Prachtvolle, Mannelijke Snaren uit 2000
en verder weg

Met het predicaat ‘one of the strangest albums you ever will hear’ zit je bij mij meteen goed. Nu ken ik nogal wat strange, weirde en anderszins ‘uitvallende’ albums, maar toegegeven de hoes doet al iets en een titel als ‘a disappointed love with a desensitized robot’ doet wonderen. Daarmee duiken we in de Astro Sounds from Beyond the year 2000: a space odyssey in the beat of today, with far out sounds of tomorrow’s uncharted trip beyond the now generation. Klinkt erg jaren zestig en hip en dat is nog steeds altijd goed natuurlijk, want inmiddels zitten we in 2013 en daarmee middenin de galactische geluiden van morgen. Of toch niet? En wie of wat zijn die 101 Strings? Spring in de tijdmachine en surf mee naar de rockin’ fifties, want daar ligt de bron van dit vreemde album.

David Miller (1925-1985) had een platenmaatschappijtje, Essex. Een van de artiesten die hij voor dat label tekende was Bill Haley met zijn Comets. Zoals bekend had die een enorme hit met Rock Around the Clock en dat was voor velen hét begin van de rock’n roll. Miller werd navenant bekend en richtte ook Trans-World Records en Somerset Records op. Wie meedeint op de vaart der volkeren kijkt om zich heen om meer inkomsten te genereren. Miller was nogal onder de indruk van Mantovani, maar vooral van Jackie Gleason (1916-1987) een komediant, acteur en muzikant. Halverwege de jaren vijftig dacht Gleason dat er een markt was voor ‘mood music’. Mood music was " a musical wallpaper that should never be intrusive, but conductive" en bestond vooral uit “romantic instrumentals” die zonder uitzondering afgeleid waren van bekende, populaire deuntjes.

Hij had gelijk; zijn eerste release, Music for Lovers Only (1952) stond maar liefst honderd-drie-en-vijftig weken in de Billboard Top 100 – nog steeds het record - en er werden er meer dan één miljoen van verkocht. Daarna gingen de sluizen open en spoelden Lover’s Rhapsody, Music to Make you Misty, Tawny enzovoorts aan; allemaal met succes en de daarbij behorende miljoenenverkoop. Die jaren vijftig toch. Miller zag hier ook wel wat in (lees dollars) en huurde een deel van het Orchester des Nordwestdeutschen Rundfunks uit Hamburg, onder leiding van Wilhelm Stephan om ook van die leuke, lieve populaire deuntjes te spelen. Dat gebeurde in de goedkope momenten, als studio’s niet bezet waren of het orkest niets of weinig te doen had. Veel orkesten werden dan ingehuurd voor allerlei klusjes, zoals het inspelen van filmmuziek van porno tot elitair of als achtergrondje bij een scala aan artiesten. Miller had dus een goedkoop orkest. Hij noemde de groep 101 strings, dit naar aanleiding van het feit dat het orkest honderd-vier-en-twintig mannelijke (!) snarenstrijkers had en één harpiste. Logisch toch? De dame in het spel zal wel heel populair geweest zijn of een echte bitch.

Het eerste album verscheen in 1957, gevolgd door nog een honderdtal andere over een periode van zo’n dertig jaar. Ze werden verkocht op het Somerset-label van Miller. Hij perste ze in zijn eigen fabriek en verkocht ze op nogal ongewone plekken zoals de kruidenier, maar wel heel slim, want daar kwam zijn doelgroep. Net als bij Gleason hadden de platen thema’s, maar wel wat universeler. Elke plaat was voorzien van een passende voorkant in sfeer en stijl, een soort sjabloonopdruk met "The Sound of Magnificence" en een wat groezelige foto van het orkest. Het ging ook niet om de gezichten, al die mensen waren inwisselbaar tenslotte. Om de muziek een beetje cachet te geven, we hebben hier namelijk te maken met het fenomeen easy listening (echt een benaming uit die tijd), huurde Miller drie arrangeurs in: Monty Kelly, Joseph Kuhn en Robert Lowden. Elk had zo zijn eigen specialiteiten. Kelly begon als deskundige in Spaans en Latijns-Amerikaanse muziek maar kwam uiteindelijk uit in de ‘now sound’, maar dan zitten we al in de jaren zestig. Kuhn was de man van de blues en de simpele pop en Lowden van de ballades; hij was de eerste waarmee Miller in zee ging. Na de eerste worp werden de platen gewoon weer gerecycled, nieuw kaftje erom en hup weer bij de supermarkt neergezet.

In 1964 verkoopt Miller het product aan platenman Al Sherman die de 101 snaren uitgeeft op Alshire Records. De basis komt te liggen in Los Angeles, de opnamen vinden nu plaats in Londen in plaats van Hamburg en met een ander orkest, maar zoals eerder gezegd dat was inwisselbaar. Sherman doet een verwoede poging de formule aan de jeugd te slijten, maar dat lukt nog niet zo, ondanks toevoegen van instrumenten als elektrische gitaar en sitar. De jeugd bleek te eigenzinnig en niet zo gediend van een mierzoet behang. Om de zaak wat op gang te brengen schroomt Sherman niet om in 1970 toparrangeurs als Les Baxter en Nelson Riddle in te zetten. Niet door die heren, maar meer door het nieuwe muzikale landschap gaat het toch langzaamaan bergaf met het lui luisteren. De zwanenzang is een aan John Lennon opgedragen plaat (1981). Niet dat er te klagen viel, gedurende het tienjarig bestaan werden zo’n vijftig miljoen platen verkocht; ongeveer elk huishouden moet er wel een gehad hebben. De topjaren zijn de beginjaren van het orkest die dan muziek speelt die nu valt onder lounge en/of exotica; muziek met een Oosters, tropisch of ander lekker avontuurlijk karakter.

In 1995 wordt de hele handel opnieuw verkocht, nu aan Madacy Entertainment. Zij brengen de hele catalogus opnieuw uit mét daarbij het door Sherman bedachte Astro Sounds plaatje en daar gaat het hier over. Een plaat die te ver ging, vond men toen, maar die nu een collectors item is bij de ware muziekliefhebber en veelvuldig gebruikt wordt door allerlei artiesten als bron voor hun samples. Het product paste ondanks de deviantie wel bij de uitingen van het orkest, want vaker gooide men een wat experimenteler plaatje in de schappen bij de buurtsuper; moest kunnen. Dat hield echter meteen op na de Astro Sounds release in 1968 en de reacties die daarop volgden. Sherman: “We had many weird albums like Astro Sounds, but got so many letters from the Midwest – die weer - objecting to the zany formats that we stopped.” Jammer, de verwachtingen waren eigenlijk hooggespannen. De wilde en vrije jaren zestig waren immers aan de gang, Jane Fonda liep in rafels gekleed rond in de film Barbarella (het originele stripboek waarvan die film is afgeleid is inmiddels ook een collectors item), er was een cultuur van samen met elkaar roken en het bed in. Met dat idee wilde Sherman een plaat voor zijn 101 Strings en bedacht een pakkende formule voor muziek uit de volgende eeuw.

Met Flameout vliegen we gelijk de sterren tegemoet, de fuzzgitaren en geluidseffecten vliegen om je oren en op de achtergrond zetten the strings een zilver omlijnd wolkje neer, met echo! Dan komen we op Mog (?) met een lekker swingend nummer. In de jaren zestig werd science fiction heel vaak geassocieerd met Zuid-Amerikaanse muziek. Ik heb dat nooit begrepen, maar goed, het swingt wel. Space Odyssey is nog meer conform de sixties, vrolijk, poppie en vooral weinig om het jonge lijf. De Hammond wordt ingezet voor een astrale freakout. Zappa had zich bescheurd van het lachen. Booker T, hey, groovy man. In Orbit Fantasy horen we een stukje Holger Czukay (zou hij dat ook….). Prachtig is dat steeds die zooo vreselijk gladde violen en dan een elektrische gitaar die links en rechts door een phaser gemangeld wordt. Maar dan zijn we al aangekomen bij Barrier X-69 en daarmee bij de Byrds on acid. De teleurstellende liefde met een ongevoelige robot (luister dan maar eens naar Sy Borg op Zappa’s Joes’Garage) is gewoon Gimme Some Lovin’ van The Spencer Davis Group maar dan met snarensaus. Where were you in 1982 – toen de toekomst – is een echt typisch 60s-gitaarstukje, mét saus, zonder sambal bij. Met de drugs in je raket kom je zeker op Lunar 07, beetje 2000 Light Years from Home sfeertje (die van de Rolling Stones) en dan komen we met een Bad trip Back in ‘69. Dat klopt. Shake, baby shake, let it roll…. and fase in, fase uit.

En anno 1968 was de plaat dan voorbij. In 2009 krijgen we drie extra tracks, want gekkigheid kent geen intergalactische grens tenslotte: Karma Sitar, Whiplash en Instant Nirvana. En dat zijn dan meteen de letterlijke hoogtepunten, de climax van de cd. Niet in het minst door de medewerking van ene Bebe Barron; samen met haar man Louis de bekende pionier op het gebied van elektronische (film-) muziek. Op het hoesje wordt ze omschreven als Bebe Bardon? Maar misschien was Sherman toen in de ban van B. Bardot? Met een soort elektrieke sitar en vreemde oriëntaalse geluiden betreden we de tempel van de zinnelijkheid. Een slang wordt uit zijn mandje getoverd en de harem wiegt mee op het ritme. De dans begint. Aaah zucht ze in opwinding, waarop de zweept neerknalt op haar blote lijf. Ooohh, aaaahhh, wat is dat heerlijk. Meanderend fluitspel, de opwinding neemt toe, net als het gehijg. Ondertussen doen de 101 strings alsof ze staan voor het gelijknamige niemendalletje en strijken heerlijk zwoel mee. Zo ongeveer aan het eind is het orgasme wel bereikt en zijn we toe aan het Instant Nirvana. Dat blijkt zich te bevinden op een stevige wolk, maar daar moeten we even aan rocken en dan vallen we met de neus in een ware orgie waar het gekreun en gehijg niet van den lucht is. Wow, Look at them go. Ooooh yes, mmmm, amazing. Ja, je wil dit hemelse genoegen toch ook? Er gaan steeds meer lieden meedoen en net voor het uit de hand loopt is het stuk voorbij. Als dit in de jaren zestig op de plaat was gezet had Sherman geen enkele plaat meer verkocht en waren hem de strings van het lijf getrokken. Nu, levend in zijn toekomst, is deze muziek heerlijk naïef, camp, cult, far out en vooral heel gedateerd en fout en daarom zo vreselijk leuk en goed, de tekst op het hoesje zegt het al, het is The Astro Sound of Magnificence!