Opwindend Dansstuk voor Marktkooplieden en Ruimtereizigers

Ida Rubenstein (links), danseres en actrice, vroeg componist Maurice Ravel in 1928 om een orkestrale bewerking van Ibéria. Ibéria is een pianosuite geschreven door Isaac Albéniz. Ravel kwam erachter dat een andere componist, Enrique Arbós, al een bewerking gemaakt had, waardoor hij het niet meer mocht; dat waren de regels toen. Hij stelde daarom voor een nieuw stuk in Spaanse stijl te schrijven. Ravel ging niet met heel veel enthousiasme aan het werk en leverde uiteindelijk een stuk voor orkest af, dat hij beschreef als “Zeventien minuten orkestmuziek zonder muziek”. Tegenover iemand anders beweerde hij echter weer dat “Dit stuk zo populair zou woirden dat zelfs de marktkooplieden het zullen fluiten.” In eerste instantie noemde hij het stuk Fandango (levendige dans en zang met castagnetten en handklap – tempo is vergelijkbaar met de Bolero), maar veranderde dat later in Bolero (naam voor langzame Latijns-Amerikaanse dans en zang).

Op 22 november 1928 ging de Bolero in de Parijse Opéra in première. Het publiek stond na afloop op de stoelen van enthousiasme en op de programmaboekjes, tenminste van wat er op dat moment nog van over was, de rest was in de grote vreugde tot papiersnippers gereduceerd. Het stuk heeft dan ook een beklemmende, hypnotiserende opbouw met een enorme bevrijding.

Het ballet, daar ging het in eerste instantie om, was geschreven door Bronislava Nijinska, de zus van de beroemde choreograaf Nijinsky. Het toneel bestaat uit een donker café. Rubenstein komt op als zigeunerdanseres en stampt het ritme van de Bolero staand bovenop een tafel. Vervolgens verschijnen er meerdere mannen en Rubenstein wordt van de een naar de ander geslingerd, messen worden getrokken, maar het gevecht, om haar natuurlijk, vindt net niet plaats. Einde stuk. Ravel was het niet helemaal eens met de enscenering, hij had liever een open veld gezien met fabrieken op de achtergrond als mechanisch contrast met zijn bijna plastische muziek.

14 November 1929 was de Amerikaanse première. Arturo Toscanini dirigeerde de New York Philharmonic en ook daar was het een enorm succes, zoveel dat daarmee volgens een Amerikaanse recensent Ravel bijna een Amerikaanse held werd. Weer een jaar later dirigeerde Toscanini het stuk in Parijs in aanwezigheid van Ravel. Dat viel niet helemaal goed, Ravel vond dat het stuk veel te snel gespeeld werd. Uit woede weigerde hij op het podium te komen en het applaus van het publiek in ontvangst te nemen. Het leidde zelfs tot ruzie, want Toscanini riep dat “dit de enige manier was het stuk te redden” waarop Ravel riposteerde dat het zo niet moest, gevolgd door Toscanini “in jouw tempo werkt het niet” waarop Ravel furieus riep dat hij het dan beter niet moest spelen. Vier maanden later werd de ruzie bijgelegd. Het tempo was vanaf het begin al een discussie. Ravel had aangegeven een “Tempo di Bolero, moderato assai’’ met metronoomwaarde 76. Later had hij dat verlaagd tot 66, langzamer.

De eerste opname van de Bolero heeft de juiste waarde (66), maar duurt slechts vijftien en een halve minuut, nog te snel eigenlijk, want het stuk moest exact zeventien minuten duren. Ravel’s vriend Pedro de Freitas Branco kwam tot achttien minuten en Leopold Stokowsky zelfs maar tot net twaalf in 1940. De Toscanini-uitvoering waar Ravel woedend van werd haalde de veertien minuten nog niet. Nog steeds worden muziekstukken te snel gespeeld. We leven in een snelle tijd tenslotte, met muzikanten die vaak veel vaardiger zijn en daarom lastige stukken zo wegspelen. Langzaam spelen is in feite een kunst apart, maar langzaam is natuurlijk een abstract begrip, het kan door iedereen anders uitgelegd worden. Reinbert de Leeuw schrok muziekliefhebbers op met zijn extreem langzame uitvoeringen van pianowerken van Satie. Ik vond ze prachtig en nog steeds de mooiste. Zo vind ik ook dat de Bolero best nog langzamer mag, sfeervoller, broeieriger.

Het stuk is op vele manieren uitgevoerd, maar een versie die mij meer deed dan de vele manieren was de versie van Frank Zappa in 1988. De Bolero in een reggae-versie door een rockband! Uitstekend uitgevoerd door zijn muzikanten. De meerwaarde zat in de marimba, die gaf voor mij precies de sfeer aan die ik altijd had gezocht en zo vaak gemist. Een mediterraan sfeertje, warm, beetje lome toestand, de avond valt, Cyclades klinken. Dat. De eerste opname van 8 januari 1930 heeft dat ook. Piero Coppola neemt het stuk onder het luisterend oor van Ravel op voor The Gramophone Company. Nota bene de volgende dag neemt Ravel het zelf op voor Polydor met het Lamoureux Orkest. In hetzelfde jaar vindt een opname plaats onder leiding van Willem Mengelberg met het Concertgebouw Orkest. We waren er vroeg bij in ons koude landje. Behoefte aan exotica?

Door de jaren heen is de Bolero het populairste werk van Ravel geworden, De film 10, met Bo Derek heeft daaraan nog eens extra bijgedragen: Did you ever do it to Ravel’s Bolero?” De aard van het stuk leent zich natuurlijk prima voor een opwindende seksscène met orgastisch slot. Het is niet de enige film waarin het stuk voorkomt, zo is het bijvoorbeeld ook te vinden in fantasy films als Legend of the Galactic Heroes en Star Trek. Uiteindelijk bleek Ravel toch gelijk te hebben over de populariteit van zijn Bolero, zelfs into space!