Populaire Oase

Al vrij snel nadat de lp was uitgebracht had ik hem, blijkt nu. Dat klinkt vreemd om twee redenen: ik was op dat moment niet zo heel erg met jazz bezig en ik heb eigenlijk recent pas ontdekt wanneer de plaat opgenomen en uitgebracht is en daarmee dat ik hem toen bijna meteen kocht. Om het nog vreemder te maken: eigenlijk zocht ik deze plaat helemaal niet. Ik zocht M’Boom Re, een percussiegezelschap onder leiding van jazzdrummer Max Roach. Dat was op de televisie geweest en dat was indrukwekkend. Ik wist dat er In een zijstraat in Maastricht een jazzzaak zat (3x de z, is driedubbele woordwaarde), Flying Dutchman. Maar die plaat hadden ze niet. Die hadden ze trouwens nergens en het heeft tot ver in het cd-tijdperk geduurd voor ik überhaupt iets van M’Boom Re zou kunnen aanschaffen. Ze hadden wel Lumps van Steve Lacy, ook niet onaardig.

Om tegemoet te komen aan mijn percussievraag dacht de verkoper dat ik wel interesse zou hebben in een plaat met wat etnische invloeden. Tuurlijk, kom maar op! Hij zette Sahara op van McCoy Tyner. Oh die. Maar ik wist toen niet eens wie Tyner was, niet dat hij dé pianist van Coltrane was en watervallen van geluid kon produceren. Wat ik wel wist is dat het jazzrock tijdperk erg levendig was, met drummers die behoorlijk konden drummen, maar daar wel een heel arsenaal aan trommels voor nodig hadden. Ik vond dat prima, hoe meer hoe beter, je bent jong en een jongen en zo hoort dat dan. Ik wist toen natuurlijk ook niet dat Elvin Jones, dé drummer van John Coltrane een minimaal drumstel nodig had om Power te genereren waar je stil van werd en niet alleen vanwege het tumult, maar, por dios, wat een drummer.

Ebony Queen, het eerste nummer van Sahara knalde vergelijkbaar door de winkel. Mensenlief, wat een kracht en energie en watervallen. Tyner begint met een kort thema, waarna Calvin Hill (contrabas) en Alphonze Mouzon (spierballendrummer) tekeer gingen. Mouzon weet de bekkens goed te beroeren en drijft de zaak aardig op. Het lijkt Rawhide wel. Nauwelijks bekomen van al dit geweld begint Sonny Fortune zijn sopraansaxsolo. Eigenlijk word je meteen weggeblazen door dit nummer en daardoor ben je verkocht. A Prayer for my Family is Tyner op piano in zijn eentje. Tyner is de man van het touché; hij hield van de klank van hout en zijn vingers van het beroeren van het ivoor. Voor hem geen elektrische piano, puur natuur liever en in zijn geval terecht. Met Valley of Life komen we in de etnische sferen. Tyner speelt de Koto, een klassiek Japans snaarinstrument. Hij doet dat behoorlijk percussief en harpachtig. We zijn in Japan en dus mag Fortune een bijdrage leveren op fluit, met een beetje ochtendnevel, dat past goed bij het beeld van de vallei. Mooi nummer, ingetogen, contemplatief. Dat wordt meteen teniet gedaan door Rebirth. Dat heb je na zo’n bezielde wandeling door de vallei. Tyner maakt meteen tempo en laat horen wat hij in zijn vingers heeft. Die moeten wel heel soepel zijn. Fortune geeft een bezielde altsaxsolo en Mouzon laat horen dat hij echt meer trommels heeft. Sahara is het lange, vierentwintig minuten durend, titelstuk. Het etnisch gehalte neemt toe met meer percussie en trompet van Mouzon. De Afrikaanse steppe gaat over in een pianosolo, waarna Fortune het thema neerzet met zijn sopraansax. Hill geeft een bassolo omgeven door percussie en dan mag Mouzon nog even losgaan. Volgens de bijlsluiter is dit het stuk dat het meest benadert wat de groep live ook neerzet.

Ik kreeg hiermee wel mijn gevraagde percussie. Ik was daarin niet alleen, van de plaat werden er meer dan 100.000 verkocht en hij werd genomineerd voor een Grammy. Velen zien dit album uit begin 1972 als het beste album van Tyner, dat, zoals vaker, in geen enkele serieuze jazzcollectie zou mogen ontbreken. Ik ben het daar helemaal mee eens. Nu eens geen luchtspiegeling, maar een oase in de Sahara.