Can the Can

Misschien wel het grootste muzikale geheim uit Duitsland is de Keulse groep Can. Hun tijdloze muziek blijft altijd boeiend om te horen. Can was de tijd ver vooruit en bleek een rijke inspiratiebron voor talrijke muzikanten uit verschillende muziekstromingen. Toetsenist Irmin Schmidt was goed bezig met het dirigeren van orkesten en andere klassieke muziek, maar hoorde Terry Riley, Frank Zappa & the Mothers of Invention en The Velvet Underground tijdens een verblijf in New York. Dat zette hem aan het denken. Bassist, hoornist, radiozenderzoeker, gitarist, tapedraaier Holger Czukay volgde een cursus bij Karlheinz Stockhausen. Ook hij dacht na. Schmidt en Czukay ontmoetten elkaar in 1968, waarop Schmidt Czukay uitnodigde een groep te beginnen. Ze vonden drummachine par excellence Jaki Liebezeit. Holger had een jonge leerling die gitaar speelde, Michael Karoli. Als zangers vonden ze achtereenvolgens David Johnson, Malcolm Mooney en later Damo Suzuki. Can experimenteerde met ritmes, tapes, geluiden, improvisaties al dan niet vocaal, rock, jazz, klassiek, gecomponeerde thema’s etc. De meeste muziek bestond uit collectieve improvisaties. Later werden de tapes met opnamen in hun eigen studio (Inner Space) gemanipuleerd totdat het resultaat bevredigend was. De groep werd geheel in tijdgeest The Can genoemd, later eenvoudiger Can. Volgens Jaki stond dat voor: "communism, anarchism, nihilism".

Monster Movie was hun eerste plaat, gevolgd door soundtracks. De derde, een dubbel-lp was Tago Mago. Al vanaf Monster Movie werd de richting duidelijk: lange tracks (zelfs ingekort op last van de platenmaatschappij), repeterende drummotieven (dat maakt de muziek nu tijdloos), geluidsexperimenten, lange uitwaaierende gitaarsolo’s en klassieke, soms hamerende orgel- en pianopartijen. Rock als basis, maar dan wel met een flinke scheut jazz en elektronica; nummers in de steigers, met daartussendoor improvisaties. Al meteen werd Can gezien als een invloedrijke band, zeker voor de muziekstijl die toen langzaam in Duitsland aan het ontwikkelen was en die later wat spottend Krautrock werd genoemd. Nu is de naam een eerbetoon aan alle experimentele muziek uit Duitsland eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Parallel aan de muziekscène ontwikkelde zich een alternatieve filmstroming. Voor die films werd regelmatig een beroep gedaan op Can. Soundtracks laat dat goed horen.

Soundtracks is niet Can’s tweede plaat, ook al is die dat, maar Tago Mago. Verwarring is ook een vorm van kunst. Tago Mago werd meteen opgepikt door John Peel in Engeland die de plaat bestempelde dat de belangrijkste van het jaar. De dubbel-lp telt slechts zeven muziekstukken, waarvan twee, Halleluwah en Aumgn kant vullend zijn. De andere tracks zijn: Paperhouse, Mushroom, Oh Yeah, Peking O en Bring me Coffee or Tea. Prachtige titels, stuk voor stuk. Vocalist Mooney is op deze plaat vervangen door Suzuki, die voordraagt, niet echt zingt. Het grootse gedeelte is instrumentaal. Tago Mago is uniek, er was niets vergelijkbaars aan muziek voor deze plaat (en erna ook niet eigenlijk). De plaat hoort volgens deskundigen tot één uit de top honderd aller tijden, of het lijstje van het verlaten eiland. Maakt niet uit, Tago Mago is een plaat die ieder eigenwijze muziekluisteraar gewoon moet hebben. De muziek uit 1971 klinkt veertig jaar na dato nog steeds fris en origineel. De verjaarsdagseditie kent als bonus een tweede cd met drie live opnamen uit 1972, waaronder Mushroom, Halleluwah en Spoon. Om met Suzi Quatro te spreken : Can the Can!