Schaduwkracht

De titel is voldoende: Primitive Guitars. Tel daarbij de Javaans aandoende voorkant en de aandacht is gewekt. Bij mij dan. Phil Manzanera kende ik alleen als gitarist van Roxy Music; een band die voornamelijk ‘geinig’ was, maar in mijn optiek te weinig diepgang vertoonde. Een aantal musici uit die band zijn individueel beter geworden dan de som der delen. Met name Brian Eno, de uiterst extravagante keyboardspeler en in mindere mate Phil Manzanera. Hij is weliswaar een gitarist met een eigen visie, maar speelt het best met of bij of in dienst van anderen.

Philip Geoffrey Targett-Adams (1951- ) is de zoon van een Colombiaanse moeder en een Engelse vader. Zijn jeugd brengt hij vooral door in Zuid-Amerika, Hawaii en Cuba. Por Dios, wat een jeugd is dat. Rond zijn zesde laat hij een voorkeur blijken voor de gitaar van zijn moeder en vanaf die dag is de gitaar zijn instrument. In eerste instantie leert hij Cubaanse revolutionaire liederen spelen, maar vanaf zijn achtste trekt het geluid van de elektrische gitaar, door vooral de rock’n roll in die tijd, hem en probeert hij die rock-achtige dingen na te spelen. De mix van rock, salsa, merengue, boleros en andere exotische varianten is nu nog in zijn spel terug te vinden. Rond zijn twintigste en inmiddels in Londen gehuisvest begint Manzanera een band met vriend, bassist Bill MacCormick (hij zou later gaan spelen in Robert Wyatt’s Matching Mole) en vriend, drummer Charles Hayward (die bekend zou worden van This Heat). De psychedelische Pooh & The Ostrich Feather werd Quiet Sun door het aantrekken van nieuwe lid Dave Jarrett (keyboards). Pas jaren later (1975) kwam er muziek van deze band uit: Mainstream. Het geluid doet sterk denken aan Soft Machine; in die zin is het niet vreemd dat MacCormick later met Robert Wyatt zou gaan samenwerken.

In oktober 1971 reageert Manzanera op een oproep voor een ‘perfect guitarist’ bij de net opgerichte Roxy Music. Uit de twintig kandidaten wordt echter David O’List gekozen. O’List was de ex-gitarist van de bekende Engelse band The Nice. Manzanera mocht trouwens wel blijven, maar als roadie. Hij accepteerde die baan ook nog. Een paar maanden later stapt O’List, na een onenigheid met Roxy’s drummer Paul Thompson, plotseling op. Manzanera die uitgenodigd is om bij Roxy Music geluidsmixer te worden, mag daarom onverwacht voor hem invallen. Hij verbaast iedereen met zijn kennis, want inmiddels had hij alle songs van Roxy Music al leren spelen. Dit keer wordt hij wel aangenomen; hij is dan tweeëntwintig. In 1972 bestaat Roxy Music uit Bryan Ferry (zang), Brian Eno (keyboards) , Paul Thompson (drums) , Andy Mackay (saxen) en Graham Simpson (bas). Tot 1983 is Manzanera gitarist van Roxy Music, toch een beetje de showcase van Ferry, en helpt mee aan vele succesvolle albums, waaronder: Stranded, Country Life, Siren, Manifesto, Flesh & Blood en Avalon. Daarbij was hij medeschrijver van een tiental nummers, Ferry was per definitie dé schrijver.

Als Manzanera niet druk is met Roxy Music heeft hij tijd voor het opnemen van eigen werk, of het produceren van andermans platen. Tijdens een tournee staat de Australische band Split Enz. in hun voorprogramma en Manzanera biedt aan hun tweede plaat te produceren. Niet dat dat veel oplevert, hun succes zou pas later komen en nog meer en later als Crowded House. In 1975 brengt hij eindelijk zijn eerst eigen plaat uit: Diamond Head. Op dat album speelt een scala een Roxy Music verwante artiesten. Met uitzondering van Ferry treffen we aan: Eno, Mackay, Thompson, Eddie Jobson (de opvolger van Eno) en John Wetton (ex King Crimson en invaller bij Roxy). Speciale gasten zijn Robert Wyatt (gastvocalist in het Spaans) en alle ex Quiet Sun-leden. Het is een goed, maar wat wisselend album. Manzanera speelt uitstekend gitaar en laat horen wat hij kan, maar de verschillende zangstemmen en – stijlen van Wyatt, Eno en Wetton zorgen er jammer genoeg niet voor dat het album een homogene eenheid wordt.

In 1976 speelt Manzanera met een gelegenheidsband, genaamd 801 - de naam komt uit een song van Eno - tijdens het Reading Festival in Norfolk. Eno, MacCormick, Francis Monkman (Keyboardspeler in Curved Air), de negentienjarige Simon Phillips (drums – daar zouden we nog veel van horen) en Lloyd Watson (slide-gitaar-gast van Roxy Music) spelen werk van de diverse leden, van Quiet Sun, Lennon en McCartney en The Kinks. De groep had succes en dus werd het concert op plaat gezet: 801-Live. Het album bleek minder succesvol. De Punk heerste, maar vooral gaf het bij mij het idee meer een verzamelalbum te zijn; het geheel kwam – alweer - wat rommelig over. Manzanera had nog niet echt zijn echte draai of stijl gevonden, vond ik. Gezien het live-succes lag een opvolger voor de hand, dat werd Listen Now (1977). Die werd met een reeks gasten opgenomen in de studio. Succes? Nee! Dus werd de groep opgeheven. Het materiaal dat klaarlag voor de tweede 801-studioplaat kwam nu terecht op de tweede Manzanera soloplaat: K-Scope. Echter kort na het uitkomen ervan (1978) werd Roxy Music weer geactiveerd en kwam er weinig van promotie en daarmee weinig van succes.

Om zijn tiende verjaardag als professioneel muzikant te vieren maakt Manzanera het album Primitive Guitars (1982). Het een volledig instrumentale plaat, door hem alleen gemaakt (bijna dan, op één nummer doet Wetton mee op bas). Dat had hij beter eerder kunnen doen, want nu is voor het eerst zijn eigen ‘stem’ te horen. In het inlegvelletje legt hij uit: “Ik had op gitaar altijd al willen klinken als het orgel van Mike Ratledge (Soft Machine) of de altsax van Charlie Parker of de contrabas van Charles Mingus”. Op deze plaat komt dat scala geluiden langs, geproduceerd oor de gitaar en begeleid door een ritmebox. Wat ook langskomt is muziek uit zijn jeugdjaren. Daarmee is Primitive Guitars een boeiende mix aan gitaarklanken en historie. Om dat extra te benadrukken monteerde hij er kleine stukken gesprek in, opgenomen tijdens verschillende opnamesessies. Primitive Guitars heeft een eensluidende setting en is daarmee niet alleen goed of aangenaam, maar vooral coherent.

In 1983 was het voorbij met Roxy Music. De jaren opvolgend werkt Manzanera samen met tal van musici, waaronder Bob Dylan, Keith Richards, Jack Bruce, Brian May en na heel lange tijd ook weer met Bryan Ferry. Daarbij schuwt hij het reizen niet en duikt op allerlei plaatsen op in Europa, Zuid Amerika, Zuid-Afrika, Australië en Nieuw Zeeland. In 1999 maakt hij Vozero, een plaat waar hij voor het eerst zelf op zingt; kwestie van gewonnen vertrouwen. In 2001 heeft Manzanera een intermezzo in de vorm van een tweeënvijftig dagen durende en succesvolle reünietoer van Roxy Music. Manzanera heeft inmiddels een prachtige studio in Londen laten bouwen, alwaar hij tot de klantenkring mensen als Robert Wyatt, Eno, Anne Lennox, Kevin Ayers mag rekenen. Na enige tijd komen albums 6pm (2004) en 50 Minutes Later (2005) uit, ook weer met eigen zang.

Als inmiddels succesvol gitarist mag Manzanera opdraven tijdens Strat Pack, het feestje ter ere van de vijftigste verjaardag van de Fender Stratocaster gitaar (2005). Andere gitaristen zijn David Gilmour, Ron Wood (Stones) en Hank Marvin (die van The Shadows). In 2008 doet hij mee met een project met Brian Eno en David Byrne: Everything That Happens Will Happen Today. In datzelfde jaar komt een soort opvolger van Primitive Guitars uit: Firebird V11, genoemd naar de bijzonder gevormde Gibson gitaar die hij veelvuldig bespeelde in Roxy Music. Dit keer geen solistische gitaarplaat, maar plaat met een trio bestaande uit Hayward (drums), de Poolse jazzpianist Lezek Mozdzer en bassist Yaron Stavi (uit de Gilad Atzmon groep). Daarbij duiken - na achtendertig jaar - twee Quiet Sun stukken op. Net als Primitive Guitars is Firebird een meer dan uitstekend visitekaartje van Manzanera, waarbij hij zijn eigen, expressieve en gevarieerde stijl goed laat horen. De plaat is beter dan de drie voorgangers, koppelt muzikaal terug zelfs naar Quiet Sun en is in die zin samen met Mainstream en Primitive Guitars een beetje dé Manzaneraplaat. Het zal dan toch wel aan de zang liggen, oftewel Shut Up and Play Your Guitar.

Manzanera’s roots komen opnieuw terug in het Corroncho project, waarin hij samenwerkt met beeldhouwer Lucho Brieva en diens vrouw Chrissie Hynde (ooit de zangeres van de Pretenders) wat resulteert in een cd met diverse, vooral Latijns-Amerikaanse stijlen. De gasten zijn niet de minste: Robert Wyatt, Paul Thompson, Annie Lennox, Gilad Atzmon en Cubaan Aldo Lopez. In 2006 helpt hij David Gilmour met diens prachtige album On an Island en treedt met hem op tijdens Gilmour’s tournee door Europa. Hij is te zien als tweede gitarist in de diverse dvd’s die van de concerten gemaakt zijn, zoals Remember that Night en Live in Gdansk, waarvoor hij een extra rol heeft in de productie. Ook produceert hij de cd Hellville DeLuxe van Enrique Bunbury (2006), een plaat die nummer één wordt in Spanje en Mexico. Mooi voor hem én Manzanera, die daarmee eigenlijk opnieuw laat zien meer succes te hebben mét dan zonder. Een ideale kracht dus, maar vooral een in de schaduw.