Pastorius/Metheny/Ditmas/Bley 1976


Jaco Pastorius 1976


Pat Metheny; Bright Size Life 1976


Weather Report; Black Market 1976


Weather Report: 8:30 live 1979


Ticket 1980



Word of Mouth 1981


The Birthday Concert 1981


Invitation 1983


Holiday for Pans 1993


60th Anniversay Edition met replica bas  2011





































bas-was-als-was
Als de bas niet meer de bas was was de bas als was. Dat klinkt als een gezegde en dat is het natuurlijk niet, want spreekwoorden en aanverwanten zijn vergane glorie en we hebben het hier juist over glorie, ook al was die ooit aan het vergaan. Bassisten zijn vaak wat types op de achtergrond. Ze zorgen voor het fundament en hoeven niet per sé in de spotlights te staan. Gelukkig zijn er op deze ‘regel’ uitzonderingen. De eerste die mij in het oor sprong was de Engelse Hugh Hopper, de bassist van de oude Soft Machine. Hij gebruikte zijn bas met een fuzzpedaal waardoor het instrument meer als een gitaar dan als een bas klonk. Daarnaast speelde hij in de triosetting drums-keyboards-bas een veel melodieuzere rol dan doorgaans voor een bas was weggelegd. Hugh Hopper was dan ook mijn eerste basheld. Na enige tijd kreeg hij gezelschap van de Duitse Eberhard Weber. Die had zelf een elektrische, staande bas met vijf, in plaats van vier, snaren gebouwd. Zijn geluid was door de glijdende noten heel anders dan het standaard basgeluid en ook Eberhard Weber gebruikte zijn bas prominent, op de voorgrond en vaak als solo-instrument. Hij werd mijn tweede basheld. De twee heren bleven lang zonder gezelschap, want voor velen bleef de bas eenvoudig de fundamentele bas. Ergens halverwege de jaren zeventig kregen de heren gezelschap van een Amerikaans wonderkind, de Paganini/Charlie Parker van de bas, de beste basspeler ooit en meer van dat soort kreten die werden gebruikt als er werd gesproken over Jaco Pastorius. In zijn handen werd de bas van was en was er weinig bas. Pastorius speelde de sterren van de hemel en meer, speelde met alle grote musici, was de eerste en nog steeds enige elektrische bassist in de Down Beat Hall of Fame (Downbeat is een toonaangevend Amerikaans jazzmagazine), raakte aan drugs & drank, kreeg last van een bipolaire stoornis, werd in elkaar geslagen door een uitsmijter met een erg kort lontje waarna hij overleed. In de laatste fase was Pastorius’ glorie even aan het vergaan, maar de geschiedenis is soms mild.

Weather Report, de band waarmee Pastorius wereldwijd bekend werd, ontdekte ik door mijn neef; die bracht platen mee uit Hohnen, Duitsland, waar hij in dienst was. ‘Sweetnighter’ met de ‘Boogiewoogie Waltz’ was de eerste die ik hoorde. Ik vond het een fantastisch swingende plaat. Was het jazz, rock, soul? Dat wist ik niet, maar dat het goed was wel. De naam Weather Report zat voortaan in mijn virtuele, muzikale kaartenbak. Pastorius speelde op deze plaat nog niet mee. Hij kwam drie jaar daarna in mijn oren met ‘Black Market’. Zijn aparte basgeluid viel meteen op. Later hoorde ik bij vrienden de eerste plaat van Pat Metheny, inderdaad mét Pastorius. In de bak in de winkel vond ik een plaat van Duitse trombonist Albert Mangelsdorff met drummer Alphonse Mouzon (die ik al kende van McCoy Tyner’s plaat Sahara – elders op deze site) én Jaco Pastorius. Prachtig, een niet alledaagse plaat. Er kwamen meer platen van Weather Report én Pastorius eerste eigen lp. Ik was er maar druk mee, maar daar ben je liefhebber voor toch? Bovendien is het zoeken naar zijvertakkingen en nieuwe hoofdaders aanboren elke keer weer een feestje. Zondagavond 19 oktober 1980 zat ik bijna vooraan in de Jaap Edenhal. Daar speelde Weather Report net nog mét Pastorius en met een extra gast: percussionist Robert Thomas jr. Het was een onvergetelijke avond, waarbij de band als een storm over het podium raasde met orkaankracht en Pastorius een bijna letterlijke wervelwind bleek te zijn die zijn bas gebruikte als donderslagen en hagelbuien. Ik wist op dat moment niet dat dat allemaal kon op en met een basgitaar. Vanaf die avond was Pastorius – en Weather Report natuurlijk – een fundamenteel element in mijn platencollectie.

John Francis Anthony "Jaco" Pastorius III (1951-1987) werd geboren op 1 december in Norristown, dat ligt in Pennsylvania. Dat is ook de geboorteplaats van Jimmy Smith, dé jazzcat van het Hammond-orgel. Na John kwamen nog twee broers: Gregory en Rory. Moeder, Stephanie, een Finse, was meestal thuis. Vader, Jack, was veel ‘on the road’ als jazz-zanger en – drummer. Op zijn achtste verhuisde de familie naar Fort Lauderdale, Florida. John werd al snel ‘Jocko’ genoemd; een samentrekking van John en Jack, en/of een verwijzing naar een beroemde scheidsrechter: Jocko Conlon. Nadat een buurman het verkeerd begrepen had en het dus anders uitsprak, de man was Frans, werd het ‘Jaco’ en dat was maar goed ook vond de jongen die de naam droeg, want Jocko was ook de naam van een stripaap. Jaco was een vrolijke, maar drukke en beweeglijke jongen. Altijd rennen, bomen klimmen, zwemmen en op het strand voetballen en frisbeeën. Liefst had hij alleen een korte broek aan; in Fort Lauderdale kan dat gelukkig bijna het hele jaar. Zijn jongere broers noemde hem, vanwege zijn voorliefde voor het bos ‘Mowgli’(die van het Jungle Boek, later werd die bijnaam de naam van Pastorius’ muziekuitgeverij). Op school viel hij vooral op in balsporten; in de weekenden was hij misdienaar, want de familie Pastorius was goed katholiek.

Muziek was altijd aanwezig, vader had een voorliefde voor Frank Sinatra, Tony Bennett en Nat ‘King’ Cole. Jaco mocht als kind al mee met vader en stal af en toe de show als hij een Sinatra-song mocht zingen. Net als zijn vader had Jaco een voorliefde voor drums. Op zijn dertiende had hij al een eigen band: The Sonics. Twee jaar later speelde hij in Las Olas Bravas, een negenmans band die de dan populaire liedjes van bijvoorbeeld Aretha Franklin, Wilson Pickett, James Brown en de Tijuana Brass speelde. Nadat hij eerder, rond zijn dertiende een polsblessure kreeg bij het voetballen was het even uit met de drumpret. De pols moest geopereerd en daarna kon hij niet hard genoeg meer slaan op drums; althans dat vond hij zelf. Hij zocht naar een alternatief en dat werd de bas. Las Olas Bravas had dan ook een nieuwe drummer nodig. Broer Rory ziet Jaco’s snelle groei op het nieuwe instrument en zegt: “By the time he was 16 he was probably the best bass player in South Florida’.

Van zijn gespaarde geld kocht hij op zijn zeventiende een eigen contrabas, omdat hij hield van het mooie, warme, zachte geluid. Maar, het weer in Florida, zon, zee, zout, het is niet heel ideaal voor een contrabas. Al snel werd het ding ingeruild voor een elektrische Fender Jazz bas uit 1962. Alleen klonk die minder mooi dan zo’n contrabas. Pastorius haalde alle frets eraf (die dunne metalen streepjes op de hals). Hij deed dat volgens de overlevering met een gewoon zakmes. Daarna vulde hij de gaten op en lakte de hals opnieuw met een hars. Zo creëerde hij min of meer de eerste fretloze basgitaar. Het geluid beviel hem uitstekend.

Als Jaco achttien is vindt hij zichzelf al de beste bassist op aarde. Hij brengt het met een kwinkslag, maar er zit een serieuze betekenis in zijn woorden. Broer Rory kent niet alle bassisten in de wereld, maar hoort zijn broer wel dingen doen die nog niemand eerder gedaan heeft. Daar is een reden voor: als Pastorius, samen met zijn broer Gregory het ziekenhuis bezoekt na de geboorte van Pastorius’ eerste kind, gebeurt er iets bijzonders. Pastorius kijkt naar zijn dochter en zegt: “'Gregory, I gotta do something on the electric bass that's never been done before.'" Daarmee doelend op de financiën en het zorgen voor een goede toekomst voor zijn kind.

Pastorius zocht en vond nieuwe technieken, het toevoegen van harmoniërende noten, het dempen van snaren, het gebruiken van flageoletten (gedempte hoge tonen), het gebruik van meerder vingers om boventonen te creëren en het plotseling stoppen van een toon zodat die bijna percussief overkomt. Tel daarbij op het gebruik van pedalen en repeat-units waardoor hij op zijn eigen basisspel kon soleren. Pastorius hield niet alleen van jazz, maar ook van Afro-Cubaanse ritmes. Die had hij in Florida ruimschoots kunnen horen en in zijn platencollectie zaten meerdere Afro-Cubaanse opnamen. Cachao Lopez was een groot voorbeeld en diens technieken zijn in die van Pastorius basspel terug te horen. Kortom: zijn geluid was uniek, eigen, opvallend.

Samen met vrienden bezoekt Pastorius allerlei gelegenheden waar live muziek gemaakt wordt en hij probeert overal mee te spelen. Iedereen kent hem dan ook. Maar omdat Pastorius op zoek is naar meer - meestal beperkt de muziek of het stramien hem teveel - blijft hij niet lang in groepen hangen. Zo speelt hij achtereenvolgens in ‘Woodchuck’, ‘The Uptown Funk All Stars’, ‘Tommy Strand & the Upper Hand’ en uiteindelijk in ‘Wayne Cochran’s CC Riders’. Die laatste is bijna een bigband. Pastorius had iets met bigbands. Hij bleef een maand of tien bij Cochran en werd snel bevriend met gitarist/arrangeur/muzikaal leider Charlie Brent. Brent leerde Pastorius hoe hij moest schrijven en hoe verschillende instrumenten samen kunnen klinken; in feite was het een eerste goede leerschool in het leren arrangeren. Pastorius leerde snel. Om meer van de bas te leren volgde hij muziek- en baslessen aan Miami University. Na een lange tournee met Cochran was Pastorius terug in Fort Lauderdale om daar mee te spelen met Baker Dozen’s. Voor zijn talent was het niet genoeg, de volgende halte was de bebopband van Ira Sullivan. Inmiddels was bastrombonist Peter Graves terug uit Vietnam en pakte zijn muzikale draad weer op. Graves had in de Navy-band gespeeld en in talrijke andere settings. Terug in Miami zocht hij muzikanten voor zijn nieuwe, eigen band. Daarbij ‘shopte’ hij veelvuldig aan de universiteit van Miami. Daar studeerde toen onder anderen Pat Metheny, een jaargenoot van Pastorius. Maar Graves vond ook musici als trompettist (later bassist) Mark Egan en drummer Danny Gottlieb. Graves’ band speelde voornamelijk in The Bachelor’s III Nightclub als begeleidingsband van bijvoorbeeld Mel Torme, The Temptations, Nancy Wilson en Patty Page. Graves had natuurlijk al gehoord van Pastorius – wie niet - en had nadat die – na de tournee met Cochran dus – teruggekeerd was ‘in town’ laten weten dat Pastorius langs mocht komen om in zijn band te spelen. Ondanks de waarschuwingen dat Jaco moeilijk was viel dat eigenlijk erg mee. Ja, hij had flair en een enorme portie zelfvertrouwen en wist wat hij wilde, maar in de band van Graves paste hij perfect. Pastorius ontmoette daar arrangeur Larry Warrilow. Dat leverde een samenwerking op die klikte en werkte tot aan het eind van Pastorius’ leven. In Graves’ band ontwikkelde Pastorius zijn eigen composities en liet die regelmatig horen, Graves met het oor tegen de onversterkte bas, ergens achter in een ruimte. Graves was diep onder de indruk.

Op zoek naar weer meer ontmoette Pastorius de New Yorkse pianist Paul Bley. Bley had de winter in New York gelaten en speelde her en der in Florida. Pastorius hoorde Bley en vanaf dat moment werden de soloconcerten duo-concerten. Na enkele dagen groeide het duo uit tot een kwartet met gitarist Pat Metheny en drummer Bruce Ditmas. Metheny kende Pastorius natuurlijk van de tijd dat hij gestudeerd had aan de Universiteit. De avonden met dit kwartet waren sprankelend, de vonken vlogen er af en de sessies duurden uren. Bley vond dat hij dit moest vastleggen. Op 16 juni 1974 werd een soort live-opname in de studio op plaat gezet: ‘Jaco Pastorius/Pat Metheny/Bruce Ditmas/Paul Bley’. Bij de rerelease werd de plaat simpelweg ‘Jaco’ genoemd. De reden zal duidelijk zijn.

In 1975 wordt Pastorius ontdekt door Blood Sweat & Tears drummer Bobby Colomby. Colomby vraagt of Pastorius in zijn band komt spelen. Pastorius ziet er wel wat in, maar uiteindelijk is het jasje van BS&T ook te krap. Wel prettig is dat Colomby een platencontract voor Pastorius regelt bij Epic. Daar verschijnt dan ook zijn eerst plaat. Tussendoor vraagt Metheny of Pastorius meespeelt op zijn eigen eerste album: Bright Size Life (verschijnt in 1976 bij ECM). Pastorius is in 1975 echter vooral bezig met zijn eigen werk. Tracks die hij al lang heeft liggen worden nu eindelijk opgenomen met een scala aan topmusici. Na het afgelopen verhaal is wel duidelijk geworden dat Pastorius niets minder wilde dan het beste, dus draven onder anderen op: Michael Brecker, Randy Brecker, Herbie Hancock, Hubert Laws, Pat Metheny, Sam & Dave, David Sanborn en Wayne Shorter.

Tussen al deze drukte door werd Pastorius voorgesteld aan Joe Zawinul en Wayne Shorter (hij zou later meespelen op Pastorius’ eerste album dus). Zij hadden gehoord over het fenomeen Pastorius en het feit dat hij zichzelf ‘de beste bassist ter wereld noemde’. Pastorius kwam en speelde met de toenmalige Weather Report mee. Shorter hield zich wat op de achtergrond, maar Zawinul ging flink tekeer. Na afloop wist Alphonso Johnson, de bassist van Weather Report op dat moment (hij was ook in de studio), wat hem te doen stond: vertrekken. Tegen de ‘skills’ van Pastorius kon hij niet op en hij wist ook dat zowel Zawinul als Shorter altijd de beste musici zochten (ze lijken Zappa wel). Omdat de groep middenin opnamen voor een nieuwe plaat zaten (Black Market) bestaat die lp uit opnamen met zowel Johnson als Pastorius. Pastorius vraagt later een oude bekende, Peter Erskine, als drummer. Die hoort pas dat hij echt in Weather Report zit nadat duidelijk is geworden dat de groep met hem naar Japan gaat. Met dit viertal is het kwartet! en dan is Weather Report compleet. Voor velen is dit dé band. Joni Mitchell, die op het moment dat Pastorius met haar opnamen maakte (Hejira, Don Juan's Reckless Daughter, Mingus, Shadows and Light), bij repetities van Weather Report aanwezig. Ze vond het bijzondere mensen die helemaal opgingen in hun muziek, net vier tovenaars.

Zawinul en Pastorius leken ‘on stage’ een gevecht te voeren, rondom snelheid, virtuositeit, melodieën. Weather Report was voorheen een bijzondere goede jazzband geweest, maar door Pastorius bereikten ze plotseling ook een rockpubliek. Dat had alles te maken met Pastorius’ uitstraling: lang haar, een show op het podium, achterwaartse salto’s bijvoorbeeld en kleding aan zijn lijf die toevallig in de buurt lag; weg jazzconventies. Pastorius was niet zo van de kleding weten we al, vaak speelde hij ook met ontbloot bovenlijf. Zijn basbehandeling ging eerder richting The Who of Hendrix dan richting Charles Mingus, al is die vergelijking niet zo raar als het lijkt. Kortom, het publiek stroomde toe en Weather Report kon in steeds grotere ‘venues’ spelen.

Pastorius’ eerste lp, genaamd ‘Jaco Pastorius’, was een eclatant succes. Dat kwam door de prachtige stukken als Donna Lee, Portrait of Tracy (zijn eerste vrouw), Continuum. Voor veel fans, musici, bassisten vielen ongeveer de oren van het hoofd van wat er op deze plaat gebeurde. Het album is nog steeds een mijlpaal in de muziekhistorie. Gezien het meer te verwacht succes nam platenreus Warner Bros de rechten over. Maar… in hun optiek viel de tweede plaat, ‘Word of Mouth’ tegen. Daar denken ze inmiddels anders over, maar dat is gezien de geest van de tijd. Word of Mouth was niet wat Warner verwacht had. Teveel bigband, teveel experimenten, de eerste track ‘Crisis’ bleek een crisis op zichzelf, vonden zij… En dat ondanks de aanwezigheid van Wayne Shorter, Peter Erskine, Don Alias, Michael Brecker, Toots Thielemans (Pastorius had een zwak voor Toots en hielp hem dan ook toen Toots in een dip zat), Jack DeJohnette, Tom Scott, Chuck Findley en Howard Johnson.

Pastorius werd er onzeker van al het commentaar en de kritiek; hij had ziel en zaligheid in de plaat gelegd en was inderdaad meer en meer richting big band gegaan; dat was een genre waar hij zijn uitdaging kon vinden én zijn oude, muzikale liefde. Toen hij de plaat trots aan Zawinul liet horen kraakte die hem af en boorde hem in de grond als een soort middle of the road muziek. Dat maakte Pastorius niet alleen nog onzekerder, hij was ook vreselijk teleurgesteld in de reactie. Enige genoegdoening kwam later toen bleek dat Word of Mouth in Japan de Golden Award kreeg voor 'Top Jazz Album of the Year', maar daar had Pastorius nu niets aan.

In 1981, op zijn verjaardag, gaf Pastorius een ‘Birthday Concert’. Vrienden en bekenden werden uitgenodigd te komen luisteren of te komen spelen: Michael Brecker, Bob Mintzer, Don Alais, Peter Erskine, Bobby Thomas jr. en veel anderen stonden op het podium. Eindelijk had hij een echte big band. De arrangementen werden vooral geschreven door Larry Warrilow. Het werd een gedenkwaardige verjaardag. Meest bijzondere moment was misschien wel toen de band, zonder medeweten, plotseling ‘happy birthday’ inzette. Pastorius moet snel de coulissen in om zijn tranen te drogen.

Eigenlijk zou Weather Report een rustjaar hebben, maar plotseling had de band schulden en er moest een tournee komen. Pastorius had eigenlijk geen zin meer in de beperkingen van de viermansband, hij wilde verder met een bigband en na Zawinul’s eerdere opmerkingen was hij er eigenlijk wel klaar mee. Zawinul had waarschijnlijk genoeg van de springende figuur op het podium en deed weinig toeschietelijk richting Pastorius. Deze besloot dan ook Weather Report te verlaten en zijn eigen, eenzame weg te gaan. Dat was in 1982, kort nadat ik de band gezien had in Amsterdam.

De eigen weg, de onzekerheid, de minder fijne reactie op zijn tweede album, het bracht Pastorius aan het twijfelen en daardoor greep hij naar drank en drugs. Eind 1982 leidde dat tot vreemde taferelen. Wachtend op het vliegtuig voor een tour in Japan met zijn Word of Mouth band, zo vertelde drummer Peter Erskine, zag hij iemand naderen. Hij keek de persoon aan van voeten to hoofd ‘het leek net een scene Taxi Driver’ (de film). Voor hem stond iemand met een soort klederdracht, gekleurde vegen op het gezicht alsof hij op oorlogspad was en een bijna kaal geschoren hoofd. Het was Jaco, maar Jaco was Jaco niet meer. Terug thuis liet hij zich behandelen door een psycholoog. Er werd een bipolaire stoornis vastgesteld. Maar door anderen wordt door tot op de dag van vandaag getwijfeld of hij dat wel heeft (gehad), zij denken meer aan een vorm van vergaand excentriek gedrag.

Een derde plaat, Holiday for Pans, werd mede door het falende (verkoop-)succes van Word of Mouth, op de plank gelegd. Wel kwam er nog een live-album uit, met opnamen gemaakt tijdens de tournee in Japan: Invitation. Daarna werd Pastorius’ contract met Warner ontbonden. Holiday for Pans verscheen jaren later uiteindelijk alleen in Japan op cd. Het is een behoorlijk experimentele plaat met veel steeldrums. Meest opmerkelijk is misschien wel het bijna afwezige, typische Pastorius-basgeluid. De plaat maakt hoe dan ook duidelijk dat Pastorius alweer verder aan het zoeken was naar andere geluiden of combinaties daarvan.

Na het weigeren van de derde plaat en het ontbonden contract ging het nog sneller bergaf. Pastorius zwierf rond, sliep in parken, maar werkte wel af en toe mee aan opnamen van anderen en ook zo aaneen reeks video-instructies voor de ‘moderne basspeler’; een serie gemaakt door bassist Jerry Jemmott. Als je de opnamen ziet merk je nauwelijks hoe erg het gesteld is met Pastorius, maar als je zijn gezicht ziet spreekt dat boekdelen.

Pastorius basgitaar, die hij altijd bij zich had, zelfs in het park, werd daar gestolen. Het bijzondere instrument – hij noemde hem ‘The bass of Doom’ - werd jaren later terug gevonden in een winkel in New York, maar de eigenaar wilde het instrument niet aan de familie teruggeven. Daarop huurden ze een advocaat in, maar gingen daardoor bijna failliet. Hulp komt dan uit onverwacht hoek: de bassist van Metallica, Robert Trujillo, zorgt ervoor dat de bas terug kan naar de familie. Trujillo is niet alleen zelf een uitstekende bassist, maar ziet Pastorius als een van zijn grote voorbeelden: “Jaco Pastorius gave the bass a new voile. I mean he was very inspired by singers like Frank Sinatra. And in a lot of ways, maybe he wanted to be a singer himself. With the fretless bass, you have a different tone and different sound, a different dynamic to the instrument, so you can really make it sing. I always say that when I first heard "Portrait of Tracy," it really changed my life, because I didn't know what kind of instrument it was.” Als ode aan zijn held maakt Trujillo een film – Jaco - over het leven van Pastorius. (1986).
In de film komt een heel bijzonder moment voor. Bobby Thomas jr., een tijd de percussiespeler van Weather Report dus, had een klik met Pastorius. In een gesprek met Thomas wordt Pastorius plotseling emotioneel en zegt: "Listen, I’m going to die when I turn 34. And I would like you to look after my babies." Dat zijn zijn kinderen dus. Dat hakt er bij Thomas behoorlijk in. Pastorius blijkt er uiteindelijk niet heel veel naast te zitten.

Naarmate Pastorius meer afgleed werd hij ook agressiever en raakte meerdere malen gewond in bewust opgezochte gevechten. Nadat hij tijdens een Santana-concert van het podium gehaald was probeerde hij bij de Midnight Bottle Club binnen te komen. Hij werd geweigerd, trapte vervolgens het glas van de deur in en werd daarna hardhandig door de uitsmijter verwijderd. Die uitsmijter was met zijn zwarte band in karate iets te uitsmijterig. Pastorius werd in het ziekenhuis opgenomen met talrijke verwondingen aan zijn hoofd, raakte in coma en overleed een paar dagen later op 21 september 1987; hij was vijfendertig.

De uitsmijter werd veroordeeld tot twee-en-twintig maanden gevangenisstraf en vijf jaar voorwaardelijk. Maar tot afgrijzen van vrienden en familie stond hij na vier maanden weer buiten; ontslagen wegens goed gedrag.

Nog tijdens zijn leven ontving Pastorius een aantal Grammy nominaties; voor het beste jazz concert door een groep en als beste solist. Later kwam er een bij voor zijn basspel op Weather Report’s Heavy Weather album. Na zijn overlijden werd hij opgenomen in de Downbeat Hall of Fame in de categorie ‘bassisten’, naast Jimmy Blanton, Ray Brown, Ron Carter, Charles Mingus, Charlie Haden en Milt Hinton. Maar hij is tot nu toe de enige elektrische bassist.

Er zijn meerdere musici die nummers aan hem opgedragen. Twee voorbeelden: ‘Jaco’ van Pat Metheny, maar bekender is wellicht ‘Mr. Pastorius’, geschreven door bascollega Marcus Miller en uitgevoerd door Miles Davis op diens album Amandla.

Pastorius’ oude band, nu onder de naam Jaco Pastorius Big Band, aangevuld met allerlei gasten gaf in 2007 een tribuut-concert. Daarvoor kwamen alle bekende bassisten opdraven: Victor Bailey, Richard Bona, Jeff Carswell, Jimmy Haslip. Christian McBride, Marcus Miller, Gerard Veasley, Victor Wooten én David Pastorius (een neef). Het concert verscheen op twee platen: Word of Mouth Revisited en The Word is Out!
Een heel mooi eerbetoon kwam van Fender, de maker van Pastorius 1962 jazzbas, door het vervaardigen van een serie: the Jaco Pastorius fretless Jazz Bass!

Ter ere van Pastorius’ zestigste verjaardag verscheen in Japan een bijzondere doos met daarin: een set live cd’s, een onuitgebrachte cd met solowerk, een prachtig boekwerk én een mini-model van Pastorius 1962 Jazzbas. Wat wil een mens nog meer.

Jaco Pastorius heeft de lat voor de bas hoog gelegd, erg hoog. Elke bassist en zeker die uit de rij hierboven hebben te maken gekregen met de nieuwe technieken en de andere manier van presenteren. In die zin is er een periode voor en een ná Pastorius. Dat zegt meer dan genoeg. Ondanks zijn handje vol eigen albums, was in zijn handen de bas als was en de bas niet meer wat die was.
 
tekst: Paul Lemmens maart 2018 -  plaatjes: © Rhino/Warner