Authentieke Nep

Muziek uit Afrika vond ik als kind al prachtig. Maar dat was bijna niet te vinden en in ieder geval niet op radio of tv. Gelukkig was er halverwege de jaren zestig een Amerikaanse tv-serie: Daktari (Daktari is Swahili voor dokter). De serie ging over Wameru, het Study Center for Animal Behaviour in Mozambique. Dr. Marsh Tracy en zijn dochter Paula hebben de leiding over het centrum, bijgestaan door Mike Makula, Jack Dane en Hedley, de ‘districts officer’. En dan waren er natuurlijk Judy de aap en Clarence, de schele leeuw, me bijbehorende ‘schele’ beelden. De reeks was gebaseerd op de Nederlandse (!) ecoloog Toni Harthoorn en diens vrouw Sue, die indertijd werkzaam waren in Nairobi; zij waren verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het verdovingsgeweer.

De serie was niet alleen spannend, maar vooral de muziek die erbij hoorde, dat was andere koek dacht ik. Inderdaad heel andere koek. Het perspectief van een kind moet soms nog wel eens bijgesteld worden en zo ook hierbij. Daktari stond aan het begin van mijn muzikale ontwikkeling, als het gaat om etnische muziek of wereldmuziek of hoe het tegenwoordig dan ook heet, maar kwam echter op een vreemde manier bij mij terug, namelijk via de jazz. Daktari bleek nauwelijks Afrikaans te zijn, maar was ‘gewoon’ gemaakt door jazz drummer Shelly Manne op een Hollywood-achtig wijze. Manne stond daarmee aan het begin van een ontwikkeling die later de naam ‘global fusion’ zou krijgen, een ontwikkeling die in jazz al aan de gang was. Veel gekleurde musici zochten hun roots om die vervolgens terug brengen hun muziek. Manne werd zelf vooral bekend als drummer van combo’s die vooral West Coast Jazz speelde, een wat lichtvoetigere jazzstijl.

In 1968 begon Manne met opnemen van de soundtrack voor de serie. Hij had een duidelijke visie en nodigde in plaats van het gebruikelijke 35 mans orkest ‘slechts’ een handjevol mensen uit: Bud Shank, Frank Stozier, Art Smith en Justin Gordon (houtblaasinstrumenten); Bob Bain (gitaar); Mike Wofford (piano), Bill Pitman (basgitaar), Emil Richards, Larry Bunker, Frank Carlson en Victor Feldman (percussie). Veel bekende namen uit de jazzwereld, veel blanken ook. De studio zag er leeg uit, maar de ruimte om de musici heen was gevuld met allerlei percussiemateriaal. Soms werd de muziek geschreven, maar werkte dan weer niet voor de beelden erbij, er werd dus veel geïmproviseerd. Kenmerkend voor de soundtrack is het vele gebruik van allerlei marimba’s en (bas-)fluit. Het gaf net genoeg het Afrikaans sfeertje om authentiek te lijken en daar trap je dus in.

Niet dat de muziek niet goed is, ik was blij toen ik de cd vond en nog blijer toen ik de muziek in glorieus mono voor het eerst weer hoorde. Ja, de sfeer was er zeker en er werd prima gemusiceerd. Het thema begint meteen met percussie, marimba en fluitjes. Na korte tijd gaat het over in een behoorlijk drum gerelateerde partij. Klinkt best authentiek hoor. Out on a Limb is bijna een samba met prachtige fluitsolo. Clarence wordt geëerd met een eigen stuk, beetje bewust dissonant hier en daar, fluitjes en drumstel, maar ook basklarinet en sax. Africa is een bijzonder mooi en sfeervol stuk, bijna een eerbetoon, heel rustig met veel basfluit en marimba’s. Je ziet de zebra’s en giraffen op de steppe voor je al dan niet in slow-motion. De basklarinet zet onopvallende en puntige accenten. Een basklarinet is nu niet echt een Afrikaans instrument, maar past uitstekend in de sfeer hier. Stay with Me, opnieuw een samba met fluit en ja, er was ook romantiek in de serie. Het stuk eindigt met vibrafoon en sax. Elephantime: basgitaar, percussie, fluit en saxen; een lekker up-tempo nummer. Manne’s slagwerk domineert het eind. Wameru, de thuisbasis, brengt twee thema’s samen: Africa en Clarence. Opmerkelijk is de fuzz gitaar; een echt jaren zestig geluid. In dit stuk wordt ook weer veel fluit gespeeld. Toto is een snel wisselend nummer met percussie, fluit en sax. Galloping Giraffes, mooie twee- kwart van de bas met daarover heen marimba, fluitjes en een thema door sax uitgevoerd. Judy is de vrolijkheid zelve, beetje Latijns Amerikaans. die apenstreken ook. Ivan (genoemd naar de producer van de serie: Ivan Tors) betekent hier basklarinet, percussie, woordloze zang en fluit. Rhino Trot is opnieuw up-tempo met veel percussie en ‘geluiden’.

Daktari blijkt jaren na dato nog steeds dat gevoel voor Afrika terug te brengen. Wat extra pleit voor de soundtrack is dat die op zichzelf kan staan, iets wat soundtracks juist vaak niet kunnen. Net als de soundtrack was de serie niet helemaal Afrikaans: stukken zijn opgenomen in Californië en in sommige beelden zijn een tijger en een Indiase olifant te zien (dat wist in de jaren zestig toch niemand). Dr. Tracy maakte voor zijn ritten veelvuldig gebruik van een jeep met zebrapatronen; later werd die als miniatuurauto op de markt gebracht door Corgi. En ook de schele leeuw had zo zijn eigen beslommeringen. Clarence was een beetje bang voor auto’s en werd regelmatig vervangen door een stand-in, Leo. Leo had zijn eigen make-up artiest, hij moest immers goed lijken. Leo is ‘bekender’ geworden als de leeuw uit het MGM-logo en die aan het begin van menig film. Voor de wat heftigere scènes werd een derde leeuw ingezet, ook Leo genaamd (hoe zou dat nu toch komen), want die brulde beter. Jaren later blijkt Daktari een behoorlijk suggestieve serie, het is maar wat je wil geloven (en wat je weet). De serie wordt nu overigens aangeprezen als kinderserie.