"Feel da Riddim"

Pipecock Jackxon, ook wel The Upsetter, ook wel Scratch, ook wel Lee Perry genoemd: Rainford Hugh Perry (20 maart 1936) is een van de meest invloedrijke producers in de reggae- en dub scene. Werken wilde hij niet , hij was wel goed in het spel domino. Maar nadat vrienden met mooie kleding begonnen rond te lopen wilde hij ook wel aan het werk. Perry kocht een fiets zodat hij sneller bij de Dancehalls kon zijn. En belangrijke rol voor Perry’s muziek was een ervaring waarin hij stenen tegen elkaar aan gooide: de verschillende geluiden die dat opleverde waren fascinerend. Dit bleef hem bij en zou hij later gebruiken voor zijn geluidswereld.

Eind jaren vijftig verhuisde hij naar Kingston en wilde meteen werken in een muziekstudio. Duke Read had niemand nodig en Perry kwam terecht bij Clement ‘Coxsone’ Dodd. Hij kon er aan de slag als boodschappenjongen, maar als snel had hij de studio onder controle. In korte tijd nam hij talloze zangers en zangeressen op. Perry had een neus voor talent. Onenigheid maakte een eind aan de samenwerking. In de jaren zestig werkte Perry met Joe Gibbs, maar dat duurde ook niet lang. In 1968 begon hij voor zichzelf als The Upsetter en begon zijn eigen label: Upsetter Records. People Funny Boy was een van zijn eerste singles, met invloeden en samples van: kerkkoren, Afrika, Spaghetti Westerns en spionnenfilms.

De muziek en het ritme was de bakermat voor wat later reggae genoemd zou worden. De single verkocht meer dan zestigduizend exemplaren. Door dit succes kon hij verder groeien en experimenteren. Daarvoor richtte hij zijn eigen studioband, The Upsetters, op en verkocht zijn platen in the Upsetter Record Shop. Eind jaren zestig werkte hij met de bekende band The Wailers en Bob Marley. Perry probeerde van alles en nog wat uit in zijn studio, geluidsmixen (denk aan de steentjes), tapes splitsen en opnieuw monteren, van twee verschillende songs één nieuwe maken (het lijkt Zappa wel).

In 1973 kocht Perry een eigen huis voor zijn vrouw en kinderen en bouwde in het tuinhuis een complete studio: Black Ark. Daar werkte hij aan zijn eigen sound, een sound die afweek van die van alle andere studio’s. U-Roy, Dillinger en Augustus Pablo, Junior Marvin, the Congos wisten hem al snel te vinden. Perry nam de zang op en zocht dan naar de bijpassende riddim. Omdat hij altijd bezig was met riddims lagen die overal, hele stapels. Max Romeo: “Als ik er kwam met een song lag da riddim al klaar”. Het was ook een kwestie van economisch denken, want opnames mochten niet te duur zijn vond Perry.


Zoals vaak zit aan het succesverhaal een andere kant. Perry begon teveel te drinken, hij blowde zich vaak al wezenloos, maar met de drank erbij ging het snel bergaf. Zo kalkte Perry de hele studio onder met teksten en woorden en zette dan door elke A en E een X. Discipline heet dat, maar helemaal Ok is het ook niet. Geruchten gaan dat hij regelmatig achteruit liep en de grond beklopte met een hamer. Wat er verder precies gebeurde weet niemand, maar the Black Ark brandde af. Perry claimt dat hij die zelf in brand stak in een vlaag van woede en frustratie zodat hij vrij zou kunnen zijn.

Zonder vaste studio was het lastig opnemen. Perry werkte kort in zowel de USA als in Engeland. Daar ontmoette hij Adrian Sherwood en The Mad Professor (Neil Fraser). Door die samenwerking kwam Perry weer enigszins bij zijn positieven; hij besloot zelfs niet meer te drinken en te roken onder het motto: ‘had de muziek mij of ik de muziek?’ Hij had de muziek, dat bleek al snel.

In 1989 verhuisde hij naar Zwitserland, ontmoette Mireille en kreeg twee kinderen. In 2008 werkte hij opnieuw met Sherwood en maakte een plaat: The Mighty Upsetter en keerde daarmee terug naar zijn eigen stijl. Arkology is een prachtige set, met boekje en drie cd’s met daarop nieuwe of alternatieve mixen. Tracks van natuurlijk The Upsetters, maar ook Max Romeo, Congos, Heptones, Junior Murvin, Dillinger en Lee Perry zelf. Er hangt een hele waslijst aan muzikanten bij, wie heeft tenslotte niet met Perry gespeeld? Een paar: Robbie Shakespeare, Sly Dunbar, Earl Smith, Ernest Ranglin, Augustus Pablo. Om kort te gaan: Feel da riddim man!