I Don’t Like reggae, I Love It!

Ondanks het feit dan we nu bijna twintig jaar verder zijn na de release van Tougher Than Tough is dit nog steeds de beste compilatie als het gaat over The Story of Jamaican Music. De set bestaande uit vier cd’s en een boek is samengesteld door deskundige Steve Barrow onder het toeziend oog (en oor) van Chris Blackwell (zie de Trojan box). De geschiedenis loopt van 1958 tot 1993 en daarmee van de Folkes Brothers tot Shaggy. Het boek, met prachtige foto’s wordt dubbel ingeleid: door Chris Blackwell en door Linton Kwesi Johnson. Er zit wel een Engels tintje aan, maar bedenk dat tot 1962 Jamaica onderdeel was van het Britse Gemenebest en onder Brits bestuur stond. Na 1962 werd het eiland zelfstandig.

De geschiedenis begint min of meer na de tweede Wereldoorlog. Jamaicaanse muzikanten volgen, net als de rest van de wereld overigens, de Amerikaanse muziek, veel jazz, bigbands en later de wat dynamischere en meer opwindende bop, maar ook rhythm and blues. Op Jamaica werd de frisse, nieuwe stijl opgepikt in vooral de suburbs van Kingston, de hoofdstad, en via sound systems aan het publiek voorgeschoteld. Sound systems zijn al dan niet verplaatsbare geluidsinstallaties waarbij een ‘operator’ platen draaide. In Kingston was dat op straathoeken, daar waar mensen toch al bij elkaar kwamen, of bij bekende eet- of drinkgelegenheden. Voor veel mensen, zeker die uit de getto’s, was het de enige manier om muziek te horen. Halverwege de jaren vijftig begonnen Duke Reid, the Trojan, en Clement Dodd, Coxsone (naar de bekende cricketer) met hun sound systems, toevallig allebei bij hun moeders drankzaak. Er ontstond een soort ‘strijd’ tussen beide heren, die ‘gewonnen’ werd door Reid die daarmee King of Sounds werd.

Parallel zijn er enkele belangrijke gebeurtenissen: de Jamaicaanse platenindustrie komt op gang, meestal voorziend in Amerikaanse muziek, maar steeds vaker ook eigen. Edward Seaga (hij zou later in de politiek gaan) biedt talentenjachtwinnaars een platendeal aan bij zijn eigen WIRL (West Indies Record Ltd.). Chris Blackwell, die dan op Jamaica woont, neemt Boogie in my Bones op, uitgevoerd door Laurel Aitkin, het wordt een nummer één hit. Ook Reid en Dodd beginnen hun eigen opnames en scoren daarmee diverse nummer één hits. Cecil Campbell aka Prince Buster, het hulpje van Dodd, begint in 1960 voor zichzelf en neemt in een monstersessie platen op als Oh Carolina en They Got to Go.

Tot dan klinkt de muziek vooral als een eigen versie van R&B, maar Prince Buster moest, om Coxsone en Trojan van hun populaire plaats te verdrijven, met iets nieuws komen; hij ‘bedacht’ een ander accent, niet meer op de eerste en derde tel, maar op de tweede en vierde. Zijn stijl werd al snel Ska genoemd en werd razend populair, Zo zelfs, dat daarmee de grondslag van de reggae geboren was. Buster sloot een dealtje met Blackwell en wist zich zo meteen verzekerd van een extra afzetgebied in Engeland. Er woonden toen veel West Indiërs in Engeland. De muziek uit Jamaica was erg gewild en niet alleen bij de doelgroep, maar ook de Skinheads vonden hierin ‘hun’ muziek. Duke Vin had het eerste sound system in Engeland, maar als snel greep de Ska om zich heen en niet alleen in Londen. Tussen 1962 en 1966 komt er een golf aan nieuwe talenten: Bob Marley, the Wailers (dan nog apart), the Maytalls, Delroy Wilson, Alton Ellis, etc. De muziek uit de getto’s (Trenchtown, Greenwich Town en Riverton City) kwam langzamerhand de elite buurten binnen, die tot dan nog steeds luisterden naar Amerikaanse muziek. Zowel Reid als Coxsone werkte al lang niet meer alleen, zo had ene Lee Perry zijn diensten aangeboden bij Coxsone.

De jongeren uit genoemde buurten hadden vaak geen werk en zochten afleiding bij elkaar en trokken zich weinig aan van regels en wetten, de zogenaamde Rude Boys. Hun dansstijl was overeenkomstig, niet het snelle van Ska, maar langzamer. Producers speelde daar op in door met name de bas niet constant mee te laten lopen, maar te onderbreken en daarmee ontstond een nieuwe stroming: Rock Steady. De eer komt toe aan Reid, maar daarover verschillen de meningen. Het maakte niet veel uit, Rock Steady bestond maar ongeveer een jaar. Door de omwenteling kregen meer producers of hulpjes het idee dat ze ook iets konden toevoegen of veranderen. Drie heren namen het voortouw: Lee ‘Scratch’ Perry, Edward ‘Bunny’ Lee en Osborne ‘King Tubby’ Ruddock. Omdat zij niet over de goede musici konden beschikken – die werkten veelal voor Reid of Coxsone – waren ze aangewezen op andere musici. Vaak waren dat muzikanten die openstonden voor experimenten en na allerlei pogingen ontstond een nieuw ritme, strak en redelijk snel. Het vond al gauw zijn weg naar de mensen en werd reggae genoemd. Clancy Eccles zegt dat hij ermee kwam en dat de naam afgeleid was van streggae, een straatwoord voor een losbandige dame.

De stijl werd zo populair dat Reid en Coxsone die stijl opnamen in hun repertoire en daarmee eigenlijk hun leerlingen imiteerden. Met de nieuwe studiotechnieken kon meer dan voorheen, waardoor producers, die het tot nu toe allemaal regelden, plotseling zelf tot plaatopnamen overgingen. Soms maar één master, één persing die alleen op zijn sound system gedraaid werd, later gingen ze over om die platen ook in meervoud te persen en te verkopen. King Tubby en Lee Perry waren de grote aanstichters hiervan. Tubby experimenteerde met het weglaten van de vocalen met geluidseffecten en meer accenten op bas en drums. Hierdoor ontstond opnieuw een nieuwe stroom: Dub. Soms mixte hij dat direct op de te persen plaat, the plate, waardoor er dus maar één origineel exemplaar was.

Alle nieuwe muziek werd net als eerder tevens uitgevoerd naar Engeland, waardoor Trojan goede zaken deed (lees bij Trojan). Perry had in The Wailers een prima band gevonden en koppelde daar een zanger aan: Bob Marley. Daarmee stond hij aan de wieg van diens succes. Marley was de persoon de reggae bij iedereen populair maakte, waardoor er een enorme boost ontstond. In Engeland werd al ge-experimenteerd met arrangementen met violen en blazers om reggae meer ‘wit’ te laten klinken en met succes. Eind jaren zestig waren de platen niet aan te slepen. Jamaica had inmiddels een toonaangevende studio, Channel One, waar de ene na de andere hit uitkwam. Dat lag niet alleen aan de zangers; vooral de studioband, The Revolutionairies (maar ook als The Professionals of The Mercenaries) legden de basis onder leiding van drummer Lowell ‘Sly’ Dunbar en bassist Robbie Shakespeare. Zij bedachten dat het goed zou zijn de originele successen opnieuw op te nemen, maar dan met hun begeleiding; dat fenomeen werd bekend onder de naam ‘Rockers’.

De sfeer op het eiland was inmiddels niet heel relaxt meer, werkeloosheid en politieke onrust zorgden ervoor dat er een avondklok werd ingesteld en er geen tijd meer was om te dansen bij de sound systems. Daarmee liep langzaam een geschiedenis tot een eind. Dat werkte door op de producers, waarvan veel al waren weggetrokken naar New York (Dodd) of Londen en later Zwitserland (Perry). Sly en Robbie stonden misschien wel daardoor opnieuw aan de wieg van een nieuwe stroom: Dancehall. Die ontstond door zangers over een bestaande ritmetrack te laten zingen. Coxsone had zijn nieuwe zanger Lincoln ‘Sugar’ Minott gepromoot en die was behoorlijk goed in het live inzingen. Het succes van Sly en Robbie leidde tot een eigen label: Taxi en een eigen groep: Black Uhuru. Black Uhuru werd razend populair en kreeg via een contract op Island Records ook poot aan de grond in Engeland. Hun plaat ‘In Dub’ behoort tot een van de betere dubplaten.

Na het overlijden van Marley was iedereen een beetje de richting kwijt en werd de muziek min of meer teruggeworpen naar de roots van en op Jamaica. Dj’s-Rappers bekend als ‘toasters’, draaiden platen en rapten over roots & culture. Net als in de rest van de wereld (hip-hop) werden de teksten meer een meer seksueel expliciet: ‘Slack’. Door drugsoorlogen kwam Jamaica opnieuw in zwaar politiek weer terecht en stonden de kunsten onder druk. Met het goedkope Casio keyboard kwam door King Jammy de digitale muziek het eiland binnen. Net als Reid en Coxsone vroeger verzamelde hij nieuwe talenten, waaronder Chaka Demus en Shabba Ranks. Demus had een grote hit met Murder She Wrote, geïnspireerd op de hiphop-scene en – daar is hij weer – opgepakt en geproduceerd door Sly Dunbar. En daarmee komen we aan het eind van deze box. Zoals gezegd prachtig uitgevoerd en met een uitgebreide tekst (waarvan een uittreksel daarvan hierboven). Tougher Than Tough is een doos die ondanks de ‘limited edition’ (maar hoe limited is dat, ik heb nummer 156897) iedereen zou moeten willen hebben; het is muziek waarin je meegezogen wordt: “I don’t like reggae, I love it”