Onzichtbare Hitfabriek

Tijd voor een quiz, dat is namelijk ‘in’. Wat is de overeenkomst tussen de volgende hits - en dat is slechts een selectie uit een hele reeks. Het zijn liedjes die we allemaal mee kunnen zingen:

The Byrds – Mr. Tambourine Man
The Beach Boys – Good Vibrations
The Mamas & the Papas – California Dreamin’
The Righteous Brothers - You’ve Lost that Lovin’ Feeling
Frank Sinatra – Strangers in the Night
Nancy Sinatra – These Boots are Made for Walkin’
The 5th Dimension – Up, Up and Away
Simon & Garfunkel – Bridge over Troubled Water
Sonny & Cher - I Got You Babe
Ritchie Valens – La Bamba
Barry McGuire – Eve of Destruction
Richard Harris – McArthur Park
The Crystals – Da Doo Ron Ron
Herb Albert & The Tijuana Brass – The Lonely Bull
Albert Hammond – It Never Rains in Southern California
Glen Campbell – Rhinestone Cowboy
Scott McKenzie – San Francisco
The Carpenters – Close to You
The Partridge Family – I Think I Love You

Niet?

Dan een aanvullende vraag, maar het prijzengeld gaat wel omlaag natuurlijk.

Wat is de overeenkomst tussen bovenstaande hits en de tunes van deze films: The Twilight Zone, Green Acres, Bonanza, Batman en M.A.S.H?

Lastig? Klopt. Het zijn allemaal grote hits en/of zeer populaire tunes geweest (en nog) en op het oog/gehoor lijken ze helemaal niets met elkaar te maken te hebben. Je komt er pas achter als je de historie induikt en verder kijkt dan de naam van de artiest kort of lang is.

Het antwoord: op al die hits & tunes spelen (bijna) dezelfde musici mee!



Het is ronduit shockerend om dit te ontdekken, maar eind jaren vijftig tot begin jaren zeventig (vorige eeuw natuurlijk) was dit een heel normaal gebeuren. Als jongere met een liefde voor de muziek denk je niet na over wie wat speelt en waarom, dat komt later, als je bands gaat volgen en je gaat verdiepen. De GROTE platenmaatschappijen zaten te wachten op hits en niet op musici die nauwelijks hun instrument konden vasthouden. Goede liedjes, prima! Kom dan maar naar de studio; daar zit de band klaar. Weinig gedoe, professioneel gespeeld en klaar. Eigenlijk gebeurt dat nu nog precies zo, maar we hebben het hier over een klein groepje mensen met een ongelooflijk aantal hits op hun naam. Tenminste. Die naam werd eigenlijk zelden of nooit genoemd, totdat….

… in 2012 Kent Hartman dit boek schreef: ‘The Wrecking Crew; the inside story of Rock and Roll’s best kept secret: "... if a rock-and-roll song came out of an L.A. recording studio from between about 1962 and 1972, the odds are good that some combination of the Wrecking Crew played the instruments. No single group of musicians has ever played on more hits in support of more stars than this superbly talented—yet virtually anonymous group of men (and one woman)".

Op dat moment wordt voor het eerst duidelijk wat er al die Jaren in de studio’s gebeurd is. Het is een openbaring en bij het eerst lezen vooral een schok. Niet onaangenaam, zeker niet, maar het zegt zoveel over de muziekindustrie.

Drummer Hal Blaine had volgens zijn zeggen op meer dan honderdveertig top tien hits meegespeeld en zeker veertig nummer één hits! Blaine was zo’n beetje het centrum van de Wrecking Crew en was dan ook de ‘first call’ drummer; degene die het eerst gebeld werd voor een opnameklusje. In de begintijd had drummer Earl Palmer die rol. Wellicht dat zij daarom zijn opgenomen in ‘The Rock ’n Roll Hall of Fame (2000). Dat geld voor alle anderen ook, maar dan als groep, namlijk in de Musicians Hall of Fame (2007).

Ergens eind jaren vijftig van de twintigste eeuw wordt Rock ’n Roll steeds populairder. Ray Pohlman (1930-1990) heeft een elektrische bas en wordt in zijn woonplaats Los Angeles daarom steeds vaker gevraagd om naar de studio te komen en even een partij in te spelen. Dat blijkt een lucratieve aangelegenheid; hij verdient zo meer dan spelen met een band. Rock ’n Roll wordt in die tijd nog vies aangekeken, dus er zijn weinig mensen die er iets mee willen of kunnen. Drummer Earl Palmer werkte al vaker in de studio (New Orleans) voor onder andere Fats Domino. Eind jaren vijftig verhuist hij naar L.A. en wordt daar gevraagd als studiodrummer. Zo ontmoet hij Pohlman, net als bassist Mel Pollen en gitaristen Barney Kessel, Bill Aken (aka Zane Ashton) en Al Casey. De studio waar ze als ‘huisband’ spelen is Hollywood's General Service Studio. Die studio-huisband heeft geen eigen naam, ze spelen wat ze moeten spelen en ze komen zo een scala aan musici tegen, waaronder Ike and Tina Turner, Glen Campbell, Jan & Dean, the Righteous Brothers, the Beach Boys, the Ronettes, the Everly Brothers en een piepjonge Sonny met haar Cher.



Degene die koos voor studiomusici was de producer. De beroemde Phil Spector (1939- ), die van ‘the wall of sound’ begon ergens in 1962 met het bouwen van zijn geluidsmuur. Spector was gedreven en zocht manieren om hits te maken en natuurlijk te verkopen. Hij had dus een – noem het eigenzinnige - visie en begon zijn eigen label: Philles Records. Zijn eerste plaatje: ‘He’s a Rebel’ van The Crystals. Om een goed geluid te krijgen belde hij zijn oude schoolkameraad Steve Douglas, een saxofonist. Die werkte vooral in de studio. Douglas kende wel wat andere musici die konden helpen (ons kent ons immers), de eerder al genoemde Pohlman en Aken, maar ook gitaristen Howard Roberts en Tommy Tedesco, pianist Al De Lory, contrabassist Jimmy Bond en drummer Hal Blaine. Spector boekte bij Gold Star Studios, ‘Studio A’, een ruimte die bekend stond om de mooie echokamer. Jack Nitzsche schreef de arrangementen. Resultaat: ‘He’s a Rebel’ werd een nummer één hit (1962).

De studioband van Spector ging door het leven als ‘the Phil Spector Wall of Sound Orchestra’ en legde aldus het fundament onder hits als ‘Da Doo Ron Ron’ en ‘Then He Kissed Me’ van the Crystals, maar ook ‘Be My Baby’ en ‘Baby I Love You’ van The Ronettes; ‘You've Lost That Lovin' Feelin', ‘Ebb Tide’ en ‘Unchained Melody’ van The Righteous Brothers en natuurlijk ‘River Deep – Mountain High’ van Ike and Tina Turner. Maar die laatste bleek – toen – een teleurstelling op te leveren, want de plaat werd geen nummer één hit. Het nummer raakte slechts de achtentachtigste plek; een enorme deceptie voor Spector. Nu, in de eenentwintigste eeuw, wordt juist dat dat nummer gezien als de grootste en beste Spector-productie. Het kan raar gaan in de hitwereld.

The Wall of Sound Orchestra werd veel later ‘The Wrecking Crew’ genoemd, maar had tijdens de actieve periode eigenlijk geen naam, soms werden ze de ‘Clique’ of ‘the First Call Gang’ genoemd. The Wrecking Crew is met name de benaming van Hal Blaine (1929- ) die in zijn memoires in 1990 beschrijft dat die groep eigenlijk een groep is geworden, omdat alleen zij Rock ’n Roll wilde spelen en aldus de tot dan standaard pop- en (easy)jazz liedjes om zeep hielp: “Blaine has stated that the term was sometimes used disparagingly in the early 1960s by members of the industry's old guard of "coat and tie" session players, who felt that, with their penchant for wearing "t-shirts and jeans" to sessions and their embrace of rock and roll, they were going to "wreck" the music industry.” Het verhaal wordt bestreden door bassiste en enige vrouw in de Crew: Carol Kaye: "We were never known as that. Sometimes we were called 'the Clique', but the Wrecking Crew is a Hal Blaine invented name for his own self-promotion in 1990 ...".
Het blijkt dat in de studio-analen niets terug te vinden is van enige naam in de richting. Songfacts: "We couldn't find any references to 'The Wrecking Crew' in any publications from the era." Maar aan de andere kant, wat de piep maakt het eigenlijk uit. Uiteindelijk kregen door de benaming van Blaine al die musici achter al die hits een eigen gezicht en dat is toch waardevoller dan anoniem door het leven gaan?



Vooral door Spector’s aanpak werd duidelijk wat de rol van goede studiomusici kon betekenen. Geen wonder dan ook dat de heren en die ene dame van studio naar studio holden en meer en meer gevraagd werden.  Gitarist/bassist Carol Kaye (1935- ), de enige dame werd door iedereen op handen gedragen door haar vakman(vrouw)schap. Op het hoogtepunt van hun carrière verdienden ze individueel meer dan de president van de Verenigde Staten! Carol Kaye: "I was making more money than the President". Voor het geld moest hard gewerkt worden, de musici maakten lange dagen én nachten en moesten in feite altijd klaarstaan. Niet reageren op een telefoontje betekende dat iemand anders het werk kreeg. De lange dagen waren niet alleen vermoeiend, maar ook lastig voor mensen met gezinnen; sommige kinderen zagen hun vaders zelden. Aan de andere kant leidde het Grote Geld tot excessen zoals drank- en/of druggebruik en smijten met geld voor huizen en auto’s. Zo raakte Hal Blaine al zijn bezittingen eens kwijt door de schulden die hij had gemaakt.

Niet alleen Phil Spector wist de kliek te vinden, ook andere producers zoals Brian Wilson (Beach Boys), Terry Melcher (The Byrds), Lou Adler (The Mamas & the Papas/Jan & Dean), Bones Howe (5th Dimension/Association), Jimmy Bowen (Frank Sinatra), Sonny Bono (Sonny & Cher) en Mike Post (Mason Williams) bouwden op de kracht en ervaring van deze studiomusici. Brian Wilson valt in het rijtje op, omdat hij een eigen – bekende – band had: The Beach Boys. Maar ondanks enige onenigheid in die band over Wilson’s aanpak hadden ze niet het niveau dat Wilson nodig had om zijn muziek gestalte te geven. Het werd zelfs zo ‘erg’ dat sommige leden van ‘The Wrecking Crew’ mee op tournee gingen om de muziek van die strandjongens goed te laten klinken.
Eenzelfde verhaal gaat op voor The Byrds, alleen Roger McGuinn bleek in staat de eigen partij te spelen, de rest was of niet capabel genoeg of ‘gewoon’ te stoned.

Het werken op de manier van The Wrecking Crew is niet heel uniek. Zeker begin tot eind jaren zestig waren studio’s niet uitgerust met bijzonder geavanceerde apparatuur; een viersporen tapedeck was al heel wat. Meestal werden tracks in enkele ‘takes’ ingespeeld door een groep of orkest. Dat betekende dat die mensen dus 'live' in de studio moesten zitten of er heel snel moesten kunnen komen (first call musicians). Studiotijd was kostbaar en er werd vierentwintig uur per dag gewerkt. Studio’s zaten eigenlijk altijd vol en opnames werden onder grote druk gemaakt, immers het volgende tijdslot hing al in de lucht. Dus hoe minder takes hoe sneller er gewerkt kon worden. Uitstekende muzikanten konden dus ook vierentwintig uur gebeld worden om op te draven. Verhalen zijn er genoeg van hits die in één take ingespeeld werden. Sommige musici sliepen bijna in de studio, noten lezend alsof het niets was. Aftellen en hoppa, track klaar. Volgende. Geen wonder ook dat deze ‘supermuzikanten’ een beetje laatdunkend deden over de zoveelste jongere die de studio binnenstapte met een potentiele hit onder de arm.

Even een leerzaam uitstapje voor de Zappafans (en anderen). Ook Zappa wist waar hij goede musici kon vinden: Emil Richards (percussie), Jim Gordon (drums), Jay Migliori (sax), Chuck Berghofer (bas), Max Bennett (bas); allemaal Wrecking Crew muzikanten, hebben ooit bij Zappa gespeeld. Sommige kort, sommige langer. Ten tijde van Lumpy Gravy (1967) werkte Zappa met enkele Wrecking Crewers als Richards, Berghofer en Tedesco. In de liner notes van Lumpy Money staat de volgende anekdote, verteld door Emil Richards. De musici zitten klaar en kennen Zappa niet. ‘Natuurlijk weer een popmuzikant die van toeten nog blazen weet’ is de verwachting van de studiomusici. Immers zij spelen op alle platen en niet de muzikanten zelf. Zappa komt aan met zijn papier vol met ‘dense complex clusters of notes in dizzying, dynamic time signatures’… Tommy Tedesco begint te grappen dat Zappa niet weet ‘what the hell he is doing’. Vervolgens roept de groep houtblazers dat ze hun partij niet kunnen en willen spelen; al die noten! Zappa lacht vriendelijk en vraagt ze ‘of ze het tenminste willen proberen als hij het voordoet’. Daarop pakt hij zijn gitaar en speelt de hele houtblazerspartij feilloos, meteen de hele handel transponerend van fagot naar gitaar. Hetzelfde doet hij met de partij voor basklarinet. Richards: “He freaked the shit out of them.” Daarop pakken alle aanwezigen hun instrumenten en beginnen serieus én goed te spelen. Aan het einde van de avond legt Tedesco zijn arm om Zappa heen; de heren waren snel, goede vrienden geworden (en later gebleven).

Los Angeles, de stad mét The Wrecking Crew, had de beste studio’s, de beste musici en dus ook het minste tijd: Gold Star Studios, United Western Recorders, Capitol Records' studios (in die prachtige, nu vintage, toren), Columbia Records Studios en the RCA recording facility, gelegen aan Sunset Boulevard. De Crew haastte zich dan ook van de ene naar de andere studio en dat ging dag in dag uit zo.
Helemaal uniek is het niet, ook andere, bekendere studio’s hadden allemaal zo’n huisorkest en een vergelijkbaar verhaal gaat op voor The Nashville A-Team (ja, uit Nashville) die de band was achter menige countryhit, idem voor Memphis, daar waren The Memphis Boys en de naamloze heren achter alle Stax/Volt recordings actief. Detroit had zijn ‘Funk Brothers’ die op bijna alle Motownplaten speelden en Muscle Shoals had ‘The Swampers’. Het was indertijd dé manier om muziekpartijen goed én snel in te kunnen spelen.



The Wrecking Crew was vooral in de jaren zestig en nog een beetje begin jaren zeventig actief. Niet dat de groep uit steeds dezelfde mensen bestond, er zijn diverse Wrecking Crews geweest, sommige musici gingen alsnog op tournee, anderen hadden genoeg van het hectische leven, weer anderen werden elders geïntroduceerd en nieuwe musici vonden hun plek weer in het team. Ook qua leeftijd was er een langzame verschuiving; de musici van het eerste uur waren begin jaren zeventig toch al een jaartje ouder.

In de ‘crew’ zaten later zelf bekend én populair geworden mensen, zoals Leon Russell (denk maar aan de Mad Dogs & Englishman rondom Joe Cocker), Glenn Campbell die zijn eigen hits kreeg, net als Herb Albert met zijn Tijuana Brass. Mac Rebennack werd veel bekender onder zijn artiestennaam Dr. John (al dan niet met The Nighttripper erachteraan).

Eind jaren zestig vind er een aantal omwentelingen plaats. In Amerika kom veel muziek nu ook op de AM-radio, muziek wordt bewuster, politieker, de tracks langer, de musici kunnen hun instrumenten nu echt bespelen en de meersporentechniek rukt op. Het werk voor de Wrecking Crew neemt af. Glen Campbell koos eerder al voor een geslaagde solocarrière, Carol Kaye kiest voor het geven van muzieklessen. Maar nog steeds blijft een flinke, nieuwe groep muzikanten beschikbaar. Die musici, waaronder Larry Carlton, Andrew Gold, Danny Kortchmar, Waddy Wachtel, Russ Kunkel, Jeff Porcaro, Leland Sklar, and Jim Keltner hebben een andere manier van spelen, meer gericht op de muziek van de tijd waarin ze leven. Dat duurt tot ongeveer 1973. Met de snel en steeds geavanceerder wordende techniek komen in de meeste studio’s 16- en 24sporen recorder beschikbaar. Ook de synthesizer doet zijn intrede, waardoor een hele groep violen eigenlijk niet meer nodig is, want die heb je met één druk op de knop. Zelfde geldt voor de drummer, de ritmebox is beter dan de beste drummer, maar dan wel met minder ‘gevoel’ zou ik willen toevoegen.

Halverwege de jaren zeventig is een deel van de oude ploeg: Carol Kaye, Gary Coleman, Earl Palmer en Tommy Tedesco weer bij elkaar, ditmaal voor het maken van televisie- en filmtunes. Ray Polman werd de muzikale baas van de in Amerika populaire Shindig!-series. Bill Aken had het theater opgezocht: Shock Theatre en kwam daarmee regelmatig op TV.

In 2008 verscheen op enkele Amerikaanse zenders een documentaire over The Wrecking Crew, gemaakt door Denny Tedesco, de zoon van Tommy. Na het overlijden van diens vader werd hem eigenlijk pas duidelijk wat die altijd afwezige vader voor een rol had gehad in de historie van de (populaire) muziek. Hij zocht nog levende ex-Wrecking Crew muzikanten op en interviewde ze. Die interviews werden aangevuld met beschikbare beelden en talloze hits. Denny had er ruim twintig jaar voor nodig om de film te maken. Dat had niet alleen met geld te maken, maar vooral om alle licenties van al die hits te krijgen zodat ze in de film te horen waren. Voor elke muziekliefhebber is die documentaire verplichte kost!

Tegelijkertijd met de DVD van de film verscheen ook een vier-cd-set. Die laat zich beluisteren als de jukebox van een era volgestouwd met – inderdaad- al die bekende hits. De vierde cd laat een ander geluid horen, namelijk diverse crew-leden met hun eigen stijl of compositie. Met name die cd geeft aan welk breed muziekspectrum aanwezig was; het gaat van jazz naar flamenco en van country naar rock ’n roll en van surf naar latin. Allemaal uitstekend gedaan natuurlijk, want de lat lag hoog. De creativiteit komt hier goed aan de orde, dezelfde creativiteit waarmee sommige op het moment van opname nog geen hit songs versierd werden met een drum- of gitaar- of bas- of saxmelodie, want ook dat was een van de sterke elementen van de crew. Zo is bijvoorbeeld het basloopje aan he begin van Nancy Sinatra’s ‘These Boots are Made for Walkin’ bedacht door Carol Kaye.

Het verhaal van The Wrecking Crew is zonder meer een geweldig verhaal. Zoals de wervende kreet op de cd-hoes al aangeeft: ‘There Was Only One Band Behind Them All!’ Of zoals Denny Tedesco het in de hoes beschrijft: ‘… the musicians who played the backbeat to the soundtrack of our lives. Music today wouldn’t be the same without all of The Wrecking Crew’.

Met boek, film en muziek krijgt de anonieme hitfabriek eindelijk een eigen menselijk gezicht en dat is meer dan de moeite waard, want muziek is immers vooral menselijk. Zo, dat gezegd hebbende, nu de jukebox aan om al die liedjes even opnieuw te luisteren en het krijgen van 'some good vibrations'.