Seems Like a Lifetime Ago

Wie kent Bill Bruford (17 mei 1949, Sevenoaks) eigenlijk niet? De gentleman drummer is een duizendpoot en duikt op allerlei muzikale plaatsen op. Als dertienjarige zag hij in 1962 Amerikaanse jazzdrummers op zaterdagavonden op BBC-TV; ze hadden blijkbaar al vroeg televisie thuis. Van zijn lieve zus kreeg hij brushes en aldus kon de carrière beginnen. Hij kreeg les, onder andere van de percussionist van The Royal Philharmonic, maar leerde zich zelf ook stijlen en handigheidjes aan, waardoor hij niet een heel ‘nette’ (in de zin van techniek) drummer werd. Als zeventienjarige speelde hij in The Breed, een plaatselijke R&B/Soul-band. In 1968 werd hij gevraagd voor Savoy Brown, maar slechts voor drie optredens. Vervolgens kwam de eerste grote uitdaging, de symfonische rockgroep Yes. Met die groep neemt hij onder andere Fragile, Close to the Edge en Yessongs op. In 1972 stapt hij plotseling op, omdat hij vindt dat hij in Yes niet meer kan groeien, daarnaast zijn er zoals vaker in bands onderlinge irritaties.

Tot Bruford’s eigen verbazing wordt hij gevraagd voor King Crimson, een groep waar iedereen tegenop keek vanwege de door Robert Fripp gestelde eisen en vaardigheden. Bij Yes kon je nog iets uitzoeken of leren, bij King Crimson moest je het gewoon al weten. Bij de Karmozijnen Koning ontmoet hij percussiespeler Jamie Muir. Muir heeft een enorme invloed op Bruford en laat hem soms letterlijk en fysiek kennismaken met andere mogelijkheden van slagwerk en percussie; er gingen daardoor heel wat deuren open. Met Crimson neemt hij onder andere Red op, met daarop de meest agressieve drumpartijen die ik ken. Verpletterend, nog steeds!

In 1974 ontbindt Fripp de band, hij was er even klaar mee. Bruford komt kort terecht in diverse bands, waaronder Gong, Roy Harper, Genesis en Brand X. In 1970 besluit hij solo te gaan en neemt Feels Good to Me op. Die solo krijgt vervolg in One of a Kind, Rock Goes to college, Gradually Going Tornado en Bruford Tapes. Allemaal prima albums, maar geen enkele is zo goed als de eerste. Daar kom ik aan het eind op terug! Van 1977-1978 is hij lid van de ‘supergroep’ UK, met daarin John Wetton (King Crimson), Eddie Jobson (net weg bij Zappa) en Allan Holdsworth (Soft Machine). In 1981 vraagt Fripp, die er nu weer zin in heeft, om in de nieuwe King Crimson te komen slagwerken, iets dat hij met veel plezier doet tot 1984 en Fripp de band opnieuw ontbindt. Bruford keert vervolgens even kort terug bij Yes (1991) en op het Yes-album Union. En, ja hoor, in 1994 start de King voor de derde keer en is Bruford weer van de (slag-)partij. Het duurde dit keer maar kort, want hij vond dat de oefeningen nergens heen gingen.

Opnieuw tijd voor solowerk dan maar. De groep Earthworks ontstaat in 1985 en duurt in aanvang tot 1993, waarna er een doorstart is met andere musici tot 2007. In Earthworks experimenteert hij veel met elektronisch slagwerk, iets waar hij lang niets van moest hebben. Later keert hij toch weer terug naar de ‘echte’ drumset. Parallel aan die groep geeft hij solo-, duo- en andere concerten, waaronder met The New Percussion Group of Amsterdam en geeft bovendien drumclinics. Vanaf 2009 stopt hij met zowel live spelen als studio-opnamen en schrijft zijn biografie. Ondanks dat is hij af en toe nog te zien als drummer bij Ann Bailey’s Soul House; eens een drummer…

Terug naar Feels Good to Me. De plaat is gemaakt met Allan Holdsworth (gitaar), Dave Stewart (keyboards), Jeff Berlin (bas) en Annette Peacock (stem). Gasten zijn Kenny wheeler (bugel) en John Goodsall (gitaar). De plaat werd geproduceerd door Robin Lumley en Bruford. Een soort van Canterbury (Holdsworth en Stewart) meets Brand X (Goodsall en Lumley). Berlin was een vrij onbekende bassist, Kenny Wheeler daarentegen zeer bekend, maar wel in de jazzwereld. Annette, ja Annette, dat is een wereld apart. Feels Good zou je kunnen laten vallen onder de noemer rockjazz, jazzrock, fusion en soortgelijke benamingen, maar net zo goed onder klassieke percussie en softjazz. Daarmee meteen maar aangevend dat dat geen zin heeft. Bruford slaagt erin de plaat boeiend te houden tot het eind en dat is al knap op zich, immers met al die technisch zeer vaardige spelers kun je wel eens de muziek vergeten. Hij houdt het spannend door grote afwisseling in stijlen, sferen en deviante maatsoorten die om je oren vliegen. Als je Zappa gewend bent is dit overigens een welkome aanvulling. Holdsworth die ellenlang, supersnel kan soleren houdt zich aardig in, of wordt ingehouden, Stewart leeft zich helemaal uit in spel en arrangementen, maar houdt het beschaafd Engels. Bruford, het is tenslotte zijn soloplaatje, leeft zich uit in gestemde drums, maar ook in een rijk percussiescala en ‘vibes’. De bekkens zijn prachtig opgenomen door Steve W. Tayler (with an ‘e’ en vaste technicus van: Brand X), ze ruisen je oren binnen. Meest opvallende verschijning is zowel visueel als auditief: Annette (links). Haar zangstijl is omfloerst, zwoel, verleidelijk (zet de koptelefoon maar eens op), ze brengt een extra spanningslaag aan bovenop de muziek waardoor die nog eens uitstijgt boven het toch al hoge niveau. Je moet er even aan wennen, maar dan… Ook Wheeler brengt een eigen sfeer met zich mee, hij laat zich vooral horen in de wat langzamere stukken. Feels good to Me, voelt ook goed voor mij, het is een schitterende plaat; soms heb je van die zeldzame enkelingen en dit is er één van. In de tijd dat de plaat uitkwam at ik vaak Fisherman’s Friends, die pittige zuigtabletten. Deze plaat is daar voor mij altijd aan verbonden; Pavlov reactie natuurlijk. Maar inmiddels: Seems like a lifetime ago.