Spel Zonder Grenzen

Eigenlijk weten we te weinig van Finland of de Finnen; het lijkt een wat verloren land, aan de rand van Europa met inwoners die gebruik maken van een onverstaanbare taal. Een taal die ooit als inspiratie diende voor In de Ban van de Ring van J.R.R. Tolkien. Finland is een land aan grenzen. Dat geldt ook voor Finlands meest expressieve drummer Edward Vesala, die met zijn muziek en later met zijn groep, Sound of Fury, juist de grenzen van muziek opzoekt en er dan overheen gaat. In eerste instantie hoorde Vesala nog bij de jazzmusici, maar nadat hij het geluid losgelaten had - letterlijk soms! - was Vesala meer een geluidskunstenaar, iemand – alweer - van kleuren met geluid. Er is vreemd genoeg weinig over deze bijzondere musicus gepubliceerd. Tijd om daar iets aan te doen.

Edward Vesala (1945-1999) wordt geboren als Martii Juhani Vesala, maar verandert al vroeg in zijn carrière zijn naam in Edward. Hij studeert van 1965-1967 muziektheorie en orkestrale percussie aan de Sibelius Academie in Helsinki en speelt met Finse muzikanten Eero Koivistionen en Seppo Paakkunainen. U weet wel. In 1972 doet hij mee op Triptykon, een plaat met de Noorse saxofonist Jan Garbarek en bassist Arild Andersen voor ECM. ECM wordt daarna min of meer zijn 'thuishaven', alhoewel hij ook elders platen opneemt. Gedurende de jaren zeventig werkt Vesala veel met free-jazz- en 'experimentele' muzikanten, waaronder Peter Brötzmann, Terje Rypdal en Charlie Mariano. Dat was vooral goed voor hem zelf. De samenwerking met landgenoten Juhani Aaltonen, Eero Koivistoinen en Pekka Sarmanto zorgde voor een enorme impact in de Finse free jazz-scene. In dezelfde periode maakt hij kennis met de Poolse trompettist Tomasz Stanko en werkt veelvuldig met hem in diverse jazz gerelateerde kwartetten. In 1974 neemt hij zijn eerste plaat onder eigen naam op: Nan Madol. Daarop doen Aaltonen (saxen), Mariano (saxen), Seppa (saxen) en een breed scala aan Finse muzikanten mee. Het titelnummer heeft vooral veel winderige percussie en is bijna beklemmend. Love for Living is als contrast heel melodieus met Aaltonen’s sopraansax en Vesala die de harp gebruikt als ontdekkingsinstrument. Wat Nan Madol duidelijk maakt is dat Vesala geen vierkwartmaatdrummer is, maar iemand die op zoek is naar geluiden, ruisen van bekkens, tikken tegen alles wat in de buurt staat, dat soort dingen. Zelfs in het meer jazzy stuk, Areous Vlor Ta is zijn slagwerk meer een instrument op de voorgrond dan een begeleidingset.

Bij zijn volgende plaat, Satu (1976), spelen meer muzikanten buiten Finland mee: de eerder genoemde Stanko, de Noorse gitarist Terje Rypdal en Deense trompettist Palle Mikkelborg. Maar ook Aaltonen is weer present. Satu ligt qua klank in het verlengde van Nan Madol en het is daarom niet vreemd om meteen na een experimenteel stuk als Satu een bijna tranentrekkende tenorsaxsolo te horen in Ballade for San. Alleen die begeleiding, die is dan weer onrustig, dwingend. Vesala staat overigens als trotse vader met zijn kinderen op de hoesfoto. Zijn muziek doet soms denken aan de Engelse free jazz uit de jaren zestig (Soft Machine-achtigen), soms aan Zappa, maar ook aan Albert Ayler en John Coltrane. Boeiende muziek. In 1978 richt Edward een eigen platenfirma op: Leo (niet te verwarren met die andere Leo). Daarop verschijnen platen van onder andere Stanko en Mariano. In 1980 reizen Vesala en Stanko naar New York. Daar nemen ze Heavy Life op met onder andere Reggie Workman (bas) en Bob Stewart (tuba). In Amerika speelt hij als slagwerker mee met mensen als Chick Corea, Gary Burton en Archie Shepp. Een opmerkelijk project is de muzikale begeleiding van dichter Arto Melleri.

Begin jaren tachtig spendeert Vesala veel tijd aan de begeleiding van workshops, die opereren onder de naam Sound & Fury. Daarnaast geeft hij percussie workshops en -clinics. In 1984 kiest hij uit die workshops de beste musici en start een eigen band onder de naam Sound & Fury. Die groep neemt vier platen op voor ECM. De bekendste daarbij is de eerste Lumi (1986) die door het muziekblad Wire wordt genomineerd als een van de meest belangrijkste jazzplaten uit de jaren tachtig en door Richard Cook en Brian Morton in The Penguin Guide to Jazz een zeldzame kroon krijgt. Op Lumi zijn invloeden te horen van tango tot minimale muziek. Meest prominent lid, als staat ze gewoon in de rij, is Iro Haarla, Vesala’s vrouw. Zij zou op alle volgende platen ook present zijn. Steve Lake, schrijver van de hoestekst, noemt Vesala’s werk van ‘pictorial quality’; het is inderdaad een soundtrack met ongekende spanning. Al vanaf de eerste tonen word je gegrepen door de muziek, die zich net zo langzaam ontvouwt als het Scandinavische landschap. Daarbij gebeurt er steeds van alles tegelijk, waardoor de muziek niet gemakkelijk op te pakken is, je moet er echt moeite voor doen en dat is zonder meer positief.

Met de titel van de tweede Sound & Furyplaat, Ode to the Death of Jazz (1989), refereert Vesala aan de conservatieve en dominante krachten binnen de jazzmuziek. Gelukkig weten we dat Jazz niet dood is, alleen vreemd ruikt (Zappa). Vesala doelt met zijn plaat aan het feit dat jazz inmiddels door alles en iedereen geslikt wordt, een glad glijmiddel bijna, en nauwelijks de uitdaging meer heeft die de muziek ooit had. Daar brengt hij met zijn groep enige verandering in. Dubieus is dan meteen of dat publiek zijn dwarse, lastige muziek te verteren vindt. Steve Lake, hij weer, schrijft in de hoestekst dat Vesala’s gedrevenheid om de jazz, of anders zijn visie daarop, van de grond te krijgen doet denken aan Ornette Coleman of Sun Ra. De diverse bandsessies, ware uitputtingsslagen, hebben daar vast mee te maken, zijn ietwat dictatoriale neigingen idem; een harde regel: Never Copy!”. Vesala speelt bijna alle instrumenten zelf, niet supergoed, maar genoeg om duidelijk te maken wat hij wil. Regel twee: “Play as if playing for the first time!”. Vesala probeert zijn band te smeden tot een organisch geheel dat reageert op zijn spel en andere verbale uitingen. De Ode is sterk wisselend in ritmiek, klankkleur en sferen, maar altijd boeiend en op meerdere lagen tegelijk gebouwd. Het is vitale muziek; er is weinig doods aan. In de jaren negentig werkt Vesala zowel met Sound & Fury als met het Filharmonisch Orkest van Helsinki. In 1991 komt de derde plaat uit: Invisible Storm. Na wat elektronisch vervormde klanken klinkt het pure geluid van een cello. Altijd goed voor een stuk triestigheid. De plaat kent een aantal, kortere experimentele stukjes, maar in de langere composities regeert de furie nog steeds. Er is wel meer rust en ruimte in het landschap. De onzichtbare storm heeft soms meer van een modern klassiek werk, dan van een jazzplaat, maar als de saxen beginnen ben je dat weer snel vergeten. De laatste plaat met Storm & Fury is uit 1994: Nordic Gallery. De inmiddels vertrouwde muziek maakt wat Oosterse uitstapjes en de tango is wat meer prominent aanwezig. Flavor Lust, het laatste nummer, had zo op de playlist van Willem Breuker kunnen staan, alhoewel het aan de heftige kant is.

In 1997 toert hij met zijn groep een maand lang door het verre oosten. Bij terugkeer doet hij als gastspeler mee tijdens twee radio-optredens voor RinneRadio; naast slagwerk zorgt hij voor de elektronische elementen in de muziek. In december 1999 overlijdt de dan vierenvijftig jarige Vesala plotseling door hartfalen. Vesala was een van Finlands' meest prominente muzikanten; iemand die de grenzen van de muziek opzocht en bewust doorbrak daarbij een balans zoekend tussen organisatie en vrijheid. Zijn belangrijkste motto: "Als je muziek maakt moet je dat doen met 100% overtuiging, zo niet, dan laat maar." Iets dat zijn vrouw, weduwe dan, Iro Haarla In 2001 ten uitvoer brengt; ze maakt haar eerste eigen plaat; een beetje in het verlengde van Vesala’s werk, met een tikje meer Noorse folk in de muziek. Na enkele platen ontvangt ze voor Penguin Beguine (2005) een Emmy Award, met als gevolg dat een van haar sterkste platen, Northbound (2005) uitkomt op… ECM. Ze is terug waar ze met Edward begon. Northbound ligt meer dan haar andere albums in het verlengde van Storm & Fury. Haar tweede groepsalbum, Vespers (2011) laat een wat andere kant van Haarla zien, opener, lichter, intiemer.