Restless Child of Change

De wat gespannen kijkende jongeman met een twaalfsnarige elektrische gitaar die wordt ‘ingesponnen’ door een dame in een klein luipaardpakje maakt dat je nog eens goed kijkt wat er gebeurt. Ondertussen vertelt de muziek echter haar eigen wilde verhaal en ondanks de titel, The Wild Places, rijmt het niet met de visualisatie van het moment. Duncan Browne (1947-1993) maakte in zijn korte leven slechts een handvol platen; vier daarvan zijn inmiddels onverwachte hoogtepunten; de laatste twee - The Wild Places en Streets of Fire - zijn zeer geliefd bij de connaisseur.

Browne wilde eigenlijk, net als zijn vader, naar de Royal Air Force, maar zijn slechte gezondheid stak daar een stokje voor. Wat nu? Een carričre als acteur of als muzikant misschien? Hij had inmiddels klarinet leren spelen en had al vaker laten zien talent te hebben als toneelspeler. Als hij Bob Dylan ziet optreden laat hij de klarinet voor wat het is en stapt over naar de gitaar; koopt een goedkoop model en leert zichzelf spelen in de klassieke stijl. Tijdens de driejarige opleiding aan de London Academy of Music and Dramatic Art studeert Browne naast theater ook compositie- en harmonieleer. Zijn muzikale talenten komen meer en meer naar voren en docenten adviseren hem dan ook die richting uit te gaan. Browne ambieert nog steeds een carričre als toneelspeler, maar dat verandert halverwege de jaren zestig als hij samen met zijn toenmalige vriendin en de zanger/tekstschrijver Davey Morgan de folkgroep Lorel opricht. Andrew Loog Oldham, toen de manager van The Rolling Stones, hoort de groep en vraagt ze een plaat te maken voor zijn net opgerichte Immediate label. Lorel neemt een single op, gebaseerd op een motief van Bach. Helaas heeft Procol Harum precies hetzelfde motief gebruikt voor A Whiter Shade of Pale, met als gevolg dat Lorel’s single tot de dag van vandaag niet is uitgebracht. Toen een reden voor Morgan de band te verlaten en dat was dan Lorel. Oldham zorgt ervoor dat Browne een eigen plaat kan opnemen, alleen heeft die op dat moment weinig ervaring met het schrijven van songteksten en vraagt een kennis van de Academy, David Bretton, om hulp; hij wist dat Bretton gedichten schreef. Bretton en Browne gingen aan de slag, met als resultaat de plaat Give Me Take You (1968). De muziek daarop wordt vergeleken met werk van The Moody Blues, Van Morrison en The Zombies (vanwege de klassieke invloeden denk ik), maar heeft met het vooruitschrijdende inzicht het meest weg van Nick Drake (toen nog onbekend). Het is een prachtige, sfeervolle plaat, vooral akoestisch, beetje folk-achtig, introvert, romantisch met vleugen klassiek, melancholiek en onschuldig. Jammer voor Browne is dat Oldham al heel snel na het uitbrengen van Give Me Take You failliet wordt verklaard en de plaat, net als de single daarvan (On the Bombside), niet meer wordt gedistribueerd. Keith Emerson, toen nog van The Nice (later van Emerson, Lake & Palmer) kent de plaat, vindt vooral de arrangementen prachtig en vraagt Browne het nummer Hang on to a Dream van Tim Hardin te arrangeren voor The Nice. Dat doet hij zo goed dat hij wordt uitgenodigd tijdelijk mee te spelen. Later vraagt Emerson hem zelfs nog het vierde bandlid te worden, maar uiteindelijk wordt dat niets, omdat Emerson al bezig is met EL&P. Originele persingen van Give Me Take You op het Immediate label zijn nu collectors items waarvoor grof geld betaald wordt.

Browne en Bretton vertrekken naar Australië om te acteren in de film Zeit fúr Traume. Terug in Londen gaan ze hun eigen wegen, Bretton blijft acteren en Browne neemt een single op: Resurrection Joe (1970), echter zonder enig succes. In 1972 mag hij bij RAK Records, onder leiding van Mickie Most, een nieuwe single opnemen: Journey. De plaat wordt veel gedraaid, maar lijkt niet te verkopen. Weken later kruipt hij naar een zesentwintigste positie in de Top40. Pas een jaar later komt de volgende single: Send Me the Bill for your Friendship. Opnieuw een prachtige plaat en opnieuw geen vervolg. Browne lijkt nog steeds niet goed te weten wat hij wil. In 1973 komt de lp Duncan Browne uit, ook op RAK. Het is een regelrecht vervolg op Give Me Take You. Veel nummers zouden zo op die plaat kunnen staan. Anders zijn een paar wat rockachtige nummers waarop Browne ook elektrische gitaar speelt. Van deze plaat wordt nauwelijks notie genomen. daarom biedt Browne zich maar aan als sessiemuzikant bij Colin Blunstone (ex-zanger bij The Zombies). Zo doet hij mee op diens derde soloplaat genaamd Journey (1974).

Ergens in die zoekende periode ontmoet hij Peter Godwin met wie hij de band Metro opricht. Voor het Transatlantic label maken ze een lp (1977), simpel Metro genaamd. De muziek en de uitstraling van de heren doet denken aan Roxy Music , beetje glamour en wat ‘looks’ en wordt omschreven als “sophisticated pop-rock”. Criminal World, een van de sterkere tracks die regelmatig op radiozenders te horen is, wordt (veel later) opgepikt door niemand minder dan David Bowie die het in een eigen jasje steekt en op zijn succesvolle Let’s Dance lp zet (1983). Nu het succes met Metro lijkt te lonken besluit Browne echter op te stappen om het opnieuw solo te proberen! Metro gaat verder en maakt nog diverse platen, die weinig boeiend zijn.


Browne’s derde soloplaat, The Wild Places (1978) wordt een jaar later gevolgd door Streets of Fire. The Wild Places, met name de gelijknamige single, doet het vooral goed in Nederland, was een bescheiden hit, maar had elders weinig respons. Het beeld van de luipaardvrouw, Browne’s partner, blijft goed hangen, alhoewel hij er steeds een beetje onhandig en gespannen bij staat. Het plaatje moet goed verkopen tenslotte, maar de act met zijn vrouw als stoeipoes werkt niet echt. Dat Streets of Fire gemaakt is weet bijna niemand meer. Reden genoeg om te stoppen als solo-artiest. Browne blijft aan het werk als gast- of sessiemuzikant en treedt in die hoedanigheid op met The Return of the Zombies (1990). Zijn aandacht gaat ook weer naar het theater. Zo is hij de muzikale leider en medeschrijver van het stuk Brel, dat in Covent Garden’s Donmar Warehouse Theatre opgevoerd wordt. Begin jaren negentig wordt Browne geconfronteerd met kanker. Ondanks zijn strijd daar tegen overlijdt hij in de lente van 1993, slechts zesenveertig jaar.

Zijn platen worden gekoesterd door de kenners, zowel Give Me Take You als Duncan Browne, maar met name The Wild Places en Streets of Fire zijn veel gezochte albums bij Amerikaanse studenten en worden veelvuldig gedraaid op de eigen radiozenders van universiteiten, met als beschrijving “the voice that was about to launch a thousand romances”. Je zou beide platen als een geheel kunnen zien omdat ze niet alleen eenzelfde sfeer en geluid hebben, maar ook dezelfde musici. Omdat Browne steeds experimenteert met de stemming van zijn twaalfsnarige gitaar moeten de mensen die met hem werken behoorlijk kundig zijn. De band bestaat dan ook uit John Giblin (bas, bekend van o.a. Brand X, Kate Bush, Peter Gabriel, John Martyn), Simon Phillips (drums, bekend van o.a. The Who, Jeff Beck, 10CC, Roxy Music, Mick Jagger, Toto en Mike Oldfield) en Tony Hymas (keyboards, bekend van Jeff Beck, Jack Bruce en klassieke piano uitvoeringen van Debussy en Satie). Helemaal onbekend is de begeleidingsgroep niet ,twee van de drie, Giblin en Phillips, doen ook al mee bij Metro. Wild Places en Streets zijn niet alleen lp’s met mooie, melodieuze en melancholieke nummers, maar ook met pure jazzrock/fusion. Browne’s gitaar is op zijn verzoek handgebouwd en biedt naast een aantal technische snufjes de mogelijkheid tot stereogeluid. In een nummers als Camino Real, parts 1,2, 3 en Streets of Fire wordt dan ook alles uit die gitaar gehaald. Phillips en Giblin zorgen voor een stevige basis, waarop Hymas en Browne zich melodisch kunnen uitleven. Tel daarbij op de constante tempowisselingen en uitbarstingen en zet dat dan weer af tegen fluisterzachte tracks als Kisarazu, Roman Vecu en Nina Morena en je hebt de sfeer te pakken. Echt? Soms lijken het simpele liedjes, maar als je beter luistert merk je de laagjes op, de andere, ‘vreemde’ gitaarstemming, de toegevoegde achtergrondgeluiden. Dat alles maakt dat Streets of Fire en The Wild Places meer zijn dan de doorsnee platen; het is muziek voor liefhebbers, fijnproevers en verliefden. Terugkijkend lijkt Browne’s onrustige leven zich het best omschrijven als de titel van het laatste nummer: Restless Child of Change.