O Nederland, Let Op U Saeck

Het is op zijn zachtst gezegd raar dat er zoveel muziek uit de meest obscure en uit door iedereen verlaten oorden van de wereld ‘gewoon’ op cd te koop is, maar dat dat voor de authentieke muziek uit ons eigen land nauwelijks het geval is. Ga je zoeken op het internet dan kom je al snel terecht bij een religieuze samenzang, de klompendans of het bij een groot deel van de bevolking zo populaire hedendaagse smartlappenrepertoire, het schlagerfestival en Radio Oranje; meezingbare muziek maar weinig om het lijf. Dat mag dan misschien nu wel dé muziek van het volk zijn, maar waar ik naar zocht waren onze wortels, onze volksmuziek. Waar is die gebleven? Bestaat die nog wel? Waarom muziek uit alle landen en niets uit je eigen land?

Een wat diepere zoektocht brengt me bij de bundel ‘Nederlands Volkslied’, samengesteld door Jop Pollmann en Piet Tiggers. Meer dan tweehonderdtachtig liederen uit ons eigen verleden. De Arnhemse Jop Polmann (foto links) studeerde letterkunde en promoveert in 1935 met een proefschrift over ‘Ons Nederlandse Volkslied’. Bij de AJC – Arbeiders Jeugd Centrale – ontmoet hij Piet Tiggers die in zijn leven dirigent, muziekcriticus en directeur van de Nederlandse Opera is. Bij de AJC vonden de heren een platform voor muziekbeoefening en legden daar de basis voor de liederen-bundel die talloze malen opnieuw in druk ging en vooral op de opleiding voor onderwijzers en -ressen gepropageerd én gebruikt werd. Pollmann maakte zich vooral druk om het herstel van de Nederlandse Volkscultuur – ook in deze tijden een heikel thema, al heeft dat nu een wat groezelig randje. Zijn betoog bestond uit vijf punten waarom het – toen al! – slechter ging met onze volksmuziek: 1. Rederijkerij / 2. Calvinisme / 3. Internationalisme / 4. Instrumentalisme en de mooiste: 5. Decadentie van geest en tekst. Prachtig samengevat denk ik. Hij had een duidelijk punt, maar kon ons volk toch niet behoeden voor de teloorgang van dat Volkslied.

Na de Tweede Wereldoorlog kwam het Nederlands lied meer en meer in de verdrukking en al heel snel waren onze successen niets meer dan vertalingen van de in het buitenland – Frankrijk en Italië vooral – populaire nummers. Daar gingen vervolgens jazz, rock & roll en The Beatles overheen en weg was ons Volkslied. Gelukkig ontstond er rond 1967, het jaar van De Zomer van de Liefde, een tegenstroom onder de bezielende invloed van mensen als Pete Seeger en Bob Dylan die ons hier lieten horen dat je best mocht aankomen met volksmuziek; al noemden zij dat dan natuurlijk ‘folk’. Het zette een kleine groep mensen aan het denken en voorzichtig ontstond er een herwaardering rondom ons historisch lied.

Achteraf gezien maakten we tussen 1967 en 1987 een tweede ‘Gouden Tijdperk’ mee als het ging om onze eigen wortels. In de roerige jaren zestig ligt dus het nieuwe begin en waren de folkies uitgedost met lang haar, baarden (wie niet eigenlijk in die tijd?) en een wat afwijkende kledingstijl. Niet zelden was er enige hilariteit over de geitenwollensokken. Vooral dat laatste item speelt zelfs nu nog een typerende rol als het gaat om een beeld te scheppen van die groep. Niet terecht overigens, het waren vaak milieubewuste mensen met een groot rechtvaardigheidsgevoel en een gevoel voor de schoonheid van de muziek. Die geitenwollensokken hadden meer mensen aan de voet, die waren immers goed en goedkoop en vaak kreeg je die met pakken tegelijk van je bezorgde moeder.

De herwaardering van het volkslied duurde tot ongeveer begin jaren tachtig, want toen had de Amerikaanse muziekindustrie de ankers stevig in onze kleibodem gegraven en verder hadden punk, new-wave en disco ook de nodige gaten geslagen. Josephus Casparis Maria Pollmann overleed in 1972 tijdens de hoogtijdagen van de folkloristische muziek; hij kon op dat moment tevreden zijn; de wendingen in jongere jaren zou hem met afgrijzen vervullen.

Gelukkig zijn in 2007, veertig jaar na de aanvang, drie-en-veertig verloren schatten uit de ‘gouden folk tijd’ op dubbel-cd gezet; Dutch Rare Folk. Raar is het zeker, zeldzaam ook, zelfs die uitgave is nu al een collector item geworden. Beide cd’s staan vol met prachtige muziek: heel erg veel akoestische gitaren en de bij dit soort muziek horend fluiten, samenzang, wat historisch materieel en soms wat elektrieke geluiden al dan niet met band erbij. Natuurlijk is Neerlands’ meest bekende folkgroep vertegenwoordigd; Fungus, maar ook een amalgaam aan groepen, individuen, gezinnen, stijlen en aanpak: in het Limburgs (!), Fries, Brabants (maar eigenlijk is dat meer een tongval dan een echte taal) Nederlands en Engels (!) komt onze klassieke volksmuziek aan bod. Van wonderschone gitaarpartijen (Jan Duindam) tot bijna Irish Folk van King’s Galliard, die Ierser dan de Ieren klonken en er vervolgens met een prijs vandoor ging na een optreden tijdens een folkfestival in Dublin. Andere grootheden: Irolt (foto rechts), Sido Martens, Dommelvolk, Gerard van Maasakkers, Palace Flophouse, Sistrum, Folkcorn, Wolverlei, Sycamore, Crackerhash en een groep met de leukste naam: Happiest Band Ever Played. We krijgen klassiekers uit het Nederlands Volkslied aangeboden: ‘Vanwaar Komt Ons de Koele Wijn’, ‘Jan als Ruiter’, ‘Onze Fiere Pinkersterblom’, maar ook eigen composities: ‘Een Boer ging naar de Wei’, ‘Er zou een Meisje gaan hale Wijn’, ’t Visserke’, ‘Famke Út Tûzen’ en in ’t Engels: ‘Symptoms of the Summer’, ‘I’d Rather be a Dove’, ‘Waitin (for the Sunlight)’ en ‘Walkman’. En met hun natuurlijk vele anderen!

Opvallend is dat er op hoog niveau gemusiceerd wordt. Vaak – en dat is in de bijsluiter te lezen – zijn de heren & dames muzikant geschoold en zelfs hoog opgeleid op hun instrument. De teksten zijn doorgaans prachtig, ontroerend of grappig. En het gebeurde, zo schrijft Matthijs Linneman in het boekje, allemaal onder je eigen neus! “Wat deed jij bijvoorbeeld in 1978, ja jij?” Ja, uh… toen was ik bezig met erg complexe muziek. Maar daartegenover staat dat ik de jaren daarna regelmatig in een folk-café te vinden was om er te schaken. Mijn vrienden van toen waren gek op folk en zo heb ik toch heel wat meegekregen van de gouden era, ook al zat ik toen met mijn hoofd meer tussen de synthesizers van bijvoorbeeld Klaus Schulze. Niet dat het iedereen opviel trouwens, die folk dan. Folk-clubs of cafés waren in heel Nederland op tien vingers te tellen en dat er blijkbaar in een soort parallel universum een muzikale revolutie plaatsvond wist dan ook eigenlijk niemand. Dat Wolverlei – zo betoogt Linneman – het liedboek der Nederlandse liederen herdefinieerde, dat Gerard van Maasakkers een nieuwe norm stelde aan de singer-songwriter, dat Deirdre een heel eigen en nieuwe stijl elektrische folk bedacht en dat de Wageningse Folkcorn een mijlpaal in muziek afleverde? Het gebeurde allemaal terwijl jij en ik bezig waren de grenzen te verleggen op andere muzikale gebieden. Goede muziek is goede muziek en is in die zin altijd herkenbaar.

Dat we hier te maken hebben met goede muziek is evident, dat we er anno 2014 echt naar moeten zoeken is schandalig, maar nog erger, zo betoogt Linneman weer ‘dat de kenners van de Nederlandse muziek' dit ook niet kennen is ‘a bloody disgrace’. ‘ Als je heel goed zoekt kom je nog wel wat Folk tegen. In mijn eigen stad Wageningen loopt de groep Folkcorn (kleurenfoto bovenaan) nog steeds rond en trakteert ons regelmatig op onze wortelmuziek, al doen ze dat uit noodzaak als hobby, want ze kunnen niet leven van de muziek. Overigens is de situatie aan het aan ons gelieerde folk-land België, en dan moet ik stiekem ‘Vlaanderen’ zeggen, precies hetzelfde. Wij hebben tenminste nog 43 hoogtepunten op twee cd’s, in België, ooit hét folkland bij uitstek, is zelfs niets vergelijkbaars te vinden. De ooit als ‘razend populaire’ omschreven folk groep ‘Rum’ is door de massa vergeten. Een cd ervan? Ho maar! Ondanks de ongemene zeldzaamheid van de Dutch Rare Folk set zou iedere rechtgeaarde muziekliefhebber minstens deze set in huis moeten hebben. Raar? 43 keer nee!