Trip in je hoofd

Dummy 1994


Filmposter voor de korte film van Portishead: 'To Kill A Dead Man' 1994


Glory Times 1997
(Canadese set van 2cd's, bestaande uit twee eerder separaat uitgegeven cd-singles 'Sour Times' en 'Glory Box')


Portishead 1997


Roseland NYC Live 1998


Third 2008

------------------------------


Beth Gibbons en Rustin Man, Out Of Season 2002







In muziek kan alles. Een reis maken in een oude film voorzien van krakende muziek met in je bagage je culturele herinneringen? Kan! Muziektripje in de tijd maken, maar dan wel vooral heel erg langzaam? Kan ook. Achtervolgd worden door de onbewuste muziek in je dromen of nachtmerries? Kan allemaal. Daarvoor moeten we wel even terug naar de jaren negentig van vorige eeuw en specifieker naar Bristol, UK. Daar legden musici of bands als Massive Attack, Tricky en Portishead de basis voor een nieuwe muziekstijl. Natuurlijk kwam daar een sticker op, volgens de intimi ‘made in London’: ‘Triphop’. Niemand in Bristol was het er mee eens. Ik vind het, afgezien van de hokjesgeest een prachtig woord: Triphop. Het is vooral het eerste woorddeel dat de oren openzet. Ik hou van reizen binnen muziek, laat de fantasie maar haar werk doen. Daar heb je verder niets bij nodig. Aanlokkelijk klinkt het woord ‘trip’, dat veronderstelt zo’n reisje. Na de jaren zestig, far out man weetjewel, mochten we in de jaren negentig (vorige eeuw dus) opnieuw op reis. Triphop is, volgens de definitie, langzame muziek. Fijn toch? Het leven gaat al vaak zo snel. Zo’n langzame muziek heet in die tijd ‘downtempo’. Bovengenoemde artiesten hadden het liever alleen over downtempo of downbeat of zelfs nog mooier: abstract beats. Vervolgens heeft iemand een nog grotere paraplu opgezet, want triphop valt inmiddels onder de lounge of chill-out.
Triphop is dus downtempo muziek, vaak elektronisch van aard en als een collage opgebouwd uit een rijk scala aan elementen: jazz, reggae, rock, dance, hiphop – daar komt de ‘hop’ vandaan -, maar ook stukjes muziek afkomstig van krakend vinyl, lp’s, en filmmuziek, film noir. Als dat nog niet boeiend is? Eenmaal losgelaten op de argeloze luisteren wordt die als het ware ondergedompeld, bedwelmd en raakt verloren in muziek. Heerlijk zo’n film voor je oren. Tegenwoordig de dag heet deze stroming ‘hauntology’; bijna een wetenschap of een religie lijkt het zo. Hauntology, iets met achtervolgen, is letterlijk: ‘gebruiken van oud materiaal om diepe, culturele herinneringen op te wekken’. Dat is niet misselijk dus, maar zo’n formulering roept bij mijn filosofisch hoofd meer vragen op dan het een antwoord geeft. Wat me in ieder geval al geruime tijd wel achtervolgt is de muziek van Portishead. Laat ik het daar dan maar eens over hebben.

Portishead is dé grote naam, pioniers worden ze zelfs genoemd, in bovengenoemd geheel. Portishead werd in 1991 opgericht door Geoff Barrow (1971- ) en Beth Gibbons (1965- ). Gibbons en Barrow volgen in 1991 een cursus ‘Hoe een eigen bedrijf te beginnen’. Tijdens de koffiepauze raken ze aan de klets en blijken allebei verzot op én bezig met muziek. Het was een vreemde klik, Gibbons met haar zesentwintig jaar en Barrow als negentienjarige: “She was a grown-up in my eyes.” Barrow schreef dan al onder anderen songs voor Neneh Cherry en werkte als producer voor de hierboven genoemde Massive Attack, die andere pioniersband. Gibbons verdiende geld als nachtclubzangeres. Hun muzikale ideeën kwamen wel heel erg overeen, waarop ze besloten samen wat songs of tracks te maken en op te nemen. Ze noemden zichzelf ‘Portishead’ naar de haven in de buurt en de plaats waar Barrow was opgegroeid. Gibbons komt uit Exeter. Barrow was eerder gevraagd mee te werken aan het tweede album van Neneh Cherry en zat daarom enkele dagen later met Gibbons aan Cherry’s keukentafel om hun ideeën uit te werken.

Een eerste compositie is ‘It Could Be Sweet’. Die track zou later op hun eerste album verschijnen. Als ze het opnemen in Coach House Studios in Bristol is daar Adrian Utley (1957- /hij is dan vierendertig jaar) beneden aan het werk. Utley is een wat verveelde jazzgitarist, die eerder onder anderen in de groep van Jeff Beck speelde. Utley hoort iets dat hij nog niet eerder gehoord heeft en het lonkt en lokt: “I was all, Fuck me, what is that? Just hearing the sub-bass and Beth’s voice – it was unbelievable. Like a whole new world that was really exciting and vital.” Het drietal praat langdurig met elkaar. Barrow: "It was like a light-bulb coming on."

Er hangt potentie voor iets nieuws in de lucht. Barrow wist alles van samplen en Utley wist alles van de muziek van krimi’s en spionagefilms. Dat resulteert drie jaar later in een eerste album: ‘Dummy’ (1994). Volgens de bijsluiter is Dummy een duoplaat van Gibbons en Barrow. Utley doet wel mee als co-producer, medemuzikant en – schrijver op de meeste tracks. Pas kort nadat het album uitkwam werd hij het officiële derde lid. Technicus Dave McDonald, wordt soms gezien als het vierde lid.

Dummy werd door iedereen geprezen als een ‘meesterwerk’, een donker meesterwerk weliswaar. Gibbons’ stem, die geknepen en gekweld klonk, werd vergeleken met die van Billy Holiday, maar ook met die van Judy Collins. Haar duistere, sombere teksten werden ondersteund door soundloops, samples, elektronica, fragmenten filmmuziek. Het klonk behoorlijk melancholiek en vooral ‘oud’, men sprak van ‘retro’, maar dan een retro dat in feite niet bestond. De soundtrack van een imaginaire film-noir. Barrow: “sonic unconscious… when sounds can merge with other sounds from somewhere else, and ultimately create emotion”. Utley had al eens aangegeven dat hij gek was op de zo specifieke gitaarklanken uit ‘spaghettiwesterns’, zoals die van Ennio Morricone in ‘The Good, the Bad and the Ugly’. Maar het bleef niet bij westerns, voor alle tracks werd gebruik gemaakt van ‘moderne technieken’, zoals genoemde samples, maar ook tapeloops en scratching. Samples waren afkomstig van onder anderen: Weather Report's ‘Elegant People’, The Wallace Collection’s ‘Daydream’, Isaac Hayes' ‘Ike's Rap II’ en werk van Lalo Schifrin, War, Smokey Brooks. Leuker was eigen samples maken. Muziek opnemen, op vinyl laten zetten en die ‘oud - vintage - maken’ door met schoenen over het vinylalbum heen te lopen of te gebruiken als skateboard. Dat moet heerlijk geweest zijn. ‘Expect the unexpected’ is zeker ook een element van Portishead’s muziek. Een geluid van een kapotte versterker kan heel goed gebruikt worden namelijk. Hoe dan ook, iedereen hoorde er iets anders in, maar Dummy maakte bij een grote groep mensen nogal wat gevoelens los, met een uitstekende verkoop als plotseling gevolg.

De bij de singles ‘Sour Times’ en ‘Numbs’ gemaakte video’s waren frequent op de dan nog muzikaal dominante MTV te zien. Dummy kwam tot nummer drie in de hitlijsten en raakte tot drievoudig platina in de verkopen. Niet heel vreemd dat het album in 1995 de ‘Mercury Price for album of the year’ ontving. In de USA werd het zo goed verkocht, meer dan 150.000 – en dat zonder enig optreden - dat het een gouden status kreeg. Rolling Stone, het magazine, nam Dummy op in hun ‘500 Greatest Albums of All Time’ (plek 419). Het album zorgde ervoor dat Bristol op de muziekkaart werd gezet als ‘de hoofdstad van de triphop’. Er werd toen ook wel gesproken over ‘The Bristol Sound’.

Dat is allemaal mooi, maar wil dan de echte Dummy opstaan? Er zijn namelijk meerdere versies van in omloop. In Australië, Europa en Amerika werd een versie uitgebracht met een extra track: ‘It’s a Fire’, die werd geplaatst tussen ‘Wandering Star’ en ‘Numb’. Latere versies hadden als extra de slottrack ‘Sour Times’ en weer andere die plus ook nog een stuk soundtrack van hun eigen film ‘To Kill a Dead Man’. Die korte film, gemaakt in eigen beheer, had voor het platencontract met Go Beat! gezorgd én idem voor de afbeelding van Beth Gibbons op de voorzijde van het album.

Een en ander was mij toen even ontgaan, druk met andere muziek natuurlijk, totdat de derde single uitkwam: ‘Glory Box’. In Glory Box zit een voor mij heel bekend stukje muziek, een sample van één nummer waar ik elders op de LemonTree over geschreven heb: ‘Daydream’, die van The Wallace Collection.

Diverse versies van die track en van ‘Sour Times’ zijn verzameld op ‘Glory Times’; een in Canada uitgebrachte twee-cd-single met totaal tien tracks én daarbij het thema van ‘Theme from To Kill a Dead Man’.

Beth Gibbons was dan misschien wel de frontvrouw van Portishead, erg spraakzaam was ze niet. Interviews werden niet of nauwelijks gegeven. Nog steeds niet. Het is dan ook niet heel vreemd dat er na Dummy een drie jaar lange stilte neerdaalt. Geruchten zat, ook hier. Maar dan in 1997 volgt album nummer twee, eenvoudigweg ‘Portishead’ genoemd. Het album is nog donkerder, harder dan Dummy. Het Amerikaanse muziekblad Spin recenseerde als volgt: “… the band created a gothic, deadly and trippy atmosphere.” Ondanks die sfeer verkoopt ook dit album goed. De eerste single ‘All Mine’ komt nog in de Top10, maar de volgende twee: Over’ en ‘Only You ’halen dat niet. Vreemd, want de video van met name ‘Only You’ was een MTV-lieveling. Misschien kwam dat laatste dan door het gebruik van een sample van Ken Thorne's ‘Inspector Clouseau’, de maniakale inspecteur van de ‘beum’?

Na de release van ‘Portishead’, het album, regelde de band een eenmalig, bijzonder concert met uitgebreide bezetting, waaronder een strijkensemble. Er wordt melding gemaakt van het New York Philharmonic, maar geen enkel uitvoerend muzikant op deze avond is daar lid van. Het eenmalig concert vond plaats in Roseland Ballroom, New York. Prachtig concert, veel sfeer, uitwaaierende gitaren, draaitafels en een over de microfoon hangende en rokende Gibbons. De jaren vijftig liggen om de hoek immers. Dat alles werd vastgelegd in sfeervolle filmbeelden. Natuurlijk kwam het concert op lp/cd en op DVD. Die DVD volgde pas in 2002, maar had dan wel als extra’s de film ‘To Kill a Dead Man’ en enkele videoclips.

Geheel in lijn der verwachting wordt het daarna weer stil rondom de band. Hier geldt de wet der verdubbeling, want pas na zes jaar hoorden we weer iets. Niet dat het helemaal stil was geworden. In 1999 was er een klein teken van leven toen Portishead samen met Tom Jones – of all persons – de track ‘Motherless Child’ opnam. Dat nummer is vaak gezongen, maar misschien wel het meest bekend in de uitvoering van Richie Havens tijdens het Woodstock Festival in 1969.

De stille Gibbons bracht in 2002 zomaar een soloalbum uit: Out of Season. Dat deed ze samen met Talk Talk bassist Paul Webb. Webb gebruikte hier zijn alias: ‘Rustin Man’. Weinig elektronica voor Gibbons en Webb, echter een vooral akoestisch instrumentarium. Net als bij Talk Talk werden de songs tot op het bot uitgekleed. De zeggingskracht is daardoor misschien nog wel groter. Als invloeden worden genoemd Billy Holiday, Nina Simone en Nick Drake. Helemaal een duo-solo-album is het niet. Ze worden geholpen door ex-Talk Talk drummer Lee Harris en Portishead’s Adrian Utley, aangevuld met vele anderen. Het album was vooral populair in Noorwegen: zesde plek in de albumlijst.
Het filmisch element, waar zowel Gibbons als Webb allebei sterk in zijn, is op ‘Out of Season’ niet uit te vlakken. ‘Mysteries’, de openingstrack werd zowel gekozen voor de Franse film ‘Les Poupées Russes’ van Cédric Klapisch als Wim Wenders' film ‘Palermo Shooting.’

In 2005 trad – voor het eerst in zeven jaar tijd – Portishead op met een korte setlist voor een speciale gelegenheid; het Tsunami Benefit Festival. Dat was in Bristol, dus je zou het een soort thuisconcertje kunnen noemen. Barrow liet daar vallen dat de band bezig was met een nieuw album. Een jaar later, 2006, werden twee nieuwe tracks – ‘Key Bored 299 03’ en ‘Greek Jam’ - op hun MySpace website geplaatst. In dezelfde tijd maakte de groep een coverversie van Serge Gainsbourg’s song ‘Un Jour Comme un Autre (Requiem for Anna)’. Dit als een eerbetoon aan Gainsbourg.
Het kriebelde dus wel, een nieuw album hing bij wijze van spreken voor het plukken, maar het duurde nog drie jaar, tot april 2008, voor er daadwerkelijk een nieuw album kwam: Third (waar kennen we die titel van? – antwoord: Soft Machine).

Tussendoor, begin december 2007, was Portishead’s eerste, volledig concert in jaren. Dat vond plaats in Minehead, dat ligt in Engeland. Er werd oud werk én nieuw, vijf tracks van Third, gespeeld. 2008 begon nog steeds zonder album, maar wel met een Europese tournee. De warming-up zullen we maar zeggen. In Amerika moesten ze het doen met zegge en schrijven één optreden tijdens het Coachella Valley Music and Arts Festival.

Third komt dan eindelijk écht uit, eind april 2008. Als stunt werd het album een week voor de release op de radio – Last.fm - gedraaid. Het programma trok meer dan driehonderdduizend luisteraars. De muziek is verrassend anders. Weg is het triphop-stickertje, nu is er meer ruime voor andere stijlen, zoals doowop, surf en krautrock. Q-Magazine oordeelde: "Third's sole link with the past is Gibbons' voice ... Everything else has been binned, the hip hop, the cinematic feel, the lot.” Barrow: “Het doel is niet ons te herhalen, maar uit te vinden hoe wij zelf klinken.”
Alles was inderdaad anders dan gewend; Barrow nam de bas ter hand en Gibbons de gitaar. Verder werden vooral analoge synthesizers gebruikt. Klanken hoefden niet per sé gesynchroniseerd te worden om het mooi te laten klinken waardoor een soms wat ongemakkelijk geluidsspectrum ontstaat, dat schuurt en wrijft, maar daardoor juist zo boeiend is. Ondanks dat het zo anders is beland Third in diverse landen in de top10 en wordt een van de beste albums van het jaar genoemd. The Guardian noemt het zelfs een van de beste albums van de 21e Eeuw.

Kort na het uitbrengen van Third was op Portishead’s website een bericht van Barrow te lezen dat hij zin had om nieuwe songs te schrijven. Misschien deed hij dat wel, maar wij hoorden er in ieder geval niets van. Eind september 2009 kondige Barrow aan dat er grote plannen waren voor een nieuw project en idem album. Het enige dat verscheen was de track ‘Chase the Tear’, geschreven voor een ‘fundraising campaign’ in het kader van Amnesty Internationals’ ‘Human Rights Day’.

Twee jaar later trad de band her en der op tijdens verschillende festivals in Europa, zoals Pohoda, Rock Werchter, Exit, Roskilde. Ook traden ze op voor het ‘All Tomorrow's Parties Music Festival’ in Alexandra Palace, London en Asbury Park, New Jersey. Heel wat muziekgeschiedenis ligt op die twee plekken. Vervolgens ging de groep nu wel door Amerika, waaronder Chicago. De plaatselijke krant, Chicago Herald Tribune, sprak in de recensie over: "horror-movie accents—Gothic organ, guitar lines thick with menacing reverb, spooky theremin—ensured a certain darkness". Is dat nou een compliment of het tegenovergestelde? De tournee ging verder naar Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. Barrow liet nogmaals weten aan een nieuw album te werken, maar dat dat nog wel tien jaar zou kunnen duren…?

Maar toch, zowel in 2013, 2014 als 2015 was de band te vinden op festivals in Europa, waaronder het fameuze Montreux jazz Festival. Echter het enige ‘nieuw’ werk was Portishead’s versie van Abba’s song ‘S.O.S’, special gemaakt voor de film ‘High Rise’ (2015). Een jaar later werd deze track met een geheel nieuwe video geplaatst op Portishead’s website. In de video was een verwijzing te vinden naar een recente moordpartij in Engeland een de stemmen rondom de Brexit. De tekst aan het eind staat inmiddels elke fan in het geheugen gegrift: "We have far more in common than which divides us."

In 2017 was Portishead weer even in auditief beeld door parfumfabrikant Gucci. Bij de campagnefilm voor ‘Bloom’ was ‘The Rip’ van Portishead te horen. Het filmpje laat vooral bloemige vrouwen in soft focus zien; het lijkt een beetje op een lieve hippie-achtige fantasiewereld.

Ondanks de Portishead-stilte is iedereen druk bezig: Barrow vooral met filmmuziek en zijn hobbyband ‘Beak’; Utley met muziek voor films en documentaires en Gibbons leerde Pools om een uitvoering te geven van Henryk Górecki’s ‘Symphony No. 3 (Symphony Of Sorrowful Songs) Op. 36’ met het Pools nationaal Radio Symfonie Orkest onder leiding van niemand minder dan Krzysztof Penderecki. De opnamen van dat concert worden nu gezien als haar tweede ‘soloalbum’ (2019).

Tijdens een interview met Barrow en Utley in 2019 werd gevraagd naar een nieuw album van Portishead. Hun antwoord: “It’s all up in the air, really. If the wind blows hard enough, you never know.” Waarop hard gelachen werd.

Net als de muziek is Portishead’s toekomst in duisternis gehuld. Totdat er daadwerkelijk een nieuw album komt genieten we maar van hun karige lichtpuntjes uit een redelijk recent verleden. En ach, het maakt ook niet zoveel uit, een trip maken in je hoofd kan immers altijd.
tekst: Paul Lemmens januari 2020 -  plaatjes: © Go Beat!/Island/Portishead