Dag

Zomer op het platteland, de zon schijnt, de bloemen staan in bloei, geluiden van schapen en vogels klinken; in de verte klinkt de kerkklok. Omdat het vakantie is spelen de kinderen buiten in de tuin of wei en later bij de stroom omdat het daar lekker koel is. Uit het huis, waar alle ramen openstaan, klinkt pianomuziek.

Virginia Astley (1959- ) legt zo’n zomerdag vast op haar plaat From Gardens Where We Feel Secure (1983). Het is een bijzonder en op zichzelf staand project, eigenlijk een bijproduct van haar meer reguliere werk; zo beschouwde ze het toen zelf ook, maar de historie heeft zo zijn eigen wendingen en ideeën, waardoor dit is verworden tot hoofd- zo niet hét hoofdproduct. Virginia Astley is de dochter van Hazel Balbimie en Edwin Astley en de zus van Karen, die twaalf jaar eerder geboren is, en broer Jon. De familie woont in Middlesex. Edwin Astley werkt voor ITC Entertainment en is in die hoedanigheid componist van de tunes van onder andere The Saint en Danger Man. Muzikaliteit zit blijkbaar in de genen: Karen wordt de vrouw van Pete Townsend (gitarist van The Who) en Jon is eerst tape-operator bij Eric Clapton, wordt daarna zelfstandig producer en remasterer (een nieuw werkwoord). Virginia krijgt vanaf haar zesde pianoles en vanaf haar veertiende fluitles. Na haar middelbare school volgt ze de opleiding aan de Guidhall School of Music. Rond haar een-en-twintigste (1980) begint ze een nogal onrustig leven, dat begint als keyboardspeelster in The Victims of Pleasure. De band bestaat echter maar kort, waarna ze verder gaat in The Ravishing Beauties; een groep samengesteld uit vriendinnen van de universiteit: Nicky Holland en Kate St. John (en drummer Ben Hoffnung) Maar, ook deze band blijft niet lang bij elkaar: St. John wordt model en later lid van The Dream Academy, Holland vertrekt naar Tears for Fears.

Tegelijkertijd - nu wordt Astley’s pad echt grillig - schrijft en arrangeert ze muziek voor anderen en is vaker te vinden als zangeres. Ze ontmoet dichter Richard Jobson en verzorgt regelmatig, al dan niet als bandlid, muziek bij zijn gedichten. Met Jobson komt ze terecht in Brussel; zij blijft. Daar werkt ze voor diverse projecten, onder andere met Anna Domino en draagt bij aan opnames voor Les Disques Du Crépuscule (Brussels platenlabel). Meest in het oog springend is haar lidmaatschap van Dream Makers, die slechts één song - La chanson d'Helene/Helen’s Song – opnemen. Dat nummer wordt later toegevoegd aan de muziekrol van de film From Brussels with Love. Voor Les Disques maakt ze haar eerste soloplaat, She Stood Up And Cried (1981), maar die wordt voor de release teruggetrokken, om drie jaar later alsnog te worden uitgebracht onder de titel Promise Nothing (1984). In 1981 tekent ze voor het Why-Fi label en neemt een EP (langere single) op, A Bao A Qu, geproduceerd door broer Jon. Het jaar daarop is ze terug te vinden als pianiste op All the Best Cowboys Have Chinese Eyes; een project van zwager Townsend. In een goedkope demostudio neemt ze haar volgende nummer op: Love’s A Lonely Place to Be (1983). De single haalt onverwacht de achtste positie in de Indie Top 10 (Indie staat voor Independent).

Genoeg reden om dan eindelijk haar eerste plaat uit te brengen en meteen maar haar eigen Happy Valley-label: From Gardens Where We Feel Secure. Die plaat haalt, net zo onverwacht als haar demosingle, de vierde plek in de Indie lp-charts. Ze was er behoorlijk verbaasd over vertelde ze in een interview, omdat ze de plaat als een “side project’ zag. Daarom, alsof er niets gebeurd is, gaat als keyboardspeelster op tournee met Prefab Sprout. In 1984 tekent ze bij het Arista label voor een nieuwe lp, maar verlaat dat label bijna meteen weer voor Elektra, die op dat moment groeit, waardoor haar tweede plaat uiteindelijk uitkomt bij WEA. Hope in a Darkened Heart (1986)wordt geproduceerd door niemand minder dan Ryuichi Sakamoto. Op het eerste nummer Some Small Hope – Sakamoto heeft zo zijn lijntjes - zingt ze een duet met David Sylvian. Ondanks de grote namen is het resultaat ambivalent, er staan remakes op van The Garden en andere oudere nummers, maar Sakamoto drukt er zijn muzikale stempel behoorlijk op, waardoor het misschien meer een Sakamotoplaat met zangeres Astley is dan omgekeerd. In Japan zijn ze heel enthousiast, zodanig zelfs dat ze voor Nippon Columbia twee platen mag maken: All Shall Be Well (1992) en Had I the Heavens (1996). Haar ‘populariteit’ blijft echter beperkt tot Japan, misschien is men daar buiten niet zo gecharmeerd van haar wat aparte, bijna kinderlijke stem?

In 2003 brengt Rough Trade The Gardens opnieuw uit; voor een nieuw publiek is de bedoeling. Noodgedwongen krijgt de cd een nieuwe, maar dan wel prachtige, nieuwe hoes (foto's boven en beneden); de oude was nergens meer terug te vinden. Dat is in een tijd van alle mogelijke reproductietechnieken bijna ondenkbaar toch?

Haar laatste project, The Stories of the fields (2007), is een samenwerking met haar dochter Florence; het is een minialbum voor gedichten – haar eigen - en harp en is alleen via download verkrijgbaar. Daarna lijkt Astley zich terug te trekken, ook haar eigen website houdt op in 2007 met een verklaring in die richting.

Terugkijkend is het ooit als side project bestempelde, The Garden, uiteindelijk haar meest ‘succesvolle’ gebleken. Het geheim? Op een gehuurde Uher-portable recorder trekt Astley er van april tot juni 1982 in Moulsford, Oxfordshire, op uit om alle mogelijke geluiden uit de natuur op te nemen. Die gelden als basistapes. Op pa’s acht-sporen-recorder maakt ze enkele loops en improviseert er ‘live’ pianostukken bij. Astley is beïnvloed door componisten als Claude Debussy, Erik Satie, Vaughan Williams en Benjamin Britten en dat is allemaal te horen. De ene kant van de plaat is de vroege ochtend tot de middag, met titels: With My Eyes Wide Open I'm Dreaming ; A Summer Long Since Apart ; From Gardens Where We Feel Secure en Hiding In The Ha-Ha. De andere kant is de middag tot de avond: Out On The Lawn I Lie In Bed ; Too Bright For Peacocks; Summer Of Their Dreams: When The Fields Were On Fire en It's Too Hot To Sleep. De titels spreken voor zich. De geluiden van de natuur, de impressionistische klanken van piano en fluit én de vormgeving van zowel de eerste plaat als de nieuwe cd-versie roepen zo een heel eigen sfeer op: de bekende, dromerige sfeer die een warme zomerdag met zich mee kan brengen, zo’n letterlijk oneindige, tijdloze dag, net zo tijdloos als The Gardens Where We Feel Secure.