Zon en Regen

Er zijn artiesten zat die reeksen cd’s maken zonder dat er in de muziek ‘iets’ speciaals gebeurt. Maar als ‘dat’ wel gebeurt heb je meestal te maken met een cd die ‘blijft hangen’ en een vaste plek in de collectie krijgt. Dat is ook het geval met Il Sole Nella Pioggia van de knappe Italiaanse dame Alice. De cd kwam op mijn muzikale pad via David Sylvian, want de bezetting is nogal Sylvian’s te noemen.

Alice Visconti (1954- ) wordt geboren als Carla Bissi in Forli. Vanaf haar achtste krijgt Bissi piano- en zanglessen. Ze doet op haar zeventiende tijdens het Castrocare Festivale mee aan de zangwedstrijd en wint er de eerste prijs (1971). Het jaar daarop herhaalt ze die actie tijdens La Gondola d’Argento in Venetië. Bij het prestigieuze San Remofestival lukt het Bissi niet, ze wordt niet eens gekwalificeerd voor de finale. In 1975 tekent ze een contract met CBS, neemt ze haar alias Alice Visconti aan en komt haar eerste plaat uit: La Mia Poca Grande Età. In hetzelfde jaar stopt ze met haar werk als ontwerpster om zich helemaal op haar muziek carrière te kunnen richten. De tweede single van de plaat wordt een bescheiden hitje… in Frankrijk. Twee jaar later volgt album twee: Cosa Resta Un Fiore met even weinig succes als de eerste. Dan is het contract met CBS voorbij.

Gelukkig ontmoet ze Franco Battiato onder wiens begeleiding ze haar muziek meer kneed en eigen maakt. Battiato regelt een nieuw contract, bij EMI. Haar nieuwe single, "Il vento caldo dell'estate" – de warme zomerwind – wordt haar eerste succesplaat. De easy listeningmuziek van de eerste platen blijkt veranderd in stevige rock met een scheutje New Wave; veel gitaren en synthesizers dus. Nieuwe muziek, nieuwe naam, het Visconti verdwijnt en vanaf nu is Carla alleen nog bekend als Alice. Ook nieuw zijn de eerste eigen composities. Vol zelfvertrouwen, gekleed in fleurig streepjesjasje en een strakke, zwarte, leren broek stapt Alice in 1981 opnieuw het podium van San Remo op, om daar haar eigen compositie Per Elisa te laten horen. Onduidelijk is of de jury meer onder indruk was van haar verschijning dan het lied, maar ze won dit keer wel; overtuigend zelfs. Het kon niet uitblijven, al tijdens het optreden barstte het publiek regelmatig in luide bijval uit. Het nummer was daarmee een van de eerste rocknummers die won op het populaire festival. De basis van Per Elisa bestaat uit het overbekende stuk Für Elise van Beethoven. Alice had het stuk bewerkt en zong met haar stem, die inmiddels vier octaven bereik had, de sterren van de hemel. Meest opvallend is haar bereik in het laag, soms bijna op het spookachtige af, maar je zou het ook verleidelijk kunnen noemen. Met dit nummer scoort ze een Top 10 hit in diverse landen tot in Scandinavië aan toe.

In de jaren opvolgend maakt ze albums Azimut en Falso Allarmi met daarbij diverse goedlopende singles als Messagio en Il Profumo des Silenzio. Deze laatste wordt een hit in Duitsland, waarop Alice als ‘bedankje’ een duet opneemt met Stefan Waggershausen: Zu Nah am Feuer (1983). Er werden alleen al in Duitsland meer dan een miljoen van verkocht , maar ook in Zwitserland en Oostenrijk deed het plaatje het goed. Alice verkocht op dat moment meer platen buiten Italië dan in haar thuisland. Echter, als je succesvol bent doe je mee met het Eurovisiesongfestival, die regel geldt nu nog steeds, dus in 1984 staat ze daar – de vrouw met de mooiste ogen van het festival - met het lied Il Treni di Tozeur, opnieuw een samenwerking met Battiato – de Italiaanse Woody Allen. Het zwart-wit geklede duo wint niet, ze worden slechts vijfde, maar nog steeds vinden velen dit het beste songfestivallied ooit. Voor Alice moet het een déja-vu gevoel hebben opgeroepen, het Eurovisiesongfestival is immers afgeleid van het San Remofestival. De zoete wraak komt enerzijds uit Zweden, nota bene het winnende land van het songfestival, waar Il Treni een grote hit wordt en anderzijds uit Italië zelf, waar het ook een hit wordt, iets dat zelden is weggelegd voor Italiaanse songfestivalliederen. Het is nog steeds een van Alice’s best verkochte nummers en op tal van verzamelcd’s terug te vinden.

Haar volgende project is Gioielli Rubati-Alice canta Battiato, een soort Battiato songbook. De single Luna Indiana, met als onderliggend thema Beethoven’s Mondscheinsonate, werd een Europese hit en kreeg in Italië de Premio Tenco award. “Op het hoogtepunt van je succes moet je je roer omgooien” is een mooie gedachte, maar dat durft bijna niemand. Alice had daar geen enkele moeite mee, want in 1987 zet ze een totaal ander geluid neer, andere samenwerking – met Francesco Messina (keyboards, arrangementen, producer) en een band bestaande uit niemand minder dan: Bassist Tony Levin (Bekend van Peter Gabriel en King Crimson), drummer Jerry Marotta (idem), gitarist Phil Manzanera (bekend van Roxy Music) en dan ook toch nog een Italiaanse musicus: Michele Fedrigotti (keyboards). Het album Park Hotel bestaat vooral uit ballads, vaak met melancholieke en sfeervolle muziek. De diverse singles van de plaat trokken de aandacht wereldwijd en het betekende haar doorbraak in Japan.

Elisir (1987) was een soort verzamelalbum met bekende nummers, maar dan wel bijna allemaal bewerkt. Elisir ontving de Golden Europe Award voor beste verkopen in Duitsland (!). Vanwege het succes in Japan wordt de plaat ook daar uitgebracht, maar dan als Kusamakura. Alice’s voorliefde voor klassieke componisten komt tot uiting in Mélodie Passagère, een deels instrumentaal album met bewerkingen van stukken van Fauré, Satie en Ravel. Opgenomen met alleen Fedrigotti en haarzelf op keyboards. De laatste drie platen blijken een opmaat voor Il Sole Nella Pioggia (de zon en de regen) uit 1989. Het is een prachtig, experimenteel album, met rock- ,klassieke- en ambient invloeden. Meer nog dan Park Hotel gaat deze plaat over sferen en muziekbeelden. Niet vreemd met een band, die bestaat uit de uit David Sylvian’s band afkomstige Steve Jansen (drums), Richard Barbieri (keyboards) en Ian Maidman (gitaar), trompettist Jon Hassell (bekend van zijn eigen Fourth World muziek en de samenwerking met Brian Eno en – daar is hij weer - Sylvian), Peter Hammill (zang – geen verdere introductie nodig), Kudsi Erguner (ney – Turks muzikant die in deze periode plotseling heel populair is in de Westerse muziek), Dave Gregory (bekend van de band XTC – gitaar) en dan toch gelukkig ook weer een Italiaan: jazzmuzikant Paolo Fresu (trompet, bugel). Alice werkt op deze plaat opnieuw samen met Messina en zet samen met hem een bijzonder, karakteristiek werk neer. In de a-capella gezongen track Orléans laat Alice horen niets van haar oude stembereik te hebben ingeleverd. Il Sole Nella Pioggia is duidelijk het hoogtepunt van haar werk, daarna wordt het stil.

De stilte wordt drie jaar later verbroken door Mezzogiorno sulle Alpi; een plaat in het verlengde van Il Sole Nella Pioggia. Opnieuw aanwezig zijn Jansen, Barbieri en Gregory; nieuw zijn Danny Thompson (contrabas, uit de folk, maar ook uit weer de Sylvianhoek); Gavin Harrison (drums – bekend van Porcupine Tree) en Jakko Jakszyk (multi-instrumentalist – bekend van multiple samenwerkingen). De verkopen vielen tegen, de tournee echter was een groot succes. Omdat de plaat niet liep weigerde EMI de volgende plaat, bestaande uit arrangementen voor het Toscanini Simfonie Orkest van werk van onder andere Fauré, Ives, Saint-Saëns uit te brengen. Tot op de dag van vandaag ligt die mastertape ergens te verstoffen. Daarnaast bracht EMI wel een verzamelplaat uit zonder toestemming van Alice, reden dus om de samenwerking te verbreken. In 1995 tekent Alice voor vijf jaar bij WEA/Warner. De eerste, nieuwe plaat is Charade, een logisch vervolg op Mezzogiorno sulle Alpi. Ook hier weer de Britten als hulp: Trey Gunn (stick – bekend van King Crimson), Stuart Gordon (viool – oud collega van Hammill) en het California Guitar Trio (die toen platen uitbrachten op het label van King Crimson’s Robert Fripp). Meer dan de vorige plaat heerst de drummachine die in deze periode de dan populaire dansritmes en – klanken genereert. Niet dat het een dansplaat is, daarvoor is die te ingetogen. De logische tournee na de plaat is met opnieuw een vooral Engelse band: drummer Jansen, Robby Aceto (gitaar), Mick Karn (bas – uit de groep Japan, en dat was weer de groep van Sylvian, Jansen, Barbieri en Sylvian) en niets met deze reeks te maken hebbende Ben Coleman (viool).

Het is Alice’s laatste grote tournee. Daarna neemt ze opnieuw rust, werkt hier en daar mee aan kleine projecten en komt in 1998 met een nieuwe plaat: Exit. Het is een vrolijke, dansbare plaat met echte liedjes en sluit aan bij de danscultuur van dat moment. Met God is my DJ probeert Alice opnieuw haar (klassieke) voorkeuren voor een groter publiek te krijgen, een zeskoppige niet versterkte groep speelt uiteenlopende werken van: Arvo Pärt, Gavin Bryars, David Crosby, de Duitse krautrockband Popol Vuh, Battiato; aangevuld met hymnen uit de elfde en veertiende eeuw. Genoeg variatie bij Alice! In de lente van 2000 treedt Alice opnieuw op tijdens het San Remofestival, nu in de categorie veteranen. Haar lied "Il giorno dell'indipendenza" brengt naar tot een negende plek, maar eigenlijk is zo’n wedstrijd na zo’n carrière onzin. Het nummer wordt handig gebruikt voor een nieuwe compilatie-cd: Jukebox. Eigenwijs als altijd, met bewerkingen van de oude nummers en ook meteen maar een paar nieuwe erbij, waaronder haar versie van This is Not America, het succesnummer van David Bowie en Pat Metheny. Gedoe met Warner (hebben we dat niet al eens vaker gehoord) zorgt ervoor dat een ode aan vroege Italiaanse zangers/componisten, Le Parole del Giorno Prima, met enige moeite van de grond komt. Later buigt ze de rode draad om richting poëzie en componisten en voegt ze werk van Pete Sinfield (King Crimson) en Syd Barrett (Pink Floyd) toe. Uiteindelijk komt het project als Viaggio in Italia (2003) uit op een onafhankelijk label en voor het eerst sinds jaren bereikt ze daarmee de Top20. “Haha Warner” zal ze gedacht hebben. Vanaf 2006 tot 2012 speelt ze met een kleine band (Jansen, Marco Pancaldi en Alberto Tafuri) elementen van haar oeuvre in een project genaamd La Strada; daarvan komt in 2009 een live-cd uit.

Vorig jaar (2012) verrast Alice met een nieuw album: Samsara, negen jaar na haar vorige plaat en veertien jaar na een plaat met eigen werk. Het is een zorgvuldig samengestelde plaat met twaalf, nummers; de meeste door haarzelf geschreven; een is er van Battiato. Opnieuw is Steven Jansen present, net als Francesco Messina. Nieuw is Marco Guarnerio; de orkestarrangementen zijn geschreven door Tafuri. De inmiddels negenenvijftig jarige Alice lijkt op haar nieuwe cd springlevend en even jong als toen ze zeventien was, maar als je goed naar haar kijkt bij het interview op haar website bij deze cd, zie je toch wel een zekere levenservaring in het gezicht met die mooie ogen. Daar kun je in kijken, maar haar stem is haar echte grote geheim, als je die eenmaal gehoord hebt, heb je de zon gehoord die de regen verdrijft.