van Berlin, “… but she didn’t have to, she had already given each exquisite readings of them than.” Dus dan maar hier genieten van ‘Heatwave’; ‘Puttin’ on the Ritz’; ‘How Deep is the Ocean’; ‘Reaching for the Moon’; ‘How About Me’; ‘Alexander’s Ragtime Band’ en al die anderen Bij de Verve Master Edition in 2000 werd bij de 2cd-versie één track toegevoegd: ‘Blue Skies’. Niet dat Fitzgerald in deze periode alleen bezig was met de Song Books, ze nam ook meerdere albums op met Louis Armstrong, zoals ‘Porgy and Bess’ (1959) naar de opera van George Gershwin. En daarbij bijvoorbeeld ‘Ella Sings Sweet Songs for Swingers’ (1959) met werk van diverse componisten en een orkest onder leiding van Frank DeVoi. Op die laatste songs als ‘Makin Whoopee’; ‘That Old Feeling’; ‘Moonlight Serenade’ en ‘Gone with the Wind’.

Wellicht heeft het werken aan Gershwin’s opera bijgedragen aan een Song Book met werk van de gebroeders George en Ira Gershwin. 'Ella Fitzgerald Sings the George and Ira Gershwin Song Book' (1959) is niet alleen het omvangrijkste, het was tevens het duurste en meest luxueus uitgevoerde. Het was en is ook het meest succesvolle van de reeks, de absolute topper in alle opzichten.
George Gershwin/Jacob Gershwine (1898-1937/piano, componist) schreef talloze orkestwerken, waaronder ‘Rhapsody in Blue’ (1924); ‘An American in Paris’ (1928) en de opera ‘Porgy & Bess’ (1935). Voor Broadway schreef hij stukken als ‘Funny Face’; ‘Lady, Be Good’ en ‘Oh, Kay!’ Bekende songs van zijn hand zijn onder anderen: ‘Summertime’ (wie speelde dat niet?), ‘I got Rhyhm’ en ‘Embracable You’. In 1998 kreeg hij postuum een Pullitzer Award voor zijn bijdrage aan de Amerikaanse muziek. Oudere broer Ira Gershwin/Israel Gershowitz (1896-1983/schrijver) werkte samen met zijn broer aan talloze Broadway producties. George was er voor de muziek, Ira voor de teksten. Ira Gershwin schreef ook voor anderen, zoals Jerome Kern, Harold Arlen (beide heren komen nog voor in de Song Books), Kurt Weill en Harry Warren.

Het Gershwin Song Book werd opgenomen in diverse maanden, januari, maart en juli 1959 en verscheen later dat jaar. De arrangementen zijn dit keer van Nelson Riddle én Ira Gershwin. Deze laatste hielp niet alleen met de keus voor de verschillende songs, maar wijzigde en passant enkele teksten en stelde Fitzgerald voor ‘Lady, Be Good’ te zingen als een ballade en niet als een up-tempo nummer. Na het horen van het eindresultaat sprak Gerhswin vol lof over Fitzgerald: "I never knew how good our songs were until I heard Ella Fitzgerald sing them." Wat wil je dan nog meer?

Nelson Riddle (1921-1985/trombone, componist, arrangeur, orkestrator) werkte voor Capitol Records met mensen als Frank Sinatra, Nat King Cole, Rosemary Clooney, Judy Garland, Dean Martin en Peggy Lee. Hij schreef Muziek voor talloze films en tv-producties. Riddle maakte muziek bij Lolita (1962), Batman (1966), The Great Bank Robbery (1969) en The Great Gatsby (1974). Voor zijn orkestraties bij de songs van Linda Ronstadt ontving Riddle twee Grammy Awards.

Bij het Gershwin Song Book werkte Riddle met een bekend orkest, bestaande uit sessiemuzikanten, aangevuld met anderen: The Nelson Riddle Orchestra. Dat deden ze toen goed. Natuurlijk (!) is het bekende clubje ook hier present; Smith, Kessel, Stoller, maar met uitzondering van Mandragon. Hij wordt hier vervangen door Joe Comfort.
Het Song Book begint bijna filmisch met de instrumentale ‘Ambulatory Suite’, gevolgd door de drie ‘Preludes’. Pas na ruim tien minuten komt de eerste song met zang: ‘Sam and Delilah’. Daarna volgt een enorme reeks nummers, vijf-en-vijftig in getal! Bij de 1998 Verve Master Edition wordt een vierde cd toegevoegd met daarop alternatieve opnames, remixen, single-versies en twee ‘nieuwe’ songs: ‘Somebody Loves Me’ en ‘Cheerful Little Earful’. Die laatste twee stonden niet op het Song Book, maar wel op Fitzgerald’s album ‘Get Happy’ (1959).
De song ‘But Not For Me’ leverde Fitzgerald in 1960 een Grammy Award op voor ‘Best Vocal Performance Female’.

Zoals gezegd was de verpakking een luxe. De set bestond in aanvang uit vijf lp’s. Voor elke lp maakte Bernard Buffet, een Franse schilder, een schilderij. Net als eerder werden de albums voorzien van uitgebreide tekstbijlage, dit keer van Laurence D. Stewart. Er was zowel een mono- als een stereo uitvoering te koop, de eerste kostte 25 dollar, de tweede 30. Omgerekend zou dat nu, respectievelijk 187 en 226 euro zijn. Dan hebben we het maar niet over de super de luxe versie, toen konden ze er ook al wat van. In 1959 was die super de luxe versie geprijsd voor 100 dollar. Dan kreeg je wel wat: de hele set in een houten kist van walnoten hout met de vijf schilderij van Buffet als litho’s erbij. De lp’s apart verpakt en de teksten toegevoegd in een boek met harde kaft. Zo’n setje zou. Als die nu op de muziekmarkt zou komen, zo’n 750 euro kosten…

Met nummer zes, 'Ella Fitzgerald Sings the Harold Arlen Song Book' (1961), zijn we qua vormgeving en verpakking weer terug bij de eerste uitgaven in de almaar groeiende serie: 2 lp’s in een mooie verpakking en uitgebreide tekst. Harold Arlen/Hyman Arluck (1905-1986/componist) schreef meer dan vijfhonderd songs in het populaire genre. Zijn allerbekendste werk is ongetwijfeld ‘Over the Rainbow’ de song uit de film ‘The Wizard of Oz’ (1939). Net als menig heer hierboven werkte Arlen voor Broadway producties, waaronder ‘You Said It’ (1939), ‘Life Begins at 8:40’ (1934), ‘Jamaica’ (1957) en Saratoga’ (1959). Bekende songs zijn: ‘Ive Got the World on a String’; ‘When the Sun Comes Out’; ‘Let’s Fall in Love’; ‘Come Rain or Come Shine’; ‘It’s Only a Paper Moon’ en ’Get Happy’. Arlen is opgenomen in The American Theater Hall of Fame’.

De opnames voor het zesde songbook vonden plaats tussen augustus 1960 en januari 1961. Het orkest stond dit keer onder leiding van Billy May, die ook de arrangementen schreef. Edward ‘Billy’ May (1916-2004/trompet, componist, arrangeur) schreef muziek voor een reeks films als ‘Batman’ (1967); ‘Naked City’ (1960); ‘The Mod Squad’ (1968); ‘Pennies from Heaven’ (1981) en ‘The Green Hornet’ (1966). May werkte voor Capitol Records met Frank Sinatra, Bing Crosby, Nancy Wilson, The Andrew Sisters, Rosemary Clooney, Peggy Lee, Anita O’Day, Nat King Cole en vele anderen. May houdt over het algemeen van forse tempo’s en koperblazers. Nu mocht hij losgaan met Fitzgerald en zijn Billy May Orchestra. Dat is opnieuw een orkest bestaande uit studio-musici en musici die we al kennen van de vorige Song Books, zoals Paul Smith (piano), Joe Mondragon (bas) en Alvin Stoller (drums).
De opnames verliepen doorgaans vlot, maar degene die het meest kritisch was, was Fitzgerald. Soms vond iedereen het prachtig en wilde zij toch nog graag één take doen. Meestal niet voor niets. Net als bij de vorige Song Books zette ze zo een geweldige prestatie neer: “Performed perfectly with joy and deep understanding by Ella Fitzgerald, this Arlel collection is that’s gift definitive presentation”, aldus het cd-boekje.
Bij de eerste cd-uitvoering in 1988 werden twee songs toegevoegd: ‘Ding-Dong! The Witch is Dead’ en ‘Sing My Heart’. Bij de Master Edition (2001) kwamen er nog twee bij: ‘Let’s Take a Walk Around the Block’ en ‘sing My Heart’. Billy May was de enige arrangeur/orkestleider die alleen op dit album te horen is, hij komt niet voor op andere Song Books.

'Ella Fitzgerald Sings the Harold Arlen Song Book' was de laatste grote uitgave, de volgende twee in de reeks waren enkele lp’s en volgens fans en critici was daarmee een ommekeer in de Song Books een feit. Het is natuurlijk ook best lastig om na toppers als die van Ellington en Gershwin nog met een even zo hoog niveau te komen. De Song Books van Jerome Kern (1963) en Johnny Mercer (1964) zijn niet slecht, maar ze komen ná wat al gezien was al beschouwd werd als het hoogtepunt in de reeks.

Op drie dagen in januari 1963 wordt 'Ella Fitzgerald Sings the Jerome Kern Song Book' opgenomen. Jerome David Kern (1885-1945/componist) was, net als Arlen, componist voor de meer populaire muziek. Hij wordt “the grandfather of modern musical comedy” genoemd en schreef zowel voor Broadway als theater. Enkele van Kern’s bekendere werken zijn: ‘Ol’ Man River’; ‘All the Things You are’; ‘The Way You Look Tonight’; ‘I’m Old Fashioned’; ‘A Fine Romance’; ‘Smoke Gets in your Eyes’ en Long Ago (and Far Away)’. Kern werkte met tal van mensen, maar namen als die van Oscar Hammerstein II, Ira Gershwin en Johnny Mercer komen ook in de reeks Song Books voor. Kern heeft twee keer een Academy Award gewonnen en is postuum in ‘The Songwriters Hall of Fame’ opgenomen.
Als je kijkt naar de lijst van Kern-songs is die lang, het is dan toch wat vreemd dat hij het in de Song Book’s serie slechts moet doen met maar één lp.

Ella Fitzgerald had ondertussen meerdere albums gemaakt, zij zat niet bepaald stil. Twee daarvan waren met Nelson Riddle: ‘Ella Swings Brightly with Nelson’ (1962) en ‘Ella Swings Gently with Nelson’ (1962). Dit om even aan te geven dat die samenwerking prima verliep. Het is daarom niet raar dat Riddle de arrangeur is voor het Jerome Kern Song Book. In het orkest namen die we al eerder zagen en van het ‘vaste groepje’ zien we Smith en Stoller terug. ‘Volgens het cd hoesje is dit een album “for lovers of good songs and good singing… a triple treat.” Prachtig, maar toch, het viel mij, net als enkele anderen, ietwat tegen. De lat lag hoog immers, heel hoog.

De laatste in de reeks Song Books voor Verve is dan er een met een iets andere aanpak. Dit keer staat niet de componist, maar de tekstschrijver centraal: ‘Ella Fitzgerald Sings the Johnny Mercer Song Book’. Mercer dook al eerder op in dit verhaal, nu krijgt hij een korte hoofdrol. Daarmee lijkt het enigszins op een compilatiealbum. Johnny Herdon Mercer (1909-1976/schrijver) richtte samen met Buddy DaSilva en Glenn Wallichs Capitol Records op. Mercer werkte vooral voor stukken die op Tin Pan Alley opgevoerd werden. Hij schreef de teksten bij songs als ‘Moon River’; ‘Days of Wine and Roses’ en ‘Autumn Leaves’. Mercer werkte met componisten als Harold Arlen, Jerome Kern, David Raksin, Henry Mancini en Barry Manilow. Mercer ontving vier Oscar’s voor ‘Best Original Song.

‘Ella Fitzgerald Sings the Johnny Mercer Song Book’ is eind oktober 1964 opgenomen en kort daarna uitgebracht. Net als bij het vorige Song Book staat Nelson Riddle aan het muzikale roer. Als enige ‘vaste kracht’ is Paul Smith aanwezig. Ik heb het niet helemaal naast elkaar gelegd, maar hij lijkt zo de enige die op alle Song Books present is.
Fitzgerald zingt de dertien songs van de volgende componisten: Ralph Burns, David Raksin, Hoagy Carmichael, Lionel Hampton/Francis Burke, Richard Whiting, Rube Bloom, Harold Arlen, Jimmy Mundy/Trummy Young, Victor Schertzinger en Bernie Hanighen/Gordon Jenkins. Twee songs, ‘Single-O’ en ‘Dream’ zijn van Mercer zelf, waarbij hij bij ‘Single-O’ samenwerkte met Donald Khan. Op enkele componisten na zijn het niet heel omverwerpende namen, maar als je de diverse songs hoort geeft dat vaker wel dan niet een blijk van herkenning.

Na het achtste Song Book was het gedaan met de reeks voor Verve. Fitzgerald ging door met concerten en albums maken. In 1967 ‘vergat’ MGM, toen eigenaar van Verve, haar contract te verlengen, waardoor ze een wat zwervend bestaan in platenmaatschappijland kreeg.
Granz ging aanvankelijk door met Verve Records, maar in 1960 al verkocht hij Verve Records aan Metro-Goldwyn-Mayer. De laatste Song Books zijn nog wel onder zijn bezielende leiding opgenomen en geproduceerd, maar Granz was toen al geen Verve-man meer. In 1960 was hij verhuisd naar Zwitserland. Maar daar tussen de Alpen vond hij wellicht iets teveel rust en zette in 1973 een nieuw label op, Pablo Records. Dat verkocht hij uiteindelijk weer in 1987 aan Fantasy Records. Met Pablo Records haalde Granz een kleine ‘stunt’ uit door Fitzgerald aan het label te binden. Voor Pablo Records maakte Fitzgerald nog zo’n twintig albums, waaronder als grootste verrassing en zeventien jaar na het ‘laatste’ een nieuw Song Book: 'Ella Abraça Jobim or Ella Fitzgerald Sings the Antonio Carlos Jobim Songbook' (1981). Het album is een soort anomalie in de reeks en wordt ook zelden meegeteld als het gaat om de complete Song Books. Het is er ook niet een in de rij van Great American Song Books. Aan de andere kant het is er wel een in de reeks van Fitzgerald/Granz, dus komt die ook voor in dit verhaal.

De opnames voor dit negende Song Book vonden plaats in september 1980 en maart 1981. Het Jobim Song Book werd uitgebracht volgens bekend recept en wel als dubbel-lp, het verscheen later in 1981. De keus voor Jobim is geen vreemde. Ook al is die geen Broadway-schrijver, hij had zijn sporen in Amerika verdiend. Antônio Carlos Brasileiro de Almeida ‘Tom’ Jobim (1927-1994/piano, zang, componist, schrijver) is een der groten van de Braziliaanse muziek. Hij werd “de vader van de Bossa Nova muziek” genoemd. Het verhaal over die muziek én Jobim is elders uitgebreid op de LemonTree te lezen. Jobim’s muziek werd populair door de uitvoeringen van Astrud Gilberto, João Gilberto en Stan Getz. Denk maar aan ‘The Girl from Ipanema’ (1960). Bossa Nova raakte populair in Amerika en veel Amerikaanse jazzmusici maakte minstens één album in deze stijl.

Fitzgerald had al vaker songs van Jobim gezongen, maar het was voor de eerste keer dat ze een album vol zong. ‘Ella Abraça Jobim’ zou je kunnen lezen als “Zij omhelst Jobim”. Ela (één L) is ‘zij’ namelijk. Op het originele album staan negentien songs, verdeeld over vier kanten. Dit keer extreem weinig tekst, maar wel wat foto’s van de musici die meedoen en een weinig uitnodigende lp-voorzijde.
De musici zijn zowel jazzmusici als musici uit Brazilië of Latijns-Amerika. Clark Terry (trompet), Zoot Sims (tenorsax), Joe Pass (gitaar) én ons aller zuiderbuur Toots Thielemans (mondharmonica). In de bezetting staat nog een andere bekende naam; Alex Acuña (drums). Die zou je kunnen kennen van Weather Report. De arrangementen zijn dit keer van ene Erich Bulling. Over hem is niets te vinden, maar hij heeft zich hoorbaar goed gekweten van zijn taak.

Op het album staan ‘natuurlijk – songs als ‘The Girl from Ipanema’; Desafinado’; ‘Corcovado’; ‘Insensatez’ en de ‘Samba de Uma Nota Só’.
Fitzgerald zingt als altijd vol overgave, maar je merkt wel dat haar stem wat ‘ouder’ is geworden. Granz noemt het in de bijsluiter desondanks: “I think this is possibly Ella’s greatest and certainly most exciting, explosive album in years.” Dat klopt waarschijnlijk wel, maar dat ligt voor een groot deel aan de muziek Fitzgerald meeneemt naar dat hoogtepunt.

Bij de eerste cd-versie in 1991 werden twee songs verwijderd: ‘Don't Ever Go Away’ en ‘Song of the Jet’. Bij de remaster-versie in 2003 mocht alleen de laatste weer terugkeren.

'Ella Abraça Jobim or Ella Fitzgerald Sings the Antonio Carlos Jobim Songbook' is een mooi album, maar haalt het eigenlijk toch niet echt bij de andere Song Books. De grandeur daarvan is van een andere orde, ook al nam die tegen het eind wat af.
In 1994 werden alle Song Books voor Verve samengevat in een prachtige box. Die kreeg dan ook meteen een “Grammy for best Historical Recording”. Voor mensen die het allemaal wat veel vonden werden drie enkele cd’s uitgebracht: ‘The Best of the Song Books’ (1993); ‘The Best of the Song Books- the Ballads’ (1994); ‘The Best of the Song Books – Love Songs’ (1996) en uiteindelijk ‘The Best of the Song Books – the Collection’ (1996), waar alle drie de ‘best of’-cd’s weer samen in één doosje werden gevoegd. Dan kan je al bijna net zo goed de heel serie nemen eigenlijk. Toch?
De hele reeks van acht voor Verve ontving zes Grammy’s totaal en de eerste twee zijn, zoals hierboven al gezegd, opgenomen in de “Grammy Hall of Fame”. Het song Book van Cole Porter zelfs opgenomen in “The National Recording Registry at the Library of Congress”.

Een heel gevatte samenvatting van de Song Books kwam in 1996 van Frank Rich, schrijver voor de New York Times: “In the songbook series . . . she (Fitzgerald) performed a cultural transaction as extraordinary as Elvis’s contemporaneous integration of white and African-American soul. Here was a black woman popularizing urban songs often written by immigrant Jews to a national audience of white Christians.” Als je het hebt over het doorbreken van de scheiding van rassen is dat Granz en Fitzgerald wel gelukt.

Ella Fitzgerald Sings the Song Books is een meesterserie, bewierookt in alle vormen, meervoudig uitgebracht en verworden tot een onderdeel van “The Great American Song Books”. We hebben het inmiddels dan wel over een andere tijd. De basis van de meeste Song Books gaat zelfs terug naar de muziek uit begin vorige eeuw. Het verbaasde mij bij het schrijven van dit verhaal hoe weinig over de Song Books geschreven wordt of is. Hopelijk raken ze niet vergeten als ‘iets van of uit een andere tijd’, daarvoor zijn ze te mooi, te groots. Granz: “When I recorded Ella, I always wanted her to be way out front.” Die moeten we er maar in houden, daarom ook dit verhaal als een kleine ode aan Ella Fitzgerald: “Ella ver vooraan!”