Limburg mie Landj

Als ik, als jongen uit ’t Eikske – waar we toen nog woonden - richting Schaesberg ging om met mijn vriendje uit de klas te spelen, moest ik vaak minutenlang wachten bij de spoorwegovergang. De trein, vaak meerdere locs voorop, ging met tientallen wagens naar de mijn Wilhelmina. En het ging echt langzaam, want het hele gevaarte moest bergop. Nadat ik koffie (!) en een boterham gekregen had bij mijn vriendje thuis gingen we vaak spelen bij een wild weitje met bomen. Dat weitje werd begrensd door een oneindig lange muur. Daarachter lag een andere mijn, de Oranje Nassau II. De muur was te hoog om eroverheen te kijken, maar wat we wel zagen waren de torens en de grote katrollen voor de liften. Maar waarvandaan je ook kwam, overal was de hoge steenberg te zien, soms zwart schitterend in de zon. De weg naar de hoofdingang van de mijn liep aan een kant door naar beneden, een heuvel af, richting kasteel Streijthagen. Daar was ook een grote vijver, omzoomd door een klein bos. Rechts van de weg naar dat kasteel was er die steenberg, maar wel omheind met prikkeldraad en her en der begroeid met berken en varens.

Mijn moeder deed elke zaterdag boodschappen bij V&D in Heerlen en meestal ging, of moest, ik mee. De bus, we hadden geen auto, reed met een flinke omweg naar de grote stad en stopte dan uiteindelijk langs het spoor, bij de voetgangerstunnel. Die leidde naar een wijk achter het spoor, een wijk waar ik volgens mijn moeder beter niet kon komen. Verderop, achter het spoor, was meer mijnbouw, de Oranje Nassau I, met opnieuw die typische, open torens met reuzenkatrollen. En hier zag je de – ik vond ze mooi – twee slanke torens, de Lange Jan en de Lange Lies, want dat waren hun namen in de volksmond. ‘s Avonds was de bovenkant van de torens verlicht met een kring van rode lichtjes. Bij V&D gingen we meestal meteen met de roltrap de kelder in, naar de supermarkt voor de weekboodschappen. Het was altijd een heel gezeul met vol geladen tassen en dan weer met de bus terug. Soms gingen we ook naar andere winkels, Schunck bijvoorbeeld, die had ook een supermarkt in de kelder, maar volgens mijn moeder was V&D beter. Misschien hadden ze meer of was het goedkoper dan het toch wat sjiekere Schunck? Dat heb ik eigenlijk nooit gevraagd.

Ondanks het feit dat ik omgeven was door de mijnen in de Oostelijke Mijnstreek en om mij heen de koempels woonden die in die mijnen werkten, heb ik er nauwelijks iets van meegekregen. Mijn vader werkte bij Philips en mijn moeder was huisvrouw. Alleen een oom van mij had op de mijn’ gewerkt, maar dat was omdat hij iets deed in het verzet in de oorlog en niet naar Duitsland wilde. Wat ik wel nog weet is de dag dat de brandweer met sirenes en zwaailichten door onze best kleine straat kwam en ik er als een haas met mijn roller (Limburgs voor een step) achteraan ging en tegelijkertijd met de wagen op de berg naar Terwinselen aankwam bij de Wilhelmina voor een kleine schoorsteenbrand. ‘s Avonds kreeg ik natuurlijk op mijn kop, omdat ik zomaar was vertrokken. Maar ik had wel een spannend verhaal bij het eten.
Later verdween alles wat met de mijn te maken had. De muren werden gesloopt, net als de torens en de gebouwen. Plotseling lag het hele terrein open en konden mijn vader en ik er ‘gewoon’ overheen wandelen. Nog weer later werd alles bedekt met gras, werd er een paardenrenbaan (nu het Pinkpopterrein), een openlucht bioscoop (allang failliet) en de populaire indoor skibaan van Snowworld aangelegd. Van de mijn was her en der alleen nog een stukje te zien als ‘kunstwerk’. De namen van de plaatsen werden door gemeentelijke herindeling veranderd. Schaesberg werd Landgraaf, Heerlen werd Parkstad en de naam ‘Oostelijke Mijnstreek’ kwam nergens meer voor.
Op de lagere school kregen we, naast de gewone lessen, ook godsdienstles, in ieder geval tot de derde klas ((nu groep 5), daarna was het plotseling over en hoefde het niet meer. Wel moest ik nog naar de kerk, maar voor mij hoefde dat toen ook al niet meer zo, ook al werd ik uit familietraditie misdienaar. Een paar jaar later was het echt helemaal over. Daarmee verdwenen een aantal bijzondere elementen uit mijn jeugd. Wat ik wel meekreeg van de basisschool is de liefde voor muziek. De juf die muziek gaf, compleet met trapharmonium, kon dat – vond ik toen – echt goed en liet ons regelmatig platen met klassiek horen. Maar in de zesde klas (nu groep 8) kwamen de eerste rock ’n roll en beatplaten ook al de klas binnen. Daar is het begonnen.

Nu maak ik al een paar jaar muziekprogramma’s voor de Concertzender. Daarin laat ik muziek horen uit alle windstreken en in alle stijlen. Of het nu het wat primitieve geluid van een veldopname, opgenomen met een draagbare recorder, van een Shaman is ergens bezuiden de evenaar of de jongste ‘chill out and downtempo’ hightech elektronische muziek van Mirror System, het komt voor in mijn programma’s. Onlangs zag ik op de tv in korte tijd een aantal documentaires over Limburg, vooral over de kolenmijnen. De strekking was het feit dat die vijftig jaar geleden vrij plotseling gesloten werden en wat de gevolgen waren voor de mensen toen en nu. Schrijver Crétien Breukers presenteerde zijn boek ‘Een zoon van Limburg’ over wat jongens over het algemeen mee hadden kunnen maken in het Limburg van eind vorige eeuw. Marcia Luyten vertelde over haar boek ‘Het geluk van Limburg’ met daarin de geschiedenis van de mijnen en daardoorheen gevlochten het verhaal van muzikant Jack Vinders. In een ander programma keek de in Amsterdam wonende muzikant Joep Pelt terug op het fenomeen ‘Carboon’ met hun onverwachte succesplaat ‘Witste nog Koempel’ uit 1976. Ook weer een documentaire vol historische beelden uit de Mijnstreek. Een hele tijd eerder had ik een indrukwekkende documentaire gezien over singer-songwriter Arno Adams. Door dit bombardement Limburgia viel heden en verleden – mijn wortels lagen daar tenslotte ook - samen: waarom geen verhaal geschreven over de Limburgse muziek voor ‘Plotselinge Fragmenten’? Er staat op dit deel van de website ten slotte van-alles-en-nog-wat en niets over mijn ‘geboorteland’. En waarom dan niet meteen ook een uitzending gemaakt over de muziek uit Limburg? In mijn uitzendingen haal ik ook de muziek uit alle windstreken of we ze nu begrijpen of verstaan of niet. Maar dan moet het programma wel gedaan op mijn eigen manier, dus met een scala aan stijlen.

Goed plan, maar dan word ik meteen geconfronteerd met het feit dat ik als geboren en getogen Limburger eigenlijk bijna niets weet van de muziek uit Limburg. Van thuis uit kende ik wel een klassieker als Jo Erens, de eerder genoemde Carboon maar ook Partner, Pussycat en de Janse Bagge Band. Daarna hield het wel op. Carnavalsmuziek en schlagers vielen meteen af, die zijn natuurlijk wel Limburgs en vrijwel altijd in het dialect, maar dat vertier zocht ik hier niet. Wat was er dus allemaal eigenlijk? Op internet vond ik een lijst: ‘Dit zijn de vijftien grootste hits van Limburgse bodem in de Nederlandse Top 40, sinds januari 1965’:
1. André Rieu - The second waltz (1994)
2. Heintje - Ich bau' dir ein Schloss (1968)
3. De Nachraove - Sjeng aon de geng (1995)
4. Volumia! - Hou me vast (1998)
5. Volumia! - Afscheid (1998)
6. Benny Neyman - Waarom fluister ik je naam nog (1985)
7. Johnny Hoes - Dat is 't einde (1965)
8. Pussycat - Mississippi (1975)
9. Heintje - Heidschi bumbeidschi (1967)
10. Heintje - Mama (1967)
11. Treble - Ramaganana (2004)
12. Toon Hermans - Mien waar is mijn feestneus (1968)
13. Martin Wulms - Rumba tambah (1971)
14. Zangeres Zonder Naam - Mandolinen in Nicosia (1972)
15. Zangeres Zonder Naam - Het soldaatje (1971)
Leuke lijst? Eigenlijk was dit niet wat ik nu zocht, dit was iets te ‘Hollands’ of te ‘Duits’ of commercieel of was het gewoon helemaal niet. Ik zocht meer wat authentiekere popmuziek én de troubadours, de folk(?). Harry Knipschild heeft op zijn website veel geschreven over muziek in Limburg en enkele van zijn artikelen zetten mij weer aan tot verder zoeken. Langzamerhand ontstond er een lawine. Daarbij kreeg ik hulp van heel wat artiesten uit Limburg die me niet alleen wezen op hun muziek, maar ook op de geschiedenis en graag hun muziek ook lieten horen.

Tot na de Tweede Wereldoorlog kenden veel mensen in Limburg alleen muziek van en door de talloze harmonie- en fanfarekorpsen en dan nog vooral op hoogtijdagen. Bijna in elke familie speelde wel iemand in de schaarse vrije tijd, er moest gewerkt worden immers en ook op zaterdag nog, in een korps. Meestal onder het vaandel van een kerk-heilige, want de kerk had de touwtjes strak in handen. Later kwamen daar de wat men aanduidde met ‘troubadours’ bij; muzikant-dichters - nu zouden we ze ‘singer-songwriters’ noemen. Erg populair in Limburg waren wat nu gezien worden als ‘de grote vijf’: Jo Erens (foto links), Frits Rademacher, Harry Bordon, Sjef Diederen en Chel Savelkoul. Die laatste komt niet in alle lijstjes voor, maar in terugkijkend perspectief hoort hij er wel bij. De troubadours zongen in het dialect over de samenleving, dingen die hun raakten, hun leven, het land. Jo Erens (1928-1955), afkomstig uit Sittard, zong met zijn prachtige bariton liederen die nu nog tot de essentiële Limburgse liederen horen: ‘Limburg allein’ en ‘Limburg mie landj’. Erens begon als zoveel jongeren door met stokjes overal op te timmeren. Later leerde hij zichzelf gitaar spelen. In 1953 trad hij voor het eerst op voor de tv. Erens had echter het plan zich te laten omscholen als opera- of operettezanger, maar uiteindelijk is hij trouw gebleven aan zijn eigen stem en de liedjes in het dialect. Datzelfde geldt voor stadgenoot Frits Rademacher (1928-2008). Rademacher begon als koorzanger en speelde (vooral) gitaar, maar ook viool, blokfluit, mondharmonica en harmonica. Zijn populairste liederen zijn ‘Loeënde Klokke’ en ’t Huikske. Van beide nummers zijn meer dan honderdduizend platen verkocht. Grappig genoeg won Rademacher de Jo Erensprijs (die stond dus nog hoger op de ladder) met 'Ig kèn ein melodieke'. Daarmee brak hij door tot in het Amsterdamse Carré aan toe. In 1982 had Rademacher een tournee, niet door Limburg, maar door Australië! In 1986 moest hij stoppen met zingen vanwege zijn gezondheid. Samen met Sjef Diederen was hij een van de pioniers van het zingen in het dialect. Sjef Diederen (1932-2012) kwam uit Broekhem, bij Valkenburg. Hij zong liedjes in het Valkenburgs dialect. Diederen begon rond zijn eenentwintigste met ‘’t Kaepelke’, maar zijn allerbekendste lied is: ‘Geneet van ’t Laeve’. Een relatief jong (1978) lied vergeleken met die van zijn collega’s. Tot 2006 maakte Diederen platen. Michel ‘Chel’ Savelkoul (1924-2003) is geboren in Grevenbicht. Bij hem thuis was er veel aandacht voor muziek en toneel. Savelkoul werd door zijn vader al vroeg meegenomen naar diens repetities. Toen hij vijftien jaar was stond Chel voor het eerst op toneel en later hielp hij als handig hulpje bij het cabaret van Toon Hermans. In 1946 richtte Savelkoul een eigen cabaretgroep op: Peepe Boos. Maar dat was niet voldoende, dus kwam er een duo: Chel & Graat en van 1954 tot 1992 was Savelkoul artistiek leider van ‘Theater Komiek’. In de jaren vijftig trad Savelkoul op als troubadour, genaamd: ‘de Limburgse Jongen’. Zijn bekendste werk is: ‘Heur ich de Maas weer Roesjen’. Voor al zijn inzet kreeg Savelkoul in 1985 de Kanunnik-Coenen-prijs.
De laatste van dit beroemde vijftal is Harry (eigenlijk Henri) Bordon (1921-1980) uit Venlo. (foto rechts) Bordon trok door Limburg met zijn liedjes en sketches. Zijn meest bekende werk is: 'Wie sjoën ós Limburg is'; een nummer dat hij in 1949 tijdens de nachtmis schreef. Dat zegt misschien wel iets over die mis. Gezien zijn liefde voor sketches stapte Bordon later over naar het Zuid-Nederlands Ontspanningsgezelschap van Emile Feyten. Wat toen juist in Limburg heel normaal was: het orkest werd gesteund door ‘Het Fonds voor Sociale Instellingen van de Staatsmijnen’. Dat fonds zorgde er onder andere voor dat de duizenden mijnwerkers ‘wat ontspanning kregen na hun keiharde werk onder de grond’. Feyten had ‘contacten’ in Amsterdam en zo kwam Bordon ook in de plaats terecht als zanger en maker van sketches, nu deftig conferencier’ genoemd. Bordon’s eerste platen, 'Wie sjoën ós Limburg is' en ‘’t Kapelke’ werden opgenomen in Brussel (1954) en uitgebracht op het Omega-label; de muzikale begeleiding was in handen van Klaas van Beeck die het 26-koppig KRO-Amusementsorkest dirigeerde. De platen werden, hoe kan het ook anders, veelvuldig gedraaid bij de Limburgse regionale omroep, maar – en dat is wel opmerkelijk – ook bij de Arbeidsvitaminen op de landelijke zender. Daardoor wist iedereen in het land voortaan ook “Wie sjoën ós Limburg is’’.

Kort na de oorlog maakt Limburg kennis met jazz, vooral de bigbands van Glenn Miller en Benny Goodman deden het goed. Niet dat er nu veel bigbands kwamen, nee, de muziek werd opgenomen in de bestaande harmonies. Vanaf midden jaren vijftig maakt Limburg, net als de rest van het land, kennis met Rock ’n Roll, maar tussen bigband en Rock ‘n Roll zat een korte periode waarin dankzij Lonnie Donegan, de skiffle(music) populair was. Skiffle is een muzieksoort, afgeleid van dixieland, folk, blues en jazz, die rond de jaren twintig en dertig in de New Orleans ontstond. Halverwege de jaren vijftig werd skiffle in Groot-Brittannië - sommigen noemen skiffle ook wel de Britse country -enorm populair met de Schotse(!) zanger Lonnie Donegan. Hij scoorde hits met “Rock Island Line’ net als het lied met de prangende vraag: Does your Chewing Gum lose it's Flavour on the Bedpost Overnight?’ Deze en ‘My Old Man's a Dustman’ werden hits in ons land en had ook zo zijn invloed op de muziek in Limburg.
Martin Vrijens, Henry Nafzger, Willy Beusen en Jean Innemee, een man die later een belangrijke rol in de Limburgse muziekgeschiedenis zou gaan schrijven, vormde samen de ‘Mosam Skiffle Group’; genoemd naar de Romeinse benaming van Maastricht. De groep won in 1960 de eerste prijs bij een talentenjacht voor de Nederlandse tv. Ze versloegen net ene Maddy Bleize met zijn Comets. Diezelfde Bleize trad later toe tot de Mosam Skiffle Group en nog later vormde hij samen met Innemee een van de bekendste Limburgse bands: The Walkers (1963). Ondertussen werd Limburg opgeschrikt door jongeren met vetkuiven. Voor het eerst – dankzij de welvaart - kon een generatie zich afzetten tegen de oudere generatie. Ze kozen voor een uiting die op dat moment voor hen belangrijk was, de rock ‘roll. Dat was nieuw, opwindend, anders en vooral: de ouderen en de kerk sprak er schande van. Bands als The Black Diamonds, The Rolling Beats, The Red Rock Devils, The Sharons, The Moonshots en vele anderen. Op de website: ‘redrockdevils.jimdo.com’ is daar heel veel over te lezen, te zien én te horen. Veel bandjes bestonden kort, maakten soms één plaatje en daarna was het over of gingen leden in een andere band over. Weinig van deze bands werden populair in Nederland. Dat lag anders voor de zusjes Mieke en Selma Jansen uit Weert, die onder hun artiestennaam ‘Selvera’s’ liedjes als ‘Twee Reebruine Ogen’ en ‘De Postkoets’ de ether in slingerden en vele malen meer platen verkochten dan die rock ’n rollers. Maar dit even terzijde.

En zo komen we terecht in de jaren zestig en de eerste ‘beatmuziek’. Dankzij radiostations als Radio Luxemburg en de zenders van The Alied Forces net over de grens kwamen Limburgers relatief snel in aanraking met de nieuwe muziekstijl. En zo waren er net als bij de rock ‘n roll talrijke jongeren die ook wel iets zagen in een eigen beatbandje. Die moesten het weliswaar ‘opnemen’ tegen de meer behoudende en populaire bandjes met hun vaak van de Duitsers geleende muziek of de bands die juist geschikt waren voor (stijl-)dansavonden. In Heerlen was een aantal jongens bezig onder de naam The Skope. De band had zowel een goede geluidsinstallatie (dank ouders) én een manager. Die kwam op een dag bij de groep met een liedje dat hij in Italië gehoord had: ‘Piange con me’. Met enige moeite werd dat ‘Be Mine Again’. Engels was in die tijd nog niet echt de voertaal die het nu is en er moest dus druk heen-en-weer vertaald worden. Tijdens een optreden voor een Beatfestival in Heerlen hoorde Bob Bouber (die van Beat Behind the Dikes én talentschout voor Phonogram) de band en zag er wel iets in. Het liedje verscheen op single en werd zelfs op de nationale radio gedraaid. Daardoor werd he Skope uitgenodigd voor het toen heel populaire jongerenprogramma ‘Moef Ga Ga’. En dat alles leverde meteen resultaat op: één maand nadat de Top40 voor de eerste keer was gepresenteerd kwam Be Mine Again binnen op nummer 36 (28 januari 1967). Dat was het dan meteen ook, maar toch, het was een voor de ‘Hollanders’ behoorlijke onbekende groep uit het diepe zuiden toch maar gelukt om zo’n prestatie neer te zetten. De geschiedenis wist zichzelf keer op keer te herhalen, want immers buiten de Randstad lag eigenlijk een niemandsland. The Skope moest er na het succes met hun single achter komen dat het slecht kersen eten was met Bouber. Nadat ze de man eindelijk gelost hadden viel daarmee alle steun weg voor de onervaren band waarna die uit elkaar viel.

‘Take Me the Way I Am’ van The Thunders haalde niet eens de Top40. In Limburg werd het plaatje aardig verkocht, maar de groep werd vooral bekend doordat ze een waarschuwing kregen van de kerk dat ze een slechte invloed zouden hebben op de jeugd. Tijdens – opnieuw - een talentenjacht werd de groep merkwaardig genoeg verweten te weinig ‘beat’ te hebben. Alsof dat niet genoeg was waren de fan-meisjes ook nog truttig – vonden de bandleden - en riep de dienstplicht.
Dat niet alle meisjes truttig waren bewezen de zusjes Willé (Betty-Marianne en Toni Kowalczyk), de drie zingende zusjes (dat was tevens hun eerste artiestennaam), die, omdat ze niet zo heel goed gitaar konden spelen, maar gingen zingen als The B.G.’s (niet te verwarren met de Australische Bee Gees). B.G. stond simpelweg voor: Beat Girls. Er waren weinig meidenbands, dus de groep deed het dan ook best goed. Tony Willé vertelde dat er slechts één andere meidengroep was, maar die speelde topless in een nachtclub. Dat zagen de zussen niet zitten, maar ondanks dat waren ze met hun mix van populaire Top40 liedjes en hier en daar wat soul net over de grens in het Belgische Wallonië graag gezien. Dat was erg prettig, want boven de grote rivieren hield het doorgaans op voor bands uit Limburg, die dan ook vaker naar zuid (België) of oost (Duitsland) keken. In 1975 braken de zusjes wereldwijd door met een wat ze toen noemden ‘een knaller van een hit: ‘Mississippi’. De naam was toen al ingewisseld voor eerst Sweet Reaction en later ‘Pussycat’. Mississippi was eigenlijk een toevalstreffer. Bij het maken van een plaat had de groep te weinig nummers en kwam toen maar aan met Mississippi. De platenmaatschappij zag er meer in dan de zusjes en nadat de naam gewijzigd werd in Pussycat werd de single uitgegeven. De plaat werd ontdekt door Meta de Vries (indertijd een bekende landelijke DJ), daarna volgde een tv-programma met Kick Stokhuijzen (dat waren nog eens tijden zeg). De plaat raakte op dreef en stond in liefst veertien landen op nummer één! Daar hoorde Engeland bij; het was de eerste Nederlandse band die dat voor elkaar kreeg. Van het nummer werden er zo’n vijf miljoen verkocht. Dan hebben we het ergens over tenminste. Na Mississippi volgden meer hits: Georgie(1976), Smile (1976) en My Broken Souvenirs (1977). Al deze nummers werden geschreven door de oude gitaarleraar van de zussen: Werner Theunissen. Tweeëntwintig platen werden goud en in die dagen betekende dat nog wat, maar daar bleef het niet bij; een Edison, een Zilveren Harp, de Conamus expertprijs en een Goldene Löwe (Duitse prijs bij RTL). Na 1978 won de taperecorder terrein als begeleidingsband en stapten de meeste bandleden dan ook op of werden wegbezuinigd. In 1985 werd de groep officieel opgeheven. Toni Willé ging solo verder, ze treedt nog steeds op, maar vooral in Duitsland, de andere zussen trokken zich terug uit de muziekwereld. Maar, zoals vaak, het begon te kriebelen, de zussen begonnen weer met optredens als ‘Anycat’ totdat in 1999 een soort comeback gemaakt werd als Pussycat. In 2001 was het echt voorbij.

Nog een in Limburg bekende beatgroep was ‘The Py-set’. De gitarist, ene Ferdinand Bakker, verhuisde voor zijn studie naar Delft en werd in heel Nederland en daarbuiten bekend als gitarist van Alquin. Andere bandleden uit The Py-Set waren de broers Bronzwaer, Frans (gitaar, zang) en tweelingbroer Jan (drums). Nadat ze eerst allemaal in The Interpreters (een coverband) gespeeld hadden begonnen ze Py Set. Los van die band, die tot 1980 is blijven bestaan (maar zonder plaatopnamen), ging Frans Bronzwaer ook al als solist aan de slag onder de naam ‘Richard Neal’. Voor platenmaatschappij Polydor mag hij begin jaren zeventig twee singles maken, maar die gaven weinig zicht op succes en dat was dan weer het einde van het contract. De platen bleven op de plank liggen. Bronzwaer gaf als reden voor dat geringe succes aan dat de afstand, Limburg-Hilversum, een element is dat veel musici uit het zuiden parten heeft gespeeld; de reis was lang en de opbrengst gering. Het was ook – en dat geluid hoor je van heel wat mensen – Randstad versus de rest van het land. Er werd ‘daar’ toch ietwat neergekeken op de mensen met een andere tongval, of dat nu zangerig zuidelijk of hökerig Achterhoeks was bijvoorbeeld. Bronzwaer blijft ondanks de teleurstelling wel aan de slag als muzikant, maar in de luwte. Wel zet hij een eigen opnamestudio op: Twin Studio (Brunssum) en wordt producent. Vanaf 2003 werkt hij samen met gitarist Marcel Graus en maakt met hem samen drie overwegend instrumentale platen: Storytelling (2003), Talk to Me (2006) en Trust (2013).  In 2008 laat de almaar zoekende Leo Blokhuis in de Nacht van de Popmuziek een stuk muziek van Richard Neal horen (Take Me to the Water uit 1971). Dat leidt tot een soort mini-revival en dat weer tot een cd van tracks van Neal (onder andere die voor Polydor) die altijd op de plank zijn blijven liggen. De cd heet dan ook gepast: Song on the Shelf (2009). Blokhuis schrijft een enthousiasmerende tekst voor de achterzijde. Of dat geholpen heeft weet ik niet, maar de plaat wordt wel uitgroepen tot beste Limburgse album van het jaar. De rest van het land veert nu niet echt op en daarmee is de opleving van korte duur. Bronzwaer, als Neal, is inmiddels wel bezig met een nieuw album (2016).

The Walkers (Maddy Bleize, Leo Steinbusch, Jean Innemee, Adrie Coenen en Conny Peters) timmerden inmiddels aardig aan de weg. In 1971 (lang voor de era van Pussycat) hadden ze een hit die verder ging dan Nederland: “There’s No More Corn on the Brasos’; het nummer werd meer dan één miljoen keer verkocht. Ook de opvolger ‘My Darling Helena’ deed het uitstekend, net als ‘Dance of Love’ en ‘Taboo’. Tussendoor nemen ze samen met een ander Limburgse grootheid Mary Servaas (de Zangeres zonder Naam) nog even het liedje ‘Mandolinen in Nicosia’ op, die – zoals de lijst aan het begin aangeeft – tot de meest succesvolle liederen uit Limburg behoort. In 1974 komen er nog twee singles uit van The Walkers die het redelijk doen in de Top40: ‘Oh Lonesome Me’ en ‘Jack of Diamond’. Vanaf 1975 gebeurt er van alles in de groep die een toch al behoorlijk wisselende bezetting kende. Zo kreeg Innemee het te druk met zijn Mosam Producties en verliet de band, maar hij schrijft en passant nog wel het winnende lied voor het eerste Limburgse Vastelaovesleedjes Konkoer (carnavalsliedjeswedstrijd). Druk of niet, Innemee, begint samen met Conny Peters, Charly Prick, Erwin Musper en Pierre Beckers een eigen platenmaatschappij ‘Marlstone Records’. Erwin Musper en Pierre Beckers zouden weer iets later een eigen band beginnen: Partner. Na wisseling van de directie bij Marlstone wordt er stevig aangepakt en met succes, zo rollen de platen van de Janse Bagge Band, Carboon, Benny Neijman (ook een Limburger), André Rieu, Anneke Grönloh en vele anderen van de persen. In 1980 houden de Walkers van toen het voor gezien onder die naam en beginnen ‘The Press’ (Rene Innemee, Michel en Walter Nita, John Coenen, Floor Minnaert en Willy Bronzwaer – de zoon van de neef van). Hun eerste single ‘I’m gonna shoot the D.J.’ is een doorslaggevend succes. Maar helaas van korte duur, zelfs onder de naam ‘Pepperbox’ (Peters, Rene Innemee, Michel Nita, Jo Robeers en Peter Groenendal) lukt het niet en dan is het natuurlijk tijd om terug te keren naar de oude, succesvolle naam ‘The Walkers’. Een afsplitsing weer van die laatste groep richt al na twee jaar een andere band op: The Moonlight Riders (Michel Nita, Loek van Heijster, Peters, Sjef Crijns, Jan Roberts en Jan Bernards). Dat biedt meer soelaas, want die band krijgt niet ten onrecht het predicaat: ‘nummer 1 Countryband’. The Moonlight Riders spelen tijdens een bezoek aan Canada(!) voor zo’n zeventigduizend mensen. Terug in Nederland begeleiden ze een nog jonge, onbekende zangeres: Ilse de Lange. Nadat Nita en Peters de groep verlaten in verband met hun vele werk voor Marlstone Records gaat de rest van de band met verse aanvulling door als: ‘Cash on Delivery’. Eind 1989 worden de laaste The Walkers definitief opgeheven. Leden vinden zich kort terug in een cajunband genaamd ‘Lafayette’, evenals ‘The Revival Band’ een ode-aan Creedence Clearwater Revival en in 1999 zelfs als: 'The Mosam Skiffle Train'. De in bijna al die groepen meewerkende Jean Innemee overlijdt in 2007, waarmee een eind komt aan een heel stuk Limburgse muziekhistorie.

Opus is een Maastrichtse band die eind jaren zestig actief is. Ze maken enkele opnamen, waaronder Ohio Sun (1972). De groep die bestaat dan uit Pierre Beckers (bas), Jo Robeers (drums) en Erwin Musper (toetsen). Beckers en Robeers kennen elkaar al van The Sharons. Nadat Bert Bessems (gitaar) toegevoegd is wordt de naam veranderd in Windmill. Die band maakt een handjevol opnamen waaronder het prachtige ’For You to Remember’ (1973). Het is een voorproefje voor de band die komen gaat: Partner (1977). Jo Robeers heeft dan plaatsgemaakt voor Ab van Goor. Zowel Musper als van Goor schrijven nummers en zingen. De muziek van Partner wordt vaker vergeleken met die van Steely Dan; goed gearrangeerde, beetje jazzy popmuziek. Anderen vergelijken de band ook met Supertramp en ook met die andere Nederlandse band uit een uithoek: Solution. Hun eerste lp, ‘A Man Size Job Requires a Man Size Meal ‘ krijgt positieve recensies in het land en de single van die plaat, ‘Kayuta Hill’, wordt een bescheiden hit (23 in de Top40). Kayuta Hill klinkt natuurlijk een stuk beter dan ‘Keutenberg’, de berg bij Valkenburg waar heel wat wielrenners hun vermogen testen. Het succes van de heuvel brengt Partner op het dan al populaire Limburgse Pinkpop festival. In 1979 komt de twee plaat, On second Thoughts, uit, geproduceerd door Pim Koopman (Kayak). De vraag naar Koopman is eigenlijk bijzonder, omdat ze met Musper zelf een ijzersterke producer in huis hebben, maar dat komt er pas later uit. De plaat is prima, lijkt hier en daar wat op Kayak (dank Pim) maar het bracht de band niet veel verder. Een laatste, derde plaat (The Sky is the Limit) verdwijnt bijna onopvallend in de coulissen van het muzikale toneel, waarna Partner ophoudt te bestaan (1981). Musper verhuist naar de Wisseloord Studio’s als geluidsman (voor onder anderen David Bowie en Bon Jovi) en later als producer van Herman Brood, Frank Boeijen, Armand, maar ook The Scorpions en Racoon.

Halverwege de jaren zeventig (1976) verscheen uit het niets de lp ‘Witste nog, Koempel’. De gelegenheidsgroep met Jean Innemee (daar heb je hem weer), Jan Hendriks, Ben Erkens, Conny Peters en Henk Steijvers keek via deze plaat terug op het harde leven van de mijnwerkers uit de Oostelijke Mijnstreek. In 1975 bezocht journalist Jan Hendriks voor een artikel in de Limburgse krant Jean Innemee. Daarbij kwam het zingen in het dialect ter sprake. Korte tijd later kwam Hendriks Innemee weer tegen, waarop Innemee zei dat hij aan de vraag was blijven denken dat hij dat eigenlijk wel zag zitten, mits er iemand was met goede teksten. Hendriks wist niemand, maar begon zelf wat te schrijven ‘het ging eigenlijk vanzelf’; eerst nog een beetje met het oog op de naderende carnaval, maar gaandeweg serieus en gevoelig. Innemee was er erg enthousiast over, keek voorbij de carnaval en zag andere mogelijkheden. Met de toenmalige The Walkers werd een aantal nummers opgenomen. Alle nummers gingen over de mijn en niet zonder reden. Nadat toenmalig minister van Economische Zaken Joop den Uyl naar Heerlen was gekomen om mee te delen dat de mijnen gesloten zouden worden (17 december 1965) werd in heel korte tijd bijna alles gesloopt, opgeblazen, vernietigd of met gras bedekt. De laatste – bijna pro forma - vracht steenkolen kwam op 31 december 1974 naar boven. Er was toen al heel veel weg. Met het afbreken en bedekken werd het verleden bijna letterlijk begraven. Voor de ellende in de mijnwerkersgezinnen, de grote werkeloosheid was geen aandacht. De meeste mensen voelden zich gebruikt, ze hadden immers alles gegeven voor het vaderland – en dan bedoel ik Nederland – en werden nu zomaar aan de kant geschoven. Opvang was er niet, ander werk was er niet. Dat gevoel, afgezet tegen de kameraadschap die er was toen de mijnwerkers (Koempels) nog aan het werk waren in de mijn (Koel), wordt op de plaat uitstekend verwoord. Het was een regelrecht eerbetoon aan een geschiedenis waar tot dat moment niet over gesproken leek te mogen worden. Geen wonder ook dat de plaat niet aan te slepen was, de vinylpersen draaiden de klok rond om aan de vraag te voldoen. Iedereen in Limburg leek de plaat te willen hebben en dat zorgde ervoor dat het de eerste plaat in Nederland in een dialect was die een gouden plaat ontving. Normaal, de boerenrockgroep uit de Achterhoek, brak in 1977 door met Oerend Hard. Normaal zong ook in het dialect. Het leidde tot een landelijke, muzikale waardering voor de muziek van buiten de Randstad, maar uiteindelijk was het, net als zoveel oplevingen, een hype. De band onder de naam Carboon trad nooit op, wel maakten ze nog een tweede plaat: ‘D’r Letste Koempel deet de Lamp Oet’. Die was niet zo succesvol helaas, de boodschap leek voldoende afgegeven met de eerste plaat. In december 2015 was het vijftig jaar geleden dat den Uyl zijn toespraak hield. Joep Pelt, muzikant en liefhebber van tal van culturen, is door zijn Limburgse pa met de plaat opgevoed en wil niets liever dan een keer met Carboon op de planken staan. Hij polst Hendriks daarover en het onmogelijke gebeurt, bijna in de oude bezetting zelfs. Alleen Jean Innemee, die inmiddels overleden is, wordt vervangen, maar dan wel door diens broer, omdat die ook zo’n raspende stem heeft. Voordat de kleine reeks concerten met de reünie-Carboon plaatsvindt, maakt van Pelt een documentaire voor de tv over de groep en diens geschiedenis. Ook de concerten worden vastgelegd voor een dvd. Alle muziek, de documentaire en het concert worden uitgebracht in een mooie box, compleet met geruite theedoekverpakking. De zalen bij de concerten zaten steeds helemaal vol, met zowel jong als oud publiek en menig bezoeker liet een traantje, want als het gaat om de Koel is het verleden in wat tegenwoordig Parkstad heet nooit ver weg.

Een van Carboon's muzikanten, Henk Steijvers, heeft op het moment dat het reünieconcert plaatsvindt, al een heel andere carrière achter de rug, namelijk als lid van de Janse Bagge Band (Susteren). De JBB begon in 1979 als een ‘zaate hermenie’, een carnavalsmuziekgroepje, genaamd ‘Aspro Broesj’. Bij een optreden in Jongerencentrum Tsjé stond de groep er met elektrische gitaren en een echt drumstel. Nieuw was dat ze één nummer in de streektaal lieten horen. Het ging over de friettenten en de Chinees in het dorp. Later kwamen er meer nummers in het dialect bij, waaronder ‘Sollicitere’. DJ Hubert van Hoof hoorde dat en adviseerde de band dat nummer op plaat te zetten. Dat gebeurde bij Marlstone. De single werd opgemerkt door Frits Spits die het regelmatig in zijn ‘Avondspits’, het radioprogramma dat hij toen had van zes tot zeven uur ’s avonds, draaide. Provincierock was na het succes van Oerend Hard nog een beetje ín’. Binnen drie weken stond het nummer op de 8e plek in de Top40, gevolgd door een 15e plek in de Belgische Top. Het succes van de single (meer dan 40.000 verkocht) leverde de groep ook een plekje op het Pinkpopfestival in Geleen (toen nog) van 1983 op. Ondanks een grote populariteit, het spelen in feesttenten en festivals is het na de eerste single niet meer gelukt om nog zo’n ‘klapper van de week’ te maken. De groep bestaat nog steeds, maar speelt nu ‘Kort bie d’n tap’; intieme concerten, vaak akoestisch. De teksten blijven maatschappijkritisch en gaan bijvoorbeeld over het seksuele misbruik in de Rooms Katholiek kerk, zoals het nummer ‘Niet draan gewaes’.

Allesbehalve luchtig is de muziek van Arno Adams (1957- ). De uit Belfeld (bij Venlo) afkomstige zanger/gitarist bezingt het leed van de wereld om hem heen waarin hij zelf de centrale hoofdpersoon is. Het is een sombere wereld; zijn moeder was alcoholist en zijn vader een ‘slappeling’. Dat zo’n basis invloed op je heeft zal duidelijk zijn. Adams raakte dan ook aan de drank en drugs en is bovendien gokverslaafd. Dat gaat allemaal ten koste van zijn gezondheid die dan ook broos te noemen is. Ergens lijkt hem dit allemaal te overkomen, want hij wil niet zo zijn als zijn vader en zeker een ander voorbeeld geven aan zijn zoon, maar aan de andere kant lijkt hij dan toch wel weer heel erg op zijn vader. Adams begon nog wel als dertigjarige(!) in een joekskapel (dweilorkest), maar nadat de kapel uit elkaar viel ging Adams solo. Hij leerde zichzelf gitaar spelen. Meestal speelde hij covers, maar schreef meer en meer eigen teksten; eerst in het Engels, later in het dialect. Zijn debuutalbum ‘Dans met Mich’ (2002) leverde hem de prijs voor ‘Het Limburgs Lied’ op; alleen kon hij hem niet op komen halen omdat hij in een afkickkliniek zat. Er volgen zo ongeveer om de twee jaar nieuwe cd’s, maar nadat hij eerst een hartinfarct kreeg en daarna een goedaardig tumor in zijn hoofd werd het stil rondom hem. De stilte wordt verbroken door ‘Belfeld Blues’, een documentaire voor de regionale tv-zender L1, gemaakt door Hans Heijnens: ”Andere Limburgse artiesten zoals Rowwen Hèze en Gé Reinders zie ik als romantici die mooie escapistische muziek maken. Arno Adams raakt meer je ziel.” De documentaire is ook op de landelijke tv te zien en laat een indringend portret achter van een vriendelijke man op zoek naar de zin en het nut van zijn leven. Door de aandacht die hij met het maken van de documentaire krijgt leeft hij op en begint weer met schrijven. Dat resulteerde in een nieuwe cd ‘Maondagmorgezon’. Dit keer niet met zijn gitaar, maar met Mike Roelofs (toetsen) en Jo Didderen (contrabas). Op de prachtige plaat in stemmige zwartwit hoes gaat Adams verder op de ingeslagen tekstuele weg, de muziek is van een verstilde schoonheid. Je zou van Adams een grote lijn kunnen trekken naar de Limburgse troubadours van weleer, waarmee plotseling die geschiedenis ook weer actueel wordt. Een van Adams’ vroegere begeleiders, Bart Oostindie (1976- ), heeft inmiddels een eigen cd gemaakt: ‘Welcome to the Costume Ball’. Zoals de titel al doet vermoeden zingt hij in het Engels. Oostindie is multi-instrumentalist en speelt dus bijna alle instrumenten zelf. De sfeer, het geluid dat hij neerzet is te vergelijken is met die van Nick Drake. Niet heel verwonderlijk is dat hij één nummer van Drake zelf uitvoert. Oostindie is iemand om in de gaten te houden, maar waarschijnlijk gaat het net als bij de meeste Limburgse artiesten: populair in eigen provincie en dan houdt het wel op.

Maar er zijn ook uitzonderingen, zoals Rowwen Hèze, Gé Reinders en Jack Vinders. Rowwen Hèze (1985) is een band afkomstig uit America, niet te verwarren met dat andere land, Amerika. In het begin spelen ze van alles en nog wat, maar vooral covers van Engelse bands als Thin Lizzy. De naam van de band komt van een bewoner – Christiaan Hesen - die leefde rond 1900 die de bijnaam ‘ruige Hesen’ had en in het dialect is dat ‘Rowwen Hèze’. De band begon pas goed nadat een nieuwe zanger, Jack Poels, had gevraagd om één liedje in het dialect te mogen zingen. Nadat ze een nogal gewaagde tekst voor een liedje voor het jaarlijkse carnaval hadden geschreven (1987) kreeg de band door de aandacht in de pers voor dat lied landelijk een ‘naam’. De eerste plaat, simpelweg ‘Rowwen Hèze’ genaamd verkocht daarna dan ook goed. Wat het ook goed deed waren de nummers in het dialect; reden om de Engelstalige nummers meer en meer achterwege te laten. In 1988 doet de band mee aan de ‘Grote Prijs van Nederland’ met het liedje ‘Bestel Mar’. De prijs winnen ze niet, maar het lied wordt een landelijke hit in 1989. Dat jaar maken ze een tournee door het zuiden van het land en ook met niemand minder dan Flaco Jiménez, de Amerikaanse accordeonvirtuoos die vooral bekend is met zijn Tex-Mex muziek. Dat is een muziekstijl die bij Rowwen Hèze en meerdere Limburgers goed aanslaat en die logischerwijs in het repertoire wordt opgenomen. In 1992 mag de groep op Pinkpop (dan alweer voor de vijfde keer in Landgraaf –bij mijn vader achterom - ) spelen, met groot succes. Dat concert wordt gezien als een topconcert en verschijnt later op cd ‘In de Wei’. Zes jaar later toert de groep door de Verenigde Staten, gevolgd door een optreden in Paradiso met de bekende Tex-Mex groep Los Lobos. Op 27 juni 2007 wordt zanger Poels vijftig jaar en viert dat door 25.000 singels uit te delen. Op het plaatje een eerbetoon aan zijn provincie ‘Lied vur Limburg’, opgenomen met hulp van het LSO (Limburgs Symfonie Orkest). Geen Tex-Mex nummer, maar een wat statige ode. In 2010 bestaat de band 25 jaar, weer een reden voor een feestje. Ook al zijn er in de historie van de band vele personeelswisselingen, de band speelt nog steeds en is nog steeds populair. Ook al klinkt de muziek altijd vrolijk, de teksten zijn dat niet altijd, want die gaan ook over serieuze zaken als oorlog, dood, moord en natuurlijk verloren liefdes.

Gé Reinders (1953- ) is niet alleen zanger, maar ook musicus en schrijver. Reinders is geboren in Helden, maar woont als tiener één jaar in de VS. Hij speelt in bands als Zimmerman en Girls Walk By, maar het echte succes kwam zo rond de jaren tachtig toen hij in het dialect ging zingen. Met zijn werk won hij in 1986 de ‘Nu of Nooit prijs’ en daarmee de openingsact van de laatste Pinkpop in Geleen. Zijn muziek viel ook op in de rest van het land, zo af en toe heb je dat, het lijkt dan meer een hype. In 1992 maakt hij zijn eerste cd-opname. “Blood’ De track ‘Mien Moder’ is zijn eerste nummer in het dialect op cd. Op Blood werkt Reinders samen met de bekende, Amerikaanse zangeres Rita Coolidge. Vervolgplaten ‘As ’t d’r Op Aan Kump (1994) en ‘Truuk nao Aaf’ (1995) deden het goed in het hele land. Daarna trok Reinders het theater in en werkte er met Toon Hermans en Lenette van Dongen. Reinders is nogal eigengereid en dat leidde niet altijd tot makkelijke samenwerkingen; liever doet hij de zaken alleen. In 1999 kom zijn vierde cd uit: ‘D’n Haof’ met daarop ‘Bloasmuziek’. Het nummer is een ode aan al die harmonie en fanfarekorpsen die zo typerend zijn in de Limburgse muziekgeschiedenis. Het nummer lijkt op dat moment niet heel veel te doen, komt in geen enkele Top-iets voor, maar krijgt wel waardering in de jaarlijkse, landelijke Top2000, waar het al jaren circuleert. Hoogste plek ooit was in 2007, 27e, daarna zakt het nummer elk jaar tot 439 het afgelopen jaar (2015). Acht jaar later maakt Reinders een vervolgplaat ‘Bloas Mich nao Hoes’. Er staan twaalf tracks op, met op elke track een samenwerking met een blaasorkest uit een van onze twaalf provincies; samen meer dan 700 muzikanten. Het levert Reinders de ‘Edison Music Award’ op. De laatste jaren is Reinders opnieuw in theaters te vinden en geeft hij lessen in ‘taalkunst’.

Jack Vinders is recent (2015) populair als leidend onderwerp in het boek van Marcia Luijten: ‘Het geluk van Limburg’. Maar er zit natuurlijk een hele historie achter die in het boek overigens helemaal beschreven wordt. Vinders’s (Kerkrade- geboortejaar is onbekend) komt in de nadagen van het harde mijnwerkersleven op de wereld. Voor hem geldt in ieder geval niet dat hij rechtstreeks bestemd is als koelpiet. De leergierige Vinders (altijd tienen beschrijft Luijten) komt als zoon van een gewone mijnwerker terecht op de Kweekschool in Heerlen. Daar ligt de wereld aan zijn voeten, maar tegelijkertijd worstelt hij met zijn homofilie, iets waarover in die tijd niet gesproken werd. Tijdens de opleiding begint hij een (bewegings-)theatergroep ‘Walheb’ die nog zal spelen in een kerkdienst. Maar niet lang, want zo’n theater hoort niet in de kerk vinden de hoger geplaatsten kerkelijken. Vinders vormt samen met Roger Lataster het cabaret duo ‘Sjwats Wies’. De voorstellingen zijn in het Kerkraads dialect. Vinders speelt in dit duo ‘Clara Zoerbier’; zijn alter ego. Nadat het duo uit elkaar is gevallen blijft Vinders doorgaan als Zoerbier en maakt in die hoedanigheid zelfs een solo-cd, ‘Danse & Walse’ (2013). In 1972 wint Vinders een plaatselijke talentenjacht, waarna een carrière als zanger voor de hand lijkt. Hij speelt in het hele land met alleen Nederlandstalige liedjes. Later trekt hij naar Duitsland en komt er zelfs terecht in de hitparade. In 1998 begint hij samen met Wim Kleinen en Lex Nelissen aan ‘Nostalgia’ (een muziekprogramma) en zingt daarin voor het eerst in het dialect. Dat is een groot succes, met als gevolg zijn debuutsingle ‘Ejelzer’ (1999). Die wordt gevolgd door een echte cd ‘Intens’ (2000), die, net als de opvolgers ‘Sjapoo vuur ’t Leëve’, ‘Va Hatse’ en ‘Solo’ met veel succes begroet worden. Veel liedjes brengen het tot de eerste plaats in de Limburgse top10. In 2000 opent hij voor een uitverkocht Rodastadion met ‘d’r Hillieje Daag-Jool’. In 2007 wordt Vinders uitgroepen tot Limburgs beste zanger. Net als in 2009, 2010, 2011, 2012 en 2014; het lijkt daardoor wel of er geen andere zangers van betekenis in de provincie meer zijn. De cd ‘De 7e van Vinders’ is daarom niet verwonderlijk uitgroepen tot beste Limburgs album (2015).

Mister Inglish, Blowbeat, Ton E., oftewel Ton Engels (1952), aangenaam. Engels leerde als kind gitaar spelen en nam in 1977 een plaat op in Londen. Op de plaat muziek van Scott Joplin. Bijzonder, want Joplin was een ragtime pianist, Engels moest dus alle stukken omzetten voor gitaar. In 1979 neemt hij met een eigen groep stukken op van diezelfde Joplin, maar ook van gitaristen als Django Reinhardt en Frank Zappa. In 1982 begint hij samen met Cor Mutsers en René Creemers de band ‘Blowbeat’. Die groep is in eigen land nauwelijks bekend, maar in Duitsland redelijk populair. In 1995 neemt Engels een album op in het dialect ‘Plat’. Dat was niet de laatste keer. Omdat het muziekleven niet altijd brood op de plank brengt wordt Engels docent aan de Fontys Rock Academie in Tilburg. In 2000 verschijnt ‘Wermer as Vandaag’. Vanaf 2001 werkt Engels samen met collega’s als Frédérique Spigt, Bertus Borgers, Kaz Lux, Jacqueline Govaert en anderen. Twee jaar later (2003) is hij opnieuw druk met een eigen platenlabel: ’Volcano Records’. Voor zijn eigen label maakt hij ‘Welkom Bej de Minse’. In 2006, na vijftien jaar, is er plotseling een nieuw album van Blowbeat ‘Songs from the Crazy Planet’; dat omschreven wordt als ‘heftiger dan ooit’. Later werkt hij samen met Egbert Derix aan ‘Het Zuiden Opklaringen’, met teksten in gewoon Nederlands, maar komt toch opnieuw met een dialectplaat: ‘Wies Merge’, met daarop werk van zichzelf, maar ook van Tom Waits, Randy Newman en Bob Dylan. Allemaal singer-songwriters, mensen die hij waardeert om hun werk. Een volgende plaat zou zo maar met stukken van King Crimson, Frank Zappa en Peter Gabriel kunnen bevatten, want ook dat is muziek die hem bijzonder aanstaat. Al zijn ‘helden’ worden op zijn site genoemd en dat zijn er nogal wat, de muziek komt bij hem van alle kanten. In 2013 ontstaat Mr. English, een Engelstalig soloproject. Engels is duidelijk niet van plan één bepaalde richting op te gaan, maar houdt het spectrum breed.

Uit de Limburgse hoofdstad Maastricht komt Jodymoon. Jodymoon is eigenlijk een duo, bestaande uit Digna Janssen en Johan Smeets. Ze zijn niet alleen een muzikaal duo, maar ook langdurig bij elkaar als stel. Ze kiezen voor een heel eigen stijl en maken muziek die (gelukkig) niet in hokjes past. Heerlijk! Smeets begint – bijna een klassiek voorbeeld - op zijn met muziek als bugelspeler in de fanfare van Maasbracht-Baek. Hij doet dat tot ongeveer zijn twintigste. Vanaf zijn zestiende is hij gitaar gaan spelen en verlegde zijn muzikale horizon richting blues, rock en jazz. Daarna ging Smeets zelf muziek schrijven. Hij studeert later muziek aan het conservatorium in Hilversum en aan het Berklee College of Music (Massachusetts). Dat is misschien ook wel de reden dat het duo voor hun eerste platen naar het buitenland keek en in New York werkte met onder andere Bryce Goggin (producer van bijvoorbeeld Joan as a Police Woman). De jongste cd ‘All is Waiting’ (2015) is gewoon thuis opgenomen. Een van de kamers is geluiddicht gemaakt, maar meer dan twintig minuten werken kan niet ‘want dan is de zuurstof op’. ‘All is Waiting’, de jongste (vijfde) plaat lijkt met deze aanpak een nieuwe wending aan de carrière van Jodymoon te geven. Het duo kan zich goed afsluiten van de buitenwereld en komt met liedjes die rust en natuur uitstralen; beetje Scandinavisch zelfs lees ik bij een recensie. Dat vind ik niet, ik zie het meer als een oneindig en verlaten landschap met vooral veel zon in de VS. Maar goed, ieder zijn mening. Jodymoon is wat je noemt ‘on the road’ sinds ze in 2008 de publieksprijs van de ‘Grote Prijs van Nederland’ wonnen. Vervolgens toerden ze door Canada, Engeland en Italië en speelden in het voorprogramma van artiesten als Joan Armatrading, Damien Jurado en Tom McRea. Desondanks is het stel bescheiden gebleven en doen alles zelf, zelfs de cd’s op de post behoort tot de eigen taken. Voordeel voor deze aanpak is dat het geld dat anders verloren zou gaan aan platenmaatschappijen en distributeurs nu bij henzelf terecht komt. De liedjes die ze schrijven gaan over kleine dingen, persoonlijke verhalen, thuis zijn, warmte en vergeelde foto’s. In 2012 maken ze ‘The Life You Never Planned On’; een plaat die heel goed ontvangen werd, waarna Janssen werd vergeleken met Joni Mitchell. Ook bij de buren in Duitsland werd de cd warm ontvangen en dat resulteerde in een tour daar. ‘All is Waiting’ is de jongste release (2015). Van de cd zijn inmiddels twee singles afkomstig: ‘The Long Way Round’ en ‘Hitchhike Overdrive’. Beide zijn allebei regelmatig op de nationale radio te horen. En dat heeft zo zijn gevolgen, want begin 2015 speelden ze voor het eerst in de poptempel Paradiso. Op 13 januari 2016 stond het duo, live vaak aangevuld met een violist en cellospeelster, op het populaire Eurosonic-Noorderslag festival en daarmee opnieuw in de publiciteit, waaronder de Volkskrant. Smeets vertelt me dat ze wel uit Limburg komen, maar eigenlijk veel vakere daarbuiten te vinden zijn: “Ik beschouw mezelf niet als typisch Limburgs meer eigenlijk. Ik denk dat er in alle provincies/streken/landen/allerlei dingen gebeuren en soms springt er toevallig iets uit, maar dat is meestal gewoon de toevallige chemie tussen bepaalde mensen, los van het feit of ze Limburgs, Gronings, Zimbabwiaans of Spaans zijn. Wel is het zo dat als in New York iets leuks gebeurt dat eerder over de hele wereld gaat dan wanneer het in Maastricht gebeurt.” Zoals in het verhaal hierboven te lezen is gebeurt dat echter soms wel en dan is het toch een beetje de trots van een Limburger, want zelfs in 2016 geldt nog steeds: ‘Wie sjoen os Limburg is begrip toch neemes!“