My Life in the Bush of Ghosts 1981


The Jezebel Spirit 1981 - single


Regiment 1981 - single


My Life in the Bush of Ghosts versie 2006.
Het zwarte vierkant is een sticker op de kartonnen hoes.
Jongensdromen
Mijn moeder keek best veel naar de televisie en als kind kijk je dan vaak mee: speelfilms, tv-series, het maakte niet heel veel uit wat, daarbij had ze een voorkeur voor natuurfilms en documentaires over andere landen en mensen. Misschien was dat wel omdat ze zelf helemaal niet van reizen hield en nooit op vakantie ging. De wereld bij je thuis is dan net zo prettig. De fascinatie voor natuur en andere landen, andere culturen, religies, omgangsvormen al dan niet voorzien van opzwepende stemmen of muziek heb ik nog steeds. Nu iets realistischer, toen fantaseerde ik erop los: hoe zou het zijn als je naar zo’n plek te gaan en er middenin zou zitten? Die fantasieën en dromen hadden David Byrne en Brian Eno ook toen ze samen muziek gingen opnemen. Byrne was zanger, gitarist, componist van de Talking Heads, Eno een eigenzinnige producer en zelf muzikant. Tussen twee Talking Heads-albums in ging het tweetal aan de slag en kwam door allerlei geregel nogal wat tijd later met het album ‘My Life in the Bush of Ghosts’.

In 1979 reist Brian Eno (1948- ) naar Thailand. Hij weet niet goed welke kant het op moet gaan met zijn eigen muziek en zoekt rust, bezinning en inspiratie. Na enkele, wat wisselende vind ik, soloalbums heeft hij net zijn eerste ambient-album ‘Music for Aiports’ (1978) uitgebracht; een lp vol verstilde, soms repeterende pianoklanken. ‘Muzak’ voor gevorderden of zijn het de invloeden van Erik Satie? In zijn koffer zit een album met muziek van Fela Anikulapo Kuti, de Nigeriaanse vertolker van diens eigen muziekstroming, de ‘afrobeat’. Gebroederlijk of gezusterlijk daarnaast een album met spraakopnamen van allerlei Engelse dialecten. Overpeinzend wat hij moet doen komt Eno op de gedachte dat de stemmen die hij op dat laatste album hoort in feite een soort muziekinstrumenten zijn met een eigen klankkleur. Twijfelend aan zijn eigen stem is het misschien een idee andere stemmen op muziek te zetten. Wat hem daarin aanspreekt is het gewone, iemand die spreekt, speciaal of interessant te maken. Dat kan door de context te veranderen. Eno had dat al eens gedaan op zijn eerdere albums, maar dan als onderdeel van het geluid. Nu zouden stemmen de vocalen op de voorgrond worden.
Holger Czukay had dat ook al eerder gedaan. Eno: “He felt that the "difference was, I suppose, that I decided to make the lead vocal". Pierre Schaeffer was hen in 1948 al voorgegaan met zijn ‘musique concrète’ door delen van een grammofoonplaat parallel aan een lopende tape te laten Klinken. Alleen gebruikte hij twaalf grammofoonplaten tegelijk. Eenzelfde verhaal gaat op voor John Cage die dat in 1941 deed, maar dan met twaalf radio’s. In 1965 deed Steve Reich dat met zijn ‘It’s Gonna Rain’ en ‘Come Out to Show Them’. De tekst van de laatste bijvoorbeeld liet Reich horen via twee tapedecks. Hij had ‘uitgevonden’ dat die nooit precies tegelijk lopen. Langzaamaan verschuivende teksten ten opzichte van elkaar en raken steeds meer uit fase; hij noemde dat ook ‘phase shifting’. Uiteindelijk luister je eigenlijk alleen nog naar klanken en is de stem in zekere zin verworden tot een muziekinstrument. In dit kader past ook Alvin Lucier’s ‘I’m Sitting in a Room’. Lucier sprak die (iets langere) tekst en nam hem op. Die opname werd vervolgens afgespeeld en opnieuw opgenomen. De ruimte, de akoestiek, waarin dit gebeurt, speelt daarbij een grote rol. Na enige tijd verbrokkelen de klanken, kun je niet meer horen wat hij zegt en ontstaat een repeterend motief van klanken en geluid. Het is een reeks van voorbeelden waarmee Eno zeker bekend was. Zijn idee komt dan ook niet zomaar uit de Thaise lucht vallen.

Na Thailand reisde Eno naar New York. Samen met Jon Hassell en David Byrne luisterde hij naar allerlei wereld muziek – zo heette dat toen - en werden onderling tapes uitgewisseld. Trompettist Hassell (1937- ) was al een tijd bezig zijn eigen weg in muziek te vinden. Hij vond die in de door hem zo genoemde ‘Fourth World Music’; een combinatie van minimalistische muziek, elementen van originele wereldmuziek en zijn eigen trompetklanken die elektronisch ver- of gevormd werden. Byrne (1952- ) was op dat moment zanger, componist van de ‘new wave’ band Talking Heads. Eno had als producer voor hun derde studioalbum ‘Fear of Music’ (1979) opgetreden. Dat zou hij ook doen voor het komende, vierde album Remain in Light (1980). Tussen deze twee albums in had hij even tijd voor iets nieuws, iets anders. Gezien de muzikale fase waarin Byrne en hij waren leek het experiment met stemmen en Afrikaanse (?) muziek een geschikt onderwerp om te onderzoeken.

Eno had na zijn reis al een poging gedaan en liet de track ‘Mea Culpa’ horen, muziek op lagen van herhaald stemgebruik. Daarmee sloeg de fantasie op hol. Byrne en Eno kregen het idee om zich terug te trekken in een Californische woestijn en later terug te keren met een compleet afgemaakt album, maar dan te zeggen dat ze dat ‘gevonden hadden’, als een soort verloren gegane cultuur. De reis werd ingezet, maar eindigde al in Los Angeles. Het idee van ‘gevonden stemmen’ was wel aangeslagen en daarmee ging het tweetal verder met de afspraak dat ze allebei zelf niet zouden zingen. Door deze opzet was het ‘wie-zingt-op-welk-nummer-zanger-conflict’ meteen ook uit de lucht.
In deze periode trokken ze veel op met Toni Basil, de choreografe van The Electric Boogaloos; een weergaloze dansgroep. Basil werd gevraagd voor een TV-special en Byrne en Eno verzonnen dat ze daarbij muziek gingen maken. Dat project ging niet door, maar het idee van een nieuw soort dansmuziek, al dan niet psychedelisch, bleef hangen.
In de dansclubs werd volop geëxperimenteerd met nieuwe mixstijlen, uitgetrokken nummers en dub. Allemaal invloeden die Eno en Byrne gebruikten.
Hun ‘onderzoek’ ging in de studio verder, dozen en potten werden gebruikt als slagwerk, net zoals een liggende basgitaar. Het klonk allemaal anders vonden ze ‘frisser’ ook. Aanvullende muziek werd opgenomen in diverse studio’s. Daarbij werd hulp gevraagd van andere Talking Heads leden, maar ook vrienden bekenden van Eno en Byrne.

In San Francisco werd de volgende stap gezet. Even terug naar de tijd van toen; nauwelijks computers, geen samplers, geen Protools of andere handige hulpmiddelen. Eigenlijk kwam het neer op wat ze in Duitsland noemen het ‘fingerspitzengefühl’ en veel geduld. Twee spoelendecks stonden klaar. Op de ene de muziek, op de andere de stemmen. Als ze een van de twee op het goede moment aanzette, werd de stem op de juiste plek ‘geplakt’ en klonk het alsof het zo hoorde. Stemmen werden opgenomen van radio op cassettes, maar ook van bestaande lp’s. Soms kwam er met de radio-opnamen een enorme portie ruis mee, maar die werd ‘gewoon’ geïntegreerd in de muziek. De blik, het gehoor, was vooral gericht op Afrika en vooral het Midden-Oosten, op dat moment stijgend in populariteit als het om muziek ging. Daarnaast zochten ze het in de gospel, vanwege de ‘drive’ van de voorganger en naar ‘gewone’ veldopnamen, analoog aan de opname die Eno in Thailand bij zich had. De stemmen die gekozen werden moesten vooral vol zitten met passie, zo vond het tweetal. Dat geldt zeker voor de gospel, evangelisten, predikers, maar ook de Libanese zangeres Dunya Yusin die ‘geplukt’ werd van het album ‘The Human Voice in the World of Islam’.

Bijzonder in deze hele aanpak is dat het samensmelten van losstaande elementen goed werkte, maar vooral door de luisteraar die onbekend is met het proces. De luisteraar neemt aan dat het is zoals het is en luistert in die zin met een andere Mindset naar de muziek dan de makers. Schrijver, muzikant David Toop schrijft er in het boekje bij de jongste cd-versie dit over: “The sampled speech from various, mainly religious, sources ties the album into a long and prestigious history of artists who used found sound. It's still the secret sauce that provokes a reaction from the listener. But what reaction you have lies outside of Byrne's, Eno's, or your control. We can't just hear them for their sound or cadences without digging into the meanings, and not everyone will find the meanings profound.”

Sampling, het gebruiken van bestaande muziek of stemmen of wat dan ook, werd al heel snel populair, maar in 1979 was dat nog lang niet het geval. Zeker in de beginperiode werd vaker niet dan wel toestemming gevraagd aan de auteur. Eno en Byrne hadden in ieder geval duidelijk voor ogen dat het allemaal netjes moest gebeuren. Nadat de eerste versie van het beoogde album klaar was begonnen ze met het vragen van toestemming aan alle betrokkenen. Dat ging met telefoon en fax. Soms ging dat snel en makkelijk, soms moeizaam en soms werd de toestemming geweigerd en moest de ‘sample’ verwijderd worden.

Ondertussen waren de opnames begonnen voor het vierde Talking Heads album, Remain in Light. De recent opgedane ervaring werd daarop ruim toegepast. Niet tot ieders tevredenheid overigens, want de samenwerking tussen Eno en de andere Talking Heads leden verliep stroef. Dat kwam doordat die inmiddels doorhadden dat ze niet afhankelijk waren van de composities en teksten van Byrne, maar ook zelf wat konden bijdragen. Eno’s aanpak was eigenzinnig, deviant en dat leidde vaak tot botsingen. Het was dan ook het laatste album waarop hij meewerkte. In mijn bescheiden optiek is het wel het beste Talking Heads album. Ik zie het nog steeds als de duo van My Life in the Bush of Ghosts. Door klank en opzet horen ze bij elkaar. My Life in the Bush of Ghosts werd ondertussen verder aangepast, vocalen verwijderd, nieuwe toegevoegd en meteen werd de rest ook maar aangepakt. Er bestaan, op papier, diverse uitvoeringen.

Zowel Eno als Byrne waren in deze periode verslingerd aan boeken over Afrika, zoals John Chernoff’s boek ‘African Rhythm and African Sensibility’, maar ook Robert Thompson’s boek ‘African Art in Motion’. Het lezen leidde tot het boek ‘My Life in the Bush of Ghosts’ van Amos Tutuola en dat, ook al hadden ze het boek niet gelezen, weer tot de naam van het album. Je kunt je er van alles bij voorstellen toch?

Nadat alle toestemmingen verleend waren kwam My Life in the Bush of Ghosts in 1981 uit. Enigszins verwarrend ná Remain in Light, maar dat drukte zeker bij mij de pret niet. Integendeel.
Het album dat er nu lag had andere tracks en weer een andere volgorde dan eerder gepland en er waren tracks over die wegens plaatsgebrek niet op het album konden. Op de eerste lp-versie is de zesde track ‘Qu’ran’. Maar al snel maakte de ‘Islamic Council of Great Britain’ in Londen bezwaar tegen de Moslim gerelateerde zangpartij en vond het gebruik op deze plaat een vorm van blasfemie, belediging dus. Eno en Byrne trokken het nummer daarop terug. ‘Qu’ran’ werd vervangen door ‘Very, Very, Hungry’.
In het cd-tijdperk werd dat even vergeten. Zo is er een uitgave van Sire Records uit 1981 waar beide tracks opstaan. ‘Very, Very, Hungry’ wordt dan aangeboden als bonustrack die niet op het album of de cassette stond. Ook die versie werd later ingetrokken. Byrne: “We thought, "Okay, in deference to somebody's religion, we'll take it off." You could probably argue for and against monkeying with something like that. But I think we were certainly feeling very cautious about this whole thing. We made a big effort to try and clear all the voices, and make sure everybody was okay with everything ... So I think in that sense we reacted maybe with more caution than we had to.”

Parallel aan de lp werden enkele 12 inch singles uitgebracht: ‘The Jezebel Spirit/Regiment’ (1981) en ‘Regiment/America is Waiting’ (1981). Indertijd was er in Nederland een andere 12 inch beschikbaar: ‘The Jezebel Spirit’ op kant A en op kant B: ‘Regiment/Very, Very, Hungry’ (1981). Die laatste track stond toen nog niet op My Life in the Bush of Ghosts, dus dat was een mooie aanvulling. Later hoefde dat natuurlijk niet meer.

De kleurrijke hoes is van kunstenaar Peter Salville net voor die tijd een ‘nieuwe’ aanpak. De hoesafbeelding is videocamera gegenereerd en op een tv-scherm geprojecteerd. Mensvormen zijn teruggebracht tot een soort vallende kruisen. Het beeld past goed bij het gebruik van de diverse voorgangers en prekers op het album: "Somehow, despite it being very techie, these techniques also seemed analogous to what we were doing on the record. It was funky as well as being techie. Extremely lo-tech, actually, and not what you were supposed to do with a TV set."

In 2006 bracht Virgin Records een uitgebreide versie van My Life in the Bush of Ghosts uit: een cd met zeven extra tracks. De cd was ‘enhanced’, dat wil zeggen dat er iets extra’s opstaat dat te zien is als je de cd afspeelt middels een computer. Toen supermodern, na eigenlijk weer achterhaald. Het extra was in dit geval een korte film van Bruce Conner: ‘Mea Culpa’. Anno 2019 niet meer af te spelen; iets met voortschrijdende techniek. De film, een soort videoclip zou je kunnen zeggen, is wel te vinden op YouTube; dat dan weer wel.
Een ander extraatje was het aanbieden van een legale download van alle multitracks van twee songs met de bedoeling zelf aan de slag te gaan. In 2006 leefde dat echter minder dan in de jaren tachtig en negentig.
De extra tracks zijn interessant, maar voegen eigenlijk weinig toe aan het origineel. De plaat was sterk genoeg van inhoud en is dat nu nog steeds. Jammer trouwens dat de hoes aangepast is, het nieuwe videobeeld-streepjespatroon werkt lang niet zo krachtig als het origineel.

Eno noemde het album: “a vision of a psychedelic Africa”, maar daarmee doet hij zijn eigen album tekort. Het gaat immers verder dan Afrika, eigenlijk beslaat het de hele wereld. ‘Global music’ is vaak het labeltje dat nu aan dit album gehangen wordt. Tevens is het een grondslag voor de muziek van nu, waarbij sampling vaker wel dan niet een vast onderdeel is van een opnameproces.

Ik vind het bijna veertig jaar ná de release nog steeds een intrigerend album. Daar sta ik niet allen in: Pitchfork (The Most Trusted Voice in Music) ziet het als het 21st beste album van de Jaren Tachtig. Slant Magazine (reviews, interviews on movies, festivals and music – nooit van gehoord) zet het album op nummer 83 in dezelfde categorie. Kate Bush dacht dat het album een enorme invloed had op de muziek erna. Keyboardspeler Rick Wright van Pink Floyd vertelde ooit in een interview: "the album knocked me sideways when I first heard it – full of drum loops, samples and soundscapes. Stuff that we really take for granted now, but which was unheard of in all but the most progressive musical circles at the time... The way the sounds were mixed in was so fresh, it was amazing." Alex Paterson van The Orb: “That was a definite blueprint for anything I was going to do. It’s an amazing album.”

De geest was dus uit de fles en ligt nu nog steeds in de bosjes op de loer voor een nieuwe, argeloze voorbijganger. Hopelijk volgen er nog veel die vervolgens bedwelmd raken van dit stukje ‘psychedelica’ en hun eigen jongensdromen kunnen waarmaken en ook uitermate geschikt voor mensen die graag thuis blijven om er naar te luisteren en er aldus zelf over kunnen dromen.
tekst: Paul Lemmens september 2019 -  plaatjes: © EG/Sire/Virgin