Elastic Rock 1970


Solar Plexus 1971


We'll Talk About it Later 1971


Ian Carr: Belladonna 1972


Roots 1973


Labyrinth 1973


Under the Sun 1974


Snakehips Etcetera 1975


Alleycat 1975


In Flagranti Delicto 1977


Out of the Long Dark 1979


Awakening 1980


Torrid Zone: 6cd box 2019
Elastisch tot in de kern
De kern van de zaak is de essentie van de muziek. Het is best uitdagend om je band ‘Nucleus’ te noemen, maar als je hoort en merkt wat er uit die kern komt is het niet eens zo’n heel vreemde naam. Nucleus is merkwaardig genoeg nog steeds een wat minder bekende band in de jazz-rock-afdeling. De groep onder leiding van de Schot Ian Carr maakte in de jaren zeventig zo’n dertien albums. Tot grote ergernis van Carr wordt hij ongewild een hofleverancier van Soft Machine. Vreemd daarbij is dat die laatste band altijd meer in de belangstelling heeft gestaan. Tijd voor een kleine rehabilitatie.

Ian Carr (1933-2009) is geboren in Dumfries, Schotland. Hij studeert Engelse literatuur aan Newcastle University. Rond zijn twaalfde leert hij pianospelen. Vijf jaar later ontdekt hij de trompet. Hij is daarin een autodidact. Na de universiteit vertrekt hij naar het vasteland van Europa en trekt zo’n twee jaar rond. Bij terugkeer in Newcastle duikt hij de muziekwereld in door te gaan spelen in de band van zijn broer Mike: EmCee Five. Dat doet hij twee jaar (1960-1962), om vervolgens te vertrekken naar Londen. Daar speelt hij eerst samen met Harold McNair om vervolgens een eigen jazzgroep te beginnen samen met Don Rendell (1926-2015/tenor- en sopraansax, klarinet, fluit): ‘the Rendell-Carr Quintet’. De andere drie leden van dit vijftal waren: Michael Garrick (1933-2011, piano), Dave Green (1942- /contrabas) en Trevor Tomkins (1941- / drums).

Het Quintet bestond zes jaar (1963-1969) en maakte een vijftal albums voor Columbia Records. Het zijn albums waar nu flink naar gezocht wordt. Ze zijn uitgebracht op cd, maar voor de vijf lp’s tellende doos: ‘The Complete Lansdowne Recordings 1965 – 1969’, moet je flink in je portemonnee grijpen. De prijzen beginnen tegen de driehonderd euro en lopen flink op.
Carr speelde behalve met zijn Quintet met Neil Ardley’s New Jazz Orchestra en maakte één album met Joe Harriott & Amancio D'Silva Quartet: Hum Dono (1969).

Eind jaren zestig worden de grenzen van de tot dan bekende muziekstijlen flink opgerekt, omdat mensen over die grenzen durven te kijken. Binnen de jazz wordt geëxperimenteerd met rock-ritmes, waardoor de jazz-rock als ‘vakje’ ontstaat. Vooral trompettist en groot voorbeeld voor Carr, Miles Davis, liep daarin voorop. Denk maar aan albums als ‘In a Silent Way’ (1969) en Bitches Brew (1970). Elders was Frank Zappa bezig met ’ Hot Rats’ (1969) en in Engeland Soft Machine met ‘Volume Two’ (1969) en ‘Third’ (1970). In eigen land hadden we de nog steeds onderschatte jazzrockband: ‘Association’. Dat is de band van drummer Pierre Courbois, met daarin Jasper van ’t Hof, Toto Blanke, Sigi Busch en Peter Krijnen. Het album ‘Earwax’ (1970) was voor veel landgenoten een stap te ver.
In dit klimaat komt Carr met zijn versie en visie, de band: ‘Nucleus’. De visie is een fusie-achtige band, met verschillende muziekstijlen, jazz, rock, maar ook etnisch en dat alles door elkaar heen gevlochten. Dat uit zich binnen de muziek in niet-Westerse instrument-improvisaties en dito drumpatronen met als ondergrond een elektrische bas die een melodieus stuk steeds opnieuw herhaalt (ostinato). Denk daarbij even aan het vroege werk voor Blue Note van Herbie Hancock.

Nucleus wint de prijs voor beste groep tijdens het prestigieuze Montreux Jazz Festival (1970). Daar waren ze 'afgevaardigd’ door de BBC. Daarom mogen ze in hetzelfde jaar aan het even beroemde Newport jazz Festival spelen en doen en passant de fameuze Village Gate aan.

‘Ëlastic Rock’ (1970) is de gepaste titel van het eerste album. Uit de zwarte hoes, voorzien van een uitsnede, drupt gloeiende lava. Die hoes is gemaakt door Roger Dean, degene die zo beroemd zou worden met de hoezen van Yes. De plaat wordt opgenomen voor het nieuwe ‘progressieve’ label van Philips: Vertigo. Dat is het label met die mooie ‘swirl’, maar ook het label van Colosseum, Juicy Lucy, Uriah Heep en Black Sabbath. Nucleus past daar goed bij. Elastic Rock is een soms bijna agressief, plakkend album, dat je maar moeilijk kunt negeren. Naast Carr zitten in de band: Karl Jenkins (1944- /baritonsax, hobo, (elektrisch-) piano), Brian Smith (1939- /tenor- en sopraansax, fluit), Jeff Clyne (1937-2009/bas, elektrische bas), Chris Spedding (1944- /gitaren) en John Marshall (1941- /drums). Carr speelt naast trompet nu ook bugel. Veel composities zijn van Jenkins en Spedding of zijn groepscomposities. Carr’s eigen stem moet zich nog een beetje laten horen.

Solar Plexus (1971) is het tweede album, maar niet alleen de groepsnaam staat op de plaat, nu staat er: Ian Carr with Nucleus. Het is alsof er een dunnen scheiding is aangebracht. De muziek is iets minder urgent, maar meer uitgebreid aan klankkleur. Dat komt door een aantal gastmusici: Ron Matthewson (basgitaar), Chris Karan (percussie), Keith Winter (VCS3 synthesizer), Tony Roberts (tenorsax, basklarinet), Harry Beckett en Kenny Wheeler (trompet, bugel). Carr tekent voor alle composities en heeft waarschijnlijk daarom zijn naam op de voorzijde toegevoegd.

In 1971 levert Carr, net als een honderdtal anderen, waaronder bijna de hele band, een bijdrage aan Keith Tippett’s megabigband Centipede voor het album ‘Septober Energy’. Tussen de activiteiten van Nucleus door speelt Carr vanaf 1975 in het United Jazz + Rock Ensemble. Dat hield hij zo’n achtentwintig jaar vol!

Bij ‘We’ll Talk About it Later’ (1971) heet de band weer gewoon Nucleus. De hoes heeft een soort doorkijkraampje naar de foto erachter. Ontwerp is opnieuw van Roger Dean. De band op deze plaat is dezelfde als de eerste, basic, er zijn geen gasten. ‘Song for a Bearded Lady’, een van de vele composities van Jenkins, wordt later getransformeerd tot ‘Hazard Profile’, maar staat dan op Soft Machine’s album ‘Bundles’. Die versie van Soft Machine is dus met terugwerkende kracht behoorlijk schatplichtig aan Nucleus.

Zowel in Amerika als Europa begint de naam Nucleus een begrip te worden, maar het thuisland laat het afweten. Dan kan het bijna niet anders dan mis gaan. Eerst vertrekken Spedding en Clyne. Dat is al drama genoeg. Clyne wordt vervangen door een basgigant: Roy Babbington (1940- ), Spedding wordt niet meer vervangen door een gitarist, maar een pianist en wel Dave MacRae (1940- ). MacRae speelt elektrische piano met allerlei vervormingspedalen. We komen hem in dezelfde periode ook tegen bij (ex- Soft Machine) Robert Wyatt’s nieuwe band: ‘Matching Mole’.
Erger is het vertrek van John Marshall naar Soft Machine, hij is de vervanger voor Wyatt, om daar mee te spelen op ‘Fifth’. Er volgt een reeks van vervangers, eerst Martin DItcham (Henry Cow), daarna Clive Thacker en Tony Levin. Maar de gedreven drumstijl van Marshall vervangen valt niet mee, waardoor de stijl van Nucleus toch wel verandert.

Dan vertrekt ook Jenkins, inderdaad, naar Soft Machine. Carr heeft jaren niet met Jenkins gesproken, zo woedend en gefrustreerd was hij hierover. Carr had nu eigenlijk geen zin meer in Nucleus. Juist het idee dat je een vaste band had om mee te experimenteren en te groeien gaat zo teniet. Er komt dan ook geen nieuwe Nucleus-plaat, maar een van Ian Carr solo: ‘Belladonna’ (1972). Vreemd is dan wel dat bijna heel Nucleus van dat moment meespeelt: Babbington, Thacker, MacRae en Smith. Gasten zijn Trevor Tomkins (percussie) en Alan Holdsworth (gitaar). Muzikaal gezien gaat Belladonna gewoon verder waar ‘We’ll Talk About it Later’ ophoudt en is in die zin eigenlijk een echte Nucleusplaat. Inmiddels wordt daar ook wel zo tegenaan gekeken.

Met ‘Roots’ (1973) gaat Carr ietsje meer richting jazz, maar het rock-element blijft zeker aanwezig. Veranderingen zijn er wel weer in de bezetting. Babbington is vertrokken naar Soft Machine en vervangen door Roger Sutton. Holdsworth die altijd nogal grillig was en het eigenlijk nooit ergens volhield of zou houden was verdwenen en vervangen door Jocelyn Pitchen. Holdsworth zou later ook opduiken in…. (precies!). Aureo de Souza is voor de percussie en voor de ‘vocalen’ zorgt Joy Yates. Er zijn geen liedjes, het zijn meer verantwoorde klanken die ze maakt. Voor Carr blijft het zoeken om zijn muziek goed en door goede musici uitgevoerd te krijgen.

De rust komt enigszins terug met de volgende plaat. Carr heeft een stipendium gekregen om ‘Labyrinth’ te maken. Dat doet hij in hetzelfde jaar als Roots en met een iets uitgebreidere bezetting: Babbington, Clive Thacker/Tony Levin, MacRae, Gordon Beck (piano), Tomkins, Paddy Kingsland (VCS# synthesizer), Tony Coe (tenorsax, klarinet, basklarinet), Smith, Kenny Wheeler én Norma Winston (stem).
Carr was altijd nogal weg van de Griekse Mythologie. “Het labyrint was in de Griekse mythologie een ondergronds doolhof dat door meesterarchitect Deadalus werd ontworpen voor koning Minos van Kreta. Niemand die het labyrint betrad kon de weg terugvinden. In het labyrint sloot koning Minos de Minotaurus op, die iedereen die in het labyrint werd gestuurd verscheurde.” (uit: De Griekse Gids). Op de hoes van het album enkele gepaste tekeningen om in de goede sfeer te komen. Het lijkt bijna een symbolisch album: Carr die verloren is geraakt in het doolhof van zijn eigen muziek.

Op ‘Under the Sun’(1974) is alles weer anders en staat er bijna een nieuwe Nucleus op het album en het podium: Bob Bertles (alt – en baritonsax, basklarinet, fluit), Roger Sutton (bas), Bryan Spring (drums), Gorden Beck (die was nog over), Geoff Castle (elektrische piano, synthesizer), Jocelyn Pitchen (bekend) en Ken Shaw (gitaar). Keiran White zingt woordloos, op één track, ‘The Addison Trip’.
De hoes is misschien symbolisch over hoe Carr zich nu voelt, want, ondanks de titel, staat de band op een weinig sprankelende brug in de stromende regen. Carr had regelmatig last van aanvallen van depressie en met een band als deze, met alle wisselingen, is het soms moeilijk optimistisch te blijven, toch?

1975 brengt nog twee albums voor het Vertigo-label, daarna was het zoeken naar een ander label. Het eerste album uit dat jaar is ‘Snakehips Etcetera’ heeft een nogal bijzondere hoes. De voorzijde is met een disco-soul achtige dame in leren broek in een strakke airbrushstijl uitgevoerd. Op de achterzijde de band die ongeveer aan de benen hangt van een schaars gekleed model die net bezig is Carr een zoen te geven, daarbijen passant een fles wijn (Champagne?) vasthoudt. Het zou zo een Jethro Tull-hoes kunnen zijn (kijk maar eens achterop War Child). Natuurlijk zijn er weer wijzigingen, maar de band op dit album is een kleine: Sutton, Roger Sellers (drums), Shaw, Castle, Bertles en Carr.
Dezelfde band speelt op ‘Alleycat’ (1975). De muziek is prima, minder uitgesponnen, directer. Het avontuur lijkt een beetje voorbij.

Er volgen nog drie albums: ‘Out of the Long Dark’ (1979) en ‘In Flagranti Delicto’ (1977) voor Capitol en ‘Awakening’ (1980-Mood Records). Daarna worden er her en der wat compilaties en enkele live-opnamen voor diverse labels uitgegeven. ‘In Flagranti Delicto’ (op heterdaad betrapt) werd opgenomen in Duitsland en kwam daar ook het eerst uit (Contemp Records). Later dat jaar kwam de plaat ook uit op andere plekken, maar dan ‘gewoon’ op Capitol. De band op dit album: Sellers, Smith (die dus weer terug is), Billy Kristian (Bas), Castle en Carr.

‘Out of the Long Dark’ heeft gezien de roerige periode een mooie titel, maar uiteindelijk bleef Carr niet heel lang buiten. Dit keer is de band hetzelfde als op ‘In Flagranti Delicto’.
‘Awakening’ heeft in tegenstelling tot de titel een zwartwit hoes met bandfoto. Naast Castle, Smith en Carr is de ritmesectie nieuw: Chucho Merchan (bas) en Nic France (drums).
Ondanks alle inzet en mooie titels is Nucleus steeds meer een ‘gewone’ band geworden met muziek die inmiddels normaal is en daarom niet meer uitspringt. Dat gebeurde in feite met meer groepen in het jazzrock- of fusion-genre. Wat moet je dan? Carr koos voor het opheffen van Nucleus en zich richten op de meer jazz-gerichte Ian Carr groep. Soms leverde hij bijdragen aan andere bands. Wat bleef was zijn inzet voor het eerder genoemde ‘United Jazz + Rock Ensemble’ met daarin andere grootheden als: Jon Hiseman, Eberhard Weber en Kenny Wheeler.

Nucleus duikt nog één keer op, in 2005, voor een reünie. Een echte reünie is het eigenlijk niet, dan verwacht je musici uit de beginperiode. De band van dit concert is eigenlijk niet eens een echte Nucleus-band en al helemaal geen reünie: Mark Wood (gitaar), Geoff Castle (keyboards), Rob Statham (bas) Nic France(drums), Phil Todd (sax) en Chris Bachelor die een gastrol heeft op trompet. Alleen de naam, Nucleus, die was er wel en wat er ook was, was de muziek van vroeger. Maar ach…

In 2019 brengt Esoteric Records een boxje op de markt met daarin alle Vertigo-opnamen op zes cd’s: ‘Torrid Zone, the Vertigo Recordings 1970-1975’. Gelukkig zit er een aardig boekje bij, met uitleg, foto’s, tekst en achtergronden. Veel albums uit deze periode waren niet meer te koop, de cd’s vaak al oud en beroerd van klank. Oud werk op vinyl ging/gaat voor grof geld over de toonbank. Als je dan Nucleus opnieuw hoort merk je dat de muziek niet echt verouderd is, maar vooral dat de albums uit de beginperiode een enorme kracht en drive hadden. Alleen al daarom is deze box gerechtvaardigd én het is mooi dat een band die toch een beetje vergeten lijkt weer even aandacht krijgt. Het is wel het minste wat men kan doen.

Naast muziek maken, ging Carr erover schrijven. De verloren Engelse jazzgrootheden komen aan bod in: Music Outside (1973). Hij was auteur, samen met Brian Priestley en Digby Fairweather van het boek: The Essential Companion (1987); een handboek voor jazzliefhebbers met tips van de redactie over wat wel en niet te kopen. Later werd dat boek herzien en kreeg een nieuwe titel mee: Jazz: The Rough Guide (1995, herzien in 2000).
In 1991 schreef hij een boek over pianist Keith Jarret-The Man and his Music, maar het beste boek van zijn hand – alom geprezen – is: Miles Davis – a critical biography (1982). Davis was Carr’s grote voorbeeld, maar in dit boek laat hij ook andere kanten van zijn held zien. Het boek werd als zo belangrijk gezien dat het werd toegevoegd aan de lijst essentiële boeken over jazz of jazzmusici. Reden voor Carr om ermee door te gaan en het om te bouwen tot: Miles Davis – the definitive biography (1998), waarvoor weer alom lof.
Over beide heren, Jarrett en Davis, maakte hij voor de BBC Radio twee documentaires, waarvoor hij naar New York reisde om daar uitgebreid onderzoek te doen. Daar bleef het niet bij, samen met Mike Dibb maakte hij er twee films over. Je bent toch bezig tenslotte.
Naast boeken schreef Carr columns voor jazztijdschriften en teksten voor cd-boekjes. Tevens gaf hij een tijdlang les, in compositie en ‘performance’ als Associate Professor of Jazz aan de Guildhall School of Music and Drama. In 2006 kreeg hij een BBC Jazz Award voor zijn bijdrage aan de jazzmuziek in Engeland.

Dat deed hem goed, want privé had Carr het helemaal niet makkelijk. Zijn eerste vrouw overleed bij de bevalling van hun eerste kind. Halverwege de jaren zeventig werd kanker bij hem geconstateerd. Daar kwam hij bovenop, maar verloor enorm aan conditie. Daar had hij veel meer moeite mee, zeker in combinatie met het spelen van de trompet. Hij raakte in een depressie, maar werd daar goed bij geholpen. De laatste jaren van zijn leven had hij enorme last van Alzheimer, waardoor hij gedwongen was in verpleegtehuizen te verblijven. Ian Carr overleed in februari 2009; hij was toen vijfenzeventig jaar. Tijdens de uitvaart spraken onder anderen oud-Nucleus leden Geoff Castle en Mike Dibb.

Ian Carr drong eigenlijk al vrij snel door tot de kern en daarna was het meer afvragen wat je er dan doet of dat je met j eigen band onbedoeld in een labyrint verzeild lijkt geraakt. De eerste indruk was verzengend, daarna kon het alleen nog maar mee- of soms tegen- vallen. Hoe dan ook, Nucleus verdient veel meer aandacht, zeker in het licht van de latere Soft Machine gezien. In die zin waren beide bands aan elkaar gewaagd.
Carr had een visie, maar vaker wordt die pas (jaren) later gewaardeerd en/of begrepen: “Music to me is the attempt to become the instrument and the attempt has to be 100%. You forget the ‘I’ and all self-consciousness … It’s incredibly spiritual. It is never enough to go through the motions.” Met die gedachten gesterkt is het ook voor ons tijd om eens een reisje naar de kern van de elastische rock te maken.
 
tekst: Paul Lemmens juli 2019 -  plaatjes: © Vertigo/Capitol/Mood Records/Esoteric Records