'X', maar dan Vandaag

JIn 1971 kocht ik -of liever gezegd kocht mijn moeder op aandringen voor mij - het boek ‘De Piramiden van Egypte’ van Bob Tadema Sporry en Auke Tadema. Ik las het boek ettelijke keren en bekeek tot in detail tekeningen en foto’s. Later volgde meer boeken waaronder “Het Wereldrijk der Farao’s’. Ik had iets met die piramides. Dat duurt tot op de dag van vandaag; ze zijn nu eenmaal fascinerend in grootte, vorm en geheimen. Hoe rijk was die oude Egyptische beschaving niet en hoe weinig weten wij nu daarvan? Als jongere leek het mij geweldig om eens zo’n piramide te beklimmen, maar tegenwoordig is dat zelfs verboden vanwege het gevaar van afbrokkelende stenen.

Dat dacht Nik Turner (Oxford 1940- ) in november (de maand is niet te verifiëren, maar wel plausibel) 1976 ook. Hij kwam nog wel tot de top en tot zijn verbazing ging het toen regenen! Een dag later speelde hij zijn dwarsfluit in de gangen en in de Koningskamer. Dat klonk zo bijzonder dat hij dat nog eens wilde doen, maar dan niet gehinderd door toeristen. Bovendien wilde hij zijn spel dan ook opnemen en er een plaat mee maken. Zou hij geweten hebben dat in mei van datzelfde jaar Paul Horn hetzelfde plan had en had uitgevoerd? Er hangt heel wat magie rond die piramides en toeval bestaat niet, maar het is dan wel toevallig (sic) dat twee fluitisten binnen een half jaar opnamen maken in de Grote Piramide en dat op plaat zetten. Het zijn bovendien, voor zover mij bekend, de enige twee muzikanten die dat voor elkaar hebben gekregen. De verhalen én de uitvoeringen zijn totaal verschillend, maar dan eigenlijk ook weer niet.

Paul Horn (New York 1930- ) is de zoon van Frances Sper (u weet wel). Die dame had een eigen radioshow in New York, zong, speelde piano en werkte samen met Irving Berlin. Vader was ‘gewoon’ verkoper. Horn begon (natuurlijk) met piano, hij was toen vier, maar kreeg rond zijn tiende een voorkeur voor klarinet en saxofoon. Hij speelde als tiener al in diverse jazzbandjes. Na zijn toetreding tot het Conservatorium begon hij met het spelen van de dwarsfluit. Na het behalen van zijn master en het vervullen van de dienstplicht werd hij lid van de Sauter Finigan Big Band. In 1956 verhuisde hij naar Los Angeles om daar met het Chico Hamilton Quintet te gaan spelen. Daar bleef het niet bij, want Hollywood, immers om de hoek daar, lonkte. Zo werd Horn staflid van NBC Orchestra en begon zijn eigen bands: The Paul Horn Four en The Paul Horn Quintet. In die hoedanigheid ontmoette hij Tony Bennett en Miles Davis. Horn trad op in de film ‘The Story of a Jazz Musician’, ontmoette Tony Curtis en Frank Sinatra en kreeg een Grammy voor zijn ‘Jazz Mass’, geschreven en gearrangeerd voor hem door Lalo Schifrin.

Misschien wel door al die drukte om hem heen zocht Horn naar innerlijke rust en de diepere betekenis van het leven. Daarom begon hij met Transcendentale Meditatie - ja, bij de Maharishi - en zo kwam hij terecht in India (december 1966). Hij speelde fluit, als opmaat voor de uitleg van de filosofie van de Maharishi en werd later een van de twaalf leraren in de Verenigde Staten. In 1968 was Horn terug in India bij de Maharishi en historisch gezien op een bijzonder moment, want hij was er tegelijk met The Beatles en Donovan. Voor een filmshoot werd hem gevraagd fluit te spelen in de koepel van de Taj Mahal. Dat leverde onverwachte meditatieve klanken op die door veel volgelingen geloofd werden Daarmee werd Horn in zijn eentje de ‘godfather’ van de New Age muziek. Zijn plaat, Inside the Taj Mahal (nu meestal kortweg alleen Inside genoemd) werd een verkoopsucces, dit tot verbazing en verwarring van de mensen die Horn’s jazzpad volgden. Hoe dan ook het was een belangrijke reden om meer ‘heilige’ of bijzondere plekken te bezoeken en daar fluit te spelen (en op te nemen en te verkopen).

In 1975 bedacht Horn dat het mooi zou zijn in een piramide te spelen, maar dat ging niet allemaal heel makkelijk, vooral niet omdat er in het gebied nogal wat onlusten waren. Via vrienden werd hij toegevoegd aan een groep archeologen die in mei 1976 onderzoek gingen doen. Tot zijn verbazing belde ene Ben Pietsch hem op, omdat hij gehoord had dat Horn in de piramide ging spelen en vertelde hem alles over de bijzondere akoestiek in de kamers van de piramide. Hij wist ontzettend veel, maar was er nooit geweest… Horn bevestigde later dat Pietsch’ theorie helemaal klopte. De Grote Piramide was open voor toeristen van acht uur ‘s ochtends tot vijf uur ’s middags. Wat bij Horn’s eerste bezoek opviel was het zoemen van de vele lampen in de gangen en kamers. Die zouden dus uit moeten. Na een hoop geregel, een waanzinnige taxirit, het vinden van de juiste apparatuur, een set kaarsen en in ruil daarvoor enige ‘bakshis’ (fooi/smeergeld) mocht Horn van zes tot negen uur ’s avonds alleen de piramide in, een bewaker zou het licht uitdoen, wachten en het licht om negen uur weer aandoen. Horn had dus drie uur de tijd. Samen met vriend David Kapralik – in feite de aanstichter van dit hele avontuur – beklom Horn de trappen op weg naar de Koningszaal. Hij zette op tactische plekken kaarsen neer en de opnameapparatuur klaar. Precies op tijd, want het licht ging inderdaad uit op het afgesproken moment. Horn begon met het bekloppen van de granieten stenen en kreeg er – zoals Pietsch voorspeld had - een prachtig geluid voor terug. Daar begint de plaat ook mee. De echo – acht seconden vertraging – werd gebruikt om zijn fluitspel een soort stapeleffect te geven, waardoor hij bijna op zijn eigen partij soleerde. De klank was betoverend en vooral geschikt voor de altfluit, zo vond Horn. Hij begon met spelen en na tweeëntwintig minuten zwaaide Kapralik met zijn zaklamp ten teken dat de tape gewisseld moest worden. Tot zijn eigen verbazing begon Horn daarna te zingen, meer een neuriën, hij kon niet anders; de ruimte met die prachtige klank vroeg erom. Na twee uur verhuisde het tweetal naar de Koninginnekamer. Die had een totaal andere klank, het geluid sloeg meteen dood, maar de echo die er was bleek via de galerij uit de Koningskamer te komen! Precies om negen uur gingen de lampen weer aan. Eenmaal buiten waren beide mannen stil van de bijzondere ervaring; 6 mei 1976 zouden ze nooit meer vergeten. Het lukte Horn ook nog om in de andere piramides op het plateau te kunnen spelen.

Op de plaat die in 1976 uitkwam stond alleen het grootste deel van de muziek uit de Grote Piramide. Pas bij de cd-uitgave uit 1991 werd alles op een twee-cd-set gezet. Horn schrijft in het boekje: “The availability of this CD, years after it's initial release, is very meaningful to me. Recording inside the Great Pyramid was one of the great experiences of my life. It's effects are still with me and when I listen to this recording, I am back there again, reliving the experience. When you listen, just relax and open yourself to the sounds without any judgments or preconceptions and let the music flow within you. Then you will be there with me Inside the Great Pyramid. “

Misschien ontmoette Nik Turner hem daar op die manier wel. Nicholas ‘Nik’ Turner werd geboren in een familie waar theater hoog aangeschreven stond. Zijn vader is dan echter een ‘gewone arbeider’ in een munitiefabriek, maar ja, dat zegt niets over iemands voorkeuren. Als Turner dertien jaar is verhuist hij met de familie naar Margate. Hij verdient er wat zakgeld door te werken in het pretpark. Iemand die daar ook werkt is Robert Calvert. De jongens hebben het over Rock ’n Roll en James Dean en zelf muziek maken. Na de middelbare school studeert Turner elektrotechniek en maakt één reis op een koopvaardijschip, omdat al snel duidelijk is dat dit het niet is. Zwervend door Europa en zichzelf aanbiedend als huurarbeider komt hij terecht in Haarlem. Daar loopt hij ene David Brock tegen het lijf en opnieuw gaat het gesprek over muziek. Gedurende zijn reis door Europa maakte Turner kennis met jazzmusici in Berlijn die vooral ‘into free jazz’ waren. Turner had ooit wat klarinet en saxofoon lessen gehad, maar vond van zichzelf dat hij nu niet zo geweldig kon spelen. Wel raakte hij in de ban van de expressiviteit van die vrije jazz en wilde daar iets mee doen, maar dan in een rock-setting. Brock was, toen Turner hem tegenkwam, al lid van de heavyspacepunkpsychedelicrock groep Hawkwind. Nadat Brock ontdekte dat Turner behalve een muzikale afwijking ook een bestelbus had bood hij hem een baan aan als roadie. Mar al snel kwam Turner’s muzikale visie sterker naar boven en dat leidde tot een promotie als saxofonist – en later ook fluitist - in Hawkwind. Geen geluid was immers gek genoeg voor die band die bol stond van de ietwat chaotische muziek en aanpak en de verpletterende naakte danseres Stacia (commentaar indertijd: ‘als je denkt dat je alles gezien hebt…’). Turner ontpopte zich als zanger, gangmaker, bemiddelaar voor goede doelen projecten (meestal wisten de andere bandleden daar niets van) en haalde niet alleen zijn pretparkvriend Calvert, maar ook Barney Bubbles (de graficus van de band – ontwerper van prachtige hoezen) en Dik Mik (Michael Davis) in de groep. Hawkwind is natuurlijk vooral bekend van de hit ‘Silver machine’ (1972), maar Turner schreef mee aan andere bekende nummers als ‘Brainstorm’ en ‘Master of the Universe’. Bij de andere leden viel Turner’s wat wazige aanpak niet in heel goede aarde, net als zijn saxofoonspel, omdat dat hij regelmatig dwars door alle partijen heen blies. Reden genoeg om hem in 1976 uit de band te gooien. Zes jaar later keerde Turner terug om twee jaar later er weer uitgezet te worden.

In 1976 had Turner al een voorkeur voor de oude Egyptenaren, iets dat hij ook live uitdroeg door in een gepaste Egyptische outfit op het podium te verschijnen. Ook bleek hij boeken over de oude cultuur te verslinden en dus is het niet heel raar dat hij, nadat hij uit de groep gezet is, naar Egypte vertrekt om alles met eigen ogen te zien. Meteen na aankomst neemt hij een taxi naar de Grote Piramide en beklimt het ding tot de top. Wie zou dat nu niet willen? Vandaag de dag mag dat niet meer, toen lukte dat nog. Op de top pakte hij zijn fluit en begint te spelen. Meteen valt er een onverwachte regenbui over hem heen. De oude goden? Dag twee brengt hij door in de piramide en ook dan speelt hij fluit, omringt door toeristen. Het is hem al opgevallen dat het werkelijk fantastisch klinkt door de prachtige akoestiek. Hij besluit dat hij wil proberen dat op te nemen. Om een plek dicht bij de piramide te hebben zoekt Turner onderdak in een Bedoeïnendorp onderaan de piramide. De mensen die daar wonen, regelen de bezoekersstroom en alle zaken rondom de piramides. Daar raakt hij in contact met iemand die opnameapparatuur kan regelen, maar nog belangrijker, met Sjeik Mahmoud. Omdat hij goed overweg kan met de mensen in het dorp is het niet vreemd dat de Sjeik na een handvol bakshis een privébezoek van Turner in de piramide regelt. Turner kan terecht van negen tot twaalf uur in de ochtend. Voor ‘gewone’ toeristen is de zaak even ‘wegens omstandigheden’ gesloten. John Mcaffee, de gevonden technicus en de Sjeik, voorzien van kandelaars en wandelstok, gaan naar binnen. Net als bij Horn gaan de lampen na enige tijd uit. Grappig is dat Turner net als Horn voor hem de stenen beklopt en het prachtige echo-geluid hoort en ook dát opneemt én gebruikt bij het begin van zijn latere plaat. Ik heb niet het idee dat ze van elkaars projecten wisten. Turner gebruikt de tijd om zonder voorbereiding fluit te spelen, gewoon wat hem gepast lijkt en ook dat is precies wat Horn gedaan had. Tussendoor vertelt hij stukken uit het ‘Egyptische boek der Doden’; Turner had het gevoel dat hij alle oude goden moest begroeten door hun naam uit te spreken. Verder speelde hij, sprong rond, zong, moedigde de Sjeik aan om met de stok tegen de granieten wanden te slaan en zelfs een lied te zingen. Sjeik Mahmoud zong een oude tekst over de nacht, iets dat op dat moment heel gepast leek. In tegenstelling tot Horn had Turner alleen een gewone dwarsfluit en was er weinig te kiezen.
Tevreden met de gevangen magie ging Turner terug naar Engeland. Gong-gitarist en producer Steve Hillage zorgde ervoor dat de tapes ruisvrij gemaakt werden en regelde een band, de Sphynx-band. Turner wilde namelijk zijn fluitspel op muziek zetten en een plaat maken met de voorgedragen teksten, zang en fluitspel, maar dan wel op rock-achtige muziek. Geheel volgens zijn eigen filosofie. Niemand die dat beter kan dan spacegitarist bij uitstek. De groep die Hillage verzamelde bestond uit Gong-maatjes Mike Howlett (bas) en Tim Blake (synthesizer) en zijn eigen vrouw Miquette Giroudy (synthesizers, zang). Turner vroeg ex-Hawkwind maatje Alan Powell (conga’s) en verder draafden op: Harry Williamson (keyboards) en Brand X percussionist Morris Pert. ‘Xitintoday’ werd in 1978 door Charisma Records uitgebracht in een prachtige hoes verzorgd door (natuurlijk) Barney Bubbles. Bij de plaat zat een boekwerk met foto’s, teksten, afbeeldingen en gedichten.

De groep speelde in wisselende bezettingen een tijdje, waaronder op het populaire Deeply Vale en Glastonbury Festival. In 1994 wordt Turner benaderd door een paar mensen om het project nog eens dunnetjes over te doen, waarbij gebruik gemaakt zou worden van de originele fluitopnamen. Dat resulteert in de plaat ‘Sphynx’, maar die is lang zo goed niet als Xitintoday. Gauw vergeten maar, de magie, de glans, is daar ver vanaf. Wel prettig is dat Xitintoday in 2007 opnieuw uitgebracht wordt, opgepoetst én met een extra, bijzondere track van bijna dertig minuten: Pyramidaflutenik. Het een van de authentieke stukken uit de piramideopnames; een lange fluitsolo, zonder begeleiding. Met die solo komen we erg in de buurt van het werk van Paul Horn.

Echter, ondanks de verschillen in achtergrond en stijlen hebben beide fluitisten een overeenkomst gevonden in het vangen van een soort magie in de klank. New Age of rock met fluitsaus, zowel Inside the Great Pyramid als Xitintoday hebben een betoverend geluid. Je zweeft weg op de klanken en kan eigenlijk niet stoppen met luisteren. Dat zegt iets over de opnamen, de muzikanten, maar misschien ook wel over de plek? Er hing bij allebei iets bovennatuurlijks, ongrijpbaars, maar wel aanwezig in de Koningskamer. Kwamen de voorouders langs omdat de lampen uitgingen, werden ze betoverd door het fantastische fluitspel? We zullen het nooit weten, maar het voegt wel een hoofdstuk toe aan een van de vele boeken over de piramides. Misschien moet ik mijn oude boek nog maar eens herlezen en vind ik daar een aanwijzing? Maar dan wel op muziek van Paul Horn en Nik Turner: ‘x’, maar dan in het ‘nu’.