logo van The Lemontree
brand x

De 'x' factor

#

“Wat is in een naam?”, zouden ze in Engeland zeggen. In dezelfde lijn kun je je band dan natuurlijk gewoon ‘Merk X’ noemen.

Brand X was naar eigen zeggen een rock ’n rollband met jazzinvloeden. Maar waarom staat de groep dan altijd in het jazzvak en kregen ze jazzprijzen? Was het dan niet toch een ‘gewone’ jazzrock band?

Er circuleerden nogal wat mensen in Brand X. Dat komt vooral omdat het een hobbygroep, een speelplaats was, dan een groep met vast verband.

Lees het verhaal van Brand X, de groep die de nodige humor verwerkte in de aanpak en tegelijkertijd ‘sfeervoller’ was dan menig andere ‘jazzrockgroep’.




We gaan terug naar 1974. Ex-Joe Cocker’s Greaseband’s gitarist John Goodsall (1953- /gitaar) houdt van funk- en soulmuziek. Hij probeert muziek te maken in de stijl van de populaire The Average White Band. Met dat idee komt hij Robin Lumley (?/keyboards/ex David Bowie’s The Spiders from Mars live-band) tegen. Lumley, de neef van de bekende actrice Joanna Lumley, is bezig met een project met Percy Jones (1947- /basgitaar/ex The Liverpool Scene). De ontmoeting bevalt, met als gevolg dat het trio besluit samen eens iets op te nemen. Primair is daarbij vooral muziek te maken die zijzelf leuk vinden. Heel kort spelen Pete Bonas (gitaar) en John Dillon (drums) mee, maar die zijn al weg voordat er iets opgenomen wordt. Een tweede gitarist is niet nodig, een drummer wel. Dat wordt Phil Spinelli (?/drums). Er vinden wat opnames plaats in de Island Studios. Omdat de band geen naam heeft schrijft Island’s A&R-man, Richard Williams, in de studio-logboeken de naam ‘Brand X’. Eigenlijk klinkt dat best goed, toch? De naam mocht blijven.
Spinelli bleef niet, hij wilde zich focussen op zingen. Toevallig was Phil Collins (1951- /drums), de drummer van Genesis, in de studio. Het vrije musiceren trok hem aan, het was een mooi alternatief voor de veel strakkere muziek van Genesis, de band waarvan hij net de voorzanger was geworden. Hier kon hij zich uitleven en zijn grenzen verleggen, tenminste… als Genesis niet op tournee was of studioverplichtingen had. Met hem neemt Brand X een album op, maar dat is tot op de dag van vandaag nog niet uitgebracht. De muziek lijkt op dat album eerder richting soul dan jazz te gaan en past daarom niet zo in de verder jazzy rij.

Nu de heren elkaar ontmoet hadden, werden ze vaker als groep of als losverband muzikanten gevraagd, talent genoeg immers. Een eerste project is dat van Eddie Howell: ‘The Eddie Howell Gramophon Album’ (1975). Howell neemt halverwege de jaren zeventig het behoorlijk jaren zestig klinkende album op onder leiding van producer Lumley. In de begeleidingsband kom je namen tegen als Brain May en Freddie Mercury (allebei van Queen), Goodsall, Jones, Collins en saxofonist Jack Lancaster. Howell had met het van het album afkomstige liedje ‘Man from Manhattan’ nog een hit(je) in ons land. Ik kende het niet meer…

Van Manhattan naar het Russische bos met daarin Peter en zijn wolf is een beste reis, maar niet op muzikaal gebied. Sergei Prokofiev schreef het muzikaal kindersprookje voor orkest en stem. De première was in 1936. Het muzikale verhaal sloeg wereldwijd aan. De diverse instrumenten beelden de figuren in het sprookje uit, zo is de dwarsfluit het vogeltje, de hobo de eend, de fagot speelt grootvader, de hoorn(s) de wolf en de diverse strijkers zijn Peter hemzelf. Het werk is op allerlei manieren uitgevoerd, maar ook leuk om dat eens op een (jazz-_rockachtige manier te doen natuurlijk. De arrangementen worden geschreven door Robert Lumley en Jack Lancaster. De verteller is niemand minder dan Bonzo Dog Doo-Dah Band’s Viv Stanshall. Naast hem draaft me er toch een hele horde prominente musici op(!): Gary Moore (gitaar); Julie Tippett (zang); Cozy Powell (drums); Manfred Mann (synthesizer); Percy Jones (bas); Andy Pyle (bas); Keith Tippett (piano); Phil Collins (vibrafoon); Alvin Lee (gitaar); Stéphane Grappelli (viool); Henry Lowther (viool, trompet), Brian Eno (synthesizer); Chris Spedding (gitaar); Bill Bruford (drums); Jon Hiseman (drums); Dave Marquee (bas) en enkele wat minder bekende. Bij de cd is een boekje met het hele verhaal gevoegd. Prima gedaan, maar ik vrees dat de klassieke versie hierdoor niet aangetast wordt.

Met Jack Lancaster wordt vervolgens een soort pré-Brand X album opgenomen: Marscape (1976). In feite is het een duo-album van Lancaster en Lumley, maar in de bezetting vinden we Jones, Collins en Goodsall terug. De twee die buiten dit groepje vallen zijn Morris Pert en Simon Jeffes. Jeffes verzorgt de arrangementen en speelt Koto. Jeffes leerden we kennen van zijn Penguin Café Orchestra. Morris Pert (1947-2010/percussie, drums) speelt hier percussie, dat zou hij een hele tijd blijven doen in Brand X, maar pas bij het tweede album werd hij ‘vast’ lid.
‘Marscape’ staat bij mij in de kast voor de rij Brand X albums. Ga maar eens luisteren, tenminste als je het album kan vinden, want dat is nog een hele klus. Het is Brand X ten voeten/oren uit. Lange, gedragen synthesizerklanken van Lumley, de typische geluiden van Jones’ fretloze bas, het soms bijna freaky gitaarspel van Goodsall en de op drift rakende drums van Collins. Vooral jazz, met wat rockinvloeden hier. Lancaster speelt saxen, fluit, Lyricon (synthesizer blaasinstrument), panfluit en viool. Er staan naast de jazzrock dingen een paar heel rustige, ruimtelijke, nummers op dit album. Meest bijzonder vond/vind ik de klank van de watergongs, zo’n soort vloeiende klank die ‘verloopt’ als je met water het volume verandert. Een hypnotiserend instrument.

Dan wordt het zo langzaamaan eens tijd voor een album onder eigen naam: ‘Unorthodox Behaviour’ (1976). Na het voorgaande is de naam niet heel vreemd, net als de hoes die verzorgd is door Hipgnosis. Die zijn op dat moment de hoezenmakers van Genesis (en meestal die van Pink Floyd). Ook niet vreemd is dat het album wordt uitgebracht op het Charisma-label, het label van Genesis. Jammer is dat veel mensen door deze combinaties de groep als een groep van Collins beschouwden, terwijl dat toch heel anders lag. Lumley: “Funnily enough there was never really a leader. People recognised Phil as a figure head and he had is own status, but generally it was a band without a boss. We were all really good friends socially and we all shared the same sense of humor.” Op ‘Unorthodox Behaviour’ spelen Lumley, Jones, Goodsall en Collins. Heel soms doet Jack “oh no you’re joking” Lancaster mee op sopraansax.
Het album is een goede mix van jazz, rock, zelfs soul (Goodsall), maar het is vooral sfeervolle muziek met een scala aan klanken, geluiden en diverse solo’s die soms heerlijk de bocht uit vliegen. Jones bepaalt met zijn fretloze bas stevig de klankkleur van de band, Lumley zorgt, naast solo’s, vooral voor atmosferische geluiden. Collins drumt heel vrij, volgt de muzikale thema’s, tikt, roffelt, houdt zich in, heel anders dan zijn werk bij Genesis. Ik denk dat zijn drumstijl hier veel beter uit de verf komt. Ik vond het sterke van Brand X dat ze niet zo flirtte met het technische kunnen, iets dat bij de meeste jazzrock-groepen op de eerste plek kwam, maar waardoor ze ‘de muziek’ soms vergaten.
Of het door Collins komt is moeilijk te zeggen, maar de groep viel op, ‘Unorthodox Behaviour’ kwam zelfs tot dertig in de album-lijst. De ‘populariteit’ zorgde voor een kleine tournee, meestal langs universiteiten en een reeks van twee weken concerten in de vermaarde Ronnie Scott’s jazz Club in Londen. Voor die concerten werd Morris Pert als vijfde man gevraagd, daarna zou hij blijven. Met hem ging Brand X vervolgens naar het Montreux Jazz Festival en het Antibes Jazz festival. Niet slecht voor een hobbygroep toch?

Jaren later, in 1997, brengt ‘Outer Music’ een cd op de markt genaamd: ‘{missing period}’. In het bijschrift schrijft Lumley dat we hier te maken hebben met opnames die gemaakt zijn kort vóór het eerste album. Familie Goodsall was de zolder aan het opruimen en vond een doos met Goodsall’s Brand X’s memorabilia. Onderin lagen wat tapes. Na luisteren wisten Jones en Goodsall dat ze hier een ‘schat’ te pakken hadden, de verloren gewaande opnames uit 1975-76. Het geluid blijkt uitstekend. Dit verdiende gewoon op cd gezet te worden. De groep bestaat hier uit Collins, Goodsall, Jones, Lumley en percussionist Presto Heyman (1953- /drums, percussie). Stukjes muziek of hele nummers, maar dan bewerkt zouden later onder andere namen terechtkomen op ‘Unorthodox Behaviour’, tracks als ‘Why Won’t You Lend Me Yours’ en ‘Miserable Virgin’ (Malaga Virgen) op ‘Moroccan Roll’. ‘Kugelblitz’ komt niet voor op een studio-album, maar werd live veelvuldig gespeeld.

De reacties op ‘Unorthodox Behaviour’ waren, zoals geconstateerd, verwarmend positief. Dan ligt een opvolger al snel in de verwachting van eenieder. Die kwam in 1977 met ‘Moroccan Roll’. De naam, een naamspelletje, verwijzend naar de oude bron van de band: ‘more rock and roll’! Maar we horen hier toch vooral meer jazzy dingen op rockbasis De fantastische hoes (vroeger hing die bij mij aan de muur) is opnieuw van Hipgnosis, de zakenman in bloedheet Marokko, het zweet druipt in zijn nek, wordt lijkt van alle kanten geobserveerd te worden. Het roept een beklemmende spanning op. De klankkleur van ‘Moroccan Roll’ verschuift wel iets, maar dan richting de Orient. Goodsall speelt sitar en Collins zingt op de openingstrack, ‘Sun in Night’, in het Sanskriet. De stem wordt hier meer gebruikt als instrument, dan om een tekst over te brengen. Dat geldt ook voor 'Disco Suicide' en 'Maybe I'll Lend You Mine After All'. Dat laatste nummer is een vervolg op 'Why Should I Lend You Mine (When You've Broken Yours Off Already)...'. De humor zit er goed in bij Brand X. De twee tracks lopen op de eerste lp-versie in elkaar over, het staat zelfs letterlijk op de hoes. Tussen de twee nummers staat: ‘into…’ Dat klopt geluidskundig prima. Bij de eerste cd-versie is daar plotseling een irritante pauze ingelast. Sommige mensen snappen er echt niets van.
Op ‘Moroccan Roll’ is de muziek hoorbaar verder ontwikkeld, vergeleken met ‘Unorthodox Behaviour’. Er wordt nog meer gespeeld met sfeer, klankkleur en afwisseling. In het laatste nummer, ‘Macrocosm’ slaat Collins helemaal zo hol dat hij middels een bombardement tot stilte gedwongen moet worden. Percussionist Morris Pert is nu een echt bandlid, hij wordt bij de credits op de hoes een typische manier gepresenteerd: “Morris Pert: percussion and a vast number of bits and things that he hit while the tape was running, including: The QE2, Idi Amin, and undiscovered parts of Scotland”.
Ook dit album beviel de luisteraars goed, in Engeland kwam het tot een 37e plek in de albumlijst. Bij mij thuis kwam die hoger, het is nog altijd mijn favoriete Brand X-album.

Favoriet, maar, op de voet gevolgd door ‘Livestock’ (1977), het – de naam zegt het al- live album dat een paar maanden na ‘Moroccan Roll’ verscheen. ‘Livestock’ is een album met ‘twee gezichten’: enerzijds met de bandleden van ‘Moroccan Roll’, anderzijds met vervangende drummer Kenwood Dennard (1956- /drums). En tevens met zowel bekende tracks, als nieuwe die op de studio-albums niet en niet meer gaan voorkomen. Omdat Collins regelmatig verplichtingen had als zanger/drummer bij zijn ‘hoofdband’ Genesis, kon hij niet altijd bij concerten van Brand X aanwezig zijn. Daarvoor werd Dennard, een Amerikaan afkomstig uit de jazzwereld, uit bands als die van Dizzy Gillespie en Pat Martino. Later zou Dennard spelen met The Manhattan Transfer, Dianne Reeves, Jaco Pastorius, Miles Davis en Quincy Jones. Voorwaar geen kleine jongen. Maar toch… zijn spel is zo heel anders dan dat van Collins. Waar Collins soms heel subtiel een tikje geeft deelt Dennard rake klappen uit. Zijn benadering van ‘Malaga Virgen’ is een vrij strakke en rappe.
‘Malaga Virgen’ en ‘Euthanasia Waltz’ zijn de enige bekende, alle andere nummers zijn nieuw: ‘Nightmare Patrol’; ‘Ish’ en ‘Isis Morning, parts 1 & 2’. Dat laatste nummer lijkt een improvisatie ter plekke en laat het best horen wat de verschillen tussen Collins en Dennard zijn. Een heerlijk meditatief nummer zelfs.
De tracks zijn opgenomen in Hammersmith Odeon; Ronnie Scott’s Jazz Club en de Marquee Club in de periode april tot september 1977. Het album komt niet voor in een of andere hitlijst. Brand X deed na het uitkomen van ‘Moroccan Roll’ een korte tournee door de USA en Canada, Dennard was daar ook de drummer. Meest bijzondere was het optreden daarna in Parijs, in het voorprogramma van Peter Gabriel voor een publiek van zo’n 15.000 man. Brand X stond inmiddels goed op de kaart, zelfs zo dat ze in Melody Makerdrie jaar op rij genoemd werden als ‘Best Jazz Act’ (1977/1978/1979) en zowel Lumley, Jones als Pert werden gekozen tot respectievelijk ‘Best Bassist’, ‘Best Keyboardist’ en ‘Best Percussionist’. Hoezo ‘Merk X’?

De concerten door de USA leverde een nieuw zijsprongalbum op: ‘Picture Signals’ van Wilding/Bonus. Danny Wilding speelt fluit, Pete Bonus gitaar. Op het album, bijna in Brand X-stijl, horen we John Goodsall; Preston Heyman, Phil Collins en Robin Lumley. We horen ook een andere bekende: Rebop Kwaku Baah, de congaspeler van Traffic en Can. Én we horen John Giblin (1952- /bas). Die naam was in deze setting nog niet gevallen, maar Giblin is een veelgevraagd fretloos bassist en speelde met Peter Gabriel, Kate Bush, David Sylvian, John Lennon en vele anderen. Ik kende hem al van Duncan Browne’s albums (elders op de LemonTree).

Lumley was een veel gevraagd producer en, net als Collins, kon hij dat niet altijd met Brand X combineren. En net als bij Collins werd voor hem een af-en-toe-invaller geregeld: John Peter Robinson (1945- /keyboards). Robinson was sessie-muzikant, maar had net gespeeld met de band van bassist Stanley Clarke. Robinson werd later componist en arrangeur. Dat laatste vooral voor film- en tv-muziek. Robinson zou later werken met Carly Simon, Bryan Ferry, Mike Rutherford (Genesis), Eric Clapton, Al Jarreau, Melissa Etheridge en – daar zijn ze weer – The Manhattan Transfer. Voor een nieuw album waren zowel Collins als Dennard niet beschikbaar, daarvoor werd Chuck Bürgi (1952- /drums) gevraagd. Bürgi kwam uit de groep van gitaarsnelheidsduivel Al DiMeola. Met de twee nieuwe musici werd ‘Masques’ (1978) opgenomen. Twee nieuwe musici me elk een eigen aard, dat merk je meteen. Het is even wennen aan een iets ander geluid, tegelijkertijd is dit zonder twijfel een echt Brand X album. Dat komt misschien een beetje door Lumley. Hij speelt niet mee, maar is wel de producer van ‘Masques’.
De openingstrack ‘The Poke’ maakt meteen duidelijk dat dit Brand X is. Ik had geen moeite met het album, anderen vonden het ontbreken van Collins een groot gemis ‘The Ghost of Mayfield Lodge’ is volgens Jones gebaseerd op een ‘waar’ verhaal. Terwijl hij daar verbleef spookte de geest in het rond…
De hoes grijpt terug op die van ‘Moroccan Roll’, met eenzelfde ‘sfeer’. Het publiek op de achterzijde was aanwezig op het in Engeland populaire Knebworth Festival waar zowel Brand X als Genesis optraden.

Vanaf nu wordt het verhaal iets complexer. Brand X blijft gevraagd voor concerten, ze hebben er nog steeds zin in. Daarom vindt voor een mogelijk volgend album een hele reeks opnames plaats. Dat gebeurt in de studio van ex-Beatles-drummer Ringo Starr. Er zijn twee ‘ploegen’. Overdag zijn Collins, Lumley, Goodsall en John Giblin aan het opnemen, in de avond: Robinson, Jones en weer een nieuwe (Amerikaanse) drummer: Mike Clarke (1946- /drums). Clarke is afkomstig uit de groep met Herbie Hancock. De ene werkgroep heette ‘The Day Band’, de ander ‘The Night Band’. Maar soms wisselde het rooster, net als de musici, waardoor allerlei samenstellingen mogelijk waren. Zo kon het voorkomen dat beide bassisten tegelijkertijd aanwezig waren. Uit alle opnames zou het volgende album samengesteld worden en het album daarna en het album daarna. Een productieve aanpak dus.

Het eerste album dat voorkomt uit deze monstersessies is ‘Product’ (1979). Meteen al bij het eerste nummer gaat het in mijn bescheiden opinie flink mis, Collins begint in verstaanbaar Engels te zingen! Het is een liedje! Luister ik nu naar Genesis, waar ik net van was afgehaakt, of is dit Brand X? Hm, ik vond het lastig worden. De groep met Jones, Robinson en Clarke trekt de muziek het met ‘Dance of the Illegal Aliens’ gelukkig weer in het goede spoor. Dank Weather Report ook (luister maar eens), Maar met ‘Soho’ komen we met Collins opnieuw als zanger terecht in een heuse recht-toe-recht-aan-song-met-hitpotentie. Daarna mag het trio met Jones het weer vlot trekken. Op lp-kant B komt het allemaal redelijk goed. Hier wordt ouderwets gemusiceerd zonder die fratsen van Collins. Hij zingt nog wel op ‘… And So To F…’, maar dat is meer als instrument en nauwelijks te verstaan. ‘Wal to Wal’ duidt op het merk fretloze basgitaar waar zowel Giblin als Jones op dat moment graag op spelen. Een basdue(lle)tje dus. Collins probeert hier voor het eerst een drummachine, de Roland, uit. ‘April’ is een bassolo van Giblin met een ondergrond van natuurgeluiden. ‘Product’ is voor mij een behoorlijke ‘mixed bag’.
‘Soho’ kwam inderdaad op single uit, samen met twee nieuwe tracks: ‘Noddy Goes to Sweden’ en ‘Pool Room Blues’. De hoes waarop iemand een automaat intrapt beloofde al niet veel goeds. Noddy zouden we binnenkort opnieuw tegenkomen.

Met album twee afkomstig uit de dag- en nachtsessies, ‘Do They Hurt?’ (1980), wordt het Charisma-tijdperk afgesloten. Op het album staan zeven tracks. De openingstrack is… ‘Noddy Goes to Sweden’. Noddy, dat is Jones, vertelt hier en daar wat, maar het komt niet tot een herkenbare zangpartij. De rest van het album is instrumentaal en lijkt daarmee terug te grijpen op ‘Masques’. Maar zo spannend als daar is het dan toch ook niet meer.

In 1982 kwam het laatste album van Brand X uit: ‘Is There Anything About?’. Dit keer niet op Charisma, maar op CBS en ook geen Hipgnosis-hoes meer. Het album wordt gevuld met de resten uit de sessies hierboven omschreven. ‘A Longer April’ is precies wat de titel belooft, een langere versie van ‘April’ De wat cryptische titel ‘Tmiu-Alga’ is simpel te verklaren: ‘They Make It Up As They Go Along’, daarmee de werkwijze toelichtend. ‘Modern, Noisy en Effective’ klinkt ergens bekend. Het is de muziek van ‘Soho’, maar dan lichtelijk bewerkt met een nieuwe keyboardpartij en zonder vocalen. De naam van dit nummer komt uit de geschiedenis van die andere band, Genesis, waar bij de Nederlandse grens de trucks van die band worden vergeleken met het geluid van Genesis: “modern, lawaaierig en effectief.” Dat was beslist geen fan dus.

En dat was het dan. Zeven jaar later en net zoveel albums later. Lumley omschreef het als “dat de band wilde stoppen nu het nog leuk was en ze niet in een sleur wilden raken. De groep zonder leider, had veel plezier en een mooie tijd gehad met elkaar.” Wat wil je nog meer? Grappig is dat deze albums nog steeds verkocht worden en ontdekt worden door een nieuwe generatie. Het was ook voor luisteraars een fijne tijd, al moet ik eerlijk zeggen dat het hoogtepunt toch wel duidelijk in de beginperiode lag.

Zoals bij zoveel bands kwam er nog een staartje, meer staartjes zelfs. Tien jaar na het eind verscheen vrij plotseling: ‘XCommunication’ (1992), met, onder de Brand X-vlag, een band bestaande uit Jones en Goodsall, aangevuld met drummer Frank Katz (?/drums). Op één track doet fluitist Danny Wilding mee. Dit klonk wel als Brand X, maar eigenlijk ook weer niet. Dit merk had wel heel veel bas en gitaar, en nogal wat experimentelere, elektronische klanken. Daar is op zichzelf niets mis mee, maar hier? Ik miste vooral het meer subtiele samenspel, het net dat extra’s dat Brand X zo leuk maakte. Hier begon de vaardigheid de boventoon te voeren.
Interessanter was ‘Live at the Roxy LA’ (1995), Brand X, zonder Pert. Goed geluid, direct van de geluidsmixer in de Roxy. Leuk om de groep nog eens live te horen, al zijn de nummers oude bekenden. Uit hetzelfde jaar als ‘{Missing Period}’, zie hierboven, komt Manifest Destiny’ (1997), een tweede album met Goodsall, Jones en Katz met medewerking van Wilding en Franz Pusch (bas, Keyboards, etc.). Wat verborgen in het geheel is de drumpartij van Pierre Moerlen, de ex-Gong drummer. Hij is te horen op de twee ‘secret tracks’ die alleen te horen zijn op de Europese versie van het album. Een bekend fenomeen, na lange stilte, omdat je geen tijd had de cd uit te zetten, klinkt er plotseling muziek in je kamer. Dank Pierre, want dat was toch ook een drummer extraordinaire, zoals ze in Frankrijk zeggen. Alleen al zijn bijdrage maakt dit album een om er bij te hebben. In 1999 verschijnt ‘Timeline’ een 2cd set met één concert uit 1977 (Chicago) en één uit 1993 New York City). Op de eerste cd spelen mee Jones, Goodsall, Pert, Dennard en Lumley, op de tweede Goodsall, Jones en Katz. Een leuke aanvulling nog, maar helaas weinig verrassend hier.

Tussendoor verschijnen enkele verzamelalbums. In 2014 brengt Virgin, die dan eigenaar is van Charisma, een wat onevenwichtig 4cd-boxje uit met al het werk van de groep voor Charisma. Het zijn de albums tot en met ‘Product’, maar verder alleen ‘Noddy Goes to Sweden’ van ‘Do They Hurt?’. De rest niet. Wel staan er, als bonus, een viertal BBC-opnames op. Met alle live-albums hiervoor voegen die, eerlijk gezegd, niet heel veel toe. Heb je nog niets van de band, dan is dit een mooie beginnersset.

Veel verbazender én leuker is de plotselinge opleving in 2017. Merk X blijkt plotseling weer aktief én in de winkel te koop. Jones, Goodsall en Dennard staan samen met Chris Clark (? /keyboards) en Scott Weinberger (?/percussie) op 6 januari 2017 op het podium in The Sellersville Theatre. De oudgedienden ouder, wijzer, grijzer, korthariger en wat gezetter. Hoe ze klonken is te horen op ‘But Wait… There’s More!/Live 2017’. Het is vooral werk van de eerste twee albums en ‘Livestock’. Er is één nieuw nummer te horen: ‘Magic Mist’. Grappig is dat de muziek vitaler klinkt dan op de laatste drie albums voor Charisma, zelfs de hoes is beter, meer in stijl met de eerste albums. De snelle kopers kregen er een door Goodsall en Jones gesigneerde kaart bij. Hartelijk dank heren!

Eenmaal de smaak weer te pakken en warm verwelkomd te zijn door het publiek, ging men verder, maar geheel in stijl, met een nieuwe drummer: de langharige, bebaarde Kenny Grohowski. Oude tijden herleven! In deze setting werd ‘Locked & Loaded’ (2018) uitgebracht. Het repertoire is iets uitgebreid tot en met ‘Masques’. Als ‘exclusieve bonustrack’ is het nummer ‘Cambodia’ (van ‘Do They Hurt?’) toegevoegd. Opnieuw een goed album, beetje nostalgisch ook, maar uitstekend, sfeervol gespeeld. Het zegt wel iets over wat men zelf blijkbaar ook de ‘beste periode’ van de band vindt. Dit keer geen vakantiekoffer, maar een flightcase op de hoes.

Ook in 2018 krijgen we een nieuwe versie van Brand X live: ‘Live from The Rites of Spring Festival 2018’. De ‘hype-sticker’ (zo worden die dingen genoemd) op de voorkant roept dat dit “The first Brand X full-feature concert footage ever!” is. Het concert komt tot ons via Blu-Ray in 5.1. surround sound stereo. Een eerste oplage heeft als bonus de cd-versie van het concert. Blu-Ray en cd bevatten ‘succesnummers’ als ‘Nightmare Patrol’, ‘Disco Suicide’, ‘Cambodia’, ‘Why Should I Lend You Mine’ en zelfs Noddy doe nog maar eens naar Zweden gaat. Leuk om het concert te zien. Er wordt geconcentreerd, gedreven gespeeld. De Brand X van nu lijkt daarmee wel heel veel op die van weleer. Er staan nog meer concerten gepland, dus wie weet wat er nog komt.

Brand X was een speeltuin, een hobbygroep van mensen die het plezier in het spel ontleenden door met elkaar muziek te maken. Dat plezier is te horen, maar vooral op de eerste twee, drie (met het live-album erbij) albums. Daarna wordt het door succes en vele groepswisselingen lastiger juist dát element, dat onorthodoxe, dat primaire plezier dat de technische vaardigheden ondergeschikt lijkt te maken. Je herkent het meteen bij de Brand X van nu, ook daar is dat plezier terug. Nu weet ik het zeker, de essentie van Brand X is de ‘X’-factor!