Openbarstende Bloem

Als je een keer het geluid van de Gamelan gehoord hebt vergeet je dat nooit meer; je houdt er meteen van of vindt het niets. De gongs, de hamertjes tegen het metaal, de ritmiek, de onophoudelijke golven van geluid die je meenemen naar een andere wereld.

Colin McPhee (1901-1964) greep de vonk meteen na het horen van een plaat, opgenomen op Bali. Drie jaar later was hij zelf op Bali en nog veel later schreef hij een van zijn weinige werken: Tabuh Tabuhan. McPhee wordt geboren in Montreal in 1901 of 1900, daar zijn verschillende meningen over. Hij studeert in Montreal en Toronto en volgt de opleiding aan het conservatorium in Baltimore en Parijs. In 1926 woont hij in New York en houdt zich bezig met het schrijven van muziek in traditionele, klassieke stijl. Dat gaat hem goed af, hij ontvangt tot twee keer toe een studiebeurs.

De eerste veranderingen komen als hij les krijgt van Edgard Varèse - die heeft, zoals wij weten, wel meer veranderingen op zijn geweten. Varèse heeft zo'n invloed op McPhee's werkwijze, dat deze het daarna heel anders aanpakt en z
ijn muziek vol dissonanten en ‘herrie” stopt. In deze periode staat McPhee bekend als ‘ultra modernist’; een erenaam die hij deelt met Henry Cowell, de ‘leider’ van een groep musici’, met daarin naast voornoemde heren John Becker en Lou Harrison. Ergens in 1930 krijgt hij van vrienden die op Java zijn geweest een set platen cadeau. Hij weet niet wat hij hoort, vindt ze fantastisch en wil er meer van weten.

Bij nazoeken gaat het om een serie van negen-en-veertig 78 toeren platen: Music of the Orient; in 1928 opgenomen op Bali en uitgegeven door Odeon & Beka. De opnames stonden onder leiding van schilder/muzikant Walter Spies die, woonachtig op Bali, precies wist wat hij moest laten opnemen. Het is en blijft de enige uitgegeven set Gamelan muziek tot aan en zelfs voorbij de Tweede Wereldoorlog. Daarbij is het een bijzondere set want juist in deze periode is er op Bali een overgang van klassieke Gamelan naar een modernere stijl: Kebyar. Kebyar, dat lichtflits of explosief of openbarstende bloem betekent, is een snellere stijl met abrupte wendingen of uitbarstingen van geluid en - heel kenmerkend - plotselinge stops en starts. De ontwikkeling komt mede op gang door het nieuwe leven op Java en Bali, dat op dat moment onder leiding staat van het Nederlandsch Gezag. Nederland bemoeit zich meer en meer met de administratie en cultuur en de musici geven dat opgejaagde gevoel weer in hun muziek. Op de reeks platen komen beide stijlen aan bod, weliswaar beperkt, want met drie minuten per kant kom je niet heel ver.

Een uittreksel van deze platen is inmiddels verschenen op cd: The Roots of Gamelan - the first recordings, Bali 1928, met in het boekje een uitleg door Colin McPhee en Gamelan Gong Kebyar, Bali 1928. Uiteindelijk komt alles uit, op 5 cd's. Voor veel westerlingen is dit de eerste kennismaking met Gamelan muziek. Dat gold dus ook voor McPhee. Hij vond de resterende platen bij een dealer en kocht - als enige! - uiteindelijk de hele reeks. Dealer blij, want dit spul verkocht toch niet. Niet alleen de dealer was blij, want uiteindelijk bleek dat McPhee’s collectie de enige bewaarde was; de rest was door de handelaar in een vlaag van waanzin kapot gesmeten en ook andere verkochte exemplaren elders in den wereld overleefden het niet; de originelen die in Berlijn bewaard werden, werden vernietigd door een bombardement in de Tweede Wereldoorlog. Er zijn nog wel sporadisch platen gevonden bij mensen thuis op Bali, in hun huisaltaartjes, die daar gekoesterd worden als dank aan de mensen, vaak familieleden, die hebben meegespeeld op de originele opnamen.

De Gamelan muziek trok McPhee zo dat eigenlijk niets hem tegen kon houden om naar Bali/Java te vertrekken. Maar dan wel pas nadat hij getrouwd was met Jane Belo, studente etnologie. In 1933 is de eerste reis. McPhee en Belo zouden een tweeweekse vakantietrip maken, maar bleven enige jaren! McPhee leerde elk onderdeel van het Gamelan orkest spelen en verdiept er zich zo in dat hij uiteindelijk de eerste westerling blijkt die de bijzondere muziek serieus bestudeert én noteert. In 1935 is hij even terug in New York en onder bezielende invloed van componist Carlos Chávez componeert hij Tabuh Tabuhan, een stuk voor orkest, met onderdelen en invloeden van het Gamelan orkest, en twee piano’s. Chávez die ook al gebruik maakt van elementen uit andere culturen in zijn eigen muziek, is zo enthousiast dat hij de première verzorgt. Zijn Orquestra Sinfónica de México voert het stuk onder zijn leiding op in Mexico City (zomer 1936). Daarna reist McPhee terug naar Bali om in 1937 terug te keren naar New York; berooid – inmiddels gescheiden van Belo (McPhee bleek uiteindelijk niet op vrouwen te vallen) en daardoor zonder inkomsten (zij was de welgestelde van de twee) en met een oorlog ophanden is het immers veiliger thuis.

Vanaf dan woont hij in Brooklyn in een ruimte die hij deelt met W.H. Auden en Benjamin Britten. Voor deze laatste arrangeert hij Variations on a Theme of Frank Bridge. De Gamelan blijft echter in zijn hoofd rondklinken, daarom vertaalt McPhee zijn theoretische kennis van de Gamelan muziek naar een stuk voor twee piano’s en speelt dat stuk regelmatig met Benjamin Britten (McPhee en Britten op foto links), die daar enorme plezier een beleeft. Het stuk krijgt geen naam en is ‘bekend’ als Gamelan Transcriptions. Er is ook een stuk voor piano en fluit: Balinese Ceremonial Music (1938). Die laatste wordt gecomponeerd voor Georges Barrère; degene voor wie Varèse zijn fluitstuk Density 21.5 schreef. Tijdens zijn reizen naar Bali loopt McPhee malaria op en heeft daar in New York zeer veel last van. Dat niet alleen, nader werk komt niet van de grond, hij kan de Gamelan niet loslaten en weet het ook niet te integreren in een eigen stijl: “It’s hard to compose! Sometimes I cannot sleep for nights, thinking of a new piece. It turns round and round in my thoughts, I hear it in my dreams. My hair has grown thin thinking of music!” (McPhee 1946).

Wel schrijft hij een boek over de diverse stijlen van spelen van Gamelan muziek: Music in Bali. Met weinig succes, maar inmiddels hét handboek als het over die muziek gaat. McPhee heeft er in ieder geval weinig plezier van; zijn leven vindt hij één grote mislukking en hij grijpt in vertwijfeling naar de fles. In de jaren vijftig heeft hij een kleine opleving en wordt zelfs professor aan de UCLA (1958), alwaar hij doceert in etnologische muziek. Toch is hij niet echt gelukkig. In 1964 sterft hij als alcoholist.

Pas na zijn leven, zoals zo vaak, is er begrip voor zijn werk, onderzoek en zijn composities. Misschien omdat inmiddels de dan populaire minimal music dezelfde bron gebruikt? Evan Ziporyn schrijft in 2009 een opera als hommage aan McPhee: A House in Bali, naar het gelijknamige boek (1946) van McPhee waarin hij over zijn leven in Bali vertelt. De opera gaat gepast in première, in Ubud, Bali. Terugkijkend blijkt Tabuh Tabuhan McPhee’s belangrijkste werk. Na de première wordt het pas weer in 1953 uitgevoerd onder leiding van Leopold Stokowski in Carnegie Hall. Daarna won het de prijs van de American Academy of Arts and Letters (1954). Pas in 1956 wordt het voor het eerst opgenomen op plaat door het Eastman Rochester Orchestra onder leiding van Howard Hanson. Het is een veel gezochte uitvoering, maar nauwelijks te vinden.

Een meer recentere opname (1995) is die van Dennis Russell Davies die het American Composers Orchestra aanvoert. Tabuh Tabuhan is geschreven voor twee piano’s, celesta, xylofoon, marimba en klokkenspel, bekkens, twee Balinese gongs en orkest. Het bestaat uit drie delen: Ostinatos, Nocturne en Finale en duurt ongeveer twintig minuten. Dat is relatief kort, want de muziek op Bali kan wel een nachtlang doorgaan. Door de percussie-instrumenten klinkt het als een bescheiden Gamelan orkest, Dat idee wordt versterkt door de metalen instrumenten, het (poly-) ritme en de plotselinge wendingen. Soms zou de compositie door kunnen gaan voor minimale muziek, soms lijkt het een letterlijke vertaling van de authentieke Balinese muziek. Het eerst deel is explosief, kent pieken en rustmomenten. De Nocturne is juist heel rustig, meditatief, gedragen door een dwarsfluit met spaarzame pianobegeleiding. Halverwege is het voorbij met de serene rust en neemt het leven weer toe, maar het eind is de rust weergekeerd. De finale is net als het eerste deel, druk, hard, met veel uithalen en een echt, klassiek slot. McPhee is er in Tabuh Tabuhan goed in geslaagd zijn twee culturen te combineren met als resultaat een eigen visie op muziek. Het stuk voldoet tegelijkertijd aan de twintigste eeuwse moderne muziek en aan folkloristische, etnologische muziek. Zoals dat zo mooi staat op de cd: file under contemporary/world. Ondanks dat heeft het hem in de marge van de muziekwereld gebracht. Daar is hij wel in goed gezelschap, want daar zitten wel meer mensen met een visie die in hun tijd mislukt leken te zijn. Hadden maar meer mensen oren aan hun hoofd!