Paisley Shirt en een Mellotron

Wat is de functie van een klok op een lp/cd-hoes? Het ontkennen van de tijd of juist het bevestigen ervan? Nog vreemder wordt het als er geen wijzers op de klok staan, de klok vijfentwintig kan slaan en de stopwatchklok eigenlijk het hoofd is van een bodybuilder. Zonder enige twijfel zitten we dan bij de psychedelische muziek. Surrealisme en psychedelica gaan goed samen en brengt ons met een caleidoscopische verpakking meteen op het goede geluidsspoor. Psychedelische muziek is eigenlijk altijd om ons heen. De eerste zinsbegoochelende periode was al vroeg, 1967, maar daarna kwam er een opleving. De laatste jaren zitten we er weer middenin, mits je oren de goede kant opstaan, want deze muziek zit – zoals dat tegenwoordig heet – onder de radar. Vroeger noemde men dat gewoon ‘underground’. Soms vinden artiesten het leuk te pretenderen dat nieuwe muziek eigenlijk ‘vergeten’ muziek is die plotseling opduikt. Maar het kan natuurlijk – altijd eigenlijk – nog gekker, of moeten we zeggen ‘geestverruimender’?

Dit verhaal begint in 1976 met een new-wave(!) band: XTC. Het is de band van Andy Partridge (gitaar, zang) en Colin Moulding (bas, zang). XTC had in ons land twee bescheiden hitjes: ‘Making Plans for Nigel’ (1979-hoogste notering:32) en 'Senses Working Overtime’ (1982-hoogste notering 22). In eigen land, Engeland, hadden ze iets meer succes, maar volgens kenners konden ze dat succes niet vasthouden omdat ‘hun muziek niet strookte met de tijdgeest’. Hoezo klokken? Ze zijn vast niet alleen geweest. Dat conflict met de tijd was misschien wel de reden voor Partridge om andere muziek te maken in een andere band, maar wel met bijna leden uit XTC. Bizar gevolg is dat die undergroundband letterlijk beter verkoopt dan de ‘hoofdact’, al duurde dat kleine succes maar anderhalve plaat lang. Stroboscopische spil in deze maalstroom is Andy Partridge. Hij is geboren op Malta(1953), maar groeit op in Swindon. Hij houdt van muziek, maar de grote psychedelische droom uit de jaren zestig gaat aan het kleine plaatsje voorbij. Partridge: “England in 1967 had not gone Technicolor, except for a few dozen people in central London. For 99.9 per cent of the population it was still the 1950s; you could only read glimpses of it in the papers.” Maar soms, als dertienjarige, zag en hoorde hij flarden van de veelkleurige muziek bij het populaire tv-programma ‘Top of the Pops’: “As a schoolkid in 1967 I thought, well that’s it, that’s how music is going to sound from now on. You would hear Strawberry Fields Forever or My White Bicycle, and think, when I’m older and I’m in a group, that’s what we’ll sound like.” Zo begint het bij de meesten, de droom was geboren, hij 'leende' een gitaar van een jongerenclub en begon.

Maar de werkelijkheid – de tijd staat nooit stil - haalde de droom in. Psychedelische muziek verdween en maakte plaats voor – heel grof gezegd - een soort gestandaardiseerde popmuziek of –toen best populair - symfonische rock. En plotseling was het 1977 en brak de Punk door als tegenhanger van al die bombast en kitsch – zo werd dat toen omschreven. Partridge had inmiddels inderdaad een eigen band en stond op het podium met een eigen band met muziek die toen viel onder de noemer new-wave, de iets minder primitieve stroming na de Punk. “Time kicks in and suddenly you find yourself on stage in Doncaster in 1977 and you think, hang on, this is not psychedelic, I’m not wearing a paisley pattern jacket or wearing a cravat under a liquid light show. There’s no Mellotron. So I thought, wouldn’t it be great, now we have access to making records, to do a big thank-you to the bands who made my schooldays so colourful.” Ja, verdomd, waar was die muziek uit zijn jeugd gebleven en inderdaad, waarom nu geen plaat gemaakt in de favoriete muziekstijl uit zijn jeugd als ode aan de muziek die toen zijn hart sneller liet kloppen? Hij legde het voor aan mede XTC-ers en eigenlijk vonden ze allemaal dat ze er iets mee moesten doen.

Maar hét daadwerkelijk doen duurde even. De tijd liep af, maar ze hadden nog een extra uur nodig, 25 O’Clock. De aanzet kwam in 1981. Nick Nicely (hoes links én onthoudt die naam!) bracht een wonderlijk, prachtige, niet eens zo’n succesvolle, psychedelische getinte single uit: ‘Hilly Fields’. Partridge oren groeiden er meters langer van. Dat leidde tot wat uiteindelijk ‘The Dukes of Stratosphear’ zou worden (de naam die Partridge eigenlijk in gedachten had voor XTC). Het duurde echter nog drie jaar voordat het echt zover was en – even tellen - inmiddels al zeven jaar nadat hij in Doncaster het plan had opgevat. In het jaar van Orwell, 1984, werd Partridge gevraagd om te werken als producer voor ene Mary Margaret O’Hara - een Canadese singer-songwriter - , samen met de bekende John Leckie. De naam Leckie is in deze zin behoorlijk cruciaal, want de man werkte in de studio met onder anderen (hou je vast): John Lennon, Pink Floyd, Syd Barrett, Soft Machine, Roy Harper, Paul McCartney, George Harrison Simple Minds, PIL, Human League, XTC en na het avontuur met Partridge met de Stone Roses, Muse en Radiohead. Ik benoem slechts het topje van de ijsberg, maar het is een aardig visitekaartje. Het tweetal werd om onduidelijke redenen ontslagen voor de job met O’Hara (religieuze verschillen wordt gefluisterd). Leckie was niet blij met de verloren tijdsinvestering en wilde toch iets terug verdienen. Partridge vertelde Leckie dat hij iets geschreven had, wat psychedelisch werk dat niet zo goed paste bij XTC. Leckie vond het een uitstekend plan en peuterde daarop vijfduizend Pond los van Virgin Records voor een plaat (later betaalde hij netjes 1000 pond terug, omdat ze dat niet gebruikt hadden, iets waar Virgin behoorlijk van opkeek). Er waren nu heel snel muzikanten nodig. XTC’s maatje Moulding en Dave Gregory (gitaar) werden snel opgetrommeld, net als Gregory’s broer Ian (slagwerk). Het vijftal ging aan de slag en produceerde in korte tijd zes nummers voor een EP (een iets langere single). De te volgen stijl werd vooral door Partridge beschreven als een beetje ‘See Emily Play’ van Pink Floyd en een beetje van The Rolling Stones’ ‘Their Satanic Majesties Request’. Aldus geschiedde, maar Partridge wilde geen drug-referentie, iets waar psychedelische muziek behoorlijk onder leed: “I never went near drugs, I valued my brain and I saw a lot of tossers who took drugs and how it cooked their brains. The Beatles were not on acid doing Sgt. Pepper. You can’t make great records like that off your head. You have to be in control.” Even so, the atmosphere was giddier than usual. “I tended to be a benign dictator in the studio with XTC. It all had to be exactly right. I was like a cross between Mary Poppins and Mussolini. And I think the others were getting pissed off. So with the Dukes we had a template: first takes, if we can; it’s all got to sound like somebody else; and if anyone makes a cock-up we’ll put a funny noise over it.” In eerste instantie werd het project buiten XTC gehouden; Virgin presenteerde de band als een mysterieuze nieuwe band. De naam XTC kwam dan ook nergens op de plaat voor, net zoals de namen van de bandleden. Op de hoes stond: Sir John Johns (Andy Partridge) - singing, guitar, brain buds, The Red Curtain (Colin Moulding) - electric bass, song stuff, Lord Cornelius Plum (Dave Gregory) - mellotron, piano, organ, fuzz-tone guitar en E.I.E.I. Owen (Ian Gregory) - drum set. Ook Leckie kreeg een pseudoniem: Swami Anand Nagara, de naam die hij kreeg als volger van Bhagwan (Later volgde hij dat pad niet meer). De prachtige hoes werd gemaakt door Partridge, volgens ‘kenners’ aan de keukentafel. Het is een regelrechte verwijzing naar een hoes van The Cream’s Disraeli Gears.

De EP - 25 O'Clock (1985) -verkocht uitstekend. Beter nog dan de platen van XTC. Door stemmen en sommige songs ging al snel het verhaal dat XTC achter de plaat zat, maar andere muziekliefhebbers geloofden dat het allemaal echt was en dat de band ‘teruggevonden’ was na jarenlang op de plank te hebben gelegen. Virgin maakte dat allemaal niet uit, was blij met het succes en vroeg de band een tweede plaat te maken. De opnamen daarvoor vonden plaats in Sawmills Studio, een studio die alleen per boot te bereiken was. Niet heel handig als je een zware mellotron moet vervoeren op een klein vissersbootje met het constante gevaar van kapzeisen. John Leckie sloot ook weer aan: “The Dukes were my favourite studio experience!” Was de eerste plaat nogal Engels gericht, de tweede – Psonic Psunspot (1987) - had ook invloeden van de Amerikaanse psychedelische muziek: “Our (de Engelse bedoeld hij) psychedelia was naïve and Alice In Wonderland and wandering about in striped blazers. But theirs was poisonous, all about avoiding the Vietnam draft and taking horrendous drugs. No one in England had to burn their draft card. Here you just got a clip round the ear from your old man: he’d done National Service and why shouldn’t you?” Als je alle invloeden op een rij zet komen bands langs als Pink Floyd (de oude dan, mét Syd Barrett), Beatles, The Electric Prunes, The Byrds, Beach Boys en natuurlijk die ene psychedelische plaat van The Rolling Stones (die staat hier ook onder de LemonTree). Vergeleken met ’25 O’Clock’ is Psonic Psunspot compositorisch sterker, maar de humor van de eerste plaat is zeker minder.

Eigenlijk klonk de tweede plaat al iets meer als XTC of XTC als The Dukes? Echter, het werken als The Dukes of Stratosphear redde XTC – tijdelijk dan. Hun nieuwe plaat, Skylarking (1986), verkocht redelijk. Toegegeven, 'restjes' Skylarking staan op Psonic Psunspot. Inzicht komt echter met de jaren; Rolling Stone (het blad) plaatste Skylarking op 48 in hun lijst van ‘the 100 greatest albums of the 1980s’, Op het moment dat Skylarking uitkwam waren de verkopen van Psonic Psunspot veel hoger. Grappig feitje is dat The Dukes op de hoes van Skylarking bedankt worden voor het lenen van hun gitaren. De vallende engel op de hoes doet denken aan Gustave Doré en is eigenlijk ontstaan na een tip van niemand minder dan Storm Thorgerson. Wie? De man achter Hipgnosis en bijna alle hoezen van Pink Floyd.

The Dukes bestonden kort en hielden plotseling op te bestaan; geen fameuze slottour of persconferentie. Werk waar ze mee bezig waren, een soort rock-opera: ‘The Great Royal Jelly Scandal’ verdween in een la, waarschijnlijk nadat dat project afgekeurd was door Virgin. Als logisch gevolg van de tijd werden de twee Dukes-platen, eigenlijk anderhalf, opnieuw uitgebracht op één cd: 'Chips from the Chocolate Fireball’ (1987). Trippy genoeg zo’n naam? In 1991 werd aangekondigd dat er een nieuw blad op de Engelse markt zou gaan verschijnen: Strange Things Happening. Bij dat blad zouden flexidiscs zitten van Big Chief Cigar Choc Champion met de track ‘It’s Snowing Angels’ en van The Golden met de track ‘Then She Appeared’. Nog voordat de singles geperst konden worden was het blad al ter ziele. Daarom was niet duidelijk dat het hier om een kleine terugkeer ging van Andy Partridge in Dukes-stijl. De tracks zijn terug te vinden op de Fuzzy Warbles Anthology - 9 cd’s (2002-2009) met het complete werk van Partridge. Maar dan duiken er meer snippers op, bijvoorbeeld op een compilatie van XTC ‘Rarities’ staat: ‘Coat of Many Cupboards’ een gesprekje van zo’n twintig seconden, opgenomen voor Psonic Psunspot, maar nooit gebruikt. In 2003 duikt ‘Open a Can (of Human Beans) op. Een soort Never Ending Story. Sommige tracks komen als bonus op de re-releases van 25’O’Clock op Partridges Ape House Label (2009). Dat geldt ook voor ‘Tin Toy Clockwork Train’ een promotieplaatje voor de Eurostar-trein, een weggevertje op stations. Ook Psonic Psunspot komt in 2009 opnieuw uit met extra tracks. Opmerkelijk is dat op beide 2009-versies een andere groepsnaam staat, namelijk ‘XTC as The Dukes of Stratosphear’(!). Beide uitgaven zijn uitgevoerd in hardkartonnen hoesjes, veel tekst en foto’s; eigenlijk de mooiste releases tot nu toe. Sinds 2005 zijn maatjes Partridge en Moulding geen maatjes meer, sterker nog, ze zullen nooit meer samen spelen beweert Partridge. “Making albums should be fun, but they’re always a lot of worry and egos flaring up. Producers or band members wandering off. But this…, The Dukes, this was pure fun.”