Te Mooi

Om eerlijk te zijn, deze cd kocht ik voor maar twee nummers, samen zes minuten, de rest komt er als een soort bonus bij. Er is niets mis met Erik Satie; zijn muziek wordt zeer gewaardeerd, alhoewel er vaker discussies zijn over de snelheid van de uitvoering.

Satie (1866-1925) was een behoorlijk markant figuur die zich weinig aantrok van zijn omgeving en zijn eigen leefregels had. Zo richtte hij zijn eigen kerkgenootschap op. Veel werk dat hij schreef werd niet helemaal voor vol aangezien, ook al omdat hij het soms schreef voor honden (! - Relâche) of de titels bewust zo merkwaardig koos dat niemand wist wat je ervan moest denken. Veel werk was voor toneel en piano. Zijn piano-opleiding ging met stukken en beetjes omdat hij volgens de docenten niet voldoende capaciteiten had. In 1891 ontmoette hij Debussy; het leidde tot een levenslange vriendschap, alhoewel daar ook wel deuken in kwamen, maar beide heren waren niet makkelijk in de omgang. In 1916 ontmoet Satie schrijver Jean Cocteau en maakt samen met hem en Picasso een ballet: Parade, voor orkest en typemachine. Vreemd? Ach! Indertijd werd de eerste uitvoering een schandaal en Satie’s naam bekend.

Cocteau en Satie droegen een Franse muziekhouding uit, waardoor sommigen hem zagen als de nieuwe voorman. Dat leidde tot de Groupe de Six met jonge muzikanten: Darius Milhaud, Arthur Honegger, Francis Poulenc, Louis Durey, George Auric en Germaine Tailleferre. Dat Satie nu hen ‘leider’ was, nee. Veel muziek werd geschreven als musique d ’ameublement, muziek voor de meubels. Bedoeling van die muziek is om er bij te praten en van alles te doen, zonder er met aandacht naar te hoeven te luisteren. Daarmee is hij een voorloper van de muzak, maar meer voor de ambient music, die toch iets meer 'niveau' heeft dan de platte muzak. Zowel John Cage als Brian Eno verwijzen naar Satie als een bron voor hun composities. Ondanks zijn vele werken was Satie arm, vaak moest hij als barpianist zijn geld verdienen; hij stierf dan ook in armoe.

Na zijn dood werd hij niet populairder, gelukkig wordt Satie zo af en toe herontdekt. Eind jaren zeventig gebeurde dat door de Nederlandse pianist Reinbert de Leeuw. Zijn soms tergend langzame spel maakte van Satie’s muziek echt meubelmuziek, zijn uitvoeringen werden dan ook niet door iedereen gewaardeerd, maar een nieuw publiek was er weg van. Begin jaren negentig nam hij ze nog eens op en tot verbijstering van iedereen zelfs nog langzamer. Prachtig! Maar dat is een ander verhaal.

Op de cd van Satie met het New London Orchestra onder leiding van Ronald Corp staan naast Parade (realistisch ballet), Mercure (ballet), Relâche (ballet) en Trois Gnossiennes (pianostukken, hier bewerkt voor orkest door Corp). Allemaal prima stukken en idem uitgevoerd. En dan hebben we de krenten in de pap, de Trois Gymnopédies, ook voor piano (een van de stukken waarmee de Leeuw zo bekend werd). Twee van deze drie zijn de reden waarom ik deze cd kocht. Satie, niet zo’n begenadigd pianist dus, speelde de stukken op de piano thuis bij dirigent Gustav Doret (1896). Debussy was daar aanwezig en besloot de stukken te orkestreren; in ieder geval twee. Voor Debussy’s doen was hij daar heel snel mee, want al op 20 februari 1897 werden ze voor het eerst gespeeld. Daarmee begon een klein probleem. Debussy had namelijk eerst de derde en toen de eerste af, noemde ze nummer 1 en 2 en liet dat zo staan. Gevolg: Nummer 3 werd nummer 1 en nummer 1 nummer 3, maar was de drie de 2 als u het nog kan volgen. Verwarring alom natuurlijk, want vaak werd dat ook fout aangegeven. Gymnopédie 1 is de nummer 2 van Debussy en Gymnopédie 3 de nummer 1 van Debussy. En nummer 2, daar is hij nooit aan toe gekomen. Debussy was vaak gemakkelijk en kon maandenlang over een stuk doen, hij beklaagde zich vaak over zijn gezondheid en liet dan alles een beetje lopen. Nummer 2 is menigmaal bewerkt voor orkest en zo ook hier weer door Corp, die er wel een erg Debussiaanse stijl op na houdt. Waarom zijn deze stukken nu zo belangrijk? Simpel, luister erna en je bent verkocht. Gymnopédie 1 begint met harp en zachte gongs, vervolgens zachte strijkers en hoorns, de hobo neemt over, maar harp en gongs blijven steeds aanwezig. Daarmee creëert Debussy een onwerkelijke, mysterieuze, sprookjesachtige sfeer. Statig is een goed woord, sereen ook, maar vooral bloedstollend mooi; Grazioso. Nummer drie begint met koper, waarna de hobo het thema neerzet, in de verte – lijkt het – speelt het orkest. Fluit neemt over en meteen is daar dezelfde sfeer, heel duidelijk die van Debussy. Corp houdt zich aan deze regels en gebruikt ook harp en fluit. Hij heeft zich prima in de klankwereld ingeleefd, hier en daar veroorlooft hij zich een kleine uitschieter, teveel ‘forte in plaats van ‘piano’ of ‘pianissimo’ en wellicht ook te weinig ‘morendo’. Maakt niet uit, de andere twee compenseren alles; muziek voor zeer bijzondere momenten, soms iets té mooi zelfs.