Broeierige Tuintrip

Geluiden in de nacht in de tuin. Natuurlijk is het dan zomer en is er van alles te horen. Wellicht is het een wat broeierige sfeer door de warmte, je ruikt de geuren van de bloeiende bloemen en op het dak zingt een merel het hoogste lied. Het wordt allemaal anders als we niet in de tuin thuis zijn, maar in een specifieke tuin in Spanje, Granada, om precies te zijn. Daar worden we bedwelmd door de geuren van seringen, sinaasappelbomen en rozen. Kleine stroompjes kabbelen uit bronnen en fonteinen. Op de achtergrond klinkt gitaarmuziek en wordt er gefeest, de zwoele wind blaast het geluid steeds af en aan. Als we er niet naar toe kunnen, kunnen we natuurlijk ook gewoon een boek lezen om te weten hoe het er in Granada’s tuinen toegaat.

Dat is precies wat Manuel de Falla (1876-1946) ook deed toen hij zijn werk ‘Noches en los jardines de España’ (Nachten in de tuinen van Spanje) componeerde. Hij woonde toen in Parijs en was zelfs nog nooit in Granada geweest. Dat de Falla het werk componeerde was puur toeval. Tijdens een van zijn wandelingen viel zijn oog op een goedkoop boekje over die tuinen van Granada. Tuinen met een rijke historie en verhalen over de harem van de koning. Je zou er rode oren van krijgen. Eenmaal begonnen met lezen was er bij de Falla dan ook geen houden meer aan en zo bleef hij de hele nacht op, lezend in het boek. De componist in hem vond dat er een werk gemaakt moest worden van al die impressies die hij had opgedaan en aldus geschiedde.


De Falla werkte van 1909 tot 1915 aan zijn stuk. In eerste instantie was het een nocturne voor piano, maar later bewerkte hij het voor een kleine bezetting naast de solopiano: drie fluiten, piccolo, twee hobo’s, Engelse hoorn, twee klarinetten en twee fagotten, vier hoorns, twee trompetten, drie trombones, tuba, percussie, celesta, harp en een vlucht violen.

Even een uitstapje: Een nocturne (komt van het Latijnse nocturnus, 'nachtelijk') is een muzikale compositie die geïnspireerd is op de sfeer van de nacht, een romantisch of dromerig geheel. De Ierse componist John Field (1782-1837) was de eerste die onder deze benaming muziek schreef en geldt als de grondlegger van het genre (aldus Wikipedia).

Ricardo Viñes, de beroemde Catalaanse pianist, die veel werk van Claude Debussy en Maurice Ravel in zijn thuisland liet horen, suggereerde de Falla, na het horen van enkele pianofragmenten, het stuk te bewerken voor klein orkest. De Falla zag wel wat in de suggestie, maar dat kwam de vaart van het schrijven van het stuk niet ten goede. Dat had niet alleen met de bewerking te maken. De Falla was inmiddels bekend aan het worden, zeker na het succes van zijn opera La Vida Breve (1913). Daarnaast was hij vooral bezig met zijn wellicht bekendste werk: El Amor Brujo; ook al zo’n werk vol met Spaanse klanken en ritmes.

Bij het uitbreken van de oorlog (1914) vluchtte de Falla naar Spanje. Eenmaal in Spanje bezocht hij met een vriendin, ene Maria Martínez Sierra, dan eindelijk Granada. Zij merkte fijntjes op dat de Falla genoot van de sfeer; de sfeer die hij zo goed kende uit het boek en die dus precies zo bleek te zijn als hij het in het verre Parijs bedacht had.

De Falla woonde eerst een tijdje en Madrid, maar verhuisde later naar Sitges, een kleine plaats aan het strand in de buurt van Barcelona. Daar werkte hij dagelijks om zijn ‘Noches’ af te krijgen. Daarbij maakte hij zelfs gebruik van een ontstemde piano in het huis van een vriend van hem, de schilder Santiago Rusiñol. Prettige bijkomstigheid was dat het huis vol hing met schilderijen van bloemen en Spaanse tuinen. Uiteindelijk was hij pas in 1915 klaar. Volgens de normen is het geen concert voor piano en orkest, eigenlijk is het volgens de Falla niet meer dan een ‘verzameling symfonische impressies’, waarbij de piano als het ware opgaat in de klanken van het orkest. Veel van de muziek uit ‘Noches en los jardines de España’ is terug te voeren naar de authentieke, folkloristische muziek van Andalusië en dat is niet heel toevallig de plek waar de Falla geboren is.

Voor een man van Spaanse afkomst, wonend in Parijs, was het Spaans getinte stuk behoorlijk gekleurd door de invloed van de klangfarben van een andere componist: Claude Debussy. Dat is te horen in de vele lagen, de transparantie en het gebruik van instrumenten op de achtergrond Daarnaast is er nog duidelijk een invloed, vooral in de ritmesectie, van die andere bekende Spaanse componist: Maurice Ravel. Zowel Debussy als Ravel woonden, net als de Falla, in Parijs en de heren hadden regelmatig contact met elkaar.
Niet dat dat de Falla die verwijzing naar de impressionistische muziek van Debussy iets kon schelen, het maakte hem niets uit om in een hokje gestopt te worden. De muziek die hij had geschreven was volgens de geldende normen geschreven, maar wel met als extra doel een sensatie van enige melancholie of het mysterie van de tuinen op te roepen; wellicht zelfs eenzelfde sensatie die hij had na het lezen van het boekje.

De Spaanse componist Joaquín Turina voelde dat allemaal wellicht iets te haarfijn aan: ‘het is een van de meest tragische en verdrietigste werken gevuld met een intiem en passievol drama’. Dat klinkt best heftig als je het hebt over de beelden van een Spaanse tuin die opgeroepen worden door muziek. Maar gelukkig maakt iedereen zijn eigen ‘film voor je oren’.
Muziekcriticus George Jean Aubry (1882-1950) vond: “dat de Falla Spanje goed ‘geschilderd’ (alweer die klangfarben) had en duidelijk de meest verborgen emotie aan het oppervlak liet komen. Het stuk was bovendien prachtig gekleurd door licht en schaduw.“ Dat klinkt al iets neutraler gelukkig.

‘Noches en los jardines de España’ duurt rond de vijfentwintig minuten en bestaat uit drie delen; drie tuinen als het ware. In de eerste tuin, ‘En el Generalife’ (afgeleid van Jenna al Arif, de bouwer van het lustoord, de haremtuin), mogen wij, net als de dames van de harem van de koning in Alhambra, genieten van de zomergeuren van de jasmijn. Ook Alexander Dumas had iets met deze tuin: “Nergens zie je zo veel watervalletjes, bronnen, rozen, jasmijnen en sinaasappelbomen dan hier.” Dat roept, als je er voor open staat, al voldoende beelden op voor een compositie natuurlijk.

Het tweede deel. ‘Danza Lejana’ (de verre dans), speelt zich af in een wat verderaf gelegen tuin; daar wordt gedanst. De hoofdrol voor de piano suggereert een passievolle flamenco-achtige gitaarstijl. Het geluid komt op uit de verte en verdwijnt dan bijna weer, alsof de wind het geluid meevoert. Het tweede en derde deel sluiten op elkaar aan zonder pauze. Dat gebeurt door een tremolo van de violen in het hoogste register.

Het derde deel, ‘En los jardines de la Sierra de Córdoba’ (in de tuinen van de Sierra de Cordoba) is het feest. Daar is het ‘Zambia Gaetano’ nachtfestival (opgedragen aan het lichaam van Christus) aan de gang, vol met klanken en dansen van de Sinti. Stel je naast de dansers, de danseressen en de muzikanten ook een lange tafel onder de bomen voor met daarop spijs en drank. De nacht is lang en langzamerhand worden de dansers moe, de gitaarspelers missen soms een aanslag door de pijn in hun polsen. Maar deze nacht is wild geweest, vol temperament, bij tijd en wijle orgastisch zelfs. Het beeld is helder, maar evengoed zou het een droom kunnen zijn.

Tenminste dat is één verhaal. Er is een andere versie die vertelt dat er in de tuinen van de Sierra de Córdoba een bijzondere inwoner leefde, de Sufi-filosoof Ibn Masarra. De dansen in het derde deel zouden dus ook Sufi-dansen kunnen zijn. Gezien de opzet van het hele stuk en de vooral op Spanje gerichte aanpak lijkt mij het tweede verhaal echter minder waarschijnlijk.

De première van de tuinen in de Spaanse nacht was in Madrid, in Teatro Real, en wel op 9 april 1916. Het stuk was dan weliswaar opgedragen aan Ricardo Viñes, maar die speelde, net als de Falla, overigens ook een uitstekend pianist, niet tijdens de première. De pianist deze avond was José Cubiles; een jonge, talentvolle man uit Cadiz. Hij werd begeleid door het Orquesta Sinfónica de Madrid onder leiding van Enrique Fernández Arbós.
Viñes speelde, kort na de première, wel tijdens de eerste voorstelling in San Sebastián, overigens met hetzelfde orkest en dirigent. De bekende pianist Arthur Rubenstein zat die avond in de zaal en was zo onder de indruk dat hij het vervolgens zelf speelde in Buenos Aires.

De eerste keer dat het stuk in Parijs, uiteindelijk de bron, gespeeld werd was in januari 1920 met pianist Joaquín Nin onder leiding van Fernández Arbós. Ongeveer een jaar later was het stuk voor het eerst in Londen te horen in Queens’s Hall. Daar speelde de Falla zelf de pianopartij. Het stuk werd met triomf ontvangen.

In 1921 gaat de Falla ook wonen in Granada. Vanuit zijn huis kon hij, op de berg, het beroemde fort van Alhambra zien. De Falla is in deze periode een gevierd Spaans componist. Die rol kreeg hij min of meer in de schoot geworpen nadat eerst Isaac Albéniz was overleden (1909) gevolgd door zijn opvolger Enrique Granados (1916). Als je dan met Spaans stukken komt…
Die gevierde componist bleef hij, even dan, zijn afbeelding kwam zelfs terecht op het papieren 100-pesetas biljet. Inmiddels is het perspectief inmiddels wat bijgesteld en is hij ‘gewoon’ een van de betere Spaanse componisten, maar eerder een marginaal dan een centraal figuur.

Manuel de Falla y Matheu is geboren in Cadiz (1876). Als kind kreeg hij pianolessen van zijn moeder. Later nam Enrique Broca die rol over. Toen hij vijftien was verhuisde de familie naar Madrid, daar begon het echte muzikale werk en begon de Falla met het studeren van compositie. Dat deed hij bij Felipe Pedrell, een enorme nationalist. Het Spaanse element dat steeds weer terugkeert in de Falla’s muziek is zeker tot hem terug te voeren, al was de Falla nu niet bepaald een strijder voor het nationalisme. Hoe dan ook, door Pedrell kwam hij in aanraking me de muziek van Andalusië, vooral de flamenco en die invloed is duidelijk in de Falla’s muziek te horen. In 1899 won hij de eerste prijs in de categorie ‘piano’. In dezelfde periode schreef hij zijn eerste composities en koos hij voor een kortere naam; het stuk ‘y Matheu’ verdween en het werd voortaan: Manuel de Falla.

De Falla, vaak wordt het ‘de’ ook nog weggelaten, werd echt bekend met zijn opera in één acte: La Vida Breve; Het Korte Leven (1905, première in 1913).
In 1907 verhuisde de Falla naar Parijs en ontmoette daar, zoals gezegd, Debussy en Ravel, maar ook Paul Dukas, Isaac Albéniz, Sergei Diaghilev en Igor Strawinsky. Een rijke voedingsbodem dus. In 2014 keerde hij terug naar Madrid en schreef daar zijn beste werken, zoals het hier uitvoerig beschreven Noches en los jardines de España, de Siete Canciones Populares Españolas (dat zijn zeven populaire, Spaanse volksliederen) en El Amor Brujo (de/een betoverde liefde, 1915) met daarin de oh zo populaire ‘Danza Ritual del Fuego’ (De rituele vuurdans – door bijna iedereen gespeeld en uitgevoerd, zelfs door onze eigen klassieke-rockband Ekseption). De Falla’s populairste werk is zonder meer ‘El Sombrero de tres Pico’s’ (de driekantige/driehoekige hoed, 1917).

In 1921 verhuisde hij naar zijn geliefde Granada, daar schreef hij opnieuw een opera: 'El retablo de maese Pedro’(Meester Pedro/Peter’s poppenshow, 1926). In dit stuk rukt Strawinksy op ten koste van het Spaanse element; iets dat hem indertijd ook verweten is. De Falla begint in deze tijd aan een groot orkestwerk: Atlántida (Atlantis), maar dat kreeg hij niet meer af. In 1939 vertrok de Falla naar Argentinië, vooral omdat hij het niet eens was met het bewind van Gneraal Franco. Ondanks dat ontving hij in 1940 de ‘orde van Koning Alfonso X van Castilië’ en bood Franco hem een grote som geld als hij zou terugkeren naar Spanje. De Falla weigerde. Inmiddels had de Falla wat problemen met zijn gezondheid en was opnieuw verhuisd, ditmaal naar een kleine plaats in Argentinië: Alta Gracia. Zijn zus, Maria, verzorgde hem daar tot zijn dood (1946).

De Falla was erg introvert, leefde als een soort asceet en was nooit getrouwd. Ondanks zijn levend verzet keerde het lichaam van de Falla alsnog terug naar Spanje (1947). Daar werd hij bijgezet in de kathedraal van Cádiz. Postuum ontving hij een ‘Leerstoel in Muziek van de Faculteit van filosofie en Letteren’ aan de universiteit van Madrid.

Ik hou van tuinen, vooral het onverwachte pad, de plotselinge wending, het ongewisse. Dat heeft de Falla dan toch maar mooi weten te vangen. Nu doen we het dus met de erfenis van het spaarzame leven. Alicia de Larrocha met het London Philharmonic Orchestra onder leiding van Rafael Frühbeck de Burgos tovert de Spaanse tuinen in mijn huiskamer en ik moet zeggen, het is goed toeven in die tuinen en ik geniet van haar sublieme uitvoering. Met dank aan Manuel de Falla hoef ik geen beduimeld boekje te lezen, maar mag ik genieten van een virtuele, auditieve, broeierige tuintrip en dat zelfs in een koude, Hollandse winter.