Mensenmuziek buiten de Doos

Net (februari 2017) is hier ‘Out of the Box’, een doos met een elftal aan cd’s en mooi boek afgegeven. Het is een eerbetoon aan Willem Breuker en zijn Kollektief. Het is voor mij ook een reis door de tijd. Die begint ruim veertig jaar geleden en dat - achteraf gezien - op een best vreemde plek. Het culturele element zat bij de opleiding voor leerkracht aan de basisschool in Maastricht goed in elkaar. Helemaal toen begin jaren zeventig van vorige eeuw de reeks schoolconcerten begon: Pierre Courbois kwam langs met zijn elektronisch drumstel, het Willem Breuker Kollektief en nog iemand wiens naam mij ontschoten is die werken voor geprepareerde piano van John Cage uitvoerde (Polo de Haas?). Voor mij koren op de almaar malende muziekmolen. Ik ging dan ook met al die musici kennismaken en praten. Ik was vaak, met vriend Hans, de enige die dat deed, want weinigen konden de concerten naar waarde schatten. Dezelfde week of zelfs avond dat ze op school waren speelde het Willem Breuker Kollektief in een café in Maastricht; een beetje te smal café, met te veel publiek en te weinig ruimte voor de band. De dronken man aan de bar maakte echter de meeste herrie door te hard te roepen dat de band zo vreselijk hard speelde. Dik lachen natuurlijk, ook door Breuker en kompanen. Maar inmiddels was ik wel ‘fan’ geworden van Breuker met zijn ‘bende’.

Willem Breuker (4-11-1944 – 23-07-2010) raakt als kind al gefascineerd door de geluiden om hem heen: trams, brandweerwagens, langslopende fanfares en dat allemaal tegelijk natuurlijk. Die indrukken zouden zijn muziek danig beïnvloeden: “Muziek – of misschien moet je zeggen: geluid – daarvan ben ik mijn hele leven bezeten geweest. Het achtervolgt me als een spook, het is haat-liefde, een merkwaardige ziekte. De visboer bij ons in de buurt schreeuwde altijd iets wat ik niet kon verstaan. Een soort yell waarmee hij zijn waar aanprees. Daar werd ik helemaal opgewonden van. Draaiorgels ook. Of de brandweerauto’s. Ik woonde op de Zeeburgerdijk, in Oost, en als er in de buurt een fikkie was, kon je die wagen al vanaf de molen horen aankomen. Ging-ie de hoek om, dan zwol het geluid aan. Moest hij het spoor onderdoor, werd het weer anders. Buitengewoon spannend vond ik dat. Ik wist dat er muziek moest zijn die beantwoordde aan de klanken die ik hoorde in mijn hoofd. En die móést ik leren kennen. Ik speurde de radiogids na, en als een uitzending in schooltijd viel en mijn moeder niet thuis was, dan spijbelde ik. Later liet ik in de bibliotheek platen voor me draaien. Zo ontdekte ik Edgar Varèse, Schönberg, en Nederlanders als Willem Pijper. Altijd de afwijkende, rare muziek. Dat waren de opwindendste momenten in mijn nog jonge leven. Het sloot niet lekker aan bij mijn omgeving: ik kom uit een arbeidersmilieu. Hardwerkend, rood als de neten. Mijn ouders dachten vaak dat ik de zijkant van de plaat draaide. “Als je dan echt die muziek moet horen,” vroegen ze, “kun je dat dan doen als wij er niet zijn?” Op school bezorgden mijn voorkeuren me een behoorlijk geïsoleerde positie, en soms was dat vervelend. Maar ik was geen zielige, eenzame jongen, hoor. Ik had een enorm grote bek en was voor niemand bang. Kon ook goed meekomen met sport. En ik was bloedgeil op lekkere meisjes. Ha! Dat was het probleem niet. Maar… dansavonden, met de mode mee – die hele rampzaligheid die je opgedrongen wordt, het lukte me niet om daar last van te hebben. Als ik al naar zo’n avond ging, was het met de gedachte om zo snel mogelijk zo’n meid te grijpen. Al kon ik ze met mijn muziek niet in bed krijgen. Toen nog niet…”

Als Breuker oud genoeg is (10 jaar) mag hij zich van zijn ouders naar de Volksmuziekschool en leert daar de beginselen van de muziektheorie. Met geleend geld koopt hij een klarinet. Maar hij vindt zichzelf een slechte leerling, de te spelen is muziek is saai. Liever speelt hij al dan niet geïmproviseerd eigen werk. Op de middelbare school krijgt Breuker een vriendje die een sopraansax thuis heeft. Ook niet alledaags overigens. In het weekend mag Breuker daarop spelen. Als er een plekje vrij is bij de Harmonie Tuindorp Oostzaan voor basklarinettist weet hij wat hij moet doen en meldt zich aan. Maar omdat je dat instrument op straat niet hoort krijgt hij voor de marsen een tenorsax. Zo leer je natuurlijk al snel meer instrumenten bespelen. Zijn verdere muzikale educatie haalde Breuker uit de bibliotheek, want daar kon je plaatjes luisteren en lenen en later bij het Amsterdams Muzieklyceum. Maar al na korte tijd kreeg hij te horen dat hij niet muzikaal was en liefst onmiddellijk moest stoppen: ‘leer een vak en laat de muziek met rust, met jou wordt het niks in de muziek’. Na een poging gedaan te hebben om iets te leren aan de avondkweekschool (opleiding voor leerkrachten in het basisonderwijs) kiest hij (natuurlijk) toch voor de muziek en begint te bedenken en op te schrijven wat hij zelf wilde horen. Om een doel te hebben schrijft Breuker zich enkele jaren achteraan in voor het Famos Jazzconcours, ongeveer bij hem om de hoek, en elke keer weer wint hij daar de solistenprijs. Met enkele vrienden richt hij vervolgens Free Jazz Incorporated op, maar in de vaart der volkeren en het opbloeien van flower power en andere hippiemuziek genoot die weinig populariteit en hield dan ook al snel op te bestaan.

In 1966 komt Breuker in contact met Arnhemse drummer Pierre Courbois. Courbois is dan de enige die bezig is met freejazz en later met jazzrock/fusion. Courbois is zeer populair bij de buren (Duitsland), maar nauwelijks in eigen land. Eigenlijk is dat nu helaas nog steeds zo. Samen met Courbois komt Breuker terecht bij Günther Hampel en toert door Duitsland, Tunesië en België. Bij terugkomt wordt Breuker gevraagd voor de band van Boy Edgar en voor het Loosdrechtse Jazzconcours. In juli 1966 laat hij daar zijn eigen werk horen: ‘Litany for the 4th of June, 1966’. Het is een compositie gebaseerd op de recente rellen in diverse landen en eigen land; rellen waarin jongeren laten merken het niet eens te zijn met de gevestigde orde. De compositie wordt erg gewaardeerd door de aanwezige jury. Echter de meerderheid bestaat uit mensen van platenmaatschappij Phonogram en die zien niet meteen de commerciële waarde van het stuk in; van de winnaar zou de muziek op lp uitgebracht worden. De rel die volgde klonk de volgende ochtend door in alle landelijke dagbladen. Breuker had naam gemaakt! Een van de aanwezige jazzcritici schrijft later de hoestekst voor de eerste lp van Breuker: Contemporary Jazz from Holland, met daarop natuurlijk de Litanie. Op de plaat speelt Courbois mee, Victor Kaihatu (bas), Dick van der Capellen (bas) en een andere opkomende grootheid: Misja Mengelberg (toen schreef hij dat nog zo, later zou het ‘gewoon’ Misha worden).

In dezelfde periode vraagt cineast Johan van der Keuken Breuker muziek te schrijven voor een van zijn films. Hij hoorde in Breuker's geluid iets wat hem aantrok en perfect leek voor zijn beelden. Het is het begin van wat een hele reeks composities voor allerlei films en documentaires zou worden.
1966 Blijkt een heel druk Breukerjaar. Zo wordt hij door Misha Mengelberg gevraagd voor diens Kwartet en treedt daarin samen met altsaxofonist Piet Noordijk op, naast Rob Langereis (bas) en Han Bennink (slagwerk). Noordijk en Breuker liggen elkaar niet zo, Noordijk noemt Breuker steevast ‘Kreukel’. Het is dan ook niet heel raar dat hij opstapt. Langereis neemt daarop ook het besluit te stoppen, omdat hij merkt dat de muziek een andere kant opgaat. Even is Victor Kaihatu nog bassist, maar uiteindelijk werkt het trio het best en daarmee is het de ICP – Instant Composers Pool – geboren; volgens Mengelberg een muzikaal-politieke organisatie. Dat laatste uit zich vooral in een totale verandering van het muzikale en organisatorische jazzplaatje van Nederland. Uiteindelijk leidt het ook tot een nieuwe aanpak – lees een herverdeling van de subsidiegelden - van Stichting jazz Nederland en de oprichting van het BIM-huis.

Maar ook binnen het trio vlot het niet allemaal. Bennink en Breuker leggen geld bij elkaar om een plaat te maken, zij willen niets liever. Mengelberg voelt zich daardoor buitengesloten. Bennink en Breuker zetten door, ‘anders gebeurt er nooit iets’. Het resultaat is ICP 001 – The New Acoustic Swing Duo. De plaat is gestoken in een door Bennink ontworpen hoes – hij zal dat bijna altijd blijven doen. De meest opmerkelijke ICP-release, ICP 007/008 (dat is ook de naam – 1971) is echter niet van Bennink, maar van Ger van Elk: het is een ronde bonbondoos op lp-formaat en voorzien van een paars fluwelen rand. En prachtige uitgave, zowel qua vormgeving als muzikale inhoud. Naast het eerder genoemde trio doet een scala aan musici mee, waaronder trombonist Willem van Manen en bassist Arjen Gorter maar ook iemand die je niet zo snel in deze ‘scene’ plaatst: Wim Overgaauw (gitaar).

Maar voordat de bonbondoos er is heeft Breuker met Bennink meegespeeld bij het Peter Brötzman Octet en hem geholpen bij diens revolutionaire plaat ‘Machine Gun’ (de titel benadert het geluid heel goed). Eigenlijk speelde in de tijd alle (jazz-)musici in elkaars bands en dat beperkte zich niet tot Nederland. De vrije jazz kreeg het eind jaren zestig moeilijk, de hoogtijdagen leken voorbij. De linkse intellectuelen moesten er niets van hebben en bovendien werd rock steeds populairder. Veel van die intellectuelen werden bij de jazz weggehaald door Frank Zappa, wiens invloed in het Europese muziekleven zeer groot was; in eerste instantie niet bij het publiek, maar bij de musici!

Breuker's tweede eigen plaat is opgenomen in 1971: The Message, een opera in drie aktes. Het is een periode dat hij veel bezig is met muziek, theater en vooral de combinatie van die twee.

Naast de ICP speelt Breuker ook met allerlei musici. Een van de ‘parallelle-bands’ is De Boventoon, een links-politiek straatorkest met een duidelijke boodschap. Veel musici worden door Breuker meegenomen naar het ICP, maar worden daarin eigenlijk nooit echt opgenomen. Het belemmert Breuker in zijn groei en het gevolg is dan ook dat hij uit de ICP stapt (1973) en zijn eigen pad kiest. Dat ging niet zonder slag of stoot, want iedereen in de ICP was goed gebekt. Mengelberg: “Er waren fantastische scheldpartijen”. Bennink had toen vooral genoeg van de komische theaterstukken van Breuker en wilde eigenlijk alleen weer muziek maken. “Drie eigenwijze klootzakken, dat gaat te ver”, vond ook Breuker.

In 1973 was Breuker al heel druk met talloze theaterstukken, voorstellingen, concerten, de man moet bijna elke avond van huis geweest zijn. De groep die hij om zich heen had verzameld ging inmiddels al door het leven als het ‘Willem Breuker Kollektief’. Theaterstukken komen van Lodewijk de Boer (Kain & Abel, Anthology, De Vuyle Wasch, Wolkbreuk). Andere bekende stukken die in deze periode uitgevoerd worden zijn: Baal, Brecht, Breuker, Oltre Tomba, Getrommel in de Nacht, La Plagiata en de Achterlijke Klokkenmaker. Later volgen onder meer Stroman en Trawanten (met Freek de Jonge), Deze Kant op Dames, Dank U Majesteit.

Om platen te kunnen maken en verkopen zette Breuker zijn eigen platenlabel op: BV Haast. De eerste plaat die op het label verschijnt is ‘Live in Shaffy’ (BV Haast 001 - 1974), een plaat van Leo Cuypers (piano). Niet te verwarren met ‘Live in Shaffy’ (BV Haast 005) uit het zelfde jaar. Gelukkig zijn ze goed uit elkaar te houden door de hoes. Ger van Elk draaft weer op om voor de tweede Shaffy-plaat – een duoplaat van Breuker en Cuypers - een eigenwijze driehoekige hoes te maken. Een bewust pesterijtje, want je kon het ding in geen enkele platenkast kwijt. Bovendien kwam hij al gevouwen (punten naar binnen toe) thuis, anders kon de PTT het ding niet vervoeren. Je had dus al een beschadigde hoes voordat je het ding in huis had. Gelukkig was de muziek niet beschadigd.

De filmmuziekaanpak ging ook nu door: BV Haast 002 is een singletje met drie stukken voor Johan van der Keukens film ‘De Nieuwe IJstijd (1974). De musici op dat plaatje vormen de basis voor het Kollektief: Herman de Wit (tenorsax), Bob Driessen (altsax), Jan Wolff (hoorn), Bernard Hunnekink (trombone), Leo Cuypers (piano) en Rob Verdurmen (drums). Maarten van Regteren Altena speelt bas in de beginperiode van het Kollektief.

Ook in 1974 komt Baal Brecht Breuker tot ons. Een lp in een jutezak met aanhangend label. Je rook het jute al voordat het papier van de verpakking met de feloranje BV Haast-sticker eraf was. Ook zo’n ding dat je nauwelijks in de platenkast kon zetten. Dit keer niet van van Elk, maar van Willem Buijs. Naast een grote groep musici doet Bennink mee als drummer. De soep is blijkbaar inmiddels afgekoeld. Baal, Brecht Breuker is de muziek die Breuker schreef voor de toneelgroep Baal op tekst van Bertold Brecht. Het is de eerste plaat waarop goed te horen is welke kant Breuker op wil met zijn Kollektief: vrije jazz, gearrangeerd en gecomponeerde stukken, humor, vaudeville, klassiek en dat alles naast, maar ook door elkaar. Breuker neemt daarbij ‘de jazz’ niet altijd serieus. Een voorbeeld: op de plaat ‘Twenty Minutes in the Life of Bill Moons/De Achterlijke Klokkenmaker speelt het Kollektief ‘Somebody has a Plan’, een regelrechte parodie op Somebody has a Masterplan van Pharoah Sanders. De hoezenpesterij is snel voorbij, de meeste platen komen uit in de standaardmaat lp-hoes. Een opmerkelijke hoes uit 1979 is die van Willem van Maanen, de trombonist van het Kollektief. Als je de binnenhoes uitschuift, schuift je als het ware een papieren trombone uit.

Het WBK, zoals de groep vaak genoemd wordt, toert druk door eigen en omringende landen en het regent dan ook platen, zowel van BV Haast als van uitgaven uit die andere landen. Het overzicht houden op alle activiteiten is in een periode met alleen folders en advertenties in muziekbladen is een hele klus, net zo als de stroom muzikanten in het Kollektief. Sommigen blijven, andere komen en gaan weer: Ronald Snijders (fluit – komt en gaat), Michael Waisvisz (komt en gaat), Cees Klaver (trompet – komt en gaat), Arjen Gorter (bas - komt en blijft tot het eind), Maarten van Norden (tenorsax – komt en gaat en komt later weer terug), Boy Raaijmakers (trompet – komt en blijft bijna tot het eind). Leo Cuypers maakt enkele soloplaten en heeft een eigen project ‘De Zeelandsuite’, maar uiteindelijk vertrekt hij ook.

BV Haast brengt dus in rap tempo platen op de markt, niet alleen van het Kollektief, maar ook van jazzmusici als Hans Dulfer, Misha Mengelberg, andere combinaties en samenstellingen, klassieke muziek en vroeg elektronische muziek. Die laatste muziekstijl krijgt zelfs plaats in een sub-label: Acousmatrix. Die uitgaven op Acousmatrix worden alom geroemd door kenners. Breuker doet solo een extra florijn in het zakje door veelvuldig filmmuziek te schrijven en ook die op plaat uit te brengen, een kleine greep uit het repertoire: Music for his (Johan van der Keuken is dat) Films (1967-1978), Doodzonde (film van René van Nie) en Twice a Woman (film van George Sluizer). Voor de uitvoering maakt hij veelvuldig gebruik van het Kollektief, aangevuld met de nodige anderen.

In korte tijd is onder andere door BV Haast, maar ook door een aantal stevig in de Hollandse kleigrond staande musici het jazzlandschap in ons land totaal veranderd. De vrijheid en speelsheid hebben de wat ‘suffige’ jazz naar de zijlijn geplaatst. Daarbij wordt door de nieuwe radicale fans wat neerbuigend gedaan over musici die wel aan traditionele jazz vasthouden. Op de TV zijn uitzendingen van Pim Jacobs met zijn ‘Music All-In’ en later ‘Sesjun’; Willem O’Duijs (die O zou later verdwijnen) had in zijn programma’s op de radio en TV duidelijk een lijntje met traditionele jazz. Toen was het een heikel punt, jaren later maakt het eigenlijk niet meer uit en worden beide stromingen geaccepteerd én gewaardeerd.

Is de beginperiode van het Kollektief nog vol theater, en gein, met de jaren verschuift dat element wat meer naar de achtergrond en wordt de groep meer en meer uitvoerder van diverse muzieksoorten, maar dan wel in Breukersetting. Klassieke muziek, bewerkt voor het Kollektief, staat vaker op het programma, maar ook bewerkingen van Eisler en Brecht, net als de wat complexere jazz-achtige stukken voor het ensemble. Niemand kijkt heel vreemd op als ‘plotseling’ het Vera Beths of de Mondriaan Strings op het podium zitten om een favoriet stuk van Breuker uit te voeren: Rhapsody in Blue (George Gershwin). De plaatwaar dat stuk op komt – en ook daar kijkt niemand van op – wordt afgesloten door ‘The Good, The Bad and the Ugly’, een filmmuziekwerk van Ennio Moricone voor een ‘Spaghetti Western’. Het Kollektief ziet er op dat moment- natuurlijk zou ik willen zeggen – anders uit: naast ‘vaste’ leden Gorter, Verdurmen, Driessen, van Norden, van Maanen, Hunnekink, Raaymakers zijn toegevoegd Henk de Jonge (piano – hij blijft tot het eind) en Andy Altenfelder (trompet – hij blijft ook).

Met het Kollektief reist Breuker de hele wereld over, naast Europa komt hij in Rusland, Australië, India, China, Japan, Canada en de Verenigde Staten. Recensent David Lee verwoordt dat in het Canadese blad Coda als volgt: 'On record the music was fresh and exciting; in concert the music of the Willem Breuker Kollektief defies description in its beauty, its hilarity, its mad vitality, its power to compel.' Zo ongeveer hét jazzblad bij uitstek, Downbeat, beloont de band in 1986 met een eerste plek in de categorie Bigbands en wel precies het onderdeel: 'talent deserving wider recognition'. Voor ons komt dat als de bekende mosterd na de maaltijd, maar in Amerika moeten ze nog veel leren.

De ‘Klap op de Vuurpeil’ nieuwjaarsconcerten georganiseerd door Breuker, brengen vanaf 1976 leven in de Amsterdamse muziek -brouwerij. Het inmiddels driedaagse festival geeft musici, ensembles en natuurlijk het eigen Kollektief een podium en het publiek vermaak en muzikale avonden. Tevens is het een presentatie van de hedendaagse geïmproviseerde en gecomponeerde muziek. Al die avonden samen door de jaren heen geven in kort bestek een goed tijdbeeld van het muzikale landschap. Dat Breuker daarbij vaak totaal onbekende musici uitnodigt maakt de Klap soms alleen maar harder. Opmerkelijk is dat er op die avonden meer publiek bereikt wordt dan de zogenaamde C-series van het Concertgebouw in een heel jaar.

Het cd-tijdperk stelt nieuwe eisen aan uitgaven en vormgeving. De eerste cd’s zijn nog afspiegelingen van de platen, maar de driehoek bijvoorbeeld, wordt nooit op cd uitgebracht. Wel de jutezak. To Remain (2001) wordt ‘ouderwets’ onhandig verpakt: een lp-hoes met een Dali-achtig, opengebarsten ei waar de cd in kan worden geprutst. Dank, en ook die kan natuurlijk niet in de cd-kast. De bonbondoos uit het begin maakt een comeback in de vorm van een Camembertdoosje voor de cd ‘Heibel’ (1991). Een reeks van ‘unreleased recordings 1969-1994 (The Pirate)’ is verpakt in een blikken doosje, het lijkt wat op een sigarendoosje. Willem Breuker wordt in de bijsluiter een ‘piraat’ genoemd, een muzikale piraat dan die de wilde muzikale zeeën bevaren heeft, getrotseerd en als winnaar naar huis is gekeerd.

Over afwijkende formaten gesproken: 1999 wordt een boek met twee cd’s op de achterflap door BV Haast uitgebracht. Het is ter ere van het 25 jarige bestaan ‘on the road’. Grappig is dat de lijst plaatsen en fotografen bijna net zo lang is dan die van de muzikanten die in de afgelopen jaren lid waren van het Kollektief. Dat boek komt na een jaar van waardering uit onverwachte hoek. Voor zijn inzet ontving Breuker in 1998 de ‘Order van de Nederlandse Leeuw’. Het was niet zijn eerste ‘onderscheiding’: in 1970 ontving hij de prestigieuze Nederlandse jazzprijs, de Wessel Ilckenprijs (soms door Bennink spottend de ‘Elk een Wisselprijs’ genoemd), de Mathijs Vermeulenprijs (1970 – hij weigerde die), voor zijn bijdrage aan de Nederlandse film, een Gouden Kalf (1982), de VPRO/Boy Edgarprijs (1993 – uitgereikt op het North Sea Jazzfestival). Uit Duitsland komt in 2005 een ‘Ehrenurkunde der Deutsche Schallplattenindustrie.

Afgelopen jaren werden de releases van het Kollektief wat schaarser; in feite is Fidget (2007) de laatst uitgebrachte cd van het Willem Breuker Kollektief. Het is niet een helemaal nieuw werk, stukken stammen uit 1993, 2005, 2006 en 2007. De voorlaatste, ‘At Ruta Maya Café’ (2006) is opgenomen in Austin, Texas. Dat geeft meteen aan hoe het zit met de bekendheid van het Kollektief. Tijdens dat concert bestaat de groep uit: Hermine Deurloo (altsax en mondharmonica – zij speelt dan al enige tijd in de groep), Arjen Gorter (bas), Rob Verdurmen (drums), Henk de Jonge (piano), Alex Coke (gast op tenorsax - hij zou zich later aansluiten), Bernard Hunnenkink en Andy Bruce (trombone), Andy Altenfelder en George Pancras (trompet) en Maarten van Norden (tenorsax).

In 2010 overlijdt Willem Breuker na een korte periode van ziekte; hij leed aan longkanker. Het Kollektief geeft vervolgens een afscheidstournee, waarbij Breuker virtueel aanwezig is; op grote schermen achter de groep. De tournee heet: ‘Happy End’. Het allerlaatste Kollektief bestaat uit: Loes Luca en Peter Bolhuis (zang; in feite zijn het gasten en geen leden) Hermine Deurloo (altsax en mondharmonica ), Arjen Gorter (bas), Rob Verdurmen (drums), Henk de Jonge (piano), Alex Coke (tenorsax), Bernard Hunnenkink en Andy Bruce (trombone), Andy Altenfelder en George Pancras (trompet), Maarten van Norden (tenorsax) en Frans Vermeersen (sopraan en altsax). Op 1 januari 2013 wordt het Kollektief officieel opgeheven.

In zekere zin is het afscheid een met een ‘happy end’, maar dan wel voor Breuker. Die heeft in zijn leven veel op poten gezet en bereikt, niet alleen in Nederland, maar ook ver daarbuiten. Hij werd en wordt gewaardeerd voor zijn eigenwijze aanpak en uitingen. Maar helaas, aan de andere kant is het culturele landschap in Nederland erg veranderd: “Een nieuwe generatie conservatoriumstudenten maakt weer dezelfde brave muziek als vijftig jaar geleden. We zijn door onze eigen arrogantie en kinnesinne weer op hetzelfde amateuristische niveau terechtgekomen waar we waren toen ik begon’, concludeert Breuker nog voor zijn overlijden. Niet echt een fijne conclusie lijkt me.

Om een beeld te krijgen van wat Willem Breuker gedaan heeft brengt BV Haast als eerbetoon aan hem in 2012 een DVD op de markt: ‘Willem Breuker 1944-2010’. Naast korte documentaires is er aandacht voor diverse muziekstukken uit verschillende periodes, van 1966 tot 2008. Het is een prachtig overzicht, maar eigenlijk te weinig en te kort voor iemand met zo’n historie.

Als spreekwoordelijke ‘klap op de vuurpijl’ is er nu (2017) dan eindelijk (immers vaak aangekondigd en vaak ‘verdwenen’) de box: Out of the Box. In het prachtige geringbande boekwerk staat een aantal essays over het fenomeen Breuker. De vele foto’s maken er een aantrekkelijk geheel van. Op elf cd’s is muziek opgenomen van de beginperiode, via de muziek voor de stomme film Faust tot het afscheidsconcert ‘Happy End’. De cd’s zijn ingedeeld volgens het volgende stramien: Big Chunks, Songs and More, Plays and Movies, Heibel/Fuss, Strings, Umeå 1978 en Angoulême (1980) – twee aparte concerten -, Faust (muziek voor F.W. Murnau’s film zonder geluid uit 1926) en Happy End. Het is – opnieuw - In vogelvlucht de muziek van Breuker goed gekenschetst. Dat die muziek de moeite waard is hoef ik eigenlijk niet uit te leggen, maar het is het topje van de bekende ijsberg. Dat wordt nog eens schatgraven denk ik.

Voor Breuker was alles ‘mensen-muziek’ en hij vond het dan ook geweldig om mensenmuziek aan zoveel mogelijk mensen te kunnen laten horen. Het enige dat nodig was en is, is een beetje ‘Out of the Box’ denken. Dat zouden meer mensen anno nu in ieder geval eens moeten proberen.