De weg naar Zion

Zonder enige twijfel is het boegbeeld van de reggae Nesta Robert Marley (1945-1981), beter bekend onder de naam Bob Marley (die twee andere namen raakte hij kwijt bij het aanvragen van een paspoort). Dat geldt niet alleen voor Jamaicanen, maar ook voor whities. Zijn afbeelding siert gebouwen, vlaggen, auto’s, posters, enzovoorts. Voor veel Westerlingen is Bob Marley symbool voor een vrij drugs gebruik en hangen ze een soort koffieshopgeloof aan, maar Marley stond voor veel meer en dan hebben we het met name over politiek en zijn geloof.

Marley werd geboren in Nine Mile. Zijn moeder is Cedella Booker, Afro-Jamaicaans, 18 jaar en knap. Zijn vader Norval Sinclair Marley, vijftig jaar (!) blank, Engels-Jamaicaans, met Syrisch-Joodse achtergrond. Norval diende bij de Royal Marines en was plantage-oppasser. Hij was zelden thuis en overleed aan een hartaanval toen Bob tien was. Door dit gemengde huwelijk hoorde Marley nergens bij, hij was te donker voor de blanken, te wit voor de Jamaicanen. Later vertelde hij dat hij daarom de weg van God koos, omdat die hem zo gemaakt had. Zowel Marcus Garvey als Haile Selassie hadden een grote invloed op Marley. Garvey was een politiek leider met vooruitstrevende visie als het gaat om de Afrikanen – vaak slaven - elders in de wereld, maar vooral Jamaica. Selassie was Keizer van Ethiopië tot 1974, met een dynastielijn die teruggaat tot de 13e eeuw met King Solomon en Koningin Sheba als voorouders en daarbij leider van de Rastafari Beweging. Veel mensen zien in hem de incarnatie van de Messias die vrede, recht en voorspoed zou brengen. Marley was bezield van de idee de Pan-Afrikanen terug naar huis te kunnen brengen, naar Zion, oftewel Ethiopië.

Door een nieuwe relatie van Cedella met Thaddeus ‘Toddy’ Livingston kreeg Bob later een halfzus, genaamd Pearl. Toddy had al een zoon, Neville Livingston, Marley’s stiefbroer dus. Neville veranderde zijn naam in Bunny Wailer en samen begonnen de jongens muziek te maken. Toen Bob twaalf was verhuisde moeder naar Kingston, in de wijk (nou ja wijk, een beetje een achterbuurt) Trenchtown. Later ontmoette hij Bunny daar opnieuw en kwam in aanraking met Joe Higgs, zanger én Rastafarian. Tijdens een jamsessie ontmoeten ze Peter McIntosh, die zijn naam later zou veranderen in Peter Tosh. Onder leiding van Leslie Kong, niet de geringste op het eiland, maakt Marley in 1962 onder pseudoniem Bobby Martell, zijn eerste twee singles in Ska-stijl: Judge No en One Cup of Coffee, met weinig succes. Het jaar daarop formeert hij een Ska- en Rocksteady band rondom Bunny en Peter, genaamd The Teenagers, later The Wailing Rudeboys en nog weer later The Wailing Wailers, gevolgd door The Wailers en daar liet hij het bij. Die groep werkt voor producer Coxsone Dodd (een van de beste van het eiland) en maakt er enkele platen voor, waaronder Simmer Down, dat op Jamaica meteen een nummer één hit wordt. Marley wordt daardoor een bekendheid!

Rond 1965 waagt Bob het (eigenlijk is hij erg verlegen) dat leuke meisje op de hoek van de straat aan te spreken, ene Rita Anderson. Ze spreken af en in 1966 trouwt het stel en wordt Rita, Rita Marley. Ze vertrekken naar de USA, waar Marley’s moeder inmiddels woont en het financieel goed heeft. Bob krijgt onder de naam Donald Marley een baan als laboratorium assistent in de Chrysler fabrieken. Het verblijf duurt kort, na acht maanden hebben ze het gezien. Na terugkeer is Haile Selassie op het eiland en brengt menigeen het hoofd op hol. Mede daardoor krijgt bij Marley het Rastafari geloof meer vorm (hij was katholiek opgevoed) en laat hij zijn haar groeien in de stijl die bij het geloof hoort: dreadlocks. Die aanpak zorgde voor een conflict met Dodd, waardoor Marley en the Wailers terecht komen bij Lee ‘Scratch’ Perry en diens band The Upsetters. Daar maakt Marley zijn beste platen zegt men, zoals Soul Rebel en Small Axe. De samenwerking duurt slechts één jaar; ze gaan met een geschil over de rechten van de muziek uiteen, maar niet voor lang.

Om wat bekender te worden koos Marley voor een contract met CBS Records (1972), daaraan geholpen door Johnny Nash, met wie eerder op tournee waren geweest. Daarmee begon meteen een nieuwe tour door Amerika en Europa. In Londen ging het mis en was het geld op. Marley kwam terecht bij Chris Blackwell wiens Island Records als bakermat voor reggae in Europa functioneerde. Marley vroeg een voorschot om een single te maken. Toevallig was net Jimmy Cliff weg bij het label en zocht men een vervanger. Maar dat niet alleen. Blackwell produceerde via zijn label ook progressieve rock en zag in Marley een persoon om reggae in de rockwereld te brengen; lees meer te verkopen. Met dat alles in het achterhoofd bood Blackwell een aanzienlijk bedrag aan om daarmee maar liefst een hele lp te maken; een zeer ongebruikelijke stap. Marley en zijn Wailers grepen de kans. Terug in Kingston gingen ze aan de slag en maakten Catch a Fire. Met de basistracks, opgenomen op een ‘primitieve’ 8-track recorder in Harry J’s studio ging Blackwell onder supervisie van Marley aan het werk in een moderne goed geoutilleerde studio. Mix en arrangementen werden aangepast, net als het ritme, dat een meer ‘hypnotic vibe’ kreeg en de sterkte bassen werden afgezwakt. April 1973 kwam de plaat uit, met een hoes in de vorm van een aansteker. De plaat verkocht goed; werd zelfs gepromoot, tot dan ongebruikelijk voor een reggaeplaat.

De verkopen waren genoeg, voor een tweede dat jaar: Burnin’, met daar op oude nummers in een nieuw jasje, zoals Small Axe, Get Up, Stand Up en I Shot the Sheriff. Dat laatste nummer sprak tot de verbeelding van niemand minder dan gitaargod Eric Clapton, die nam het op, scoorde een megaliet en maakte daarmee Marley nog bekender. De zaken liepen goed, Marley’s nieuwe reggae-sound werd door iedereen geaccepteerd als Trenchtown Rock. Om Marley een betere plek te bieden om te werken en te oefenen, bood Blackwell bood zijn huis in Kingston aan. Tuff Gong, werd niet alleen zijn studio, maar ook zijn huis. Gezien het succes moest de band op tournee en wel als opening act voor Sly & the Family Stone, de nummer één soul band op dat moment. Na vier concerten werd de groep ‘ontslagen’ van die verplichting omdat ze veel meer respons van het publiek kregen.

In 1974 werden de originele Wailers ontbonden, maar Marley ging verder onder de naam Bob Marley & the Wailers, met nieuwe musici als de broers Carlton (drums) en Aston "Family Man" Barrett (bas), Junior Marvin en Al Anderson (gitaar),Tyrone Downie en Earl "Wya" Lindo (keyboards), Alvin "Seeco" Patterson (percussie) en de backinggroep The "I Threes", bestaande uit zangeressen Judy Mowatt, Marcia Griffiths en Rita Marley. In 1975 kwam dan eindelijk de doorbraak met de single No Woman, No Cry van de nieuwe plaat Natty Dread; zijn eerste hit buiten Jamaica. Ook op deze plaat staan Revolution en Them Belly Fully, tracks die het live heel goed deden. Marley bracht met zijn muziek reggae naar iedereen en voor iedereen. Dat was duidelijk op de lp Live, de plaat die bijna iedereen in mijn buurt had in ieder geval. Samen met Stevie Wonder gaf hij een benefietconcert op Jamaica (1975). Rastaman Vibration (1976) bleek de doorbraak in de USA. Op 3 december 1976, twee dagen voor een door hem georganiseerd gratis concert om de politieke spanningen op Jamaica wat te beteugelen werden Bob, Rita en manager Don Tayler in hun huis beschoten. Alleen Marley liep geringe verwondingen op, Rita en Don moesten meteen naar het ziekenhuis met ernstige verwondingen, maar herstelden allebei. Het concert ging gewoon door, met een gewonde Marley en met een andere band; the Wailers hielden zich even schuil. Na dit incident had Marley tijd nodig om zich te bezinnen. Via een vakantie op de Bahama’s vertrokken Rita en hij naar Londen om daar bijna twee jaar te blijven. In die periode bracht hij Exodus en Kaya uit, had een hit met One Love en werd gearresteerd wegens het in bezit hebben van drugs.

In 1978 was hij terug op Jamaica voor opnieuw een verzoeningsconcert. Aan het eind van het concert kreeg hij het voor elkaar dat politieke aartsrivalen Michael Manley en Edward Seaga elkaar de hand schudden. Babylon by Bus (1978), een dubbel live plaat laat goed horen hoe Marley en zijn band het publiek bijna hypnotiseren. Zijn volgende plaat – Survival (1979) – was behoorlijk politiek gericht met tracks als Africa Unite en Zimbabwe. Eerder al had hij zich tegen Apartheid uitgesproken met het lied War (op Rastaman Vibration). Zijn laatste plaat, Uprising (1980), met daarop de hit Could You Be Loved, is juist weer een sterk religieuze; het nummer Redemption Song gaat over de sterfelijkheid. Marley is nu zo populair dat hij in Milaan een concert geeft voor honderdduizend mensen.

Na een concertreeks in Europa trekt de band naar Amerika om daar een reeks voorstellingen met Stevie Wonder te geven. Na het concert op 23 september 1980 in Stanley Theatre, Pittsburgh, stort Marley in. Eigenlijk was hij al een tijd ziek, maar deed er niets aan. Het concert was een erg bevlogen concert, net of hij wist dat het zijn laatste zou zijn. Marley blijkt een vorm van kanker te hebben, te wijten aan een verwaarloosde wond in zijn voet, drie jaar eerder opgelopen tijdens zijn favoriete sport, voetbal. Hij laat zich merkwaardig genoeg verzorgen in Bayern, Duitsland door Herr Dokter Josef Issels, een aanhanger van een alternatieve therapie met veel aandacht voor voeding of beter gezegd het juist weglaten van sommige elementen. Omdat zijn situatie niet verbeterde besloot Marley na een paar maanden terug naar Jamaica te gaan. Bij een tussenlanding in Miami gaat het zo slecht met hem dat hij meteen wordt opgenomen in een ziekenhuis. Op 11 mei 1981 sterft hij, slechts 36 jaar. Hij krijgt een ere-begrafenis met elementen van zowel Ethiopische- als Rastafari tradities. Zijn graf (hij is begraven met zijn gitaar) is vlakbij zijn geboorteplek. Postuum komt Confrontation uit (1983) me reststukken en alternatieve versies van nummers.

Time Magazine roept in 1999 Exodus uit tot de beste plaat van de twintigste eeuw. Volgens het blad Rolling Stone past Marley in het rijtje Bob Dylan en John Lennon. Songs of Freedom bevat in essentie het werk van Marley. De vier cd’s in het doosje laten Marley horen vanaf het begin, Judge Not, tot en met de bevlogen Redemption Song uit zijn laatste concert in Pittsburgh. Samen met een mooi geïllustreerd boekje met daarin uitgebreide teksten van elke song en een korte levensloop is dit in essentie Bob Marley in al zijn facetten en uitingen, de man die bijna in zijn eentje werelden bij elkaar bracht en zichzelf daarmee oversteeg.