logo van The Lemontree
afbeelding linkimage how about under the lemontree afbeelding linkimage how about under the lemontree afbeelding linkimage how about under the lemontree afbeelding linkimage how about under the lemontree
buena vista all stars & more

A mundo Cuba la gusta

omschrijving afbeelding

Cubaanse muziek had een enorme invloed op die van Latijns-Amerika en met terugwerkende kracht op die van West-Afrika. Echter na de revolutie van 1959 viel alles zo ongeveer stil.

Door de interesse van twee personen in Cubaanse muziek kwam er in 1996 een mooi project tot stand. Buena Vista Social Club en Afro Cuban All Stars leidde tot een onverwacht wereldwijd succes en een hausse aan Cubaanse muziek.

De oudjes en vedetten van weleer konden nog net even nagenieten van de hernieuwde belangstelling en stonden breed lachend in Carré en Carnegie Hall.

Om te begrijpen waar de sterren van weleer vandaan kwamen is het goed iets te weten van de geschiedenis van de Cuba en de muziek van het eiland. Lees daarom het verhaal over de Son Cubano.




Eind vorige eeuw was er plotseling een opleving van Cubaanse muziek. World Circuit bracht albums uit van de Buena Vista Social Club en de Afro Cuban All Stars en niets was meer hetzelfde. De muziek was overal te horen, waar je ook was. Grappig was dat de Europees importeur van het tot dan kleine label letterlijk bij mij om de hoek zat. Ik kwam daar omdat ze ook Ryko vertegenwoordigden, het label waarop op dat moment de Zappa-albums op cd werden uitgebracht. De contactpersoon daar vertelde dat ze niet wisten wat ze overkwam, in plaats van kleine bestelbusjes kwamen er nu vrachtwagens met trailers het terrein opdraaien. Pallets vol met die Cubaanse muziek. Hij drukte er mij ook in de handen, “luister maar eens”. Ik vond het prachtig en dus sloeg ook bij mij het Cubaanse muziekvirus toe.

Cuba is het grootste eiland in het Caraïbisch gebied. In 1492 werd het ontdekt door Christopher Columbus. In 1512 werd het eiland ingelijfd bij Spanje. Er woonde een handvol mensen, de ‘Indianen’. Zo genoemd, omdat Columbus een andere vaarweg zocht naar India. Het land was een ideale ‘springplank’ richten zowel Spanje als het gebied erachter. Alles wat de Spanjaarden veroverden ging via een gebouwde haven, La Habana (Havana) naar Spanje. Natuurlijk kwamen de inwoners in opstand, maar ze waren met te weinig, te slecht bewapend en niet immuun voor de Europese ziektes. In korte tijd liep het aantal inwoners dan ook heel snel terug. Daarop werden mensen uit Afrika gehaald en als slaaf te werk gesteld. In 1762 veroverden de Engelsen Cuba, maar door Florida te ruilen kregen de Spanjaarden het land weer terug. In Haïti en de Dominicaanse Republiek, op dit moment Franse eilanden, brak een slavenopstand uit, waardoor veel mensen naar Cuba vluchten of verhuisden. In 1886 werd de slavernij afgeschaft en was er een opstand onder leiding van José Marti. In 1898 werden de Spanjaarden verslagen, niet door Marti, maar door de Verenigde Staten. Met een pact hielden die Cuba daarna in een flinke tang. Pas in 1902 werd Cuba onafhankelijk, maar bleef afhankelijk van de VS, met als gevolg dat het land nog drie keer een Amerikaan gouverneur had. In 1933 greep Fulgencio Batista de macht. Batista deed goed zaken met de VS, met als gevolg een groeiend toerisme, gokhallen en een Amerikaanse, militaire basis op Cuba. Cuba bruiste en leefde, tenminste, het rijke deel, want het overgrote deel van de bevolking leefde in armoe. Na een aantal mislukte pogingen kwam in 1959 Fidel Castro aan de macht en vestigde een socialistische staat, gebaseerd op de ideeën van Marx en Lenin. De band met de Verenigde Staten werd verbroken, Castro zocht contact met de Sovjet Unie. Die wilde, als ‘vijand van de VS’, maar al te graag (kern-)raketten op Cuba plaatsen. Dat leidde tot de zogenaamde ‘Koude Oorlog’. In 1962 werd die afgewend, maar werd het contact met Rusland een stuk lastiger, Cuba raakte in een isolement. Eind vorige eeuw brokkelde de Sovjet Unie langzaamaan af en had Rusland minder oog voor Cuba. Het land zocht vooral nieuwe contacten met Latijns-Amerikaanse landen en werd met en met opengesteld voor toeristen.

Met de geschiedenis wordt ook duidelijker hoe het zit met de Cubaanse muziek, het is een smeltkroes van Spaanse, Afrikaanse en later Franse en Amerikaanse muziek. Je hoort meteen de Spaanse gitaar en de (west-)Afrikaanse ritmiek in de ‘Son Cubano’.

Met de Europeanen, lees vooral de Spanjaarden, kwamen Europese dansen, zoals de Fandango en de Paso Doble naar Cuba, later gevolgd door stijlen als gavotte, mazurka, menuet en zelfs de wals. De vooral West-Afrikanen, toen slaven, brachten slagwerk mee, denk aan bongo’s, congas en diverse drums, waaronder de tweezijdige Batâ drum. Die laatste heeft de vorm van een zandloper. Latere invloeden kwamen uit Frankrijk en Amerika. Amerika was natuurlijk net zo goed een verzameling mensen uit allerlei landen, maar met de Fransen kwam bijvoorbeeld de accordeon mee en via Amerika de cajun en zydeco-invloeden. Essentieel in de populaire Cubaanse muziek is de Spaanse gitaar.

Een van de eerste, eigen, muzikale stromingen in Cuba is de Zapateo Cubano of Creole Zapateo. Dat is meteen al een mix van Spaanse en Afrikaanse muziek. Een andere stroming is de Punta Guajiro of Punta Cubano die gespeeld wordt door een groepje muzikanten. Die bespelen de zes-snarige Spaanse gitaar, de Tres en de Laúd. De Tres is een Spaans-aandoende gitaar, maar met drie (tres=drie) groepen van elk twee snaren. De Laúd is een twaalfsnarig instrument dat veel lijkt op de luit; de naam zegt het eigenlijk al. ‘Punto’ betekent ‘plukken’, de instrumenten worden dus niet aangeslagen, maar ‘geplukt’, in goed Engels heet dat ‘fingerpicking’. De stijl is terug te voeren naar het spelen van de Spaanse gitaar, denk bijvoorbeeld aan de Flamenco. De tekst bij de muziek wordt gesproken, poëtisch bijna, maar altijd spontaan, geïmproviseerd.

Zapateo is een dans in paren, man en vrouw meestal, een nu wat ‘antieke’ vorm van muziek maken. De muziek erbij kwam/komt van de gewone gitaar, de Tiple en de Güiro. De Tiple is een kleinere, Spaanse gitaar, die geassocieerd wordt met de muziek uit Colombia. De güiro is percussieinstrument. Het is een kalebas waarin aan een kant ribbels gemaakt zijn. Daaroverheen wordt ‘geschraapt’ met een stok of kam. Andere instrumenten die voorkomen zijn de ‘claves’, twee kleine, houten stokken die tegen elkaar getikt worden. Dat geeft een krachtig, korte tik/klap en is ideaal als ritme-instrument.

Eind 18e eeuw wordt de Contradanza populair. Het is een variatie van de Engelse volksdans, de ‘country dance’ en de Franse versie daarvan, de contradanse’. Het is een opwekkende en pittige dansstijl en wordt in rijen of vierkanten gedanst. Uit de Contradanza groeit de Habanera, een dans mét zang. Dat laatste is dan helemaal nieuw. Habanera is eens stuk langzamer dan de Contradanza en heeft een zo eigen ritme dat die een net zo eigen naam kreeg: Habanera Ritme. Het lijkt een beetje op een tango. Volgens sommigen is Habanera dan ook de oorsprong daarvan.

Danzón is een stijl die eind 19e eeuw opgang maakt. Het is een combinatie van de Contradanza en de wals. De wals was ooit een pikante dans, want de paren stonden niet alleen dicht bij elkaar, ze keken elkaar zelfs aan. Hoogst ongebruikelijk in de tot dan wat stijve en statige danswereld. De Danzón lijkt op de wals, met als enige verschil dat de wals de zaal rondgaat en de Danzón plaatsvindt op de vierkante meter waarop de paren staan. Miguel Faíride is de geestelijk vader van Danzón. Faíride kwam uit militaire bands en gebruikte voor zijn órquestra tipica’ dan ook ‘nieuwe’ instrumenten als de viool, cello, contrabas, piano en fluit, maar ook de güiro en de Palla Criolla. Die laatste kennen we nu als timbales of pailas: twee, wat kleinere drums naast elkaar, elk anders gestemd. Er wordt op geslagen, getikt met hulp van drumstokken. De Palla Criolla geeft een hogere toon dan een ‘gemiddelde’ trommel. Danzón was mega-populair en verspreidde zich al snel door heel Latijns-Amerika en Mexico. Danzón was een instrumentale aangelegenheid, als er zang bij kwam, vanaf 1927, werd het Danzonete genoemd. Anno nu valt alles onder Danzón.

Danzón is een beetje de tegenhanger van Guaracha/la Guaniba waar het accent vooral op de zang ligt. Het is niet zomaar zang, maar met een enorme vrijheid, met straattaal (slang), cynisch, vuil spuiend, satirisch en seksueel pikant. Bij de zang kwam een pittige, verhitte muziekstijl. Guaracha was in eerste instantie alleen in de bordelen te horen, maar breidde zich al snel uit over andere uitgangsgelegenheden en werd gezongen door rijk en arm.
Guaracha werd vaker wel dan niet afgewisseld met een Bolero. Daarbij moet je niet denken aan de Spaande variant en al helemaal niet aan die van Ravel, maar aan rustige muziek in vierkwartsmaat met liedjes die alleen gaan over… de liefde! De eerste Boleros werden gezongen met gitaarbegeleiding, maar in de loop der tijd zijn daar meer en meer instrumenten bijgekomen. Veel van Cubaans vocale stijlen vielen onder de paraplu: ‘Canción’. Canción, betekent zang, heeft wel zijn wortels in Europa en komt nog het meest overeen met het Franse chanson. Het is een lyrische, vocale uiting van gevoelens, vaak met een donker randje.

Met de mensen uit Afrika kwam een andere muziekstroom Cuba binnen. Veel werd gerangschikt onder de term ‘Rumba’ Rumba, samba, conga, lambo, bomba, milanga, tumba, bamba zijn allemaal woorden die afgeleid zijn uit de Nigeriaans- en Congolese talen. Het zijn bijna letterlijk woordverklankingen. Al die termen duiden niet op een specifieke muzikale stijl, maar op een feest met muziek. Die muziek kwam van de drums, congas. Om het verwarrend te maken werd rumba later salsa genoemd. Vanaf 1970 wordt alle muziek uit Cuba simpelweg Salsa genoemd, anders snappen de mensen het niet. Dat dat alleen maar tot een grotere verwarring leidde is evident. Daarbij komt dat de meeste Cubanen een hekel hebben aan die simplificering.

De feesten voor de mensen uit Afrika, toen de slaven, mochten alleen op bepaalde plekken plaatsvinden. Langzamerhand druppelde binnen de feesten andere instrumenten binnen, zoals de bongos, de kleipot (botija), de lumbendara (1-snaar instrument), de marimbula (houten kist met metalen plaatjes erop die ‘geplukt’ worden gespeeld) en de accordeon. En nog weer later de güiro en de Tres. Met die laatste twee erbij komen we in de buurt van de zogenaamde Proto-son: een zangstijl met zanger en koor, vraag en antwoord. In de Cubaanse provincie Guantanamo leidde de verdere ontwikkeling tot de Changüi-stijl. De basinstrumenten werden vervangen door een contrabas, de dansvorm tot het dansen in tweetallen. Met de contrabas werd de muziek melodieuzer en flexibeler. Dat er een specifiek genre op één plek ontwikkeld is niet heel vreemd, bijzonder is wel dat de muziek door het land verspreid werd en leidde tot nieuwe vormen en stijlen. Voor die verspreiding zorgde rondreizende musici. Vaak in twee- of drietallen hadden ze het meest weg van wat in Europa de troubadours waren. In Cuba werden ze Trova genoemd. Vanuit de Trova kwamen stijlen als de Cubaanse Bolero. Sommige Trova werkte met kleine muziekgroepen, anderen werkte alleen. Afhankelijk van de grootte van de groep werd die – logischerwijs – sexteto, septeto of – simpelweg conjunto (set) genoemd. De divers stijlen van Canción en Bolero wisselen onderling ook nog eens uit en dan zijn we toe aan de meest populaire muziek van Cuba, de Son of Son Cubano.

Son heeft zich verspreid over heel Latijns-Amerika. En vanuit daar weer gefuseerd met andere stijlen en ontwikkeld tot de echte Salsa. Die laatste is een mix van Son en Latijns-Amerikaanse jazz. In de Son komt heel bovenstaand verhaal samen, de muziek is een mix van stijlen, met instrumenten als de Tres, Spaanse gitaar, contrabas, claves, bongos, trompet, cornet en piano. Son werd immens populair en niet alleen in Cuban of Latijns-Amerika, de stijl ging retour Afrika en zorgde daar ook voor een fikse invloed.
Ook de Mambo en de Chachachá komen oorspronkelijk uit Cuba, net als een jazzstijl die ‘Afro-Cuban Jazz’ genoemd wordt. Het is een jazzstijl met invloeden uit de muziek hierboven beschreven.

Met in aanvang nog en open deur naar Amerika spoelde de Cubaanse muziek Amerika binnen. Dat liet zo zijn invloeden na. Andersom waren jazz en Doo-Wop weer van invloed op de muziek in Cuba. De populaire Los Zafiros, bijvoorbeeld, ontleende hun zangstijl aan de Doo-Wop.

Havana was in de jaren vijftig en bruisende stad, met kroegen, gokhallen, bordelen en talloze theaters waar opgetreden werd, waaronder de beroemde Tropicana Club, maar ook de Social Club. Na de revolutie in 1959 was dat allemaal voorbij. Veel musici vluchtten naar Amerika, degene die bleven kwamen onder controle van de overheid. De enige studio in Havana, EGREM, was Amerikaans, maar werd geannexeerd. Clubs werden gesloten of overgenomen. De Tropicana Club kwam in handen van militairen en is tot op heden het Instituto Técnico Militar. Musici hadden niets meer te doen, de ontwikkeling van muziek viel stil. Wel waren er kleine gelegenheden, de Casas de la Trova, waar solisten, de Nueva Trova, konden optreden. Maar die plekken waren wel altijd gecontroleerd door de staat. De situatie duurde ongeveer dertig jaar. Vanaf 1991, nadat de Sovjet Unie het moeilijk en langzaamaan uiteenviel en daarom de contacten met Cuba op een laag pitje zette, liet de overheid weer wat meer toe. Een afgepaste hoeveelheid toeristen was weer welkom en mochten musici zelf naar het buitenland reizen om daar de Cubaanse muziek te laten horen. Heel bijzonder is dan dat ze het geld dat ze verdienden mogen te houden. Muzikanten die hiervan gebruik maakten waren onder anderen: Celia Cruz, Arturo Sandoval, Pacquito D’Riviera, ‘Patato’ (Carlos Valdez), Cachao (Israel López Valdés) en Gloria Estefan. Sommige Cubanen werden plotseling rijk.

Son bleef ondertussen de meest populaire muziek in Cuba. De muziek kwam uit Cuba door orkesten als Sierra Maestra en Orquestra Aragón. De Cubaanse jazz deed dat met Irakere. Langzaamaan druppelde Cubaanse muziek opnieuw de wereld in, maar een echte, totaal onverwachte, omwenteling kwam in 1996. Die begon met een reis van Nick Gold naar Afrika. Gold (?/producer, eigenaar World Circuit) was een enorm liefhebber van muziek uit andere landen, maar vooral Afrika en Cuba. Hij begon World Circuit met het idee de artiesten zeggenschap te geven over de opnames. In 1986 kwamen de eerste albums op de markt. In 1993 had World Circuit een groot succes met het album ‘Talking Timbuktu’. Dat is een album van Ali Farka Touré en Ry Cooder. Rayland ‘Ry’ Peter Cooder (1947- /gitaar, bas, mandoline, bouzouki, slide-gitaar, banjo) was net als Gold een liefhebber van Afrikaanse én Cubaanse muziek. Die laatste had hij ontdekt tijdens een reis door dat land. Cooder verzamelde zoveel mogelijk albums uit de glorietijd van de Cubaanse muziek. Cooder had al een flinke muziekhistorie in uiteenlopende bands, van Captain Beefheart via Linda Ronstadt naar The Rolling Stones.
Een paar jaar na het werken met Touré werd Cooder opnieuw door Gold gevraagd, maar nu om naar Cuba te gaan. Gold, op bezoek in (west-)Afrika had daar in de muziek een flinke Cubaanse invloed gehoord. Het intrigeerde hem. Terug in Londen ontmoette hij Juan de Marcos González-Cárdenas (1954- /zang, bandleider). Marcos was de voormalig bespeler van de Tres en de bandleider van Sierra Maestra. Marcos vertelde van de hoogtijdagen, de bigbands, maar ook dat de topmusici van toen nog allemaal in leven waren, al waren ze niet allemaal meer actief. Gold bedacht daarop het plan om twee albums te maken, een met een Cubaanse (big)band, samengesteld uit jonge musici en die van de tijden van weleer, een soort Cuban all Stars-album. Het tweede album zou een fusie-album moeten worden, met musici uit Cuba en Mali, hij noemde dat het “Eastern album”. Gold vroeg Cooder, omdat hij wist van diens voorkeur. Cooder dook zijn platenkast in en begon te luisteren, songs te selecteren en zich voor te bereiden. De voorbereidingen duurde ongeveer een jaar. Cooder nam op weg naar Cuba zijn zoon Joachim (1978- /drums, percussie, keyboards) mee. Het tweetal had al vaker samengewerkt op bijzondere projecten, waaronder ‘A Meeting by the River’ (1993) een album van Vishwa Mohan Bhatt en Cooder. Het idee “east meets west” werd respectvol uitgevoerd, het album werd beloond met een Grammy Award.

Maart 1996 was bijna iedereen aanwezig in de ooit beroemde EGREM/Areito studio, Havana. De studio was ooit hét centrum geweest voor de oude vedettes en had menig topalbum voor het Panart-label opgeleverd. Na de revolutie was de studio nauwelijks aangepast, wel wat moderne apparatuur, maar de hele setting, de houten wanden incluis, was nog in de stijl van de jaren vijftig. Een pré, want nu kon het geluid warm en sfeervol opgenomen worden, bijna net als toen. De genodigde muzikanten druppelden langzaam binnen, aarzelend, zoekend en vol twijfel. Sommige ‘oudjes’ kende elkaar van vroeger, hadden soms samengewerkt, maar vaker niet. Maar al die grote namen bij elkaar leverde een bijzondere setting op. Dat gold zeker voor de jongere musici, die de vorige generatie alleen kende van een afstand, maar ze tevens zag als hun grote voorbeelden. Die stonden nu in dezelfde ruimte. Pianist Don Rubén Gonzalez (1919-2003/piano) had al vijf jaar niet gespeeld. Gonzalez was niet de minste, hij had met alle groten in Cuba gespeeld en was samen met Lilí Martínez en Peruchín verantwoordelijk voor een nieuwe aanpak van het pianospel in de Cubaanse muziek vanaf de jaren veertig. Gonzalez speelde o.a. in Cabaret Tropica, Orquesta Riverside en Orquesta de Enrique Jorrín. In 1975 maakte hij zijn eerste soloalbum voor het Areito-label, na het overlijden van Jorrín werd Gonzalez bandleider, maar dat duurde niet lang, omdat hij zich terugtrok uit de muziekwereld. Voor die tijd had hij wel meegedaan met de Estrellas de Areito. Daarover later meer.
Ibrahim Ferrer (1927-2005/zang) had gezongen in Conjunto Sopresa, Chepín y su Orquesta Oriental en Los Bocucos. In 1956 had hij een enorme hit gehad met “El platanal de Bolero’. Ferrer zong alles, maar het liefst boleros. Hij raakte meer en meer teleurgesteld in de muziekwereld en trok zich in 1991 terug.
Bassist Orlando ‘Cachaito’ López (1933-2009/contrabas) had zijn bas ook al opgeborgen. Cachaito is genoemd naar zijn bas-spelende oom, Israel ‘Cachao’ Lopéz, een van de vernieuwers van de Mambo-stijl. Vader Orestes Lopéz, ook een basspeler, is een bekend Cubaans componist.
De blazerssectie, onder leiding van Guajiro Mirabal (1933- /trompet) bestond uit de groep die al in het fameuze Tropicana Orchestra had gespeeld. Dan waren er nog Pío Leyva (1917-2006/zang, componist, ex Estrellas de Areito, ex Compay Segundo y Sus Muchaches); Mañuel ‘Puntillita’ Lícea (1921-2001, zang, ex Orquesta Escorcia, ex Orquesta Tentación en o.a. ex solozanger voor Radio Cadena Habana); Raúl Planas (1920-2001/zang, o.a. ex Sonora Matancera, ex Celia Cruz-band, ex Rumbavana, etc.) en ‘jonkie’ Félix Valoy (1943- /zang, percussie). In de percussiesectie zitten de ‘hottest new young stars’ Miguel ‘Angá’ Oviedo en Julienne Oviedo.
Ferrer keek sceptisch, maar nadat Gonzalez aarzelend een oud succes begon te spelen uit Ferrer’s tijd met het Chepin Orchesta begon die te zingen. En hoe! Iedereen viel stil, behalve Cooder die het magische moment had opgenomen. Dit moest op een album! Nu was het ijs gebroken en kreeg iedereen aanwezig zin te spelen en zijn best te doen. Daarna ging het loos en al snel staat er een aantal klassiekers op tape. De opnames worden samengevat op het album ‘A Toda Cuba le Gusta’ (1997). De groep wordt voor de gelegenheid Afro Cuban All Stars genoemd.

Een week later is de setting anders. Opnieuw staan onder anderen Cooder, Lopéz, Gonzalez, Mirabal, Ferrer in de EGREM-studio in afwachting van de musici uit Mali. Gonzalez begint met te spelen en Ferrer valt spontaan in met ‘Dos Gardenias’. Cooder is alert met zijn oren wijd open en ook dit óptreden’ word vastgelegd. Dan horen ze dat de Malinese musici problemen hebben met hun visa en niet kunnen komen. De studio is gehuurd, mensen zijn er al, dus waarom niet door met alleen een Cubaanse delegatie. Er worden nog wat telefoontjes gepleegd en dan stapt zomaar een vedette van weleer binnen: Máximo Francisco Repilado Muñoz (1907–2003,zang) binnen. Hij is beter bekend als Compay Segundo. Segundo vanwege het feit dat hij altijd de tweede stem zong, Compay is straattaal voor vriend. Segundo is bekend van het duo Los Compadres en Los Muchachas. Segundo brengt een zelf gebouwd instrument mee, hij noemt het een ‘Armónico’. Het is kruising tussen een Tres en een Spaanse gitaar. Als hij binnenkomt valt een respectvolle stilte. Hier staat iemand! Ook Leyva en Licea worden gebeld.
Toevallig is elders in het pand nog een beroemdheid aan het werk, Omara Portuondo (1931- /zang). Portuondo heeft met menig Cubaans artiest gezongen en opgetreden, in Amerika zelfs met Nat King Cole. Ze is een grootheid en wordt overal op straat herkend. Portuondo is bezig met eigen opnames maar bemerkt de onrust in het pand en wordt nieuwsgierig. Dan staat ze zomaar in de studio. De sfeer wordt er nog beter op. Alberto Virgilio Valdéz (?/percussie, ex Sierra Maestra) wordt gebeld, net als Barbarito Torres (1956- /laúd) en Eliades Ochoa (1946- /gitaar, Tres, zang, bekend van Cuarteto Patria).

Ook al had niemand in deze setting samen gespeeld, de sfeer was ontspannen, er hing wel duidelijk wat in de lucht. Uiteindelijk deelde iedereen de Cubaanse muziek-roots en landgeschiedenis en daar vond met elkaar. Het spelen ging steeds soepeler, de glimlachen werden breder, het niveau steeg. men moedigde elkaar aan en na afloop wist iedereen dat er iets heel bijzonders gebeurd was. Natuurlijk was alles opgenomen. Een deel van de opnames ging in september 1997 de wereld in als ‘Buena Vista Social Club’. De naam was afgeleid van de Social Club, ooit een beroemde club in Havana, een plek voor iedereen om samen te komen en muziek te horen. Alle musici konden erheen om op te treden, de naam was niet voor niets zo gekozen.

Nadat in september 1997 het album verscheen was niets meer hetzelfde, miljoenen exemplaren vlogen over de toonbank, de muziek was overal te horen. Cuba en vooral de Cubaanse muziek stond weer op de wereldkaart. Het noopte de musici tot optredens. Gezien de leeftijd, veel al in de tachtig, werd er één concert gepland. Op 11 april 1998 stond de groep in Carré, Amsterdam. Het publiek razend enthousiast, net als de heren van Nonesuch Records, de distributeur van de groep in Amerika. Ook bij de musici onderling was er zo’n sfeer, emotioneel bijna. Sommigen waren nog nooit buiten Cuba geweest. Gezien alle reacties zei Cooder dat deze groep ook naar Amerika moest. Dat moest dan plaatsvinden in het bastion van de Amerikaanse cultuur: Carnegie Hall. Dat concert vond plaats op 1 juli 1998 en ook dit werd opgenomen en gefilmd. De opnames verschenen op ‘Buena Vista Social Club at Carnegie Hall’ (2008), een dubbel-cd.

Er werd niet alleen muziek opgenomen. Gezien de bijzondere aard van het project had Cooder al in een vroeg stadium filmregisseur Wim Wenders laten weten wat er ging gebeuren. Ze hadden eerder samengewerkt bij The End of Violence. Wenders besloot er een soort documentaire van te maken en was al begonnen te filmen bij de studio-opnames op Cuba. Hij volgde de groep naar Amsterdam en New York. De kameraadschap, het plezier, de emoties, de glimlachen, maar ook de tegenstelling Cuba-New York is in de film te zien. Zijn ‘Buena Vista Social Club’ (1999) was een kassucces en won de prijs voor de Beste documentaire bij de Europese Film Academy Awards.

Zowel Buena Vista Social Club, de Afro Cuban All Stars als de film hadden een enorme impact in het Cubaanse leven. Het toerisme kwam in een stroomversnelling en de hele wereld, zo leek het wel, wilde meer Cubaanse muziek horen. Plotseling hadden alle musici opnieuw kansen, net als in de tijden van weleer. Toeristen op Cuba filmden en fotografeerde iedereen met een instrument onder de arm. Natuurlijk hing het samen met het feit dat Cuba meer open stond en de regering soepeler was dan de jaren ervoor, maar toch, er was wel iets veranderd.

De populariteit was ook goed voor Gold’s World Circuit, want in navolging van de eerste twee albums kwam er een reeks van meewerkende musici op gang. De eerste was een soloalbum van Rúben Gonzalez, de man die ieders hart gestolen had en gezien werd/wordt als de inspirator voor de Buena Vista Social Club. ’Introducing… Rubén Gonzalez’ (1997) was eigenlijk het derde album dat op Cuba in de sessies met Cooder opgenomen was. Er was nog studiotijd over en die werd gevuld met muziek van Gonzalez, de man had duidelijk iets te vertellen in zijn muziek. Hij was altijd als eerste aanwezig en al druk aan het spelen. Na de opnames met de groep ging hij door, hij kon niet meer stoppen en genoot van het pianogeluid. Hij was inmiddels al vijf jaar met pensioen, maar de afgelopen dagen helemaal opgeleefd. Nadat Gold zijn duim omhoog stak in de zin van “ga maar door” nam Gonzalez zijn kans waar. Het grootste deel van de andere aanwezigen bleef en speelde mee. Genoeg voor een album. Ibrahim Ferrer maakte een eigen album (1999), Omara Portuondo (2000) en zelfs de wat stillere Cachaito (2001). Alle albums verschenen op World Circuit/Nonesuch. In 1999 kwam het tweede album van de Afro Cuban All Stars uit: ‘Distinto Diferente’. Dat is net zo samengesteld als het eerste, oude en jongere musici samen Cubaanse klassiekers spelend.

Vanwege het succes bracht World circuit in 1999 een verzamelabum uit van Estrellas de Areito: ’Los Heroes’. Niet voor niets, want in feite was dit de voorloper van de All Stars. In het kort: in 1979 kwamen in EGREM Studio dertig Cubaanse artiesten samen om muziek te maken. Het leverde vijf lp’s op voor het Areito-label, vandaar de naam ook: “De sterren van Areito”. Het waren schitterende opnames, voer voor liefhebbers en de echte connaisseur, maar nauwelijks te vinden. Met de 2cd werd daarin iets goedgemaakt. De ware kenner vindt deze opnames nog belangrijker, beter, essentiëler dan die van de Afro Cuban All Stars of Buena Vista Social Club. Ze kunnen echter uitstekend naast elkaar en vullen elkaar prima aan. Maar inderdaad, ze horen er wel bij!

In dezelfde stroom kwam het album ‘Bossa Cubana’ (1999) van Los Zafiros uit. Dat is een compilatie van de successen van de doo-wop/pop/rock ’n roll-groep uit de jaren zestig. Hun schitterende meerstemmige zang met wortels in de Cubaanse muziek en ritmes biedt iets heel eigens. Met de groep ging het niet heel goed. Van de vijf, latere zeskoppige band overleden twee leden door een hersenbloeding, een derde was aan de drank en overleed plotseling, een vierde overleed door levercirrose en de vijfde door een hartaanval. Die laatste, Manuel Galbán, maakte nog wel het werken met de Buena Vista Social Club mee en de speciaal voor hem en de dan en nu nog steeds levende Miguel Cancio, de oprichter van Los Zafiros georganiseerde sessie. Voor het eerst sinds dertig jaar (!) zijn ze bij elkaar. Het is prachtig album, anders dan de anderen hiervoor, maar absoluut niet minder.

In 2015 verscheen Buena Visto Social Club’s ‘Lost and Found’, een verzameling opnames uit 1997 die was blijven liggen. Nu was er tijd om ze te beluisteren en alsnog uit te brengen. Het niveau verbaasde iedereen en meteen dan ook maar het feit dat dit al die tijd was blijven liggen. Het is een welkome aanvulling op het eerste album. Dat nog niet alle muziek gebruikt was werd onlangs (2012) duidelijk Ter ere van de vijf-en-twintigste verjaardag werd de muziek van de Buena Vista Social Club, het album, opgepoetst en nog een uitgebreid met een tweede cd met nieuw werk. Nieuwe foto’s erbij ook en een mooi verslag. Hartelijk dank.

Van de opnames uit Carré is er tot nu toe, vreemd genoeg, slechts één op cd verschenen. ‘El Cuarto de Tula’ is te vinden op world Circuit’s ‘7-Track Sampler’ (2000). Jammer, want de sfeer was daar volgens mij optimaal. Je ziet en hoort het in de film van Wenders. De rest van de sampler is een mooie reclame voor bijvoorbeeld het tweede en laatste soloalbum van Rubén Gonzalez: ‘Chanchullo’ (2000). Er volgen meer albums uit de club, maar dit is een mooi punt om dit verhaal af te ronden. De oudjes leefden helaas niet lang meer en dat leidde tot andere samenstellingen natuurlijk. De basis is het verhaal hierboven beschreven. Wat twee fans al niet teweeg kunnen brengen. Aan de andere kant was de wereld rijp voor iets anders, warm en zonnigs, oftewel de muziek uit Cuba. Dansbaar, luisterbaar, sfeervol, zinnenstrelend en een verlangen oproepend naar andere tijden, a mundo cuba la gusta.