Vitaal Concert voor het Begin der Tijden

Dit stuk begint in Emmen. Jaren geleden was ik in de dierentuin daar. Na de entree was er een zaal met een meervoudige diaprojectie over het ontstaan van de aarde. Mooi, maar fascinerender was de muziek. Zwaar, langzaam, contrabassen, vluchtige fluiten, strijkers, een thema ontvouwt, maar er is nog steeds geen richting in deze muziek. Dat gaat zo door, er komen diverse thema’s langs, de muziek klinkt soms dreigend, soms gehaast. Het paste perfect met de visualisaties. In de aftiteling werd duidelijk wat ik gehoord had: Concert voor Orkest, geschreven door Béla Bartók.

Bartók (Nagyszentmiklós – Hongarije 1981 – New York 1945) is een van de meest belangrijke componisten van de twintigste eeuw en is vooral bekend geworden door zijn transcripties van Hongaarse en Oost-Europese volksmuziek. Tot 1902 schreef hij veel, maar zijn vooral Laat Romantische werken hadden nog geen eigen stempel. Dat veranderde na 1903 onder invloed van Richard Strauss. In 1904 schreef hij Rapsodie voor piano en orkest (hij speelde zelf uitstekend piano) en noemde het stuk gewoon weer Opus 1, alsof hij opnieuw begon. In dat jaar ontdekt hij ook de volksmuziek en blijft de rest van zijn leven bezig om die muziek vast te leggen. In 1907 ontmoet hij Claude Debussy en is onder indruk van diens muziek. Geen wonder dat er een Debussyaanse invloed ontstaat in zijn eigen werken, bijvoorbeeld in de Veertien Bagatellen (1908). Een vooruitstrevend werk uit deze tijd is Hertog Blauwbaards Burcht, maar daarna stopte hij met componeren en legde zich naast het geven van pianoles toe op zijn onderzoekswerkwerk naar authentieke volksmuziek. In de zomer van 1915 ontmoet hij (dan al getrouwd met Marta Ziegler) Klára Gombossy, een veertienjarig meisje met wie hij veel veldbezoeken doet en op wie hij hevig verliefd wordt. Het zet hem aan opnieuw te gaan schrijven: Suite voor Piano (1916), De Houten Prins (1917) en De Miraculeuze Mandarijn (1918).

Door de Eerste Wereldoorlog komt zijn onderzoek bijna tot stilstand, vooral door tegenwerking en onbegrip. Nog erger, grote delen Hongarije werden verdeeld onder de buurlanden, zijn geboorteplaats bijvoorbeeld ligt nu in Roemenië. In deze rommelige periode experimenteert hij volop met technieken. In bijvoorbeeld de Acht Improvisaties op Hongaarse Boerenliederen (1920) en het Derde Strijkkwartet (1927) komt zijn muziek in de buurt van de atonaliteit. Pianist Bartók heeft zo zijn eigen mening over het instrument, hij ziet het namelijk als slaginstrument; de hamertjes slaan immers op de snaren. Met dat idee componeert hij zijn Sonate voor Twee Piano’s en Slagwerk (1937).

Opnieuw breekt er een rommelige tijd aan. Bartók en zijn tweede vrouw, ex-piano-leerlinge Ditta Pásztor, verlaten min of meer gedwongen Hongarije in 1940 om net als zovelen naar de Verenigde Staten te gaan. Zijn aankomst is alles behalve vreugdevol. De 59-jarige componist lijdt al een tijd aan Leukemie, zijn muziek wordt nauwelijks uitgevoerd en de Europese royalty’s bereiken hem niet. Béla en Ditta leefden zelfs op de grens van armoede. Het was zo erg dat in 1943 twee vrienden ten einde raad aan dirigent Serge Koussevitzky vroegen of hij niet een werk van hem kon uitvoeren en wellicht een nieuw werk laten schrijven als eerbetoon aan diens overleden vrouw. Koussevitzky ging akkoord en het goede nieuws bereikte Bartók in een New Yorks ziekenhuis. Van de beloofde 1000 dollar accepteerde hij slechts de helft, omdat hij onzeker was of het wel ging lukken. Van 15 augustus tot 8 oktober 1943 werkte hij in het ziekenhuis bijna onafgebroken aan zijn nieuwe compositie. Het Concert voor Orkest is niet allen zijn grootste orkestrale werk, het is ook zijn laatste. De premičre is op 1 december 1944, maar daar kon Bartók niet bij zijn. Met heel veel moeite kreeg hij het bij de artsen voor elkaar om het werk op 29 en 30 december in Boston te kunnen bijwonen. Hij kreeg niet alleen een warm applaus van het publiek; Koussevitzky, die het werk dirigeerde, noemde het het beste werk van de afgelopen vijfentwintig jaar.

In eerste instantie eindigde het Concert vrij abrupt, maar nadat Bartók het uitgevoerd hoorde vond hij dat dat anders moest en schreef een nieuw, prachtig einde. Dat werd in 1946 gepubliceerd. Bartók maakte dat zelf niet meer mee, hij stierf op 26 september 1945. Zijn erfenis: veel ‘moeilijke’ muziek en daardoor onbegrip. De meeste mensen moesten wennen aan Bartók’s pittige muziek, vaak ook werd hij gezien als ‘de brug’ tussen Igor Stravinsky en Arnold Schönberg. Echter door de inzet van onder andere Koussevitzky, dirigent Paul Sacher (in zijn opdracht schreef Bartók zijn Muziek voor Snaren, Percussie en Celesta) en zijn vrouw Ditta Pásztory werd Bartók al vrij snel meer en meer uitgevoerd en groeide zijn populariteit. Heden ten dage hoort hij zonder twijfel bij de Grote Componisten. Het Concerto bestaat uit vijf delen, die, heel traditioneel, in het Italiaans benoemd zijn: Introduzione, Giuoco delle Coppie, Elegia, Intermezzo Interotto en Finale. Het stuk ontwikkelt van een duistere, hardheid van het eerste deel via een ‘dodenlied (er is geen lied, het is symbolisch) in Elegia naar een levensverwachting in de Finale. Gedurende het stuk krijgen de voornamelijk houten blaasinstrumenten en het koper kans zich te manifesteren, al dan niet in solistische vormen. Dat was voor Bartók ook de reden om het stuk Concert voor Orkest te geven, immers binnen het orkest bloeien steeds mini-groepjes van verschillende instrumenten op die het orkest hun samenspel laten horen. Mede daardoor is een duidelijke vorm is in het hele stuk niet te herkennen, maar juist de afwezigheid daarvan maakt het zo boeiend. Daarmee is en blijft het Concert voor Orkest een vitaal stuk.