logo van The Lemontree
don van vliet/captain beefheart

Mijn hoofd is mijn enige huis,
behalve als 't regent

omschrijving afbeelding

Don van Vliet, oftewel Captain Beefheart, wordt gezien als een genie als het gaat om sommige van zijn muzikale uitingen. Hoogtepunt in zijn œvre is zonder enige twijfel ‘Trout Mask Replica’. Hij maakte het met steun van jeugdvriend Frank Zappa.

Beefheart maakte een reeks albums die onderling behoorlijk verschillend zijn in klank, bezetting en sterkte. Telkens weer moest hij op zoek naar een nieuw label. Na een commerciële knieval kwam hij sterk terug met de laatste drie albums.

Vliet/Beefheart was allesbehalve een makkelijk heerschap. Hij kon behoorlijk agressief en intimiderend zijn en maakte van zijn bandleden een soort sekteleden inclusief een nieuwe naam.

Lees het verhaal van componist Captain Beefheart, opgehemeld door de een, verguisd door de ander en na zijn plotselinge terugtrekking uit de muziekwereld uiteindelijk misschien zelfs succesvoller als kunstschilder.




Don Glen Vliet (1941-2010/zang, mondharmonica, sopraansax) is de zoon van Alonzo Vliet (tankstation eigenaar) en Willie Sue Warfield. Vader Vliet had in de familielijn voorouders afkomstig uit Nederland, vandaar de naam. Donny bleek kunstzinnig en won op zijn negende een prijs, uitgeschreven door de Los Angeles Zoo, voor zijn boetseerkunst. Zowel dierentuin als het omringende Griffith Park hadden een enorme aantrekkingskracht op de jongen. Vliet trok zich vooral terug op zijn kamer en wilde het liefst ongestoord zijn gang gaan. Een tijdlang werkte hij als leerling van een oudere kunstenaar, Rodrigues, maar ouders waren niet heel blij met de gang van zaken, omdat kunstenaars nu eenmaal nauwelijks iets verdienden en ze vaker een beetje ‘vreemd’ waren. Rond Vliet’s dertiende verhuisde de familie naar Lancaster in de Mojave Desert met, om de hoek, Edwards Air Force Base. Vader kreeg in Lancaster een baan als broodbezorger. De verhuizing had impact op Vliet’s kunstzinnig werk. Daar ontdekte hij de muziekwereld en met name die van de blues en jazz, denk aan Howlin’ Wolf, Robert Johnson, John Coltrane, Thelonious Monk en Ornettte Coleman. In Lancaster waren bandjes als The Omens en The Blackouts actief. In die laatste speelde Frank Zappa (1940-1993/gitaar, zang, drums) de drums, in de eerste speelde Alexis ‘Alex St. Clair’ Snouffer (1941-2006/gitaar) en Jerry Handley (?/gitaar, basgitaar). Het waren allemaal scholieren van de Antelope Valley High School in Lancaster. Niet tot ieders genoegen. Zappa verveelde zich en Vliet was vaker afwezig om zijn vader, nadat die een hartaanval gehad had te helpen met de broodbezorging. Beide vrienden slaagden echter op een of andere manier voor het eindexamen. In de vrije tijd luisterden ze naar hun favoriete singletjes. In Vliet’s huis was het druk, zowel grootmoeder als Vliet’s vriendin, Laurie Stone, woonden er. Eenmaal thuis riep Vliet zijn moeder om een Pepsi Cola. Een fenomeen dat door Zappa is vastgelegd in een van zijn songs: ‘Why Doesn't Someone Give Him A Pepsi?’. Zappa nam Vliet’s eerste zangpartij op tape op: ‘Lost in a Whirlpool’. De song is te horen op een van Zappa’s cd’s: ‘The Lost Episodes’ (1996).
Vliet’s afkeer van school zou kunnen komen door een niet officieel vastgelegde dyslexie. Het feit dat hij moeilijk kon lezen is door meer bandleden beschreven, maar dat nam niet weg dat Vliet een meester was in het spelen met taal, zoals later zou blijken uit zijn songteksten.

Begin jaren zestig werkte Zappa in Paul Buff’s PAL Studio in Cucamonga. Nadat hij de studio van Buff had gekocht gaf Zappa de studio een andere naam: Studio Z. In studio Z. woonde en werkte Zappa. Vaak was zijn vriendin er, soms ook medemusici en soms Vliet. Vliet had zijn naam inmiddels officieel aangepast in Don van Vliet. Dat ‘van’ was volgens hem authentiek en hoorde dus in zijn naam. Zappa ontwikkelde samen met Van Vliet een plan voor een film: ‘Captain Beefheart versus the Grunt People’, een volgens Zappa – cheap high-school play annex teenage movie’. Enkele songs uit deze periode zijn ‘Metal Man Has Won His Wings’ en “I Was a Teenage malt Shop’. De naam Captain Beefheart, afkomstig van Zappa, wordt hier voor het eerst genoemd. Waar de naam precies vandaan komt is in geschiedkundige nevelen gehuld. Eén verhaal is die van Van Vliet’s oom Alan, die urineerde met de badkamerdeur open. Als Laurie, Don’s vriendin, langsliep mompelde hij altijd iets over zijn geslacht in de zin van “what a beauty, it just looks like a fine beef heart…”. Een andere verhaal is dat van Beefheart, zo noemen we hem voortaan, een slachtpartij van pelikanen zag en dat feit “put a beef in my heart…” En derde verklaring, ook van Beefheart, is dat de naam komt door de maatschappij om hem heen: “A beef in my heart against this society...” Hoe dan ook, Van Vliet nam de nam over en gebruikte die voortaan als zijn artiestennaam.

Nadat de politie in inval in Studio Z. gedaan had wegens vermeende pornografie – een gevalletje van justitiële uitlokking – ging Studio Z. dicht en werd later afgebroken om de weg te verbreden. Zappa ging zijn wegen en Beefheart ging aan de slag als stofzuigerverkoper met als prachtige en dubbelzinnige slogan: “This thing sucks”. Dat is de reden ook dat Beefheart regelmatig met een stofzuiger onder zijn arm opduikt op foto’s. Dat los van het feit dat hij, net als Zappa, hield van de raketvormige modellen met die prachtige, chromen sierranden.
Nadat een baan als manager van een schoenenwinkel op niets uitliep zocht Beefheart opnieuw contact met Zappa. Die zette hem aan tot zingen en hielp hem zijn verlegenheid in publiek te overwinnen. Beefheart had enorm potentieel aan stem en klanken in huis, kon huilen als een wolf en steeds beter de diepe stem van Howlin’ Wolf – de blueszanger- nadoen. Langzaamaan begon Beefheart zich steeds prettiger te voelen op het podium.

Nu Beefheart zijn stem luid en duidelijk liet horen dacht oude bekende Alex Snouffer dat die stem heel geschikt was in een bluesband. Snouffer was, net als Beefheart, van de blues. Snouffer werd Alex St. Clair, soms St. Claire. Samen begonnen ze The Magic Band, een ‘desert blues band’. Naast beide heren bestond de groep uit Jerry Handley (bas), Doug Moon (?/gitaar) en Paul Blakeley (?drums). Die laatste kwam uit B.C. & the Caveman, een groep met daarin Mark Boston (bas) en Bill Harkleroad (gitaar). Die namen duiken binnenkort in dit verhaal opnieuw op. Rond 1964 trad de band vaker op en werd vaak aangezien voor een Engelse bluesband (!). In 1965 trad The Magic Band op in The Hollywood Palladium. Het leverde een grote groep fans op en zelfs een fanclub en dat nog voordat de groep een platencontract had. Dat kon nu niet meer lang duren.
Blakeley was inmiddels vertrokken en vervangen door Vic Mortensen (drums). Mortensen speelt ook drums op sommige opnames met Zappa. Met Mortensen op drums werd de naam van de band: Captain Beefheart & His Magic Band.

Begin 1966 mocht de groep een contract voor twee singles tekenen bij A&M (Herb Alpert & Jerry Moss) Records. Klinkt weinig, maar zo werkte dat: eerst singles en bij succes een album. De eerste single, nog in glorieus mono, is ‘Diddy Wah Diddy’/’Who Do You Think You’re Fooling’. De producer is David Gates. Gates zouden we later leren kennen van de band Bread. ‘Diddy Wah Diddy’ klinkt als een typische jaren zestig single, bluesy, heldere gitaren, pakkend met mondharmonica solo. Beetje Rolling Stones-achtig zelfs. Alleen die bas, die was anders, voller, heftiger. Gates had dat geluid direct in de mixconsole opgenomen om zo de stijl van Bo Diddley te krijgen. De song was eerder een hit van Diddley. Werkte goed! Op de single speelt Mortensen niet mee, die was opgeroepen om zijn dienstplicht te vervullen. St. Clair speelt drums, Rich Heper speelt samen met Moon gitaar. Om de single te promoten werd een kort filmpje opgenomen, daarop zien we Blakeley weer achter het drumstel. We zien hem ook op diverse foto’s die voor de singlehoes gemaakt werden.
Toenmalig populair DJ Wolfman Jack draaide ‘Diddy Wah Diddy’ veelvuldig, het werd dan ook een hitje, maar wel plaatselijk.
De tweede single, ‘Moonchild (componist David Gates)’/ ‘Frying Pan’ klonk minstens net zo goed, maar werd nauwelijks opgemerkt of gedraaid.

Beide singles, aangevuld met één teruggevonden track, ‘Here I Am, I Always Am’, werden uitgebracht als ‘The Legendary A&M Sessions’ (1984). Het verloren nummer past prima bij de andere vier, Beefheart is hier wel iets expressiever in zijn stemgebruik.
Dat was het dan voor A&M, geen echte hit, geen goede opvolger, exit de magische band.

Gelukkig keerde de magie snel terug en kreeg de groep een contract met Buddah Records. Tussendoor was er wel een en ander veranderd. Beefheart had de blues wat meer losgelaten ten faveure van de jazz. Blakeley, die alleen van de blues was, was daarom nu echt opgestapt. Hij werd vervangen door John ‘Drumbo’ French (1948- /drums, percussie). French was iemand die buiten de (muziek-)kaders dacht en was daarmee een essentiële bouwsteen in de muziek van The Magic Band. De groep trok naar Los Angeles om daar een eerste album op te nemen. Gary Maker zou het album produceren en vervolgens manager worden. In die laatste hoedanigheid bracht hij de groep in contact met Ry Cooder (1947- /gitaar). Cooder was op dat moment al een uitstekend bluesgitarist en kon een mooie bijdrage leveren aan het geluid. Dat deed hij, maar het liep niet zoals verwacht. Maker werd nog voordat er één opname plaatsvond aan de kant geschoven en Cooder had het niet echt naar zijn zin in de groep. Hij is dan ook op geen enkele foto rondom het album te zien. De sfeer tijdens de opnames was niet heel best. Beefheart manifesteerde zich als een sterke leider en ontsloeg Moon omdat die zijn hoofd niet bij de muziek had. Handley kreeg hetzelfde te horen, maar wist nog op tijd bij te sturen. Wie nu wat speelde is slechts gissen. Beefheart voegde de bas-marimba toe aan zijn muziekinstrumenten en behalve de genoemde musici zijn Russ Titelman (gitaar), Taj Mahal (percussie), Milt Holland (drums) en – als meest bijzondere – Dr. Samuel Hoffman (Theremin) te horen. Omdat Cooder de meeste ervaring had leidde die de opnamesessies.
Buddah stelde ene Richard Perry aan als nieuwe producer. Het album voor The Magic Band zou zijn eerste klus worden. Later werd Perry een gerenommeerd producer die werkte met Grote Sterren. Met de ruwe opnames ging Perry naar Sunset Sound, een meer geavanceerde studio en maakte een mix voor het album. Onbekend met de mixing console deed hij zijn best, maar achteraf vond men de mix slordig en vol ruis. Co-producer Bob Krasnow die zich tot nu toe op de achtergrond gehouden had nam daarop alle tapes mee en deed het hele proces over…

‘Safe as Milk’ (1967) het eerste album van Captain Beefheart and his Magic Band, is met de oren van nu vooral een blues-album, maar een dat soms uit de bocht vliegt, bijvoorbeeld in een song als ‘Electricity’ waar Beefheart flink uithaalt met zijn stem. ‘Zig Zag Wanderer’ is echt een ‘halverwege jaren zestig nummer’ qua klangfarben en ‘drive’. ‘I’m Glad’ is een prachtig nummer, maar meer in Doo-Wop-stijl, maar ja, dat was ook de basis van menig Zappa’s track. Die muziek was populair bij de heren. ‘Dropout Boogie’ is een lekker heavy nummer met overstuurde (fuzz) gitaren. ‘Electricity’ is hét nummer dat het meest opvalt en aan de basis staat voor de muziek die we in de toekomst zouden gaan horen. De korte, hakkerige gitaren, Beefheart met een wat vervormde stem, wat vrijer drumwerk, (tempo-)wisselingen binnen het nummer en dan nog het effect van de Theremin (een elektronisch muziekinstrument) met glijdende klanken. Compleet tegengesteld is het daaropvolgende nummer ‘Yellow Brock Road’, het is nog net geen countrymuziek. Maar met ‘Abba Zaba’ vervolgen we de weg ingezet met ‘Electricity’. Duidelijk is dat The Magic Band meer kon dan blues spelen.
De meeste song zijn gecomponeerd door Don van Vliet en Herb Bermann. Over die laatste doen veel verhalen de ronde. Het zou een pseudoniem zijn van Beefheart, het zou een kennis zijn, een gefingeerd persoon om of het zou zelfs Drumbo kunnen zijn…

Hoe dan ook, kort nadat het album op de markt was keerde de band (1967) terug naar de studio om een tweede album op te nemen. Het idee was een dubbel-lp, half live, half studiowerk. Er is van alles opgenomen en nooit afgemaakt. De beste delen van de sessies zijn uitgebracht als ‘The Mirror Man’ (1971) en op cd als ‘The Mirror Man Sessions’ (1999). Op de eerste staan vier tracks, op de cd negen. Cooder was na zijn wat mindere ervaringen niet meer van de partij. Zijn afscheid kwam na een mislukt optreden in voorbereiding voor het komende Monterey Festival. Beefheart had podiumvrees, last van zijn hart, al dan niet onder invloed van LSD, en ‘zag’ in het publiek een meisje die veranderde in een vis waarbij de bubbels uit de mond kwamen… Hij stapte zo van het podium en viel bovenop Krasnow. Dat was genoeg voor Cooder. Hij werd eerst vervangen door Jerry McGhee en die op zijn beurt weer door Jeff Cotton (1949- /gitaar). Cotton was een bekende van French en een uitstekend muzikant.

De magie hield de groep in haar greep, niet alleen voor wat betreft de muziek, ook het uiterlijk werd aangepast. Beefheart had vaker een uniform aan, Fez op de kop en een zonnebril op de neus, de langharige Cotton kwam vaak in een baljurk inclusief boa. Anderen kregen ook langer haar, baarden, en lampenkappen als hoeden. De betovering hing letterlijk om de groep heen.
Die kwam, gelukkig, ook terecht in de muziek. De bijna twintig minuten lange song ‘Tarotplane’ maakt duidelijk dat The Magic Band verder gaat waar ze met ‘Electricity’ zijn opgehouden: wisselende ritmes, gitaren die geluiden in- en uit elkaar vlechten, staccato, afgebeten, Drumbo die meer speelt als een drummer in een free-jazz combo en Beefheart met een overstuurde mondharmonica en zijn tekst meer declamerend dan zingend voor de microfoon brengt. Ergens hoor je nog de blues, maar dat pad is voor deze band te smal geworden. Eenzelfde aanpak geldt voor ‘Mirror Man’, ‘Kandy Korn’ en ‘25th Century Quaker’.
Andere opnames die plaatsvonden en later op de ‘Mirror Man Sessions’-cd terecht zijn gekomen zijn ‘Trust Us’, ‘Safe as Milk’ (die stond niet op het eerste album), ‘Beatle Bones N’ Smokin’ Stones’, ‘Moody Liz’ en ‘Gimme Dat harp Boy’.
Bij Buddah Records sloeg de twijfel ondertussen hard toen. Wat moesten ze met deze band en die ‘vreemde’ muziek? De twijfel begon te rijzen, maar de band ging nog wel naar Europa voor een korte tournee. Die tournee hadden ze vooral te danken aan de Engelse DJ John Peel die helemaal weg was van de band en veelvuldig ‘Safe as Milk’ in zijn radioprogramma had laten horen.
In Europa vertelde Beefheart over de opnames waarmee ze bezig waren en onthulde tot in detail de hoes: een bruine zak met de foto’s van de bandleden als een postzegel erop. Degenen die afwisten van de opnames noemden die voortaan dan ook ‘The Wrapper Tapes’. Voer voor bootleggers natuurlijk.

Terug in Amerika gebeurt er van alles rondom de groep. Buddah liet weten niet meer verder te willen met The Magic Band en wilde vervolgens de recente tapes niet afstaan. Beefheart werd opgepakt om onopgehelderde redenen en zat enige tijd in de cel. Kort na zijn vrijlating duikt de groep onvoorbereid een studio in om opnames te maken. Die draaiden vooral om de al eerder opgenomen songs voor het tweede album, maar die moesten dus wel allemaal opnieuw. De nieuwe opnames waren niet helemaal perfect, maar de groep had geen tijd, er moest een al afgesproken tournee in Engeland gedaan worden. Producer/manager Krasnow nam daarop de tapes van de tweede sessie, mixte die, voegde er wat leuke effecten aan toe en bracht het album uit op zijn eigen, nieuwe label Blue Thumb Records onder de naam: ‘Strictly Personal’ (1968). De hoes? Een papieren hoes met postzegels van de bandleden (!).

‘Mirror Man’ was op dat moment nog niet uitgebracht door Buddah Records, dat album zou drie jaar later volgen met een verslag van de onvoltooide sessies. Daarmee werd ‘Strictly Personal’ het tweede album van His Magic Band. Niet alle nummers die voor het tweede album bedoeld waren, zoals ‘Tarotplane’, staan hierop. Wel andere, kortere versies van ‘Safe as Milk’ en ‘Kandy Korn’. Van de ‘Mirror Man Sessions’ horen we hier andere versies van ‘Trust Us’, ‘Beatle Bones ‘n’ Somkin’ Stones’ en Gimme Dat harp Boy’. ‘Mirror Man’ keerde terug als ‘Son of Mirror Man – Mere Man’. Het grootste deel is in stijl met de ingezette ontwikkelingen naar een wat vrijer geluid, experimenten met geluid ook, maar de dikste wortel ligt nog diep in de blues. De opnames zijn niet allemaal van superieure kwaliteit, het rammelt af en toe, maar dat heeft ook zo zijn charme. Duidelijk is wel dat de gitaren een grotere rol hebben en hun eigen rag spinnen al dan niet met slides.
In eerste instantie werd er door zowel pers als Beefheart positief gereageerd op ‘Strictly Personal’, maar nadat er een ommekeer kwam in die positiviteit sloeg de mening van Beefheart ‘plotseling’ ook om en nam hij afstand van het album. Aan de andere kant is het minstens vreemd dat niemand geweten zou hebben van het hele gebeuren rondom ‘Strictly Personal’. Het verhaal bij dit album blijft duister, het gaat soms zelfs ‘spottend’ door het leven als ‘Strictly Controversial’.
Natuurlijk was Beefheart ook niet tevreden over ‘Mirror Man’. Voor de liefhebbers van de muziek is het interessant al die verschillende opnames naast elkaar te horen.

Met al dat gerommel werd het tijd voor een album zoals Beefheart het voor oren had. Enter: schoolvriend Zappa. Zappa had net twee eigen labels opgezet, Bizarre, voor zijn eigen werk en Straight voor andermans werk. Hij bood Beefheart een album aan op dat laatste label. Beefheart kreeg helemaal de vrije hand in zijn aanpak. Beefheart wilde een live-opname, waarop Zappa voorstelde de band op te nemen als een soort ‘fieldrecording’. Hij nam iedereen mee naar een landhuis en plaatste overal microfoons zodat iedereen van alles live kon opnemen. De Magic Band stond op diverse locaties in het huis. Die band was trouwens alweer anders. Opnames begonnen nog met Gary ‘Magic’ Marker, maar al snel werd die vervangen door Mark Boston (1949- /basgitaar). Ander nieuw leden waren oude bekende Bill Harkleroad (1949- /gitaar) en Vliet’s neef Victor Hayden (1948-2018/basklarinet). Beefheart bracht vriendin Laurie Stone mee, zij is – lachend – te horen op ‘Fallin Ditch’. Niet dat ze zo op het album genoemd worden, want niet alleen de kleding van de bandleden was ‘outrageous’. Beefheart bedacht andere namen voor zijn groepsleden. Hayden werd The Mascara Snake, Harkleroad: Zoot Horn Rollo, Mark Boston: Zoot Horn Rollo, John French: Drumbo en Jeff Cotton: Antennae Jimmy Semens. Iets van een initiatie in de sekte?

Beefheart stelde – volgens zijn eigen verhalen– het hele werk in acht uur samen, al spelend op een piano; een instrument dat hij niet eerder bespeeld had. Bandleden vertelde later dat er zo’n jaar aan het album gewerkt was en stukken al eerder gespeeld waren. Maar de pianostukken waren wel vaak de basis. French nam ze mee, analyseerde ze en schreef arrangementen uit voor de andere bandleden. De groep werkte acht maanden in het landhuis onder Spartaanse omstandigheden. Er waren maar twee slaapkamers en iedereen zat een beetje boven op elkaar in de ruimte. Beefheart was dominant aanwezig en kleineerde zijn bandgenoten vaak zo lang totdat ze in huilen uitbarsten. Over de sessies is uitgebreid geschreven. John French schreef in zijn lijvig boek ‘Through the Eyes of Magic’ (2010) over de omgang met Beefheart, Harkleroad schreef ‘Lunar Notes’ (1998) met daarin ook al een uitgebreid verhaal over de spanningen tussen Beefheart en bandleden. French beschreef ze als sektarisch, ‘Mansonesque’ (naar Charles Manson). Men mocht volgens de geldende regels het huis niet verlaten en repetities duurden veertien uur lang. Omdat French geen ‘aardbei’ kon spelen werd hij van de trap geduwd met de woorden “ga een stuk wandelen”. Hij werd vervolgens ontslagen en vervangen door Jeff ‘Fake Drumbo ‘ Bruschel. Drumbo’s naam kwam niet meer voor op de hoes. Geweld kwam regelmatig voor volgens de verhalen. Je snapt niet dat men dat allemaal zo pikte. Er was geen geld voor eten en nadat bandleden waren overgegaan dat eten dan maar te stelen werden ze opgepakt en gevangengezet. Zappa betaalde de borg zodat iedereen weer vrij was.

Gaandeweg sloop bij Beefheart de twijfel in het hart. Waarom koos Zappa niet voor een echte, professionele studio, wilde Zappa van hem profiteren of hem wegzetten als een ‘weirdo’? De irritaties liepen op en Beefheart weigerde zijn partij op te nemen in het landhuis. Daarop verhuisde de groep naar de studio om daar in vier-en-een-half uur alles in één keer op te nemen. Overdubs waren nauwelijks nodig. Beefheart weigerde zijn partij in de opnameruimte van de studio in te zingen. De muziek werd keihard aangezet en met het geluid dat hij nog kon horen door de studioramen zong/declameerde hij zijn teksten. Dat liep niet altijd even synchroon en geeft het album een bijzondere lading. Zappa: “, "It was impossible to tell him why things should be such and such a way. It seemed to me that if he was going to create a unique object, that the best thing for me to do was to keep my mouth shut as much as possible and just let him do whatever he wanted to do whether I thought it was wrong or not."
Na achtentwintig nummers was het album klaar. Het werd een dubbel-lp met als vormgever Zappa’s eigen ontwerper Cal Schenkel. Schenkel kocht op de markt een karper en maakte dat tot een masker. Beefheart die eerder bezig geweest was met Quaker’s zetten een Quakerhoed op en deed het karpermasker voor. Vreemd genoeg heet het album niet ‘Carp Mask Replica’, maar ‘Trout’ (forel). De vervreemdende infraroodfoto’s zijn van Ed Caraeff die voor de gelegenheid een stofzuiger meenam als verwijzing naar een van Beefheart’s oude baantjes. Zappa gebruikte in deze periode ook infraroodfoto’s voor ‘Hot Rats’ (1969), een album waarop Beefheart één track, ‘Willie the Pimp’ zingt.

Nog een noot: Zappa’s eigen Mothers of Invention spelen mee op ‘The Blimp ‘. Daarop citeert Cotton de tekst, terwijl Zappa een tape met opnames van zijn band, ‘Charles Ives’ afspeelt. Eén en éen is ‘The Blimp’. Het werd verder nergens vermeld, het grappige feit kwam later bovendrijven.

‘Trout Mask Replica’ is een album dat zijn/haar gelijke niet kent. Het is net of het van een andere planeet komt. Het is een mix van allerlei stijlen van freejazz tot blues en van rock tot avant-garde. Niets lijkt samen te hangen, tegelijkertijd is het een gestructureerd album. Verwarrend, moeilijk te vatten. Gitaren vechten/vlechten, glijden (slide guitar/glass finger guitar), drums verzorgen polyritmisch een ondergrond. Beefheart gaat tekeer als een volgeling van Ornette Coleman en toetert overal doorheen met zijn sax en zingt, declameert, roept in allerlei toonaarden. Surrealistisch was een woord dat vaak opdook om dit album te beschrijven. Het was voor velen een voorbeeldalbum, want met name ‘Trout Mask Replica’ maakte duidelijk dat de grenzen in de rock nog ver opgerekt konden worden. John Peel, toch al een fan, omschreef het zo: “If there has been anything in the history of popular music which could be described as a work of art in a way that people who are involved in other areas of art would understand, then Trout Mask Replica is probably that work." Dank John. Wellicht daardoor was het alleen in Engeland ‘populair’ en stond een week in de albumlijst met een-en-twintig als hoogste positie. In Amerika was toen niemand onder de indruk. Terugkijkend in de historie wordt ‘Trout Mask Replica’ het magnum opus of hét signatuuralbum van Beefheart genoemd. In 2011 werd het, wellicht daarom, opgenomen in de United States National Recording Registry, de Amerikaanse database voor alles wat belangrijk is in de opgenomen historie van het land.

Om ’Trout Mask Replica’ te verkopen gaf Beefheart menig interview daarin rondstrooiend met verhalen. Maar goed dat de # nog niet bekend was, want zijn ‘feiten’ rammelden aan alle kanten. Zo vertelde hij dat hij Harkleroad en Boston hun instrument had leren spelen, dat niemand drugs gebruikte en dat hij zelf een half jaar zonder slaap gedaan had, levend op fruit. Beefheart wist heel goed hoe je een product moest verkopen….

In het verlengde van ‘Trout Mask Replica’ bracht Straight/Reprise Records ‘Lick My Decals Off, Baby’ (1970) uit. Enkelen vinden dit laatste album zelfs nog beter. In stijl doet het niks onder voor ‘Trout Mask Replica’, al is de bezetting, opnieuw, anders. De van de trap af gegooide French was voor zijn arrangementswerk vervangen door Harkleroad, maar kort voordat de opnames voor het album begonnen keerde French terug in de groep. Na alle verhalen snap je daar niets van, maar blijkbaar vond hij in de muziek iets dat hij nodig had. Naast Harkleroad, Boston en French was de Magic Band een bijzondere drummer/percussionist rijker, de ex-Zappa/Mothers of Invention drummer Art ‘with the green moustache’ Tripp (1944- ). Op dit album was hij nog niet ‘gedoopt’ met een bijnaam. De titel, ‘Lick My Decals Off, Baby’, kom van Beefhearts weerzin tegen platenmaatschappijen, de labels oftewel decals konden net zo goed verwijderd worden. Een reden ook om het album zelf te produceren.

Op ‘Lick My Decals Off, Baby’ staat voor het eerst ‘THE Magic Band’, in plaats van ‘His Magic Band’ Blijkbaar was er toch iets veranderd aan de verhoudingen. Op het album staan vijftien, meest korte tracks. Eenmaal door ‘Trout Mask Replica’ heen en gewend aan die stijl is dit er een van hetzelfde pak, al lijkt er meer structuur in te zitten. Aan de andere kant is het ook een stuk heftiger. Het album deed het – opnieuw – het best in Engeland met zelfs een, korte 20e plek in de albumlijst; de hoogste notering ooit voor een Beefheart album. Door allerlei licentierechten kon ‘Lick My Decals Off, Baby’ niet op cd uitgebracht worden, dat lukte voor het eerst in 1989. Niet dat het nu stormliep met de verkopen, integendeel, maar de diehard fans waren er blij mee.

1972 is een goed Beefheart-jaar in de zin van twee albums in dat jaar: ‘The Spotlight Kid’ en ‘Clear Spot’. Ze horen een beetje bij elkaar ook, maar de oplettende lezers zien weer verschillen, zo staat op ‘The Spotlight Kid’ alleen Beefheart’s naam op de hoes, bij ‘Clear Spot’ staat The Magic Band er weer bij. Was het eerste een soloalbum dan? Waarschijnlijk niet. Het zijn beiden ‘makkelijke’ albums vergeleken met de vorige twee, de muziek een stuk toegankelijker, simpeler zelfs. Beefheart: “I got tired of scaring people with what I was doing ... I realized that I had to give them something to hang their hat on, so I started working more of a beat into the music". De bandleden denken daar iets anders over. Er werd geen geld verdiend, er was niets te eten en men was afhankelijk van giften en voedselbanken. Met een eenvoudiger aanpak hoopte men wat meer succes te hebben en zo wat geld te kunnen verdienen. Dat de nummers wat langzamer waren kwam door het feit dat Beefheart nooit met de groep wilde oefenen en met snelle muziek zijn teksten niet meer wist of kwijt kon.
Net als bij de vorige opnames waren de voorbereidingen allesbehalve prettig. Opnieuw vierde Beefheart zijn frustraties uit op de bandleden, dit keer bleek Harkleroad het pispaaltje en werd door Beefheart letterlijk in een vuilcontainer gedumpt.
Het was geen reden om de groep te verlaten… In de sektarische aanpak had Tripp zijn (toepasselijke) naam ontvangen: Ed Marimba, maar soms ging hij door het leven als Ted Cactus. Die misschien omdat hij stekelige opmerkingen richten de baas maakte? Nieuw in de band is WInged Eel Fingerling het alias van niemand minder dan Elliot Ingber (1941- /gitaar). Ingber is een oude Mother en speelt mee op Zappa’s eerste album Freak Out (1966). Ingber werd ontslagen omdat hij LSD gebruikte, want drugs daar was Zappa faliekant tegen. Ingber kwam later terecht in The Fraternity of Man en Little Feat. Met hem zitten nu twee ex-Zappa bandleden in The Magic Band, nummer drie, Roy Estrada, oftewel Oréjon – Big Ears (1943- /basgitaar), volgde voor het volgend album: ‘Clear Spot’ (1972). Grote afwezige is vaste drummer Drumbo. Op de hoes staat naast drummer Tripp drummer Rhys Clark (drums op ‘Glider’). Eén song, ‘Blabber ’n Smoke’ is geschreven door Beefhearts partner Jan van Vliet. ‘Clear Spot’ heeft als prachtige intro het nummer ‘I’m Gonna Booglarize You Baby’. Wat ermee bedoeld wordt is niet helemaal duidelijk, striptekenaar Marcel Gotlib verbeeldde zijn visie in het geweldige stripboek ‘Hamster Jovia(a)l’. Onvergetelijk.
Op ‘Clear Spot’ speelt percussionist Milt Holland (1971-2005) mee. Holland maakte deel uit van The Wrecking Crew, een groep studiomusici (elders op de LemonTree). Russ Titleman speelt gitaar en de Blackberries draven op als het achtergrondkoor. Ze zijn allemaal ongetwijfeld gevraagd door Templeman. Die laatste is de producer voor ‘Clear Spot’. Templeman, producer van o.a. Doobie Brothers en Van Morrison, probeerde het album verkoopbaar te maken. Dat lukte maar matig. In Amerika kwam het album terecht op een 191e plek in de Billboard200, in Engeland, voorheen succesvol, kwam het niet tot een Top iets.

Eigenlijk was ‘Clear Spot’ het ook allemaal net niet. Mooi, maar te ‘eenvoudig’ voor een Beefheart album en zelfs de hoes was eerder al beter gedaan. De lp was verpakt in een plastic ‘tas’ met daarbij een karton met foto en info. De Duitse band Faust had dat concept bij hun eerste album beter doordacht, daar was alles transparant. ‘Clear Spot’ werd ook al niet gewaardeerd door de bandleden. Zowel French als Harkleroad vonden het een vreselijk album: “We hated it!” Enig succes kwam uit onverwachte hoek, de song ‘Her Eyes Are A Blue Million Miles’ werd gebruikt voor de Coen Brothers film ‘The Big Lebowski’ (1998).

Het kon echter nog erger. Onder leiding van Andy DiMartino maakte Beefheart twee albums voor Mercury Records. In Engeland werden die uitgebracht door Virgin Records. ‘Unconditionally Guaranteed’ (1974) leidde zelfs tot een breuk met de band. Die bestaat dan uit Alex St. Clair (terug), Harkleroad, Boston en Tripp. Opnieuw verliepen de voorbereidende sessies vol agressie, maar na het horen van het album was iedereen duidelijk dat het dit niet was. De groep verliet Beefheart, of sterker nog, ze ontsloegen hem en gingen zelfstandig verder als Mallard. Beefheart was – later – ook in mineur en vroeg kopers van dit en het volgende, ‘Bluejeans & Moonbeams’ (1974) ze te retourneren en het geld terug te vragen. Waar ‘Unconditionally Guaranteed’ nog enigszins gaat, gaat ‘Bluejeans & Moonbeams’ te ver het commerciële pad op. Je mag je zelfs afvragen of ‘Bluejeans & Moonbeams’ wel een Beefheart & Magic Band-album is. Alle oude bekenden zijn afwezig en er lijkt een ‘sessiegroep’ in het korte leven geroepen te zijn: Dean Smith (gitaar, slide), Michel Smotheman (keyboards, zang) en Ty Grimes (percussie). Op ‘The Captains Holiday’ speelt Beefheart niet eens zelf mondharmonica, maar een anonieme studiomuzikant. Fans noemde de groep op dit album cynisch ‘The Tragic Band’. Het enige goede aan het album, volgens Beefheart, is de hoes die gemaakt is door Victor Hayden/The Mascara Snake.

Veel dieper kon Beefheart niet vallen. Na ‘Bluejeans & Moonbeams’ zat hij zonder band en met allerlei contractuele verplichtingen. Beefheart tekende alles wat onder zijn neus gelegd werd en was daarmee in een onontwarbaar web beland. Als de nood het hoogst is, is de jeugdvriend nabij.
Opnieuw stak Frank Zappa zijn oude vriend Donnie – Zappa was de enige die hem zo mocht noemen – de helpende hand toe. Hij zette zijn manager Herb Cohen aan het werk om Beefheart te ondersteunen en liet hem meewerken op zijn jongste album ‘One Size Fits All (1975). Dat moest wel onder het alias, Bloodshot Rollin’ Red. De hulp ging verder, Zappa bood Beefheart aan een album op te nemen voor Zappa’s label Discreet Records en nam hem mee op tournee.
De tournee leidde tot ‘Bongo Fury” (1975), een album met Zappa, Mothers én Beefheart. Die laatste zingt op enkele tracks en declameert twee stukken: ‘Sam with the Showing Scalp Flat Top’ en ‘Man with the Woman Head’. De openingstrack van Zappa, ‘Debra Kedabra’, was een voorbode van wat nog komen zou van The Captain, maar daar moesten we wel even op wachten.

De tournee liep niet heel plezant. Beefheart bleek moeite te hebben teksten te onthouden en had stukken papier op het podium liggen als ‘reminder’. Ook had hij moeite met de strak georganiseerde band van Zappa. The Mothers zijn wel magisch, maar heel anders dan The Magic Band. Naarmate de tournee vorderde begon Beefheart meer en meer, ‘live on stage’ te tekenen. Dat waren spotprenten van Zappa. Logisch dat die er niet blij mee was. Hij vroeg na de tournee Cohen de zaken met Beefheart verder te regelen en ging door met zijn eigen muziek.

Beefheart vroeg oude bandleden terug om met hem het toegezegde album te maken. Daarbij had hij vakkundige musici/arrangeurs nodig. Dus staan John French en Jeff Moris Tepper weer bij hem in de studio. French zorgt voor van alles en nog wat en heeft daarmee de rol terug die hij altijd al had. Nieuw, maar al bekend van ‘Bongo Fury’ is ex-Mothers slide-gitaar-speler Denny Walley (1943- /gitaar, slide). Helemaal nieuw is John Thomas (?/orgel, piano). Deze groep nam songs op voor een nieuw album: ‘Bat Chain Puller’. Alleen… dat kwam er niet, tenminste, niet tot 2012. De reden? De zakelijke ruzie tussen Zappa en Cohen. Zappa had ontdekt dat Cohen minder netjes met zijn geld was omgesprongen, had hem ontslagen en een rechtszaak aangespannen. Cohen op zijn beurt had beslag laten leggen op de studio, de tapes enzovoorts. In afwachting van een uitspraak van de rechter kon Zappa, noch Beefheart bij hun tapes. Bij Zappa leverde dat een aantal albums op die bekend zijn als de ‘crisisalbums’ (Studio Tan, Sleep Dirt en Orchestral Favorites), bij Beefheart leverde da vooralsnog een groot probleem op. Had hij een nieuw en goed album, zat het op slot. Zappa won later de rechtszaak, maar toen had Beefheart de meeste tracks al uitgebracht op ‘Shiny Beast’ en was het minder zinvol het nog eens over te doen. Pas in 2012 zag het origineel bedoelde – en vaak als bootleg uitgebrachte – album het levenslicht. Toch nog een beste ear-opener nog.

Beefheart had ondertussen zijn contractuele puinhoop geordend en een nieuwe deal gesloten met Warner Bros, nota bene de club waar Zappa net afscheid van genomen had, ‘Warner Bros Sucks’. ‘Shiny Beast (Bat Chain Puller)’ (1978) bracht in ieder geval Beefheart weer terug op het juiste auditieve pad. Voor het album nam hij songs die hij geschreven had voor ‘Bat Chain Puller’ opnieuw op, vandaar de subtitel. Hij haalde tevens enkele oudjes van stal, zoals ‘Ice Rose’ dat voorheen door het leven ging als ‘Big Black Baby Shoes’ en stamde uit de tijd van ‘Strictly Personal’. ‘Suction Prints’ was nog over van de opnames rondom ‘Clear Spot’ en was bekend als ‘Pompadour Swamp ‘. Meteen schreef Beefheart vier nieuwe songs. Niet alles verscheen op dit album, sommige tracks zouden opduiken op de twee nog komende albums, ‘Doc at the Radar Station’ en ‘Ice Cream for Crow’. De muziek op ‘Shiny Beast’ klinkt modern, maar gaat eigenlijk terug tot Beefheart’s prilste beginperiode. Meer de blues, gecombineerd met rock/pop, experimenteel en toch toegankelijk.
Op ‘Shiny Beast’ heeft Beefheart – natuurlijk - een nieuwe Magic Band om zich heen staan: Bruce Fowler (1947- /trombone, ex-Zappa), oudgediende Jeff Tepper (gitaar, slide), Eric Drew Feldman (1955- /keyboards, synthesizers, Fender Rhodes), Robert Williams (1955- /drums, percussie) en Richard Redus (?/gitaren, basgitaar, accordeon). Her en der biedt Art Tripp een percussief handje. ‘Shiny Beast’ werd door iedereen goed ontvangen. AllMusic omschreef het zelfs als “manna from heaven”. Nou valt het wel mee met dat brood, maar het is inderdaad een van de betere/beste albums van Beefheart in recente jaren. Bijkomend voordeel was een jonge groep luisteraars die meer openstond voor ‘afwijkende’ muziek. Het leverde onze Captain genoeg morele steun op om verder te gaan.

Met bijna dezelfde band maakte Beefheart in 1980 ‘Doc at the Radar Station’ en net als het vorige album was die verpakt in een hoes geschilderd door Van Vliet. En net als het vorige is het een soort verzamelalbum met restwerk uit de ‘Bat Chain Puller’ sessies en recenter werk. Fowler doet nog mee op één track, ‘Run Paint run’; Gary Lucas (1952- /gitaar, hoorn) doet dat op twee: ‘Flavor Bud Living’ en ‘Best batch Yet’. French is alom aanwezig en speelt zelfs gitaar, slide, basgitaar en marimba. Qua sound klinkt ‘Doc at the Radar Station’ als een logisch vervolg op ‘Shiny Beast’ en vormt in die zin, samen met het laatste album, ‘Ice Cream For Crow’, een drie-eenheid.
AllMusic noemt ‘Doc at the Radar Station’ het sterkste album uit deze periode en zelfs Beefhearts beste sinds ‘Trout Mask Replica’. Hoe dan ook, The Captain heeft zichzelf teruggevonden en kan er zelf van genieten en dát hoor je.

‘Ice Cream for crow’ (1982) is Beefhearts laatste officiële album. Het past in de auditieve rij van de vorige twee. Eigenlijk zou dit album gevormd worden door delen van het originele ‘Bat Chain Puller’ album, maar Zappa, die nu de rechten daarover terug had, raadde dat af, veel tracks waren al uitgebracht en het album alsnog uitbrengen zou volgens hem niets toevoegen. Daarop componeerde Beefheart toch maar nieuw werk. Beter maar, want ‘Ice Cream for Crow’ is een heel sterk album. Mike Barnes die een biografie over Beefhearts schreef noemde het “een voorgerecht voor een hoofdgerecht dat nooit meer kwam.” Mooi omschreven. Beefheart had zijn vorm met de vorige twee albums hervonden en ‘reed op de toppen van de golven’. Dat vonden er meer, ook John Peel was terug in het commentatorhok en sprak van “een van Beefheart’s beste albums”. Grappig is dat het in Engeland dan ook opdook in de Uk Album Charts, twee weken, met als hoogste plek de 90e. Maar toch, hij was er weer en dat met – alweer – een nieuwe band: Tepper, Richard ‘Midnight Hatsize’ Snyder (?/basgitaar, marimba, altviool), Gary Lucas en Cliff Martinez )1954- /drums, percussie). Feldman doet her en der mee, grote afwezige is French.
Op de hoes een prachtige foto van Beefheart gemaakt door landgenoot Anton Corbijn. Hij zou Beefheart nog vaker vangen in prachtige zwartwit foto’s. Beefheart vond ze zo prachtig en vooral herkenbaar ík ‘ dat hij die per sé op de voorkant wilde, zelfs nog bovenop zijn eigen kunstwerk.

Kort na het album gaf Beefheart aan te willen stoppen met muziek omdat hij te goed was geworden op zijn sopraansax.. Hij wilde zich voortaan helemaal richten op zijn schilderkunst. Gary Lucas, dan al enige tijd zijn manager ook, probeerde hem vaak over te halen, maar slaagde daar niet in. Beefheart, nu weer Van vliet trok zich terug in de Mojave Desert en richtte zich inderdaad alleen nog tot het schildersdoek, met succes! De schilder Van Vliet is/werd vaak meer gewaardeerd dan de zanger/dichter/muzikant Captain Beefheart. Het leverde hem exposities op, boeken, lezingen en uitnodigingen om zijn gedichten/teksten voor te dragen.
Ondanks deze successen trok Van Vliet zich meer en meer terug in huis met zijn vrouw Jan. Van Vliet gezondheid werd slechter, hij bleek aan MS te lijden en kon zich nog alleen verplaatsen in een rolstoel. Ex-bandleden hebben aangegeven dat Van Vliet waarschijnlijk al veel langer een slechte gezondheid had met symptomen van MS, maar daar niets mee deed. Don van Vliet overleed op 7 december 2010, een maand voor zijn 70e verjaardag.

Nadat Captain Beefheart zich had teruggetrokken uit de muziekwereld kwamen er talloze albums, cd’s, bootlegs en compilaties op de markt. Sommige zijn hierboven al beschreven, andere interessante die ik graag wil noemen zijn: ‘I’m Going To Do What I Wanna Do (Live at my Fathers Place’1978)’, een 2cd live-registratie afkomstig van een radiouitzending. Dat is de groep met daarin Feldman, Fowler, Williams en Tepper. Een prachtige set in alle opzichten is ‘Grow Fins: Rarities (1965-1982), een 5cd box met 112 pagina’s tellend boekwerk. De set bestaat uit oud- en livewerk uit ’s mans hele œvre. Cd1 zijn vooral demos’ uit de begintijd (1965-1967) en twee tracks van optredens in de Avalon Ballroom 1967. Cd2 heeft werk uit 1968, live in Cannes en Kidderminster. Cd3 en cd4 zijn de verrassende snoepjes met de Trout Mask House Sessions 1969. Dat zijn de opnames gemaakt in het gehuurde landhuis. Essentieel luisteren! Cd4 is aangevuld met beeldmateriaal, te zien via een PC. De vijfde cd is een verzameling tracks van 1969 tot 1981, livewerk, demos; en ‘worktapes’. In de ‘canon van Beefheart’ is ‘Grow Fins’ een niet te missen onderdeel.
Dat laatste geldt ook voor de al genoemde in 2012 uitgebrachte échte ‘Bat Chain Puller’ en de in 2014 uitgebrachte box: ‘Sun Zoom Spark 1970-1972’. Een mooie doos met boekje en vier cd’s die vaak niet of moeilijk te koop waren/zijn in een upgrade van geluid: ‘Lick My Decals Off, Baby’; ‘The Spotlight Kid’ en ‘Clear Spot’. De vierde disc bestaat uit out-takes rondom deze drie albums.
‘The Dust Blows Forward’ (1999, tot slot, is een fraaie doorsnede, ‘An Anthology’ uit het werk van Captain Beefheart & The Magic Band, van ‘Diddy Wah Diddy tot en met ‘Light Reflected Off the Oceans off the Moon’ en alle ‘hits’ daartussenin. Die laatste was alleen als single uitgebracht. Uit de beginperiode vinden we als unicum ‘Hard Workin’ Man, het ‘main title theme’ voor de film ‘Blue Collar’ (1978). Het is daarmee een mooi introductie album waarin je zelfs werk van Zappa’s Bongo Fury en de twee vergruisde Beefheartalbums tegenkomt. Het uitgebreide en rijk geïllustreerde boekje erbij is ook zeer aangenaam.

Don van Vliet/Captain Beefheart heeft met een heel eigen stijl en zeker een eigen aanpak een heel eigen plek in muziekland gecreëerd. Er is niets anders en niemand anders die zo speelde, zong, declameerde, schreeuwde en muziek liet horen die nauwelijks iets met elkaar te maken leek te hebben. Leek, want in feite was alles heel goed doordacht en ingestudeerd. Dat maakt Beefheart’s muziek extra interessant, het was niet zomaar random muziek, er zat een visie achter. Niet iedereen kon daarin meegaan, maar zelfs die mensen voelden wel aan dat hier iets heel bijzonders aan de hand was. Beefheart heeft de waardering voor zijn werk pas achteraf gekregen. “Logisch”, zou hij zeggen, want hij was zijn tijd ver vooruit en leefde in zijn eigen wereld: “Mijn hoofd is mijn enige huis, behalve als ’t regent.”