Rare Grooves in de Wolken

Een mens koopt wel eens een jazzplaatje, maar ja, je hebt jazz en jazz. Het is weliswaar één naam, maar onder de paraplu hangen nogal wat stijlen en richtingen. En zo, ergens eind jaren zestig, begin jaren zeventig dringt de elektriek de jazz binnen. Veel mensen haken nu al af, maar er komt nog meer: binnen die elektrieke jazz komt plotseling een dosis soul en funk, met lekkere vette bassen en een wolk aan synthetische violen. Er wordt zelfs hier en daar gezongen. ‘Is dit nog jazz?’, zo vraagt de puritein zich af. Het hangt er maar net van af met welk oor men luistert. Blue Note is een gerenommeerd jazzlabel, opgericht in 1939 door twee Duitse emigranten: Alfred Lion en Max Margulis. Bijna alle klassieke jazzgrootheden: John Coltrane, Miles Davis, Thelonious Monk, Herbie Hancock, Art Blakey, Sonny Rollins en tal van anderen werden bekend door Blue Note. De heren daar hadden vanaf de oprichting altijd een oor voor vernieuwing.

Daarom was het niet vreemd dat er in 1973 een plaat uitgebracht werd van trompettist Donald Byrd: Black Byrd. De plaat was hét toonbeeld van de eerder geschetste elektrieke jazz met soul en funk én (nep- ARP synthesizer)violen. ‘Schande’, zo sprak de conservatie jazzcat. Echter, het minder in het stramien zittende publiek dacht er anders over: de plaat kwam terecht op de 19e plaats in de R&B (Rhythm & Blues) hitlijst en tegelijk ook in de Billboard Hot 100 (op nummer 88). Het werd de meest verkochte plaat van Blue Note. Rare Grooves? Zo raar was het blijkbaar niet. Op veel platen van Donald Byrd uit deze periode, maar ook op een reeks andere komen steeds twee namen voor: Larry Mizell (1944) en Alphonso – Fonce – Mizell (1943-2011). Het tweetal stond eigenlijk eigenhandig voor een omwenteling in muziek, was relatief kort actief, uitermate succesvol, maar verdween merkwaardig genoeg al snel weer van het muziektoneel; ze werkten liever achter de schermen.

De broers Mizell groeiden op in Englewood. New Jersey; ze zien het als een buitenwijk van New York. Ze kregen op jeugdige leeftijd allebei een trompet en leerden die bespelen in de schoolband. Natuurlijk speelden ze mee met platen van hun ouders, muziek van Dionne Warwick, Burt Bacharach, maar ook trompettist Clifford Brown en drummers Tony Williams en Elvin Jones waren favoriet. Samen met klasgenoot Freddie Perren (1943-2004 - die werd later bekend als schrijver van ‘I Will Survive’’- Gloria Gaynor, ‘Shake Your Groove Thing’ en Reunited’- Peaches & Herb) vormden ze een doo-wop groep: The Nikons. Het drietal kwam terecht op Howard University; een van de grootste universiteiten in de USA. De meeste studenten aan die universiteit komen niet uit de USA zelf, de populatie is dan ook vooral gekleurd. Omdat de universiteit zo groot is kunnen studenten allerlei richtingen kiezen. Fonce studeerde muziek en Larry techniek. Bij Howard’s ontmoette het drietal John Butler en samen met hem vormden ze een zanggroep: The Vanlords. De aandacht van doo-wop was inmiddels verschoven naar jazz. De groep ontving meerdere prijzen, meestal bij wedstrijden op zoek naar nieuwe talenten. Een van Fonce’s docenten was niemand minder dan jazztrompettist Donald Byrd, iemand die op dat moment al behoorlijk bekend was. Nog voor ze afstudeerden vormden de broers ‘Hog’ (= varken); hun eigen platenlabel. Humoristen die broers. De enige plaat die ze uitbrachten op Hog is een eigen plaat onder de naam The Moments: Baby I Want You. Onbelangrijk? Voor een exemplaar wordt inmiddels makkelijk 2500 dollar geboden...

Na hun afstuderen gingen Fonce en Freddie Perren naar Los Angeles om daar voor Larco records te gaan werken. Dat duurde kort, want al snel werd het duo opgenomen in de kring van songwriters voor Motown Records: ‘The Corporation’. Die groep was in feite een hitmachineteam, die de ene na de andere hit produceerde, waaronder alle hits voor de Jackson 5 (1969-1971) en bijvoorbeeld Martha Reeves and the Vandellas. Larry had na zijn studie iets anders aan zijn hoofd, die vertrok naar Grumman Aerospace. Hij kwam terecht bij het NASA Apollo programma en deed er onderzoek naar vloeibare kristallen. We gebruiken ze nog steeds en kennen ze als LCD (Liquid Crystal Display). Tussendoor haalde hij zijn master aan New York University, maar daarna lokte de muziek toch weer en vertrok hij naar zijn broer in L.A. Fonce en Perren waren daar inmiddels een beetje klaar met Motown; de kaders waren strak en de hun beloofde eigen plaat kwam maar niet van de grond. Toevallig kwam Donald Byrd ook naar L.A. om een plaat op te nemen. Fonce zocht hem op en bood zijn diensten aan. Op Byrd’s Ethiopian Knights (1972) speelt hij al wat mee, maar er hing meer in de lucht. In ieder geval genoeg om enthousiast te worden, samen met Larry een ARP Synthesizer te kopen, nummers te gaan schrijven en een eigen productie maatschappij op te richten: Sky High Productions. Hun eerste productie: Black Byrd voor oud leraar Donald Byrd. Daarmee zetten ze zichzelf behoorlijk op de kaart, want het werd Blue Note’s meest succesvolle album. Larry neemt de meeste composities voor zijn rekening, zingt en arrangeert, Fonce zingt en speelt trompet. De plaat is net een stap verder in ontwikkeling. Miles Davis zoekt weliswaar de funk op, maar zijn muziek is vaak nog lastig te doorgronden. Bij Byrd kun je plotseling dansen en klinkt de muziek licht en luchtig. De tracks zijn voorzien van arrangementen voor strijkers, maar worden losjes op de ARP synthesizers uitgevoerd. Ik denk hierbij eerder aan de muziek van Isaac Hayes en Curtis Mayfield. In de groep, inmiddels Blackbyrd genaamd is ook aanwezig Fred Perren: elektrische piano, synthesizers en zang. Daarnaast een groep musici waaronder: Harvey Mason (drums), David T. Walker (gitaar), Chuck Rainey (Fender bas). Die musici, aangevuld met Jerry Peters (piano) werden de vaste begeleiders/band bij de Mizell broers. Fred Perren was nooit ver uit de buurt en dat geld ook voor Chuck Davis (allebei regelmatig opgevoerd als co-schrijver/co-producer). Davis wordt door de broers omschreven als een ‘elektronica nerd’. Davis ontwikkelde speciaal voor hen een apparaat dat regelmatig – tot wanhoop van de technici die niet wisten hoe het werkte - door de heren gebruikt werd: DEBI Sound Enhancer. Een soort geluidsverrijker, maar dan vooral in de ruimte van de sound (spacial sounds). Vreemd genoeg maakt hoestekstschrijver Gertrude Gipson in haar hele verhaal over Black Byrd geen melding van de broers en de nieuwe muziekstijl.

Zes maanden later komt de opvolger al: Street Lady, een conceptplaat die minder goed verkoopt dan Black Byrd, maar muzikaal veel beter is, kenners noemen het hét meesterwerk van de broers. De hoes toont ons enkele straatmadelieven in uitvouwpostertje en kent alleen maar sterke tracks. De plaat zou zo als soundtrack kunnen dienen voor de ook in deze tijd zo populaire Blaxploitation Movies. De wolken drijven binnen op dwarsfluiten en dan komt er zo’n heerlijk plakkerig gitaartje. Een prachtige omschrijving (All Music site) is deze: “Street Lady has jazzy vamps without clear hooks. But the appeal of Street Lady is how its polished neo-funk and pseudo-fusion sound uncannily like a jive movie or television soundtrack from the early '70s”. Niet voor echte jazzliefhebbers dus.

Bijna tegelijkertijd nemen de Mizells ook voor blue Note de succesvolle plaat ‘Black and Blues’ van fluitiste Bobby Humphrey op. Succes (4,5 sterren gemiddeld) - ‘de ideale zomerplaat’ - en live een sensatie op het Montreux Jazz Festival. Het success vervolgt met ‘Places and Spaces’ (1975) van Donald Byrd, ‘Music is my Sanctuary’(1977) van jazzsaxofonist Gary Bartz (Capitol Records), L.T.D.'s Love Ballad’’ (nummer 1 – 1976). In 1978 duiken de broers plotseling op in de discowereld met een productie van de inmiddels klassieker (nummer 1 plaat) ‘Boogie Oogie Oogie’ van ‘A Taste of Honey’ en in 1982 met Mary Wells' dance funk singel ‘Gigolo’. Voor Warner Bros mogen ze een eigen plaat maken, er worden drie tracks opgenomen, maar uiteindelijk komt de plaat er niet, omdat ze liever in de luwte werken.

Vanaf 1980 wordt het stil rondom de broers Mizell. Onduidelijk is waarom. De muziekwereld verandert natuurlijk constant en hun ‘sound’ is wellicht niet meer gewenst? Stil staan doen ze eigenlijk niet, want tot op de dag van vandaag staat de ‘Alruby Music Publishing Company’ op hun naam (genoemd naar ouders Alphonse en Ruby). In 2007 is Larry even terug met productie- en zangwerk voor 4Hero’s ‘Play with Changes’. In 2011 overlijdt Fonce Mizell als gevolg van een hartaanval. Waardering kwam vooral van Blue Note die de broers eerde met een tweetal compilatieplaten: ‘Sky High’ (1998) en later nog met ‘Mizell – 1973 to 1977 and Beyond’ (2005). Die laatste mochten ze zelf samenstellen en maakten meteen maar enkele remixes van hun oudere werk. Samples van hun werk werden en worden nog steeds gebruikt door hip-hop musici; meestal ook een goed teken als het gaat om kwaliteit. Achteraf gezien was ‘Sky High’ gezien de behaalde resultaten uit het verleden niet eens zo’n slecht gekozen naam. Maar ja, wat doe je als je eenmaal in de wolken bent? Verder dan de top kun je niet. Het enige dat dan nog rest is naar beneden kijken en in stilte genieten van al die schitterende ‘rare grooves’ daar beneden.