Example
Camel 1973-1985
Aangename oase

omschrijving afbeelding

In het rijtje der ‘groten’ van de symfonische rock (denk daarbij aan Pink Floyd, King Crimson, Genesis, Yes, Gentle Giant, Jethro Tull) ontbreekt er – onterecht - altijd één: Camel. Oh ja, Camel…

Camel maakte een reeks schitterende albums, geheel in het stramien van de bands hierboven: uitgebreide thema’s, lange solo’s, tempowisselingen, afwijkende maten, conceptalbums.

‘The Snow Goose’ (1975), het album naar het boek van Paul Gallico, wordt gezien als Camel’s meest succesvolle album, maar het album ervoor, ‘Mirage’ (1974), leverde de meeste concertsuccessen.

Lees het verhaal van Camel, de band die ‘iets’ had met Caravan, King Crimson, Supersister en Kayak, maar helaas noodgedwongen het soloproject werd van Andrew Latimer en daarmee toch minder Camel.



Eind jaren zestig, begin jaren zeventig speelde in hun thuisstad Guildford (Surrey) de groep The Phantom Four. De vooral blues spelende band bestond uit de broers Latimer, Andrew (1949- /gitaren, dwarsfluit, zang) en Ian (?) en hun vrienden Alan Butcher (drums) en Richard Over (?). Na een tijd werd de naam veranderd in Strange Brew, maar stapten broer Ian en Over op. Via een advertentie kwam Doug Ferguson (1947- /basgitaar) de band in en werd de groepsnaam verkort tot The Brew. Nu was het tijd voor Butcher om iets anders te gaan doen en zocht men een nieuwe drummer. Ferguson had eerder met drummer Andy Ward (1962- /drums, percussie) in de band Misty gespeeld en beval hem dwingend aan. Ward, toen veertien jaar, werd dus de nieuwe drummer.
The Brew ging fris van start en maakte zelfs enkele demo-opnames. Die opnames kwamen terecht bij Dick James van DJM Records. James was op zoek naar een begeleidingsband voor Phillip Goodhand-Tait (1945- /keyboards, zang, schrijver, producer). Tait speelde in een aantal bands zoals Phil Tone and The Vibrants (1957), The Stormsville Shakers (1961), Circus (1967) mét ene Mel Collins als blazer in de band en vervolgens solo. Tait schreef een aantal klassiekers voor Roger Daltrey (The Who), Euson, Zoot Money en Gene Pitney. In 1971 schreef hij de filmmuziek voor de film ‘Universal Soldier’ en produceerde later voor bands als Climax Blues Band en Kid Creole and the Coconuts. Dit alles om even aan te geven dat Tait niet zomaar iemand was. Hij ging met The Brew in zee en maakte met de drie heren het album ‘I Think I’ll Write a Song’ (1971). Aardig album, maar de meeste aandacht trekt Latimer met zijn gitaarspel. Luister maar eens naar ‘Silverwing’,  een heuse rock-ballad. Helaas leverde het niet het verwachte succes op en werd The Brew weer aan de kant geschoven.
Als eerder ging men moedig alleen voorwaarts, maar wel met het idee een keyboardspeler aan de band toe te voegen. In die zin hadden ze wel wat opgestoken van het werken met Tait en plaatsten dus een advertentie in het blad Melody Maker.

Peter Bardens (1945-2002/keyboards). Bardens is geboren in Westminster, Londen. Bardens studeerde kunst en speelde piano. Diep onder indruk van jazzorganist Jimmy Smith stapte hij over naar een Hammond B3-orgel. Bardens speelde kort bij Them, de band met zanger Jim Morrison en vormde daarna zijn eigen groep: Peter B’s. Die groep werd eerst Peter B’s Looners, vervolgens Shotgun Express. In die groep speelden Rod Stewart, Peter Green en Mick Fleetwood. Die laatste twee bekend uit de oude Fleetwood Mac. In 1970 maakte Bardens zijn eerste album voor Transatlantic Records, ‘The Answer’, met als gast Peter Green. In 1971 maakte Bardens de opvolger: ’Peter Bardens’. De hoes daarvan werd verzorgd door Hipgnosis, de hoezenmakers van Pink Floyd. Als je luistert naar het ruim dertien minuten lange ‘Homage to the God of Light’ krijg je al een aardig Camelgevoel. Bardens was dus al een druk man, live liep het best, maar het verkoopsucces bleef uit. Reden voor Bardens te denken het maar eens in Amerika te gaan proberen. Dan leest hij echter een advertentie van The Brew in Melody Maker en besluit contact op te nemen.  Dat contact verliep zo goed dat The Brew een kwartet werd. Vanwege lopende concertverplichtingen deed Bardens met The Brew onder de naam Peter Bardens’ On een aantal concerten in Ierland. Daarna ging het viertal verder met de nieuwe groepsnaam: Camel.

Camel’s eerste opreden is op 4 december 1971 in Waltham Forest Technical College. Ze staan daar in het voorprogramma van Wishbone Ash. Niet onverdienstelijk toch? Daarna was het een kwestie van gestaag doorgaan en zorgen dat je bekend wordt. Om wat extra inkomsten te genereren werden Latimer, Ferguson en Ward tevens sessiemuzikanten bij EMI. Dat zegt wel iets over hun vakkundigheid in ieder geval. Via dit pad komen ze in contact met producer Mickie Most. Most ziet en hoort ook kwaliteit en biedt Latimer een contract aan bij RAK Publishers. Vervolgens brengt hij Camel onder aandacht van Geoff Jukes, concertpromotor. Die promoot Camel zo goed dat hij uiteindelijk de manager van de band wordt. In 1972 bezorgt hij Camel een contract voor één album voor MCA Records. Het is niet veel, maar het is beter dan niets.

Camel staat voor de opnames van het album in Morgan Studios onder leiding van de nog jonge en onervaren producer Dave Williams. Bardens breidde voor de opnames zijn instrumentarium uit met een VCS3 Synthesizer en een Mellotron. De opnames duurden langer dan verwacht. Niet alleen omdat het hele proces voor bijna iedereen, inclusief Williams, nieuw is, ook omdat Camel ‘tussendoor’ een fikse tournee deed met Barclay James Harvest. Bovendien vond Williams dat de groep een zanger nodig had, maar die kon men zo snel niet vinden. Uiteindelijk werd besloten de zangpartijen te verdelen tussen Bardens en Latimer. Ondanks al die hindernissen op hun muziekpad werd Camel’s eerste album, simpelweg ‘Camel’ genoemd, in februari 1973 op de muziekmarkt gebracht.
Op ‘Camel’ staan zeven composities, de meeste van Latimer en Bardens, maar allemaal nog individueel. De gemiddelde lengte van de songs ligt rond de zes minuten. ‘Never let Go’ met een prachtige Mellotron-partij, werd samen met ‘Curiosity’ uitgebracht als single, maar zowel single als album kregen weinig aandacht en succes. Toch is ‘Never Let Go’ een van meer/meest bekendere werken van Camel. Het nummer is veelvuldig live gespeeld en duikt maar liefst op drie live-albums op. Ondanks het gebrek aan succes is ‘Camel’ meteen een sterk album en meteen een goed ook om de sound van de band te leren kennen. Die sound zou nog wat bijgeschaafd worden, maar in essentie hebben we hier al te maken met de echte Camel. He geluid wordt vooral bepaald door harmonische klanken, soms wat aan de ‘softe’ en/of romantische kant en een fraaie balans in de keyboard-gitaar-partijen. Bardens en Latimer zijn daarbij zowel aan elkaar gewaagd zijn als vullen elkaar goed aan. Met de openingstrack ‘Slow Yourself Down’ van Latimer en Ward beginnen we met een heerlijk orgel en wat gedempte zang. Na dat intro krijgen we zowel tempo- als sfeerwisselingen en een eerste prettige solo van Latimer, gevolgd door een van Bardens op de Hammond. Latimer zingt unisono (tegelijkertijd) met zijn gitaarspel. Dat zou ook een typisch kamelentrekje worden. ‘Mystic Queen’ is langzaam met veel orgelgeluid, heftige wisselingen en een mooi, ingetogen gitaarsolo. ‘Six Ale’ is een instrumentaal werk, overigens net als ‘Arabaluba’. Opvallend over de hele lijn is het soepele, subtiel swingende drumwerk van Ward. Die blijkt een uitstekende drummer, maar hij had het niet makkelijk. Daarover later meer. ‘Curiosity’ is een jazzy, snel wisselend nummer met wederom veel orgel en gitaar.
Weinig aandacht dus in 1973, anno nu wordt er veel positiever tegen Camel’s eerste album gekeken en wordt het gezien als een meer dan verdienstelijk begin.

Na ‘Camel’ volgden tournees en een concert samen met Gong, Henry Cow en The Global Village Company voor de Greasy Truckers, een undergroundclub. Dat concert werd uitgebracht op een dubbel-lp, ‘Greasy Truckers Live at Dingwall’s Dancehall’ (1973), waarbij de vier bands elke één plaatkant mochten vullen.  Camel liet hier geen werk horen van ‘Camel’, maar Barden’s ‘God Of Light Revisited’. Het stuk dat we al eerder hoorde op zijn gelijknamig soloalbum en dat live op het Camel-menu stond.
Ondertussen deed Camel diverse tournees met Wishbone Ash en Barclay James Harvest en in ons land met Supersister.
Ondanks het feit dat het album, voor een eerste, goed verkocht besloot MCA niet verder te gaan met Camel. Manager Jukes geloofde echter heilig in de band en zocht andere wegen om ‘zijn’ band aan de mens te brengen. Inmiddels had hij samen met Richard Thomas en Max Hole een eigen platenlabel opgericht: Gama Records. Het label sloot een deal met Decca Records voor het fysiek uitbrengen van de diverse albums. Het lag voor de hand Camel op het eigen label op te nemen.

Voor het tweede album werd niemand minder dan de bekende producer David Hitchcock (Genesis, Curved Air, Caravan) gevraagd. In november 1973 werden opnames gemaakt. Zowel Latimer als Bardens schreven nieuw werk voor het album, maar er werd nu ook door de hele groep bijgedragen. ‘Mirage’ (1974) telt slechts vijf songs: ‘Freefall’, ‘Supertwister’, ‘The White Rider’, Earthrise’ en het lange ‘Lady Fantasy’. Na de aftrap door de fanfare voor een juichend publiek zet een majestueuze Mellotron-partij in, gevolgd door melodieus gitaarspel met een tikje echo. Dan ben je eigenlijk al verkocht en dan komt er nog een hobo-partij ook. "I'm in a freefall like a snowflake falling, Down, down, down, down, down. I close my eyes, inside my head I stumble helpless to the ground." Het werk gaat in een versnelling met een gemeen scheurend orgel, synthesizer en gitaarsolo en nog meer wisselingen. In 5:55 gebeurt er nogal wat en daarmee geeft Camel een excellent visitekaartje af. Het tweede werk, ‘Supertwister’, heeft een Nederlandse basis. Luister eens goed naar het werk en denk daarbij aan Supersister. Inderdaad! Camel deed eerder een tournee met Supersister en de heren hadden goede contacten, maar ook waardering voor elkaars muziek. Bardens componeerde daarop een kleine ode aan Supersister, maar dan met een draai, een twist, vandaar de naam ‘Supertwister’. Bij een binddoektest zou je het zo voor een vergeten werk van Supersister kunnen horen.
‘The White Rider’, met als subtitels ‘Nimrodel’ en ‘The Procession’, wijst natuurlijk naar J.R.R. Tolkien’s boek ‘The Lord of the Rings’. Nu kent iedereen die boeken vooral door de films, toen werden die veel gelezen in ‘kringen’ en veelvuldig vertaald naar muziekstukken. “When he rides my fears subside for darkness turns once more to light. Through the skies his white horse flies to find a land beyond the night. Once he wore grey, he fell and slipped away from everybody's sight. The wizard of them all came back from his fall this time wearing white.” Dan hebben we het natuurlijk over Gandalf, de wijze tovenaar. Het nummer kent vele ‘twists and turns’, thema’s, solo’s en past helemaal in de traditie van de progressieve rock. Lp-kant twee begint met ‘Earthrise’. Het instrumentale werk van Latimer en Bardens start winderig en blijkt een pittig werk. ‘Lady Fantasy’ is het laatste werk en is door iedereen in de band samen gecomponeerd. Ook dit stuk bestaat uit meerder delen: ‘Encounters’, ‘Smiles Like You’ en ‘Lady Fantasy’. ‘Lady Fantasy’ werd in de Camel-historie zo’n beetje hét nummer van de band, veelvuldig gespeeld en uiteindelijk gegroeid als concertafsluiter. Dat zegt wel iets, toch? Het stuk gaat over een wat dromerig beeld van iemand die verliefd is: "Saw you sitting on a sunbeam in the middle of my daydream. Oh my Lady Fantasy I love you." Het is wel verbeelding, maar tegelijkertijd: “…she reminds me of you.“  Het fantasievolle nummer wordt met veel klankkleuren, tempowisselingen en solo’s omkleed en heeft inderdaad een wat romantisch (gitaar-)tintje.
Er is wel iets ‘vreemds’ met ‘Lady Fantasy’. Bij de 2002-remaster werd de originele mix toegevoegd. Daarin zijn andere Mellotron- en orgelpartijen te horen. Dat is nog niet raar, maar het nummer duurt iets langer. In praktijk blijkt dat het hele nummer bij de tweede mix iets versneld is…
Met ‘Mirage’ zet Camel een sterk album neer, volgens diverse kenners en critici het beste album van de band. Feit is dat de stukken van dit album nog lang gespeeld zouden blijven worden.
In Europa werd het album door Decca’s progressieve sublabel Deram uitgebracht. Het label ook van The Moody Blues, Cat Stevens, The Move, Procol Harum, Ten Years After en vele anderen. Een goed label voor Camel, ze zouden er dan ook tot aan het eind in 1985 blijven. Opmerkelijk is dat het album kwam in een hoes die exact leek op die van een pakje Camel-sigaretten. Ja, het gaat over een kameel in de woestijn met palmen en piramides, dus waarom niet? De afgebeelde dromedaris (1 bult, kameel 2) is wel flink heen-en-weer geschud en wat fragmentarisch afgebeeld. Hoe dan ook, er werden wel wat wenkbrauwen gefronst over deze verpakking en het zou de band zelfs in problemen brengen bij het opvolgende album.
“Mirage’ kwam in Engeland niet in de albumlijst, echter wel in Amerika’s Billboard200: 149e plek. Niet al te hoog, maar toch bleek hier aandacht voor Camel.
‘Mirage’ werd in Amerika en Canada uitgebracht door Janus Record. Na dreigementen uit de hoek van de Amerikaanse tabaksindustrie werd snel een andere hoes in elkaar geflanst, een draak met een edelsteen in de bek. Ondanks mijn aversie tegen roken vind ik de Europese hoes toch beter.
Niet beter was de deal die het management sloot met de Europese tak van Camel sigaretten. Daar werden pakjes uitgedeeld bij concerten en werden doeken met het Camel-logo over de versterkers gehangen. Dit dan weer tot verbijstering van de band die van niets wist.

Na het album de bekende tournees. Opnieuw in het voorprogramma van Wishbone Ash, maar dit keer dan wel door Amerika en Europa. Ook stond Camel op de planken bij BBC’s Radio One. Het drukke tourschema bracht met zich mee dat nieuw werk tijdens het reizen geschreven moest worden. Eenmaal terug in Engeland, drie maanden na het uitkomen van ‘Mirage’, zat Camel alweer in de studio voor een vervolg. Het werken met een thema zoals naar het boek van Tolkien was iedereen goed bevallen, waarom dat dan niet doortrekken naar het nieuwe album? Wat wordt dan het thema? Alle Camelleden waren fervente boeklezers. Bardens kwam met ‘Siddhartha’ van Herman Hesse, in die periode een veelgelezen boek. Prima plan en men begon meteen aan de uitwerking. Er werd gewerkt aan het introductie-thema en een mogelijke single, maar toen begon het te knagen en werd het boek op het schap gezet. Wat dan? ‘Steppenwolf’, ook van Hesse? Hm… te ingewikkeld. Ferguson stelde vervolgens ‘The Snow Goose’ (1941) voor, een novelle van Paul Gallico (1897-1976). Het originele verhaal verscheen in wekelijkse edities in The Saturday Evening Post en is het meest succesvolle verhaal van Gallico. Omdat het een dun boekje was hadden veel scholieren van de middelbare school het op hun boekenlijst staan. Het was inderdaad tevens een geschikt verhaal om op muziek te zetten.
 
Het boek in het kort: Philip Rhayader leeft alleen in een vuurtoren aan de kust van Essex. Hij heeft een gehavend gezicht, een arm die niet recht is en loopt krom. Rhayader is dan wel alleen, hij houdt enorm van de dieren om hem heen. Op een dag staat een twaalfjarig meisje voor de deur met in haar handen een gewonde vogel. Het meisje komt uit Saksen, Duitsland en heet Fritha. Rhayader vertelt haar dat het hier gaat om een sneeuwgans, een zeldzame vogel die in Canada broedt. De gans herstelt goed en als het tijd is voor de vogeltrek vliegt het dier richting Canada. Dan wordt het verhaal wat sentimenteel, want elk jaar keert het dier, La Princesse Perdue (de verloren prinses), terug naar de vuurtoren. Fritha komt dan ook weer. Als Rhayader in de oorlog met zijn bootje de in Duinkerken gestrande Engelsen gaat ophalen moet Fritha in de vuurtoren blijven, want de sneeuwgans vliegt met Rhayader mee. Rhayader wordt geraakt door vijandelijk vuur en zinkt met boot en al. De enorme gans blijkt na afloop een mysterieuze redder voor velen te zijn geweest. Die vliegt uiteindelijk terug naar the Great Marsh, de plek van de vuurtoren, vliegt langs Fritha en verdwijnt. Fritha heeft meteen door wat er gebeurd moet zijn, ervaart da de enorme genegenheid voor Rhayader en schreeuwt het uit tegen de inmiddels opgestoken storm. In de vuurtoren vindt ze een schilderijtje van haar als twaalfjarige met de gans, het is gemaakt door Rhayader. Ze blijft in de vuurtoren en verzorgt de dieren, maar nadat ze er een dag eropuit getrokken is komt ze terug bij een compleet verwoeste vuurtoren, gebombardeerd door de Duitsers. Alles weg en einde verhaal.

Latimer en Bardens trokken zich terug op het platteland om de muziek voor het nieuwe album te schrijven. Delen ervan werden soms al live gespeeld, want de tournees gingen gewoon door. De populariteit in Amerika nam toe en ook daar waren verplichtingen. In januari 1975 was de band met producer Hitchcock en technicus Rhett Davies (Roxy Music, Eno, Genesis, Dire Straits, etc.) in de studio om het werk op te nemen. Daar zat ook een orkest met dirigent David Bedford. Die zou je kunnen kennen van zijn werk met Mike Oldfield en Kevin Ayers. Bedford had arrangementen geschreven bij de muziek voor het album. Dat zou volledig instrumentaal worden, met geciteerde passages uit het boek. De tekst zou op de hoes afgebeeld worden. Zou, want de uitgever verbood dat plan. Zij hadden al toestemming gegeven aan componist Ed Welch die op hetzelfde idee gekomen was. Paul Gallico ondertussen had ook van Camel’s plan gehoord en verbood op zijn beurt het gebruik van zijn boek als basis voor het album. Gallico was fervent anti-roker en had Camel’s ‘Mirage’-hoes gezien. Ondanks uitleg en enkele presentaties van de band bleef hij bij zijn besluit en dreigde zelfs met het stappen naar een rechter.
Wat doe je dan? De oplossing bleek simpel, de titel van het album werd aangepast naar: “Music INSPIRED by The Snow Goose”. Daar kun je weinig tegen inbrengen immers.
Het album verscheen in april 1975 en steeg tot een 22e plek in de UK Albums-lijst. Na dertien weken was het met meer dan 60.000 verkochte exemplaren goed Zilver. In juli werd het album in Amerika uitgebracht en kwam daar tot een 162e plek.

Door het Engelse succes werd Camel gevraagd voor diverse Tv-optredens, waaronder een voor de BBC. Het werk werd met een kleine groep musici, vooral houtblazers, live uitgevoerd.
Tijdens de tournees, volgend op ‘Music Inspired by The Snow Goose’, werd het album voor de pauze gespeeld, ouder werk erna. Het publiek reageerde echter veel enthousiaster op het oudere werk (!). De conclusie was dat het werkstuk eigenlijk niet zonder orkest kon. Let wel, we leven dan nog in een tijd dat muziek echt gespeeld werd door echte muzikanten en niet ingeblikt geplaybackt wordt. De twee componisten gingen daarop aan de slag om het album te bewerken voor live-shows. Die versie werd met meer enthousiasme ontvangen. ‘The Snow Goose’ werd in oktober zijn geheel met het London Symphony Orchestra onder leiding van Bedford, uitgevoerd in een uitverkochte Royal Albert Hall. Pers en publiek razend enthousiast. Het muziekmagazine Melody Maker schreef over Camel: “Britain’s Brightest Hope”. Delen van dat concert kwam later terecht op Camel’s  ‘A Live Record’ (1978). Decca bracht op de golven van succes gauw een single uit: ‘Flight of the Snow Goose’/ ‘Rhayader’, maar dar was weinig animo voor.
in 2009 bracht Universal een Superdeluxe Edition van ‘Music Inspired by The Snow Goose’ uit, met daarop een geremasterde versie van het origineel en live-uitvoeringen uit The Marquee en de opnames van de BBC. Het zijn mooie toevoegingen.
In 2013 nam een door ziekte aan de dood ontsnapte Latimer het werkstuk opnieuw op, een eerbetoon aan zijn oude band en de inmiddels overleden Bardens. Veel veranderde hij daarbij niet. Meest opvallend is het wegvallen van het stukje tekst op de hoes “inspired by”. Het werkstuk was inmiddels erkend als zijnde goed.

Dat het volgende album een ‘concept’ moest hebben was wel duidelijk, maar ook dat het geen duplicaat moest worden. Bovendien wilde Camel terug naar muziek met zang.  Er kwam nog wat bij. Decca zette Camel behoorlijk onder druk muziek te maken met single-potentie. Ja, het ging goed met Camel, maar het moest nog beter. Camel weerstond de druk en ging door waar ze mee bezig waren. Voor het nieuwe album werd het karakter van de eigen bandleden centraal gesteld. Zo weerspiegelt ‘Lunar Sea’ het karakter van Ward, ‘Chord Change’ dat van Bardens, ‘Another Night’ dat van Ferguson en ‘Air Born’ dat van Latimer. Een mooie ear-opener dus. ‘Lunar Sea’ en ‘Chord Cange’ zijn instrumentale werken. Verder worden de karkaters aangevuld met drie stukken, het heel korte ‘Aristillus’ van Latimer, de wat jazzy ‘Song within a Song’ van Latimer en Bardens en ‘Another Night’ van de hele groep. Losjes daaromheen hangt een maan-thema. ‘Aristillus’ is een van de twee enorme maankraters dichtbij de ‘Lunar Sea of Imbrium’. De tweede krater is ‘Autolycus’. Het is de plek waar het Apollo15 project hun landingsplek had.
Bij sommige vinyl-persingen eindigt het winderige slot van ‘Lunar Sea’ in de uitloopgroef. Als je geen platenspeler had die automatisch afsloeg ging de wind door totdat iemand de plaat afzette.
‘Moonmadness’ werd in januari en februari ’76 opgenomen en verscheen in maart 1976. Het album is geproduceerd door Rhett Davies, de technicus van ‘The Snow Goose’. De sfeervolle hoes werd gemaakt door ‘Field’, het Camel-logo door David Anstey. Het album deed het goed: 15e in de UK Albums (zilver weer hier), 16e in onze Album Top100, 21e in Spanje en 48e in Zweden. In Amerika kwam het album tot een fraaie 118e positie. Bijzonder is dan wel weer dat de originele hoes daar niet mocht of niet begrepen werd, Janus Records koos ervoor die aan de binnenkant af te beelden. Op de voorzijde stond een wat fantasieloze kameel in een ruimtevaartpak op de maan. Op de achterzijde een bandfoto. Tsja.

Nieuw album, nieuwe tournees, want uitrusten is er niet bij. Onverdroten ging Camel voort. Een rustmoment wordt vaak gecreëerd door een live-album uit te brengen. Met dat idee werd het concert in Hammersmith Odeon opgenomen, maar dat werd toch maar niet gebruikt, het weerspiegelde niet wat de groep voor ogen/oren had. Een klein deel ervan komt terecht op de remaster van ‘Moonmadness’ (2002).
Met een band in “full swing” worden nieuwe ontwikkelingen in gang gezet. Zowel Ferguson als Ward sturen de groep nog iets meer in een meer jazz-georiënteerde richting. Niets nieuws, want dat jazz-element zat er al in, maar de jazz mocht meer nadruk hebben. Iets daarvan was al te horen op ‘Song Within’ a Song’. Op suggestie van Ferguson komt tegen het eind van de lopende tournee Mel Collins de groep versterken. Mel Collins (1947- /saxen, fluiten, hobo, klarinet) is bekend van Circus, de oude band met Phillip Goodhand-Tait (!) maar nog bekender van zijn bijdragen aan King Crimson, Alexis Corner en talloze andere bands. Het bleek een schot in de roos. Ward kon nu veel complexere thema’s spelen. Voor  Ferguson, note bene de aandrager zelf, pakt het rampzalig uit. Hij kon deze hoeveelheid complexiteit niet aan en vond bovendien dat Camel hiermee teveel afweek van hun roots. Natuurlijk was dit voer voor discussies in de band. Daar waren wel meer tegenstellingen in visie, maar dat bracht altijd het beste van eenieder naar boven. Nu schoot de groep echter door, vond Ferguson, met als gevolg dat hij uit de band stapte. Helaas was daar ook de druk van Decca (alweer) om een nieuw album te maken en er waren tournees. Kortom te weinig tijd en geen rust om de zaak uit te praten en Ferguson te behouden. Veel later had men er spijt van, maar ja, toen had men wel de tijd gehad om alles eens te overdenken. Nu was er vooral druk en haast. Allebei slechte raadgevers. Het trio besloot in eerste instantie als trio door te gaan en zo een nieuw album op te nemen. Latimer kon immers ook de baspartij spelen. Al snel bleek dat het minder prettig was zo te werken. Enter: Richard Sinclair. Sinclair (1948- /basgitaar, gitaar, zang) had gespeeld in Caravan en Hatfield & the North (allebei elders op de LemonTree) en is kortom een uitstekend muzikant. Bovendien heeft Sinclair een goed en heel herkenbaar stemgeluid. Ward was blij met zijn komst, hiermee kon hij door met zijn complexere drumstijl.

Hoe Camel nieuwe stijl en met twee nieuwe leden klinkt is te horen op ‘Rain Dances’ (1977). Het is dezelfde band, maar toch ook weer niet. Zowel de blaaspartijen van Collins en de zang en baspartijen van Sinclair maken dat het nogal anders klinkt dan de vorige vier albums waarbij vooral keyboards-gitaar-dwarsfluit de boventoon voeren. Daarnaast ligt de aandacht meer op synthesizers dan op orgel en piano. In die optiek is er zelfs een gastoptreden van niemand minder dan Brian Eno. Er is nog wat, het album heeft geen overlappend thema en de nummers zijn zonder uitzondering een stuk korter. Kijk maar eens naar het jaartal. Het is de tijd van punk en korte, krachtige muziek. Bands als Pink Floyd, Yes, Genesis en dus ook Camel hadden plotseling afgedaan. De groepen uit de zogenaamde progressieve hoek waren daardoor niet meer relevant, “dinosaurs”, vonden de Punkers. Die dino’s moesten geforceerd zoeken naar aansluiting en bestaansrecht. Zo ook Camel. Het is even wennen, maar ‘Rain Dances’ is een minstens net zo goed album als die uit het recente verleden. Als fan van Caravan, Hatfield en Eno was ook ik blij met deze ontwikkeling. Het opnieuw door Davies geproduceerde album klinkt helder en fris. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het album het ondanks de voor hen negatieve, muzikale tijdgeest, het goed doet: Uk Albums (20e), Spanje (18e), Duitsland (49e), Finland (29e), Noorwegen (19e), Zweden (30e) en Amerika (136e). Nederland zit er helaas niet meer bij, maar opvallend is de aandacht vanuit Scandinavië en Spanje.

Camel ging op de bekende tournee-na-een-album. Het werd een lange, intensieve reeks optredens, de meest succesvolle van de band tot dan. Hoezo Punk Rules? Opnieuw werden diverse concerten opgenomen met het idee een live-album uit te brengen. In plaats van een live-album in de nieuwe bezetting werd ‘A Live Record’ (1978) een samengesteld geheel van diverse concerten uit heden en verleden. Latimer: “We wanted the double album to be more or less a history if Camel rather than a great sounding live record.” Zo staat de complete ‘Snow Goose’, opgenomen in The Royal Albert Hall, op ‘A Live Record’,  met Ferguson dus, net als werk uit 1977 met hem. Sinclair is maar op vier tracks te horen. Welke keus dan ook, het geeft een mooi overzicht van Camel-optredens. Alleen die hoes… Ik heb hem nooit begrepen en die armzalige fotootjes in de binnenhoes doen de band ook al weinig eer aan. Beetje mislukt die verpakking.
Vreemd genoeg kwam ‘A Live Record’ alleen in Duitsland (34e) in een albumlijst, zelfs in eigen land niet. Blijkbaar was men niet zo van een levende geschiedenisles. In Amerika was het contract met Janus na dit album afgelopen. Daar werd Camel voortaan uitgebracht door Arista Records.
In 2002 werd een geremasterde 2cd-versie van ‘A Live Record’ uitgebracht met daarop maar liefst zeven nieuwe tracks: ‘First Light’, ‘Metrognome’, ‘Unevensong’, ‘Rain Dances’en ‘Chord Change’.

Met ‘Rain Dances’ had Camel al ingezet op kortere tracks, die ‘ontwikkeling’ wordt doorgetrokken naar ‘Breathless’ (1978). Ondanks het live-album kreeg Camel van Decca weinig tijd, lees rust, een nieuw album te maken, men moest door en liefst meer pop, dan rock én een single graag. Platenmaatschappijen snappen zelf nauwelijks waar ze mee bezig zijn. Maar de al jaren aanhoudende druk gaf nogal wat spanning in de band. De twee belangrijkste schrijvers Latimer en Bardens konden het niet meer eens worden met elkaar en vonden allebei dat zij elk betere inzichten hadden over de te volgen weg. In plaats van er samen uit te komen raakten ze steeds meer van elkaar verwijderd met als gevolg een breuk. Sinclair en Ward wilden het liefst verder met Latimer. Dat betekende dat Bardens alleen kwam te staan en dus besloot de band te verlaten. Dit alles gebeurde voor de opnames van het nieuwe album. Men kwam overeen dat Bardens nog zou blijven totdat het album klaar zou zijn. Je zou verwachten dat hij zich dan ook wat terugtrok uit het opnameproces, maar zijn naam staat maar liefst achter zeven van de negen composities. Hij speelt ook de meeste keyboardpartijen in, met uitzondering van twee bijdragen door respectievelijk Dave Sinclair (1947- /keyboards), de broer van, en Jan Schelhaas (1948- /keyboards). Allebei Caravan en/of ex- Caravan leden. Latimer speelt synthesizers op het album.
‘Breathless’ verscheen in september 1978. Het album deed het beter dan ‘A Live Record’, maar dan toch weer wat minder dan ‘Rain Dances’: Engeland (26e), Spanje (26e), Duitsland (40e) en Amerika (134e). Men had er meer van verwacht denk ik. Jammer, want ‘Breathless’ is een prima album met uitstekend werk en een echt Camel-album, maar wel met een grotere ‘vleug’ Caravan, dat dan weer wel. Met Caravan is overigens helemaal niets mis, integendeel. En waarom ‘Summer Lightning’ geen hit geworden is? Het pakkend nummer met koortjes (!) paste perfect in de hitmuziek van 1978. Beetje inkorten het tussenstuk dan dat wel.

De opvolgende tournee ging dus zonder de vertrokken Bardens, maar met twee keyboardspelers; Jan Schelhaas en Dave Sinclair. Daarmee werd Camel een soort Camelvan. Het werd opnieuw een succesvolle tournee die Camel zelfs tot in Japan bracht. Aan het eind van de intensieve tournee verliet Dave Sinclair de groep, maar bleek Richard uitgeput en wilde vooral rust. Ook hij verliet de band, net zo als Mel Collins. Nieuwe bassist werd Colin Bass (1951- /basgitaar). Bass kwam uit de band van Steve Hillage. Het werken met twee keyboardspelers gaf meer mogelijkheden, dus kreeg Schelhaas assistentie van Kit Watkins (1953- /keyboards). Daarmee had Camel voor het eerst een Amerikaan in de band.

Met nog slechts twee oud-leden in Camel ging de groep de studio in voor het volgende album. De afgehaakte Collins deed nog even mee als gast. Dat deed hij trouwens ook op het nieuwe album van Caravan. Er was nog andere gast, Genesis-drummer Phil Collins (geen familie) speelde mee op percussie. Simon Jeffes, wellicht bekend van het Penguin Cafe Orchestra, verzorgde de orkestrale arrangementen. Gavin Wright dirigeerde nu het orkest. De werktitel voor het nieuwe album was ‘Endangered Species’, maar werd uiteindelijk een andere, een lange: ‘I Can See Your House from Here’. Het album verscheen in 1979 in een wat vreemde verpakking van een astronaut zwevend in de ruimte boven de aarde en hangend aan een kruis. In mijn optiek wederom een mislukte hoes die de plank compleet missloeg. Bedoeld als grap, maar helaas alleen voor intimi.
Met hulp van producer Rupert Hine werd een album gemaakt, maar wel meer in diens stijl en dat is niet bepaald Camel’s stijl. De nadruk ligt meer op een wat Amerikaans aandoend rock-geluid met een dominante gitaar en ondersteunende keyboards. Ik mis hier de balans, de balans die er eerder was tussen Latimer en Bardens. Dat maakt het ook al minder een echt Camel-album. Daarbij lijkt de groep, Latimer, gevoeliger voor de tijdgeest en houdt te weinig vast aan Camel’s eigenheid. ‘I Can See Your House from Here’ is in mijn optiek een relatief zwak album met weinig uitschieters, op één na, de lange gitaarsolo genaamd ‘Ice’. Prachtig, betoverend. Maar daar redt je geen heel album mee. Ik wist nu al, het gaat erom spannen wat het volgende album gaat worden, wordt het tijd om met Camel te stoppen of niet? Bij de nieuwe, lange tournee, liet Latimer zich ontvallen dat deze Camel-versie beter muzikaal beter was dan ooit. Dat kan best, maar dat hoeft zich niet in de kwaliteit van muziek te uiten. Maar toch, deze Camel stond voor uitverkochte zalen en enthousiast publiek. Vooral in Japan, dat dan weer wel.
Het grote publiek waardeerde ‘I Can See Your House from Here’ met slechts een 45e plek (UK). Merkwaardig genoeg vonden de eerder afwezigen Noordelijke landen het wel weer een mooi album; Zweden (36e) en Noorwegen (18e). Komt vast door het ijs (Ice).

Of Camel/Latimer zelf ook twijfelden aan waar ze mee bezig waren? Nieuw werk werd onder de bandschuilnaam Desert Song gepresenteerd in een aantal zalen in Nederland (1980). Men keek heel goed hoe het publiek reageerde. Eigenlijk zegt dat weinig, maar het bood voldoende aanknopingspunten om door te gaan, maar dan wel weer in een gewijzigde bezetting. Naar analogie van Genesis had Latimer het nieuwe album best ‘And Then There Were Three’ kunnen noemen, want er waren nog meer drie musici over: Latimer, Ward en Bass. Collins en Schelhaas doen nog wel mee op het nieuwe album, maar als gast. Latimer speelt op het nieuwe album ‘Nude’ (1981) alle gitaar- en keyboardpartijen overwegend zelf. Hij wordt daarin bijgestaan door Duncan Mackay (o.a.: The Alan Parsons Project, 10CC, Kate Bush en Steve Harely & Cockney Rebel). ‘Nude’ is een overwegend instrumentaal album met teksten van Susan Hoover, Latimer’s vrouw. Latimer grijpt met dit album terug naar de beginperiode van conceptuele albums. ‘Nude’ gaat over het waargebeurde verhaal van een Japanse soldaat, Hiroo Onoda (1922-2014), die alleen, op een afgelegen eiland leeft. Hij wordt gevonden en komt dan aan de weet dat de 2e Wereldoorlog 29 jaar geleden geëindigd is. Mooi verhaal, maar dan moet uitgedrukt worden in vooral woordloze muziek. Latimer deed een aardige poging en eerlijk gezegd is het album qua klank en visie al meer een Camel-album dan ‘I Can See Your House from Here’. ‘Nude’ werd beloond met goede verkoopcijfers: Nederland (11e), Noorwegen (12e), Zweden (34e), Spanje (33e), UK (34e) en Duitsland (65e). Anno toen was ik een beetje Camel-moe, het was niet het omverwerpende album waarop ik gehoopt had. Anno nu vind ik beter dan toen, maar eerlijk gezegd is het ook niet het hoogtepunt van Camel. Daarvoor moeten we toch zijn in de eerste periode, zo tot en met Breathless.

Bij de opvolgende tournee waren Schelhaas en Watkins weer present. Camel trok opnieuw volle zalen en stond in een uitverkocht Hammersmith Odeon. Maar donkere wolken hingen boven de groep. Andy Ward had steeds meer moeite gekregen het hoge tempo bij te houden. Hij was er vanaf het begin bij, had talloze wisselingen meegemaakt en de almaar voortdurende druk en stress ervaren. Dat uitte zich in drank- en druggebruik. Daar was nog mee te dealen, maar het werd erger. Hij trok het niet meer en werd door al het gebruik een onbetrouwbaar groepslid. Het was duidelijk dat er iets moest gebeuren, maar eigenlijk was het al te laat. Camel-concerten werden afgezegd vanwege “hand injuries” van Ward. Maar wat dan geheim gehouden werd, was dat Ward een zelfmoordpoging gedaan had. Latimer eiste van Decca rusttijd, zodat Ward kon herstellen en hulp kreeg, maar al na veel te korte tijd stond de platenmaatschappij weer dwingend op de stoep met de eisen voor een nieuw album, contract is contract. En de nieuwe songs moesten vooral kort én krachtig zijn! Hup aan de slag! Latimer had dus weinig keus en moest wel door. Dat Ward niet mee kon doen was duidelijk, dus werd het nieuwe Camel-album eigenlijk een Latimer-soloalbum met veel gastmusici. Hoover zorgde voor teksten en verder horen we op de gepast genoemde ‘The Single Factor’ (1982): David Paton (bas, zang/ook Alan Parsons), Graham jarvis (drums), Chris Rainbow (zang), Dave Mattacks (drums), Haydn Bendall (synthesizers), Anthony Phillips (bekend van Genesis, gitaar, keyboards), Tristan Fry (percussie), Francis Monkman (bekend van Curved Air, Synclavier), Simon Phillips (drums) en Jack Emblow (accordion). De meest bijzondere gast is zonder meer Peter Bardens die op ‘Sasquatsch’ orgel en Mini-Moog speelt.
Na ‘Nude’ was ik afgehaakt en hoorde dit album pas vele jaren later. Ik vond het niet eens heel slecht, maar het was beter geweest als ‘The Single Factor als Latimer-soloalbum door het leven was gegaan. De muziek hierop had weinig nog met Camel te maken. Datzelfde geldt meteen ook de opvolger: ‘Stationary Traveller’ (1984). Latimer grijpt daarop toch weer terug op het idee van een conceptalbum. Het draait rondom het thema vluchtelingen van Oost- naar West-Berlijn. Oost-Berlijn was gescheiden door muren, prikkeldraad, achtposten en ideologie. Songs weer van Hoover, muziek van Haydn Bendall (keyboards, synthesizers), Paul Burgess (drums/ex-10 CC), David Paton (bas), Chris Rainbow (zang), Mel Collins (saxen) en niemand minder dan onze eigen Kayak-keyboardspeler Ton Scherpenzeel. Volgens de omschrijving bestaat Camel hier slechts uit Latimer, Burgess en Scherpenzeel, de anderen zijn gastmusici.
Beide, laatste albums, deden het aardig in de lijsten: UK (allebei 57e), Spanje (30e en 33e), Nederland ((10e en 16e).  Met name ‘Stationary Traveller’ werd goed ontvangen door de Camel-fans van dat moment. Daarop besloot Latimer met een nieuw samengestelde Camel op tournee te gaan: Colin Bass, Ton Scherpenzeel, Chris Rainbow en Paul Burgess. De tournee bracht Camel door en groot deel van Europa en sloot af in Hammersmith Odeon met gastoptredens van Mel Collins én… Peter Bardens. Dat concert werd gefilmd en opgenomen en verscheen als ‘Pressure Points – Camel Live in Concert’ (1984). Filmbeelden verschenen op DVD. Het was Camel’s laatste album voor Decca, was het stressvolle contract was nu voldaan. Met het management verliepen de relaties inmiddels ook niet meer heel soepel en dat gaf een enorm gedoe. Reden voor Latimer om Camel stil te leggen totdat de zaken geregeld waren en dat betekende nu het einde van Camel.

Vanaf 1991 keerde Latimer terug met diverse albums onder de Camelvlag. Hij bracht die in eigen beheer uit, maar dat is een heel ander verhaal. Tussendoor moest hij vechten voor zijn leven vanwege een zeldzame vorm van beenmergkanker. Latimer ontving in 2014 een Lifetime Achievement Award, uitgereikt tijdens de Progressive Music Awards.

In 2010 kwam Universal Music, dan eigenaar van Decca, met een goed overzicht van Camel’s geschiedenis in de vorm van een 4cd-box: ‘Rainbow’s End (An Anthology 1973-1985). In de box een mooi boek met foto’s en de historie van deze toch wat ondergewaardeerde band. Misschien was Camel iets te melodieus of te soft of te jazzy of zelfs te romantisch voor een progrockband. Collega’s als Yes en zeker King Crimson hadden lieten meer muzikale agressie horen en Genesis had een frontman die zich in allerlei kostuums hulde en wat te denken van de op één been staande fluitist in een versleten jas? Elke band had zo wel ‘iets’, maar Camel deed daar niet aan, die maakte gewoon goede muziek en daar hielden ze het graag bij. Dat maakt de band een aangename – om in stijl te blijven -  oase.

 
tekst: Paul Lemmens, november 2022
afbeeldingen: © MCA Records/Deram/Decca/Universal UMC
grote foto: © Deram/Decca