Magicien Orchestrateur

Charles Koechlin: The Jungle Book door het Radio Symphonie Orchester Berlin ‎onder leiding van David Zinman 1994


Charles Koechlin (1867-1950)


Percy Grainger: Jungle Book door Polyphony onder leiding van Stephen Layton 2011



Een kind in de jungle, opgevoed door wolven. Het verhaal sprak mij, als achtjarige, meteen aan. Het boek uit 1894 van Rudyard Kipling (1865-1935) was nog iets te moeilijk op die leeftijd, maar het verhaal van Mowgli werd bij de zaterdagmiddagbijeenkomsten van de scouting regelmatig verteld, maar dan in de kinderversie uiteraard. Die scoutinglink kwam doordat de oprichter van de Scouting, Lord Robert Baden-Powell, een vriend was van Kipling. Het jungleverhaal was net als een sprookje, maar dan een die zich afspeelde in een ver, warm oerwoud, vol onbekende geluiden van dieren. Dat is al spannend genoeg, maar de namen, die ook bij scouting gebruikt werden voor de diverse groepen of teams, maakten het nog levendiger: Akela en Raksha, wolf en wolvin, Baloe de beer, Bagheera, de panter, Kaa, de slang, de gevaarlijke tijger Shere Khan, Tabaque de jakhals, olifant Hathi, Chil, de wouw en dan ook nog de Bandar-log, een apentroep. In het kort gaat het verhaal over een jongen, Mowgli, die in de jungle gevonden wordt door wolven en als één van hen wordt opgevoed. Als Mowgli groter is wordt hij ontvoerd door de troep apen, die van hem hun koning willen maken. Gelukkig steken Bagheera, Baloe, Chil en Kaa door een flinke liaan voor. Uiteindelijk komt Mowgli terug in een dorp en wordt geadopteerd door Messua en haar man; zij denkt dat het haar verloren zoon, Nathoo, is.
In grote lijnen komt het verhaal ook overeen met de tekenfilmversie van de Disney studio’s. Alleen is dat verhaal meer grappig, waarbij het origineel soms dreigend en veel spannender is. Net als ik werden anderen gegrepen door het boek. Zowel Australiër Percy Grainger (1882-1961) als Fransman Charles Koechlin (1867-1950) maakten er composities omheen.

Grainger had er vijftig jaar voor nodig. Zijn werk, Jungle Book (1947), bestaat uit elf delen voor koor, waarvan een vijftal a capella (zonder muzikale begeleiding) gezongen wordt. Er zijn wat ‘aparte’ instrumenten opgenomen in het orkest zoals ukelele, mandoline en harmonium. Zelfs de opgenomen altsaxofoon wordt nog gezien als een buitenbeentje. Net als bij Kipling kiest Grainger voor de natuur en vrijheid. Zijn werk werd voor het eerst in 1996 opgenomen, maar pas in 2011 uitgegeven. Ondanks dat doet hij het beter dan de uitvoering van Koechlin, die niet eens een vermelding krijgt op Wikipedia bij het lemma ‘jungle book’. Net als Grainger werd Charles Koechlin gegrepen door het verhaal. Koechlin maakte er een symfonisch verhaal van, maar ook dat ging niet heel gemakkelijk en ook hij had jaren nodig om het af te maken. Zijn erkenning kwam laat, erg laat. Een eerste uitvoering van zijn hele Jungle Book werd pas uitgevoerd en opgenomen in 1993. Koechlin was, en is eigenlijk nog steeds, een marginaal figuur in de wereld van de klassieke muziek. Een figuur die een beetje tussen de figuurlijke wal van Claude Debussy en het schip van Pierre Boulez viel.

Charles-Louis-Eugène Koechlin is geboren in Parijs als jongste van een groot gezin. Koechlin’s moeder was afkomstig uit de Elzas en heeft waarschijnlijk een grote invloed gehad op haar zoon, want die hield erg van die streek. Koechlin’s vader overlijdt als hij veertien is, maar zijn grootvader neemt de vaderrol over. Van hem kreeg hij een sterk gevoel voor rechtvaardigheid en sociaal bewustzijn mee. Koechlin is als kind al geïnteresseerd in muziek, maar ook in techniek. Hij wilde graag astronoom worden. Maar dat en muziek leverden niets op, dus werd hij met zachte dwang richting de École Polytechnique gestuurd om een technicus te worden. Koechlin werd in het eerste jaar ziek en bleek TBC te hebben. Voor zijn herstel werd hij naar Algerije gestuurd. Om aan te sterken moest hij bewegen en dát deed hij. Koechlin werd fervent bergbeklimmer, zwemmer en tennisspeler. Hij deed het eerste jaar over, maar zijn cijfers waren nou niet heel bijzonder. Eigenlijk had hij er geen zin meer in. Na wat discussies in de familie kreeg hij les van Charles Lefebvre en werd vervolgens toegelaten tot het conservatorium (1890). Daar studeerde hij harmonieleer, compositie, muziekgeschiedenis en contrapunt (onder contrapunt wordt in de muziektheorie het verband tussen twee of meer stemmen verstaan. De term komt uit het Latijn, van punctus contra punctum, noot tegen noot, aldus Wikipedia).
Koechlin was naast druk zijn met het heelal, muziek en sport zeer geïnteresseerd in fotografie. Met zijn gespierde lijf en markante hoofd met lange baard was hij een opvallend figuur.

In 1896 wordt Koechlin leerlingen van Gabriel Fauré. In dezelfde groep zitten Maurice Ravel en Jean Roger-Ducasse. Fauré had zo’n invloed op Koechlin dat die een – nog steeds als waardevol gezien - boek over hem schreef. Daarnaast hielp hij Fauré met de orkestratie van diens ‘Pelléas et Mélisande” (1898) en twee jaar later met het drama ‘Promothée’.

Na zijn afstuderen wordt Koechlin – als zovelen – docent. In 1903 trouwt hij met Suzanne Pierrard en krijgt met haar vijf kinderen. Dat betekent hard werken om brood op de plank te krijgen. Onder zijn leerlingen komen we mensen tegen met nu bekende namen: Roger Désormière, Francis Poulenc, Germaine Tailleferre, Henri Sauguet en Cole Porte. Geen leerling, maar een vriend was Darius Milhaud. Milhaud had duidelijk zijn oren niet in zijn zak en vertelde later dat hij meer van Koechlin geleerd had dan van wie ook. Een van Koechlin’s leerlingen is Catherine Murphy Urn. Die dame moeten we in de gaten houden. Een andere taak die hij op zich neemt is recensent/criticus voor een kunstblad: ‘Chronique des Arts’. Samen met studiegenoot Ravel richtte hij de Société musicale indépendante op en als gevolg daarvan steunde hij de ‘International Society for Contemporary Music’. Hij werd zelfs het hoofd van de Franse tak daarvan. In 1937 werd hij gekozen tot ‘President of the Fédération Musicale Populaire’. Je zou zeggen dat hij geen tijd meer had om te componeren of iets anders te doen. Toch werkte hij ook gestaag door aan composities. Daarbij was hij gefascineerd door de wereld om hem heen, zoals de films uit Hollywood, astronomie, Franse folkmuziek, de natuur en de geluiden en sferen van de Oriënt, die hij nog kende uit zijn TBC-periode. Al die indrukken verwerkte hij in muziek. In deze tijd schrijft hij veel voor orkest met zangstemmen. Natuurlijk is hij beïnvloed door Fauré, maar ook door Claude Debussy, de grote voorganger van het impressionisme in muziek. Veel van die werken zijn half af of bedoeld als studies. Zoals wel vaker in de muziekgeschiedenis werd hij geprezen voor zijn artikelen, maar werd zijn muziek genegeerd.

In ieder geval had hij de luxe van drie huizen, één in Parijs, één in Villers-sur-Mer (grofweg tussen Caen en Le Havre) en één aan de the Côte d'Azur. Als gevolg van de Eerste Wereldoorlog liepen zijn inkomsten terug en moest hij een van de drie verkopen. Bovendien werd hij zo weer gedwongen meer les te geven. Door zijn vooruitstrevendheid richting de nieuw muziek kreeg hij nooit een vaste standplaats, maar werd hij daarentegen wel weer veel gevraagd als examinator.

Na de oorlog ging Koechlin verder met zijn compositorische vaardigheden, maar nu meer toegespitst op grote orkestwerken. Dat ging tegen de geest van de tijd in, want juist toen was werk voor kleine ensembles populair. Dat niet alleen, het publiek wilde niets liever als de wat oudere, Neoclassicistische muziek horen. Desondanks begint hij juist In deze periode met schrijven van vier symfonische gedichten en drie liederen met orkest gebaseerd op het Jungle Book van Kipling. Voor de muziek maakte hij gebruik van een scala aan stijlen en vormen. Voor die vervelende apentroep gebruikte hij elementen uit het Twaaltoonssysteem van Arnold Schönberg. Gedurende veertig jaar blijft hij werken aan het Jungle Book. De gekozen vorm verandert hij niet meer, wel blijft hij schaven aan de klankkleur. De allereerste keer dat het werk in zijn geheel wordt opgenomen is in 1993. Gedurende drie dagen wordt door het Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin onder leiding van dirigent David Zinman in Studio I van de ‘Sender Freies Berlin gewerkt om alle delen geregistreerd te krijgen. De liederen worden gezongen door het RIAS Kammerchor, de solisten zijn: Iris Vermillion (mezzosopraan), Johan Botha (tenor) en Ralf Lukas (bariton). Zinman, inmiddels een bekende dirigent, was ooit gespot door niemand minder dan Pierre Monteux. Die kennen we natuurlijk (onder anderen) als dirigent van de première van Claude Debussy's opera Pelléas et Mélisande.

Koechlin’s ‘Le Livre de la Jungle’ bestaat uit vijf delen: Trois Poèmes; La Course de Printemps; La Méditation de Purun Bhagat; La Loi de la Jungle en Les Bander-log. De muziek meandert nogal eens van stijl. Het eerste en oudste deel heeft nog kenmerken van Debussy’s muziek, zoals ‘Jeux’ en ‘Claire de Lune’. Het eerste van de drie is het enige deel dat niet in de jungle afspeelt, maar, jongens, wat een begin. Alleen al dit stuk zorgde ervoor dat ik meer wilde weten van de muziek van Koechlin. Lionel Slater van het Engelse klassieke muziekblad Gramophone, schreef: “… nevertheless the first song, the lushly scored ''Seal lullaby'' is so seductively beautiful that it would be a pity to miss it, especially as well sung as it is by Iris Vermillion.“ Dus!
De drie gedichten gaan respectievelijk over een jonge, albino zeehond, een nacht in de jungle en het lied van Kala Nag. De nacht is natuurlijk vol geluiden en stemmen en wordt ook zo in de muziek vertolkt. Kala Nag is de tamme olifant die een lied ‘zingt’, eigenlijk jammert, over zijn verlangen terug te kunnen naar de jungle. In die zin is het meteen een aanklacht tegen de mensen die olifanten uit hun natuurlijke habitat halen en temmen voor hun eigen gewin.
Na dit prachtige intro gaan we diep de Jungle in en ontmoeten Mowgli, Bagheera en Baloe. De muziek heeft hier iets weg van de muziek bij een film.
De Purun Bhagat is de derde versie uit 1936. Het is het verhaal van een krachtige politicus die uiteindelijk een vrome pelgrim wordt. Niet heel verbazingwekkend dat dit stuk van intens, hard bijna tot bedaard en heel zacht gaat.
De wet van de Jungle handelt over de lessen van leraar Baloe aan zijn leerling Mowgli. Met tamtam, gongs en drum zet Koechlin een tijdloos document in muziek neer. Les begrepen.
Het sluitstuk is over die verduivelde apen. Koechlin: “The monkeys consider themselves inspired geniuses but are, after all, nothing more than self-satisfied mimics whose only goal is it to follow the fashion of the day… such things are said to occur in the world of artists too.” Koechlin’s opmerking is anno 2020 nog steeds actueel en niet alleen richting die artiesten. Het apenstuk is druk, atonaal op sommige plekken en gaat van een Debbusyaanse klankkleur naar die van Schönberg’s klangfarben.

Ondanks het grote verschil in compositietechnieken en vooral de lange tijd – veertig jaar – waarin het stuk geschreven is, is Koechlin’s Jungle Book behoorlijk homogeen te noemen; je merkt niet dat er zoveel tijd overheen is gegaan. Het past ‘gewoon’.
Toch, over de volgorde had Koechlin nog wel iets: “Misschien was het beter Kipling’s boek te volgen.” Dan zou de volgorde heel anders worden: La Loi de la Jungle; Les Bander-log; Trois Poèmes; La Méditation de Purun Bhagat en tot slot La Course de Printemps. Altijd die twijfel ook. Voor de première-opname is gekozen voor de eerste opzet. Misschien dat er ooit nog eens een variatie op het thema komt dan?

Omdat Koechlin weg was, zeg maar gerust ‘fan’, van filmmuziek componeerde hij talloze stukken voor ‘imaginaire films’, maar ook de ‘Seven Stars Symphony’, gebaseerd op de films uit Hollywood. Die had hij trouwens binnen twee weken af. Daarvoor werd hij geestelijk gevoed door acteurs als Douglas Fairbanks, Greta Garbo, Marlene Dietrich, Charlie Chaplin, Emil Jannings, Clara Bow en Lilian Harvey. Voor actrice Jean Harlow componeerde hij ‘Epitaph’ en voor danser/acteur Ginger Rogers: ‘Suite of Dances’.
Koechlin schroomde niet om ‘moderne’ instrumenten als de saxofoon en de ‘Ondes Martenot’ (een van de eerste elektronische muziekinstrumenten) te gebruiken. Voor zijn ‘Tweede Symfonie’ had hij er maar liefst vier nodig. Ook schreef hij werk voor jachthoorn, een instrument dat hij zelf had leren spelen. Koechlin heeft soms als een bezetene gewerkt en produceerde zo’n tweehonderd stukken in een relatief korte tijd. Veel van die stukken zijn nu nog steeds niet uitgevoerd of gepubliceerd. Daarbij zijn stukken geschreven in een stijl die hij zelf omschreef als: ‘style atonal-sériel'.

Alsof hij nog niet druk genoeg was hielp hij Fauré met orkestreren, net als Claude Debussy’s voor wie hij het grootste deel van ‘Khamma’ (1913) orkestreerde, Idem Cole Porter’s ballet ‘Within the Quota’.
Ondanks al het werk vond Koechlin de tijd en het geld om een aantal keren naar Amerika te reizen. Bij het tweede en derde bezoek kon hij op voorspraak van de eerder genoemde Catherine Murphy Urn les geven aan de Universiteit van Berkeley. Het bleef niet bij voorsprak, ze leefde ook met hem samen tot ongeveer 1933.
Bij zijn derde bezoek (1929) nam hij een nieuw werk mee, een symfonisch gedicht: ‘La Joie Païenne’. Onverwacht won hij daarmee de ‘Hollywood Bowl Price’. Met het geld kon hij een uitvoering bekostigen. Het geld was nodig voor alle voorbereidingen en het laten maken van partituren. Dat was toen een normale procedure en dat is zo gebleven. Frank Zappa noemde deze gang van zaken ook altijd als hij het had over het uitvoeren van zijn eigen werk.

Koechlin schreef, naast het eerder genoemde boek over Fauré, tijdens zijn leven een aantal boeken, een serie van drie boeken over harmonie (1923-1926), een over muziektheorie (1934) en vier delen betreffende orkestratieleer (1935-1943). Voor die leer gebuikt hij voorbeelden van Fauré, Debussy, Ravel, Saint-Saens, Bizet, Chabrier en hemzelf.

De oorzaak is onduidelijk, maar in 1940 had de Belgische radio plotseling erg veel belangstelling voor Koechlin’s werk. Dat leverde een aantal eerste uitvoeringen op, waaronder die van delen van Koechlin’s ‘Jungle Book’. Wakker geschud wilde de Franse regering hem de ‘Chevalier de la Légion d'honneur’ geven, maar dat weigerde hij. Wellicht had dat ook te maken met zijn politiek links visie. In feite een socialist, zonder overigens lid te zijn geweest of te willen worden van een politieke partij.

Koechlin stierf op drieëntachtig jarige leeftijd in zijn huis aan de Côte d'Azur. Materiaal dat nog in Amerika lag is door de weduwnaar van Urmer gedoneerd aan de bibliotheek van Berkeley.
Koechlin werd zowel tijdens als na zijn leven genegeerd als componist. Dat een van zijn belangrijkste werken – zoals het nu gezien wordt – pas jaren na zijn overlijden compleet is uitgevoerd is eigenlijk best triest te noemen. Ondanks het feit dat hij zo begaan was met de natuur en de jungle was hij zijn tijd erg ver vooruit. "The artist needs an ivory tower, not as an escape from the world, but as a place where he can view the world and be himself. This tower is for the artist like a lighthouse shining out across the world."

Pas recent is er meer belangstelling voor zijn werk en komen de cd’s met boxen tegelijk uit: een set van zeven cd’s met orkestmuziek, gevolgd door een set van zeven met kamermuziek. Op een andere uitgave (die van SWR Musik) staat een prachtige benaming: ‘Magicien Orchestrateur’ Dat was hij zeker. In de huidige tijd hebben we verhalenvertellers nodig én mensen die geven om de natuur. Koechlin was beide. Luister naar Le Livre de la Jungle en ga mee op avontuur naar een magische orchestrale wereld.
tekst: Paul Lemmens januari 2020 -  plaatjes: © RCA Victor/Hyperion