Uiteindelijk was er Niets

Bill Bruford’s eerste plaat, Feels Good to Me (1970), leverde diverse verrassingen op, maar de grootste was die van de zangeres die meer fluisterde en declameerde dan werkelijk zong. Ze deed dat op een zo betoverende wijze (NME’s reactie: “Stealing the whole cake.”) dat ik het niet kon weerstaan meer van haar te horen. Dat viel niet mee, want er was niets in de bak bij de platenboer. Internet was er niet, informatie al helemaal niet. Daar zit je dan met je goede gedrag. Welwillend, maar met een doodlopende muzikale liefde. Daar kwam pas acht jaar later verandering in met X-Dreams. Ik kocht op die dag de complete lp-doos van Pink Floyd (in die zin is er niets veranderd) en mocht van de platenbaas – het was toen een beste aankoop – een gratis lp uitzoeken. Bladerend door de bakken stuitte ik op een korrelige foto van een wat arrogant kijkende dame met bretellen. Meteen wist ik dat ik de gratis plaat gevonden had.

Annette Coleman wordt geboren in Brooklyn, 1941, maar haar familie verhuist al snel naar Californië. Op vierjarige leeftijd begint ze piano te spelen, wellicht ingegeven door haar moeder, die celliste is in The LA Philharmonic Orchestra. Omdat er al zoveel muziek thuis is volgt Coleman geen opleiding, maar leert alles zelf. Naast muziek is Annette druk met toneelspelen, zo zeer zelfs dat muziek een tweede keuze wordt. Net voor het afsluiten van een contract op toneelgebied kiest ze dan toch voor de muziek: “Er gebeurt teveel in mijn leven om andermans rollen te spelen”. Ze vertrekt naar New York, ontmoet jazzbassist Gary Peacock en besluit te snel, ze is negentien, met hem te trouwen. Gary Peacock speelt dan bij Albert Ayler, die in een groep met Paul Bley en Sunny Murray probeert jazz te bevrijden van haar keurslijf. Annette Peacock vallen de oren van het hoofd en weet nu dat haar keus voor muziek de juiste was. Maar er gebeurt meer, Annette valt zelf ook en wel voor Bley. Nog getrouwd met Peacock krijgt ze een kind van Bley. Ondanks dit alles houdt ze de naam van haar eerste man. Begin jaren zestig studeert Peacock (Annette dus) als leerling van Michio Kushi, de mooie kunst van Zen Macrobiotics, maar ook al snel komt ze in aanraking met LSD via de tripgoeroe Timothy Leary en is ze vaak te vinden in diens Milbrook Psychedelic Center. In deze setting hoort ze de lp Switched on Bach van Walter (later Wendy) Carlos en valt opnieuw (figuurlijk dan). Ze overtuigt partner Bley van de mogelijkheden van de helse machine en samen reizen ze daarom af naar Robert Moog, de bedenker van de Moog synthesizer. Annette weet op charmante wijze Moog te verleiden het tweetal een prototype Moog synthesizer te schenken! Zonder gebruiksaanwijzing gaat Peacock aan de slag en zes maanden later laat ze tijdens een concert horen wat ze geleerd heeft. Als haar vader overlijdt, laat hij haar genoeg geld na om een aantal concerten te kunnen organiseren in The Philharmonic Hall. Peacock gebruikt de synthesizer naast het genereren van klanken ook als vervormer voor haar stem en dat is nieuw. Tijdens de show worden er dia’s van het apparaat en andere zaken geprojecteerd. Critici zijn lovend; “Peacock is de eerste persoon die een synthesizer gebruikt als stemvervormer – de Vocoder was nog niet uitgevonden - en ook de eerste die ‘praat’ – rap zou pas jaren later komen - over een muziekstuk." Na dit concert volgen er meer, waaronder een in de vermaarde Town Hall en Avery Fisher Hall. Met Bley “The Bley-Peacock Synthesizer Show” neemt ze drie platen op: Improvisie, Dual Unity en Revenge. Alle drie helaas niet te vinden, niet op lp en helemaal al niet op cd. Het is een soort jazzrock achtige muziek, overgoten met synthesizers en voorzien van al dan niet vervormde vocalen.

Voor RCA Records, dat dan op zoek is naar hippe musici, mag ze een soloplaat maken. Toevallig zijn ook David Bowie en Lou Reed voor het label gecontracteerd, maar als Bowie met zijn gitarist Mick Ronson in de studio naar haar werk komt luisteren, gooit ze ze allebei de studio uit; ze werkt liever alleen. Bowie heeft echter genoeg gehoord en vraagt later een exemplaar van “I’m the One. Hij bewerkt zijn manager, DeFries, om Peacock onder zijn hoede te nemen. Dat doet hij, hij betaalt alle rekeningen, maar regelt niets omdat hij te druk is met de bij hem thuis naakt rondspringende Dana Gillespie, die hij veel liever als ‘rock-chick’ wil propageren. Daar kan Peacock, ook al treedt ze zelf vaak half gekleed op, niet tegenop. Dan vraagt Bowie maar of Peacock in zijn band komt zingen, maar dat ziet ze ook niet echt zitten. Uiteindelijk gaat ze in afwachting van een vaag beloofde actie naar de Julliard School of Music en krijgt voor het eerst echt muziekles. Ondertussen krijgt haar soloplaat volop aandacht. I’m the One - daar is geen woord van onderschatting bij; zij heeft hét. Haar stem is voor menigeen nogal vreemd, je houdt ervan of niet, een tussenweg is er niet. Maar als je voor haar stem valt wordt je ingepakt, meegenomen, betoverd. Sensueel en vlijmscherp tegelijk, hard met een rafelig randje en zacht fluisterend in je oor. Als je daar geen rillingen van krijgt. Haar muziek is niet beperkt tot één genre en gaat van bijna free jazz tot regelrechte rock. Beroemd in bescheiden kring, maar op de plaat wel een scala aan muzikanten waar je een diepe buiging voor maakt. Een uittreksel: Barry Altschul, Airto Moreira, Rick Morotta, Dom Um Romao, Tom Cosgrove en Paul Bley. Muziekblad Wire plaatst de lp in de Top 100 van ‘Albums who shook the World’. Muziekblad Mojo geeft de plaat vier sterren en meldt: “The LP sounds way ahead of its time, a post-Miles primal psych-funk therapy session...”. Record Collector geeft nog een ster meer: “A masterpiece of achingly gorgeous space age love ballads and charged-nerve soul-baring.” Om de passieve houding van DeFries te doorbreken reist Peacock af naar Engeland, maar dat haalt weinig uit. Ze blijft in Engeland, zoekt een huis op het platte land, Surrey, en wacht daar tot de telefoon gaat.

Die gaat, soms, maar die ene keer hangt Bruford aan de lijn, of ze mee wil zingen op zijn eerste soloplaat (die is elders op deze site beschreven). Na Bruford meldt Brian Eno zich, maar die samenwerking wordt min of meer verstoord door Eno’s Berlijnse samenwerking met Bowie. Door diverse enthousiaste verhalen in de Engelse muziekpers raakt Aura records, een klein label, geïnteresseerd in Peacock en vraagt haar een plaat te maken. Het is dan eind jaren zeventig, de punk heerst, maar ook allerlei experimenteels wordt door het publiek gretig geslikt. Er kan dus nu van alles en daar wil Aura van profiteren. X Dreams wordt Peacocks tweede soloplaat - de plaat die ik in de bak aantrof. X-Dreams (Aura Records, 1978) is een energieke plaat, meer rock dan jazz en opnieuw doordrenkt met haar bijzondere stem. De halve Engelse jazz/rock scene speelt mee en laat een flink spoor achter, zelfs zodanig dat ik als ik aan deze plaat denk altijd denk aan de sfeervolle gitaarpartijen en de nogal aanwezige drums. My mama Never Thaught Me How to Cook (that’s why I’m so skinny) opent de plaat met fluisterstem die meteen uithaalt en kreunt. Peacock speelt niet alleen met haar stem, ze zingt om de melodie en het ritme heen, als een soort vlechtwerk. Real & Defined Androgens is zo’n drumgedomineerd nummer; met een lengte van bijna elf minuten wordt het er bijna bij je ingeramd (drums by Bruford natuurlijk). Daar lijnrecht tegenover staan The Feel Within en Questions, als sensuele late-avond love songs. Haar stem is een beetje als de Rattenvanger van Hamelen, volgen is jezelf verliezen. Later kom ik erachter dat de helft van de plaat al gemaakt is rond de sessie met Bruford. Bewust zijn de ‘oude’ nummers op kant één gezet, de nieuwere op kant twee. De muziekpers is laaiend enthousiast, vergelijkingen van Peggy Lee tot en met Nico worden tevoorschijn getoverd, maar het publiek reageert nauwelijks; de muziek is te vreemd voor het ongetrainde oor. Wrang is het dat juist dan ene Plastic Bertrand met zijn “Ca Plane pour Moi” een hit krijgt, een leeg liedje, maar wel met alles dat Peacock al vele jaren eerder gedaan heeft: “It’s not always good te be the first”, weet ze nu.

Ondanks de slechte verkopen hoopt Aura dat een tweede plaat het beter gaat doen. Peacock gaat met nieuw werk de studio in, met als begeleiders Bruford, Jeff Beck, Dave Stewart en Alan Holdsworth. Klinkende namen, maar ze komt eruit met Max Middleton, Robert Ahwai, Richard Bailey, John Mackenzie en Daryl Lee Que. U weet wel (?). Het in grote lijn de begeleidingsband van Beck. Wat er ondertussen gebeurt is, is niet duidelijk. Misschien vond Aura de heren te duur? Al één jaar na X Dreams komt The Perfect Release (Aura, 1979) uit. Opnieuw een prachtige plaat, evenwichtiger dan X Dreams, meer marktgericht na het mislukken van X Dreams, daarom ietsje te fijn of te glad? Desondanks enthousiasme: ”An intelligent, sensual album for intelligent, sensual people”, of, ook een goede: “Genius at Work”. Slechts een handjevol mensen, ik hoorde daar gelukkig al bij, wist haar werk echt te waarderen.

Een ongeplande live plaat – met rechterlijke dwang gestopt – betekende voor Peacock het eind bij Aura. Daarna begon ze haar eigen label onder de goed gekozen naam: Ironic Records. Gedurende de jaren bracht ze er mondjesmaat lp’s op uit, die geheel in stijl, nauwelijks verkrijgbaar of zelfs maar bekend zijn of zelfs in totale stilte uitgebracht worden: Sky Skating (1982), Been in the Streets too Long (1983), I have no Feelings (1986), Abstract-Contact (1988) en 31:31 (2005, uitgegeven in een gelimiteerde editie). Mooie nummers, veel piano en zang, afwisselende stijlen en altijd onverwachte wendingen. Net als de rest van haar werk, onbegrepen en ondergewaardeerd door de meesten. Toch kwam werk van haar terecht op platen van David Bowie, Busta Rhymes, J-Live, Brian Eno, Pat Metheny, Al Kooper en Mick Ronson. Het hielp allemaal niets. Pianiste Marilyn Crispell besteedt in 1997 een dubbelcd – als eerbetoon - aan Peacocks composities: Nothing Ever Was, Anyway; uitgebracht op het prestigieuze ECM Records. Muzikanten: Gary Peacock (ja die) en Paul Motian. Slechts op één nummer zingt ze mee, waardoor het accent ligt op de piano en de composities, die nog sterker zijn dan ik dacht. ECM’s Manfred Eicher ziet ook wel iets in Peacocks muziek, daarom mag ze drie jaar later een eigen plaat uitbrengen op zijn label: An Acrobat’s Heart. De verrassing zit nu in de bezetting: naast Peacock op zang en piano maakt ze alleen gebruik van Het Cikada (Krekel) String Quartet. Ondanks de bijna verstilde nummers is het een echte Peacock plaat: grillig, eigenwijs en uniek. Dat is dan ook meteen samengevat haar stijl ”I only know of two real primitives in rock, that’s Beefheart and me!”. Twee verloren zielen, onbegrepen in een wereld met foute oren. Succes zit er niet meer in, maar ik ben altijd blij met dit soort eigenwijze personen die helemaal hun eigen weg gaan: What’s It Like in Your Dreams?