Parachute voor de Eenzaamheid

Deskundigen – en die kunnen het weten natuurlijk – noemen als de drie belangrijkste psychedelische platen uit Engeland: Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band van The Beatles, The Piper at the Gates of Dawn van Pink Floyd en S.F. Sorrow van The Pretty Things. Nu had ik zelf niet zozeer aan nummer drie in die lijst gedacht, maar als we dieper de materie induiken, komt er een bijzondere, bijna vergeten, parel bovendrijven.

‘Hééé lekker ding’ (‘ik geef je een ring’) is waarschijnlijk niet de beste vertaling, maar komt aardig in de buurt van de song ’Pretty Thing’ in 1955 geschreven door Willy Dixon. Bo Diddley nam de song op en had er een hit mee. In Engeland was het één van zijn twee ‘hits’ daar; nou ja, hits… het nummer kwam niet verder dan de vierendertigste plek. De Engelse band The Pretty Things ontleende hun naam aan deze track en nam het nummer op voor hun eerste plaat onder dezelfde naam (1965).

Het knappe ding bleek, zoals geschiedkundig wel vaker ondervonden, in de loop der tijd behoorlijk aan metamorfoses onderhevig. In de beginperiode waren The Pretty Things namelijk vooral een rhythm & blues band, met voldoende venijn om de Rolling Stones naar de kroon te steken. Eind jaren zestig werd de psychedelica omarmd, gevolgd door de wat stevigere rock en zelfs new wave. Ondanks al die verschillend waaiende geluidswinden lag het slechts marginale succes toen vooral in de beginperiode; het echte succes bleef uit. Eigenlijk later, veel later, kreeg de groep meer waardering voor hun werk en dan hebben we het voornamelijk over het psychedelische werk, lees S.F. Sorrow en een beetje Parachute, eind jaren zestig. Dat de band kort door het leven ging als ‘Electric Banana’ wisten toen weinig fans. Misschien omdat die banaan muziek maakte voor horror- en (soft-)pornofilms. En dan heb ik het nog niet gehad over de avonturen in St. Tropez en de ontmoeting met Brigit Bardot.

De historie van The Pretty Things gaat terug tot in 1962. Net als zoveel jongeren hadden Dick Taylor (1943- /gitaar), Keith Richards en Mick Jagger een bandje: ‘Little Boy Blue and the Blue Boys’. Die blauw getinte groep bestond niet heel lang; Brian Jones zocht namelijk musici voor zijn band. Alle drie stapten ze, aangevuld met pianist Ian Stewart over in de ‘Rollin’ Stones’. Omdat er nu drie gitaristen waren, Richards, Jones en Taylor, besloot Taylor maar bas te gaan spelen.
Vijf maanden later verliet Taylor de band, omdat hij kon beginnen met zijn studie aan de ‘Central School of Art and Design’ in Londen. Als hij in de toekomst had kunnen kijken had hij dat misschien niet gedaan. Phil May (1944- /zang, mondharmonica) haalde hem over toch weer een band te beginnen met hem als zanger. De bas werd verruild voor gitaar. Nieuwe bassist werd John Stax (1944- ). Brian Pendleton (1944-2001) speelde de ritmegitaar en Pete Kitley: drums. Kitley werd al snel vervangen door Viv Andrews ook wel Viv Broughton genoemd.

Een band heeft een manager nodig. Die vonden ze binnen de kunstopleiding: Bryan Morrison. Hij bleef erg lang manager, zette zijn eigen Agency op en werd misschien bekender in de muziekwereld als manager van Pink Floyd.
Morrison regelde een platencontract met Fontana Records en aldus werd een eerste single, ‘Rosalyn’ opgenomen. Drummer Viv Andrews/Broughton was inmiddels vervangen door een andere Viv: Prince. De stijl van de band valt dan in het hokje blues, al dan niet met wat rock erbij. Single nummer twee: ‘Don’t Bring Me Down’ komt al tot de tiende plek in de hitlijst. De hoogste notering van een van hun platen.

De band toerde behoorlijk en had dus wat succesjes in Engeland. De concerten waren voor die tijd shockerend, May bleek de Wally Taks in eigen land te zijn met de claim het langste haar te hebben, maar vooral Viv Prince maakte van elk optreden een uit de hand gelopen feest. De band werd vooral gepromoot als ‘ruiger nog dan The Stones’ en dat wilde in die tijd heel wat zeggen. Hun concerten in Nederland, Duitsland en het verre Australië en Nieuw Zeeland verliepen niet veel anders. In dat laatste land werden de optredens na afloop nog in de regering besproken. Amerika werd niet aangedaan, iets dat Morrison later op zijn bordje kreeg.
Nederland had een speciale band met The Pretty Things. De groep trad hier, tijdens het AVRO-festival op in Blokker en werd aangekondigd door ene Jos Brink. The Pretty Things liet door hun optreden een verbijsterd publiek achter, maar had wel enorme invloed op de net uit het ei gekropen nieuwe generatie beat-artiesten als de eerder al genoemde Wally Taks met zijn Outsiders en de Haagse band Q65.
Duitsland bleek het land met de meest warme reacties, iets dat zou blijven en later de heren zou aanmoedigen om te blijven komen.

Samenwerken met de wilde Viv Prince ging steeds moeizamer en uiteindelijk werd hij vervangen door Skip Alan (1948 - /drums). Na 1966 was het een beetje gedaan met de blues. De band zocht wegen naar succes en voegde een fikse scheut soul, inclusief blazers en strijkers, toe aan de muziek. Dat was het ook niet. Daarmee was wel aan het platencontract voldaan, maar succes leek verder weg dan ook. Gevolg was dat Pendelton eerst de band verliet, gevolgd door Stax. Nieuwe leden werden Jon Povey (1942- /keyboards) en Wally Waller (1944- /bas).

Inmiddels zijn we dan beland in 1967, hét jaar van de zomer van liefde en de psychedelica. Norman Smith, producer bij EMI en daarmee ook van Pink Floyd’s eerste plaat The Piper at the Gates of Dawn, had laten weten interesse te hebben om met The Pretty Things te werken. Hij bezorgde de groep een contract bij EMI’s sublabel Columbia. In september 1967 verscheen ‘Defecting Grey’ een single met psychedelisch tintje, geheel in de geest van de tijd. Succes: nul. Ondanks dat kwam er drie maanden later nog één: ‘Talking About the Good Times/Walking Through My Dreams’; een single met twee A-kanten.

Na de single startte de opnames (december 1967 tot september 1968) voor een nieuw album. Dat werd uiteindelijk S.F. Sorrow (december 1968). We hebben hier te maken met een heuse rockopera en daarmee is het de eerste, slechts een paar maanden voor de meest bekende rockopera ‘Tommy’ van The Who (mei 1969). Pete Townsend (van die Who) en Who’s manager Kit Lambert hebben later (altijd later) toegegeven dat S.F. Sorrow de reden was voor Tommy. Het idee van een rockopera had potentie vonden de heren.
S.F. Sorrow werd opgenomen in Abbey Road. In de andere studio’s waren op dat moment The Beatles bezig met hun White Album en Pink Floyd met hun tweede plaat ‘Saucerful of Secrets’. Overigens werd die, net als S.F. Sorrow, geproduceerd door Norman Smith; een druk baasje dus. Tijdens de sessies verliet Skip Alan de band. Hij werd vervangen door ‘Twink’: John Alder. Die was echter vooral in geld geïnteresseerd. Dat had de band niet, dus werd hem een klein deel royalty’s toegezegd. Daar heeft hij tot de dag van vandaag plezier van.

S.F. Sorrow is het verhaal van een onopvallende jongeman, die verliefd wordt, in dienst moet en aldus terecht komt in de Eerste Wereldoorlog. Na de oorlog verhuist hij naar een utopisch land, Amerik (eigenlijk gewoon Amerika natuurlijk). Eenmaal daar vraagt hij zijn geliefde naar hem te komen. Ze doet dat met een zeppelin (waarom niet tenslotte). Maar bij de landing gaat het mis, vliegt het ding in brand en overlijden alle passagiers (denk even aan de Hindenburg hierbij). Getraumatiseerd door de oorlog en het verlies van zijn geliefde raakt Sorrow het spoor kwijt en gaat op zoek naar het onderbewuste. Zwervend op straat ontmoet hij Baron Saturday. Dit is een beeldspraak voor Baron Samedi, een Voodoo-geest die gaat over de dood. Saturday vraagt Sorrow hem te volgen en door dienst ogen komt Sorrow terecht in, naar later blijkt, zijn eigen onderwereld. Geconfronteerd met spiegels en wenteltrappen krijgt Sorrow confronterende beelden uit zijn verleden te zien. Het gevolg is dat hij geestelijk ineenstort en niemand meer vertrouwt. Hij bouwt een imaginaire muur om zich heen (The Wall heeft dat thema ook) en sluit zich uiteindelijk af van de wereld om hem heen. Aan het eind van het verhaal is Sorrow de eenzaamste mens op aarde.

Niet echt een vrolijk verhaal dus en door de opzet was S.F. Sorrow een moeilijk album. De muziek was prachtig mooi, maar niet bepaald van meezinggehalte. EMI wist er niet goed raad mee en kon het dus niet goed aan de man brengen. Eigenlijk deden ze er, vond de band, ook bar weinig moeite voor. Dat hadden ze in feite vanaf het begin al niet gedaan. Het budget voor de plaat, inclusief hoesontwerp was een schamele drieduizend pond. In die tijd een schijntje. De band moest dus alles zelf doen tot en met het hoesontwerp aan toe. De enige die echt in de band geloofde was producer Norman Smith. Door het werk in de studio werd hij een soort zesde lid van de band. Smith moedige de creativiteit enorm aan en dus werden bijvoorbeeld mellotron en sitar geleend van The Beatles als zij niet aanwezig waren. In Amerika kwam het album pas een jaar later uit op Rare Earth Records, een sublabel van Motown (sic.). Daardoor kwam het in de slipstream van Tommy en werd afgedaan als een slap aftreksel daarvan. Jammer allemaal, want S.F. Sorrow is een prachtig werkstuk dat muzikaal gezien perfect past bij het duo bovenaan de pagina. Luister ja S.F. Sorrow en dan naar Tommy beginnen ook een paar muzikale zaken op te vallen…

Teleurgesteld door het gebrek aan erkenning en succes verliet Taylor de groep. Gedurende de zomer werd hij vervangen door Victor Unitt. Opmerkelijk is dat deze, kortdurende bezetting ook nog een Pretty Things-achtige plaat maakte in Saint Tropez. Een Franse miljonair, Philippe DeBarge, was helemaal weg van S.F. Sorrow en vroeg de band om samen wat tracks te mogen opnemen. Geld speelde geen rol. Dus vertrok de groep naar Saint Tropez om daar DeBarge te ontmoeten. Buurvrouw Brigitte Bardot, was regelmatig aanwezig. DeBarge bleek serieuzer dan verwacht en in korte tijd werd een goede plaat opgenomen. De opnames werden bewerkt in Londen en daarna verdween de plaat uit beeld, wellicht ook omdat EMI eindelijk, tenminste na lang aandringen van Norman Smith, had aangegeven de groep een tweede kans te bieden voor een vervolgalbum.
Een acetaat (proefpersing) van de opnames met DeBarge bleek in handen van een Fin en via muziekblad ‘Ugly Things’ kwam de muziek weer boven water. De plaat werd opnieuw bewerkt en uiteindelijk uitgebracht. In 2017 kwam alles op cd uit onder de noemer ‘Rock St. Trop.’ Op de hoes een vrolijk kijkende Bardot. De plaat werd voorzien met enkele extra tracks, opgenomen tijdens de sessies in Londen. Stukjes S.F. Sorrow komen langs, maar uiteindelijk is het een album dat goed op zichzelf staat.

Het contact met DeBarge leverde de groep dus ook al niet echt veel geld op. De slechte verkopen van S.F. Sorrow bracht de band op vreemde wegen. Voor De Wolfe, dé grote muziekbibliotheek voor films en documentaires, werden opnames gemaakt voor een aantal low-budget films, waaronder ‘What's Good for the Goose’ (1969) en ‘The Haunted House of Horror’ (1969), evenals wat soft porno films. Om de naam Pretty Things niet te grabbel te gooien werd gekozen voor een pseudoniem: ‘Electric Banana’. Eigenlijk niet bedoeld om uitgebracht te worden kwamen ze desondanks toch op de markt, zelfs in een hele serie: Electric Banana (1967), More Electric Banana (1968), Even More Electric Banana (1969), Hot Licks (1970), en Return of the Electric Banana (1978). Alle platen hadden dezelfde opzet: muziek met vocalen op de ene zijde, de instrumentale versies op de andere zijde.
Er werd alles aan gedaan om niet te onthullen wie er achter de schil van de banaan zat, maar uiteindelijk verschenen er cd’s van The Electric Banana, een compilatie van de tracks, maar dan ook ‘gewoon’ onder de noemer Pretty Things.

Twink verliet de band na de sessies en werd vervangen door Skip Alan, die nu weer terug was. Opnames voor een tweede album voor EMI begonnen. Dat zou Parachute worden; een plaat, net als S.F. Sorrow, met een psychedelisch randje en thematisch qua opzet. Het - actuele - thema is de trek van de stadsmens naar het platteland. Toen actueel vanwege de vele rijk geworden musici die 'cottages' kochten en de rust van de natuur opzochten. De teksten van Parachute hebben linkjes met de Franse literatuur. Zo zit er een stuk in van iemand die beroemdheden uit populaire bladen knipt en opplakt; het blijken zijn enige vrienden te zijn... Er zijn invloeden van Anaïs Nin, die van de erotische verhalen en Jean Genet. In goed traditie bij deze band verliet Unitt de groep tijdens de opnamesessies. Voor hem in de plaats kwam Pete Tolson. Helaas ging het met de parachute al net zo slecht als met het verdriet. Ondanks veel optredens en goede recensies bleef het zo nodige succes uit. Halverwege 1971 viel de groep uit elkaar.

In hetzelfde jaar was er de doorstart, musici kwamen en gingen, platen werden gemaakt, maar het leidde maar niet tot succes. Dat begreep Led Zeppelin’s Jimmy Page ook niet. Zeppelin’s eigen label, Swan Song, bracht als eerste een plaat uit van The Pretty Things, ‘Silk Torpedo (1974). Page daarover: "The Pretty Things were a band that were really changing their music and had done because they probably did one of the best singles way back in the day with 'Rosalyn'. That's wild! That's serious! And then they'd gone through S.F. Sorrow and the music that they were doing on Swan Song was incredible. It was the sort of band that, when someone said, 'Oh, some tapes have come in,' I was keen to hear what they'd done, because it was always so good! Good writing, good performance from everybody. A fine band."

Dat kon Page dan wel vinden, maar onenigheid zorgde ervoor dat de groep opnieuw uit elkaar viel. In 1978 kwam de oude bezetting, Alan, May, Povey, Taylor en Waller voor een reünieconcert bij elkaar. Eénmalig voor een concert in… Nederland!
Maar deze bezetting, aangevuld met Pete Tolson, nam wel een new wave-achtige plaat op. Natuurlijk zonder succes en dus was het in 1981alweer afgelopen met die bezetting.
Toch bleven May en Taylor optreden onder de naam The Pretty Things. Daarvoor zochten ze allerlei musici uit die op dat moment beschikbaar waren. In 1990 was er zelfs een gedeeltelijk Nederlandse versie van The Pretty Things, met Hans Waterman (toen van Solution) en Roelf ter Velt. Vooral Duitsland was geliefd doordat daar een trouwe schare fans de groep terug bleef vragen.

Begin Jaren negentig speelde een rechtszaak tegen EMI over onbetaalde royalties van de platen op Rare Earth label (het lijkt Warner Bros versus Zappa wel). De groep won en kreeg daarmee alle mastertapes en rechten terug, evenals een niet nader genoemde som geld.
In het tijdperk van remastering begon Snapper Music, hun nieuwe platenmaatschappij, met een rerelease van de oude albums. Aan S.F. Sorrow werd een DVD van een live-optreden van het werk gevoegd, uitgevoerd in 1981 in Abbey Road Studios met speciale gasten: David Gilmour, de gitarist van Pink Floyd voor gitaarbijdragen natuurlijk en Arthur Brown als verteller. Maar ook een limited edition voorzien van bijzonder vormgeving werd aangeboden én verkocht! Rolling Stone (het blad) schrijver Stephen Holden noemde Parachute ‘an obscure underground classic’, maar dan wel een die bijna niemand gekocht had – toen!

De gezondheid van iedereen liet inmiddels te wensen over; sommige ex-leden waren al overleden. Een nieuwe plaat maken bleek gezien die achtergrond natuurlijk niet makkelijk.
In juni 2009 ontvingen May, Taylor, Waller, Povey and Allan de zogenaamde ‘Heroes’-prijs tijdens de jaarlijkse Mojo (het blad) Awards Ceremony. In 2012 verscheen, ter ere van de veertigste verjaardag van het album, een nieuw opgenomen versie van ‘Parachute’ op het Esoteric label. Die nieuwe opnames werden gedaan door Waller, Povey, Allan en Tolson. Ook in 2012 keerde de band terug naar Nieuw Zeeland, voor het eerst sinds de geruchtmakende optredens uit de beginjaren. Speciaal voor die concerten sloot Stax weer aan en ook dat was voor het eerst sinds 1967.

De band speelt anno 2017 nog steeds, weer in andere bezettingen maakt soms een plaatje. Groot succes heeft de band eigenlijk nooit gehad, ondanks wat onbeduidende hitjes in de jaren zestig. Met terugwerkende kracht bleek de sterkste periode die te zijn waarin het succes wegbleef. S.F. Sorrow en Parachute worden inmiddels op hun waarde geschat en verkopen van beide werken zijn door de jaren heen hoger dan gemiddeld. Geestelijke groei is een kwestie van verjaring en ouder worden een confrontatie van de tijd die steeds meer terugloopt. Creativiteit laat zich niet dwingen en vaak zijn luisteraars pas jaren later toe aan muziek die eerder te moeilijk of ingewikkeld leek. Misschien wisten The Pretty Things dat zelf al wel toen ze S.F. Sorrow maakten en het opvolgende album een Parachute meegaven; de landing bleek toch een zachte.