Lichtspel met de Zee

Speel met licht en geluid, met zon, zee en strand, met een zuchtje wind en de rimpeling van het water, de lichtval van de zon op de golven, het kabbelen van de golven die af en aan spoelen en dat alles in een setting aan het begin van vorige eeuw waar paraplu’s gebruikt werden tegen de zon en mensen er stijfjes gekleed bijliepen. Fransman Claude-Achille Debussy (22 augustus 1862 – 25 maart 1918) kon zeer lichtvoetig omgaan met klanken. Geïnspireerd door het Indonesisch klanktapijt van gamelan en gong kebyar sprak hij: ‘Klanken zijn een impressie, een indruk van wat het oog ziet. Maar elke keer verandert de situatie, dus ook de klank”. Impressionisme op en top en daarmee veel luchtiger dan het ‘bombastische’ geweld uit klassieke, lees Wagneriaanse, hoek. Debussy zette zich terecht in voor een geheel andere kijk op muziek.

Mijn eerste Debussyplaat was deze met la Mer en Nocturnes, uitgevoerd oor het Concertgebouworkest onder leiding van Eduard van Beinum. Een prachtige uitvoering, die ik nu hier en daar misschien iets te snel vind, maar ik kreeg er toen vaak kippenvel van. La Mer werd voor het eerst uitgevoerd in 1905, in dezelfde maand dat zijn dochter geboren werd. De drie symfonische schetsen zijn onder andere geïnspireerd op De Golf van Hokusai, de Japanse houtsnedekunstenaar. Debussy vroeg die afbeelding op de voorzijde van de partituur of uitvoering, maar daar is zowel in latere lp- als cd-uitvoeringen weinig van terecht gekomen. La Mer bestaat uit drie delen: De l’aube à midi sur la mer (van dageraad tot middag aan zee); Jeux de vagues (spel van het ronddwalen, bedoeld de golven) en Dialogue du vent et de la mer (gesprek tussen de wind en de zee).

De muziek in La Mer is constant in beweging, kabbelt, is vluchtig, schittert; je hoort de zon opkomen, je ziet bijna voor je hoe de wind met de golfjes speelt; de muziek illustreert dat weergaloos. Anders dan andere klassieke werken is de vorm niet meteen duidelijk. Dat was ook iets waar men indertijd moeite mee had; er zat niet echt een kop en staart aan. Het tweede drieluik, de Nocturnes, waren een zware bevalling, ‘moeilijker dan de hele Pelléas et Mélissande opera bij elkaar vond Debussy. Hij begon er al aan in de jaren negentig van twee eeuwen geleden. Eerst werden ze Trois scènes au crépuscule (drie stukken in de schemering) genoemd; geïnspireerd door een gedicht van Henri de Regnier. In 1894 verbouwde hij alles tot een stuk voor viool en orkest. Daarna kreeg het de vorm die het nu heeft, bestaande uit Nuages (wolken – en studie in grijs volgens Debussy), Fêtes (feesten) en Sirènes (Sirenen).

In Nuages horen we wolken langsdrijven, uit elkaar vallen, opnieuw opbouwen, in een andere vorm ontstaan, kleuren veranderen, grijstinten naar wit toe. Feest is vrolijker, lichtvoetig de muziek danst in het rond en is vermoedelijk geïnspireerd op de Franse folkloristische muziek. In Sirènes wordt gedoeld op de Sirenen, de vrouwen die met hun prachtige zang argeloze zeemannen ten onder brachten. Volgens Debussy verhaalt dit deel over het ritme van de zee, de golven gehuld in maanlicht als plotseling de mysterieuze klanken van de Sirenen klinken.

Debussy was duidelijk visueel ingesteld. Het goede, voor ons, is dat hij dat ook vertaalde naar muziek. Vreemd is eigenlijk dat zijn muziek maar zelden wordt uitgevoerd. Er zijn hele series met klassiek en wat moderner klassiek, maar Debussy valt altijd tussen de wal en het schip. Jaren heb ik concertreeksen bezocht, maar La Mer heb ik nooit gehoord. De reden is mij niet duidelijk. Modern is het niet te noemen, experimenteel ook niet. Lastig? Natuurlijk, maar dat is meer muziek. Misschien is de betovering te sterk?

De recente cd-uitgave heeft nog een drieluik extra: Images pour Orchestre, bestaande uit Gigues, Ibéria en Rondes de Printemps in een glorieuze mono uitvoering. De drie delen zijn een eerbetoon aan diverse landen. Gigues doelt op Engeland, Ibéria op Spanje en Rondes op zijn eigen land, Frankrijk. Opnieuw sfeervolle stukken, met delen folklore in de partituur. Leuk die eerbetonen, maar nu wordt het echter tijd voor een eerbetoon aan Debussy zelf. De laatste tijd verschijnen er diverse dozen met zijn complete werk om zijn honderdvijftigste geboortedag te herdenken. Leuk en aardig, maar nu uitvoeren nog en minstens op het zeldzaam hoge niveau als dat van Eduard van Beinum.