Zorgeloze Nieuwe Stijl

Zon, zee, strand, liefde, een zorgeloos leven. Klinkt mooi, maar ook als een (goedkoop?) boek, of als een zomervakantie. Klinkt ook onschuldig, net zoals de Nieuwe Stijl die eind jaren vijftig in Brazilië groeide. Onschuldig, lief, geen agressie. Maar al snel in eigen land neergeslagen door een militaire coup en bijna verdwenen. Onder het juk van censors en onderdrukking vergaat je de lust wel tot het maken van liefelijke muziek. De rest van de wereld draaide zich op dat moment nog eens lekker om op dat zonnige strand. Dat is allemaal niet waar je nu aan denkt als je er naar luistert, de zwarte geschiedenis lijkt weggepoetst en de romantiek gebleven. De muziek van bossa nova (= nieuwe stijl) is er een met vele lagen en mensen en dus meerdere verhalen. Het begint al meteen goed, want je zult maar het eerste album in ‘nieuwe stijl’ gemaakt hebben en daar weinig of geen waardering voor hebben gekregen. Dat hoeft niet erg te zijn, maar wel als die stijl immens populair wordt en over de hele wereld wordt gewaardeerd en (na-)gespeeld.

Het overkwam Elizete Cardoso. Haar album ‘Canção do Amor Demais’ (1958) wordt gezien als het allereerste bossa nova album. Misschien was het de hoes van toen wel; bossa hoezen – nu - laten vaak nauwelijks geklede modellen in wulpse poses zien. De muziek heeft namelijk een onlosmakelijke sensuele kant en dat moet je natuurlijk uitstralen, tenminste dat denken verkopers blijkbaar. Van Canção do Amor Demais werden slechts tweeduizend platen geperst. Het album verscheen op ‘Festa’, een label dat bekend stond om hun uitgaven van gesproken gedichten. Niet bepaald een goede springplank voor succes dus. Maar als je eens goed kijkt wie er op dat album meedoen, wordt er van het latere succes al meer duidelijk: Vinícius de Moraes, Antônio Carlos Jobim én João Gilberto. Hét trio dat bossa nova vormde tot wat het nu is, toen onbekend, nu drie Grote Namen. Ze wijzen allemaal naar elkaar als het gaat om het succes en wie nu de ‘bedenker’ was van die nieuwe muziek. Vaak is het gewoon de tijd, de periode, het samenkomen van mensen op een bepaald moment, de chemie die dan ontstaat.

João Gilberto Prado Pereira de Oliveira (1939- ) geboren in Juazeiro, Bahia, krijgt over het algemeen de eer, maar zonder Jobim en de Moraes was het waarschijnlijk allemaal anders gelopen. Gilberto kreeg zijn eerste gitaar toen hij veertien was. Zoals zoveel jongeren speelde hij in een bandje met vrienden, beïnvloed door populaire liedjes, jazz en zelfs wat opera. In 1950 wordt Gilberto de primaire zanger in de groep ‘Garotos de Lua’ (de maanjongens), maar er al even snel weer eruit geschopt, omdat hij bij de repetities niet of veel te laat verscheen. Gebrek aan werk en geld en vooral leven van het geld van vrienden stortte hem in een depressie. In 1955 vroeg Luiz Telles hem om te komen zingen in zijn groep, Quitandinha Serenaders. Gilberto verhuisde, samen met zijn zus Minas Gerais, naar het zuiden van Brazilië en leefde helemaal op. Hij was helemaal weg van de muziek van Chet Baker, dat rustige, lome spel zonder opwinding, maar vooral de bijna fluisterende zang. Dag en nacht componeerde en speelde hij muziek in de badkamer; dat omdat het daar beter klonk. Gilberto was gelukkig, maar zijn vader niet, die verklaarde zijn zoon voor gek en liet hem opnemen in een instelling voor geesteszieken. Na opname volgt een historisch gesprek. Gilberto zegt tegen de psychiater: “Kijk de wind epileert de bomen”. De psychiater antwoord droog: “Bomen hebben geen haar”. De killer opmerking van Gilberto daarna: “Sommige mensen hebben geen poëzie!”.
Na één week stond hij weer buiten en vertrok naar Rio om daar zijn vrienden op te zoeken. Een daarvan is Antônio Carlos Jobim die dan al werkt als componist, arrangeur en producer voor Odéon Records (de Braziliaanse EMI). Jobim is helemaal weg van Gilberto’s nieuwe muziekstijl en laat dat weten aan Odéon. De nieuwe stijl is in feite een totaal uitgeklede samba. De ritmiek die de samba heeft is door Gilberto vertaald naar de gitaar die nu zowel als melodie- en als ritme-instrument dienst doet. De zang is teruggebracht tot een soort fluisteren, praten, maar alles zonder de emotie die samba wel kent. Net als vaak bij jazz creëert Gilberto een spanning door net voor of na de tel te zingen.
Zijn stijl werd meteen opgepikt door de muzikanten in Rio en voor het eerst op plaat gezet door de eerder genoemde Elizete Cardoso. Klein probleempje, Cardoso pakte de stijl niet goed op of aan en Gilberto was er niet over te spreken. Dat kon hij zelf beter. Gilberto schreef al meer en meer eigen nummers; de teksten haalde hij ‘gewoon van de straat’, zo schreef hij twee tracks bedoeld voor een single Bim-Bom/Hô-Ba-Le-Le (prachtige titels). Bim Bom gaat over de vrouwen die met wasmanden op hun hoofd over straat liepen op weg naar de rivier om de was te doen. Beide stukken zouden worden opgenomen door Roberto Corte Réal, maar die was er niet blij mee. Gilberto op zijn beurt was niet blij met Réal’s bijdrage. Dezelfde dag ontmoette Gilberto de groep Os Cariocas die in de studio waren om een van Gilberto’s nummers ‘Chega de Saudade’ op te nemen. Ze kenden elkaar al van de sessies voor de opnamen voor Cardoso. Badeco, de gitarist van de groep kreeg het stuk niet uit zijn vingers, waarop Gilberto zei: ‘Dan doe ik het wel voor je.’ Diezelfde dag nam hij het nog een keer op, nu voor een toekomstige zijn eigen lp: ‘Chega de Saudade’ (1959).
Het duurde even voordat die er echt kwam. Daarvoor was de hulp nodig van Tom Jobim die hemel en aarde bewoog om de plaat onder te brengen bij Odéon, de platenmaatschappij van zijn huidige platenbaas. Jobim vertelde hem dat de jeugd er blij mee zou zijn en ook dat opnamen weinig of niets zouden kosten. Hij kreeg carte blanche. Problemen begonnen meteen al, Gilberto vroeg twee(!) microfoons, een voor zijn stem en een voor zijn gitaar. Het studiopersoneel van de nog steeds strikt Engels, traditionele studio waren ‘not amused’, maar Jobim had geregeld dat Gilberto alles mocht bepalen. Eerst kwam een singel: Chega de Saudade/Bim Bom uit, gevolgd door de lp. Op Chega de Saudade stonden zowel oude, bekende, Braziliaanse nummers en nieuw werk van Jobim en de Moraes, maar wel allemaal in de nieuwe stijl. Geheel in geest van de tijd hoor je wel nog vioolwolken en toch ook wel wat voorzichtige percussie aan de randjes. Voor velen is dit de echte geboorteplaat van bossa nova, daarmee Canção do Amor Demais misschien wel terecht – luister maar eens naar beide platen - passerend. De naam bossa nova is afkomstig uit de tekst die Jobim schreef voor de hoes; een goede – helaas teloorgegane – gewoonte: ‘João Gilberto is a bossa nova bahiano aged twenty seven’. De term komt ook voor in ‘Desafinado’: ‘Isto bossa nova, isto e muito naturel’. Toen de verkoopdirecteur van Odéon in São Paulo de plaat hoorde zei hij: “That’s the last piece of shit that Rio’s going to send to us!” Hij had het volkomen verkeerd ingeschat, de plaat werd een enorme hit en zorgde niet alleen voor een enorme opleving voor Gilberto’s carrière, maar ook voor het populair worden van de bossa nova.

Waarom werd deze nieuwe stijl nu zo populair? Dat laatste kwam niet alleen door de zonnige, zorgeloze muziek, maar ook door wat er in het land gebeurde. Na twintig jaar president te zijn geweest van een land in en na een wereldoorlog, maakte Getúlia Varga een eind zijn leven. De nieuwe president, Juscelino Kubitschek, zorgde voor een nieuwe lente in het land, zorgde ervoor dat zijn land weer vooruit kon én vooruit keek en kondigde de bouw van een nieuwe, moderne hoofdstad aan: Brasilia. Het positivisme golfde door Brazilië en daar hoorde, zeker bij jeugd, nieuwe muziek bij. De oude samba (‘Whoever doesn’t like samba isn’t a good guy. He is bad in the head or sick in the foot) was versleten, uitgeleefd, er moest wel iets nieuws komen dat een afspiegeling was van een opfleurend land. Gilberto bracht dat nieuwe. Jazzgitarist Charlie Byrd, op een tournee door zeventien landen (1961), kwam terecht in Rio, hoorde de bossa nova, was diep onder indruk, kocht de platen van Gilberto en nam ze mee naar Amerika. Samen met Stan Getz en producer Creed Taylor maakte hij voor Verve Records de plaat ‘Jazz Samba’. Die plaat kwam bijna onmiddellijk in de hitlijsten en bleef daar zo’n zeventig weken (!). Thelonious Monk vertelde dat ‘bossa nova precies dat was wat de New York jazz intellectuelen ontbeerden: ritme, swing en warmte.’

Na het onverwachte succes nodigde Getz Gilberto en Jobim uit samen met hem nog een plaat in bossa nova-stijl te maken. Dat werd Getz/Gilberto en is inmiddels een van de best verkochte (jazz-)platen ooit. En passant werd een nieuwe ster gelanceerd: Astrud Gilberto. Gilberto’s vrouw (toen) zong op een nummer: ‘The Girl from Ipanema’ (Garota de Ipanema). Het was haar geheime wens en ze deed dat hier voor het eerst buiten het huis-tuin-keuken-badkamer gezang. Aangezien de tekst voor een man geschreven was moest de zin ‘she looks straight ahead not at me’ vervangen worden. Astrud bedacht ter plekke de historische grammaticale verschrikking: ‘she looks straight ahead not at he’. Ze kreeg trouwens niets voor haar bijdrage betaald. Toen het nummer de hitlijsten beklom belde Getz met Creed Taylor. Deze verwachtte een opmerking over betaling aan Astrud Gilbert, maar Getz belde juist om nog eens extra te bevestigen dat zij echt niets kreeg (dan bleef er meer over voor de rest).

Met het zingen van ‘The Girl from Ipanema’ bracht ze trouwens menigeen in verwarring, want – in tegenstelling tot wat iedereen dacht, was zij het meisje uit Ipanema niet! Het echte garota was Heloísa "Helô Pinheiro" Eneida Menezes Pais Pinto. Jobim en de Moraes zaten vaak op het terras in de wijk Ipanema en zagen daar bijna elke dag hetzelfde meisje langskomen. Een opvallend verschijning met lang donker haar en meestal op weg met boodschappen voor haar moeder. Twee jaar nadat het nummer zo populair was geworden kwam Pinheiro erachter dat het over haar ging. Jobim was later getuige bij haar huwelijk. De erven van Jobim waren minder makkelijk. Nadat Pinheiro haar boetiek ‘Garota de Ipanema’ had genoemd kreeg ze een proces aan haar korte broek, omdat ze die naam niet mocht gebruiken, ook al was ze zelf de bron van inspiratie. De erven kregen geen gelijk van de rechter. Pinheiro werd niet alleen door het nummer bekend, haar reportage in de Braziliaanse Playboy deed ook wonderen.

Een vreemde link met betrekking tot Garota de Ipanema gaat richting Captain Beefheart. In feite was het muziek geschreven voor een toneelstuk, genaamd ‘The Blimp’. Het zou moeten gaan over een Marsman die op aarde landde te midden van het Carnaval van Rio… Die Captain. En wij altijd maar denken dat hij zoiets zelf verzon.

Het lied over het meisje uit Ipanema veroverde de wereld, maar ondertussen rolden de tanks langs de stranden in Ipanema. Op 1 april 1964 werd Kubitschek aan de kant gezet door een militaire staatsgreep. De militaire dictatuur begon en duurde éénentwintig jaar (tot 1985). Op het hoogtepunt van de bossa nova werd de nieuwe stijl eigen land hardhandig afgebroken. De grimmige sfeer, de censuur op alle cultuur, weg zon, zee en onschuld. Gilberto bleef tot 1969 in de Verenigde Staten en vertrok daarna richting Mexico. In 1965 trouwde hij voor de tweede keer, nu met Miúcha Buarque. In 1980 keerde Gilberto terug naar Brazilië om daar te werken met Gilberto Gil en Caetano Veloso. Talloze platen van hem zijn in alle jaren verschenen, maar de bekendste zijn toch wel die met Stan Getz. In 1988 bracht EMI zijn eerste drie platen uit (1958-1961) op cd, maar zonder zijn toestemming. Na een rechtszaak werd de cd uit de handel gehaald. Inmiddels is de set opnieuw uitgebracht, opnieuw zonder toestemming. De drie platen zijn recent verschenen op het Franse Fremeaux & Associés. Bijzonder dat drie platen op één cd kunnen… Gilberto geldt als een enigszins excentrieke artiest (wie niet trouwens). Hij houdt niet van interviews, mensenmassa’s, air-conditioning tijdens concerten (vanwege het irritante geluid), slechte akoestiek en had – als voorbeeld - achtentwintig takes nodig om het woord ‘Rosa’ goed uit te spreken. Gilberto heeft een kind: Bebel Gilberto. Zij timmert aardig aan de door haar vader geplaveide weg. Gilberto treedt nog wel op, maar zegt, vanwege een inmiddels broze gezondheid, concerten regelmatig af.

Antônio Carlos Brasileiro de Almeida Jobim – Tom Jobim – (1927-1994) is naast Gilberto de meest bekende en populaire figuur in de bossa nova. Jobim, geboren in Tijuca, komt uit een prominente familie; zijn vader was diplomaat, professor, journalist én schrijver. Daar heeft Jobim weinig van mee gekregen, want al snel scheidden zijn ouders. Moeder vertrok met hem en haar dochter/zijn zus Helena naar Ipanema en trouwde daar opnieuw. Jobim’s stiefvader moedigde zijn creativiteit aan en gaf hem zelfs een piano daarvoor. Zijn moeder vond het helemaal niets, immers van muziek maken en het leven als muzikant kon je namelijk TBC krijgen! Jobim verdiende in zijn studietijd – hij studeerde architectuur om indruk te maken op het meisje waar hij verliefd op was [later trouwde hij inderdaad met haar] - wat bij door in bars en nachtclubs te spelen, maar dat waren altijd andermans compositie. Het was geen vetpot, hij stond bekend om zijn geldtekorten.
Jobim was beïnvloed door Pixinguinha, componist van moderne Braziliaanse muziek, maar ook door Claude Debussy en Maurice Ravel en… jazz, vooral de East Coast jazz van Gerry Mulligan en Chet Baker. Maar vlak heel populaire componisten als Cole Porter en George Gershwin ook niet uit; die waren mateloos populair in Brazilië. Jobim’s zelfgeschreven teksten gingen toen al bijna altijd over de natuur, vogels, liefde en verraad (ach) en dingen uit het dagelijks leven. Zijn inspanningen werden gezien, want in 1955 werd Jobim beloond met een derde plek als zijnde de beste arrangeur van het jaar.
In 1956 kwam Jobim in aanraking met dichter en diplomaat Vinícius de Moraes om voor hem muziek te maken voor diens toneelstuk: Orfeu da Conceição. Tijdens de kennismaking vroeg Jobim hoeveel het hem opleverde. Een ongehoorde vraag, maar de Moraes vond het blijkbaar niet heel erg en ging alsnog met Jobim in zee. Meest populair was het lied ‘Se Todos Fossem Iguais A Você’ (Als iedereen als jij was). Het stuk werd wegens succes een film (Orfeu Negro) en de regisseuse vroeg Jobim en de Moraes nieuwe muziek te maken. Dat moest per telefoon, want de Moraes werkte toen in Uruguay. De samenwerking leidde tot drie nieuwe songs voor de film en een basis voor meer samenwerking. De film kreeg de eerste prijs op het festival in Cannes. Via de al vaker genoemde plaat Canção do Amor Demais’ van Elizete Cardoso kwamen beide heren in contact met Gilberto. Jobim vond hem fascinerend; Gilberto gebruikte zijn stem als instrument en zijn gitaar als slagwerk. In 1962 was er een groot bossa nova concert in Carnegie Hall, New York. Dat vond bijna plaats zonder Jobim, want die had enorme vliegangst. Pas na een belofte van vriend-schrijver Fernando Sabino dat vliegtuigen niet uit de lucht konden vallen, durfde hij de reis te maken.
Het succesverhaal van het Getz/Gilberto-album was hier al eerder te lezen. Het jaar daarop vroeg Creed Taylor om een eigen plaat te maken, maar dan wel met een orkest en arrangementen onder leiding van en Claus Ogerman. Jobim: “Ik had een hekel aan die man, ik was in shock, ik minachtte zijn commerciële muziek.” Ondanks dat werd ook dit album – Antonio Carlos Jobim, the composer of Desafinado, plays’ een enorm succes. Jobim merkte in praktijk dat Ogerman en hij uitstekend konden samenwerken en de samenwerking werd dan ook regelmatig herhaald. Daarbij kreeg Jobim wel meer en meer het gevoel dat bossa nova uitgemolken werd. Nadat Creed Taylor na een gewonnen rechtszaak tegen MGM, die toen eigenaar was van Verve, een behoorlijke achterstallige som geld ontving zette hij zijn eigen label CTI, toen nog onderdeel van A&M, op. Een van de eersten die hij vroeg een plaat te maken was Jobim, met… Ogerman! In 1966 ging de telefoon in de favoriete bar van Jobim. Of hij aan de telefoon kon komen, ene Sinatra aan de lijn. ‘Is het een goed plan om een heel album met jouw songs te maken?’ vroeg hij. ’Perfect’, antwoordde Jobim.
Jobim was getrouwd met Thereza Otero Hermanny en kreeg met haar twee kinderen: Paulo Jobim en Dora Jobim. In 1994 kreeg hij last van zijn blaas. Bij onderzoek werd een tumor ontdekt. Na wat alternatieve behandelingen kwam er een echte operatie, maar na de operatie kreeg hij kort na elkaar twee hartaanvallen en overleed. Bij zijn begrafenis lag de kist op een brandweerwagen en was overdekt met de Braziliaanse vlag. De ‘afscheidstour’ duurde meer dan vier uur en iedereen langs de kant zong zijn songs of was gehuld in respectvolle stilte. De president kondigde drie dagen van nationale rouw af. Talloze artiesten speelden en spelen zijn werk. Jazz-zangeres Ella Fitzgerald wijdde een heel album aan hem in haar reeks Songbooks. Jobim werd postuum geëerd als ‘one of the 30 most influential Latin artists of all time’.

De laatste in het bossa nova-triumviraat is Marcus Vinicius da Cruz e Mello Moraes (1913-1980), beter bekend als Vinícius de Moraes en ook wel als ‘O Poetinha’ (de kleine dichter). Maar niet alleen een dichter, ook een vrouwenverslinder en liefhebber van alcoholische dranken aan de ene kant en een politieke carrière aan de andere kant. Ook nu nog gaat dat vaak samen. De Moraes is geboren in Rio. Zijn vader, Clodoaldo da Silva Pereira Moraes, had een belangrijke functie op het stadhuis daar en speelde thuis als hobby gitaar. Zijn moeder, Lidia Cruz, speelde thuis als hobby vaak piano. Perfecte setting voor potentieel succes dus. Na een opstand verhuisde de ouders naar een andere plek, de Moraes ging naar zijn opa en oma om zo de basisschool af te kunnen maken. Elk weekend zag hij zijn ouders, maar ook heel wat muzikanten die er over de vloer kwamen. Tijdens de middelbare school kwam hij al gauw terecht bij het schoolkoor en speelde rollen in diverse toneelstukken. Met vrienden, Paulo en Haroldo Tapajós, maakte hij zijn eerste musical. Na de middelbare school studeerde de Moraes rechten en ontmoette schrijver Octavio de Faria, lid van een katholieke, politiek rechts georiënteerde denktank. De Moraes bleek heel gevoelig voor dit denkwerk en sloot aan. Tijdens zijn studie publiceerde de Moraes al twee essays. De vriendschap met de Faria liep op de klippen door de steeds openlijkere, homoseksuele toenaderingen van die laatste. De afwijzing was voldoende voor een – mislukte – zelfmoordpoging van de Faria.
Na 1936 krijgt de Moraes de functie als censor(!) bij het Ministerie van Educatie en Gezondheid. In 1938 wint hij een beurs om Engels te studeren aan de Universiteit van Oxford. Tijdens zijn verblijf in Engeland schreef hij twee versbundels en trouwde met Beatrix Azevedo de Mello. Samen kregen ze twee kinderen: Suzana en Pedro. Tijdens de oorlog, 1941, keerde de Moraes terug naar Brazilië. Hij kreeg werk als filmcriticus bij de krant: A Manhã (De Morgen), maar al snel werkte hij weer bij een ministerie, nu die van Buitenlandse Zaken. In die hoedanigheid kreeg hij als taak om de Amerikaanse schrijver Waldo Frank te begeleiden op diens tour door het noorden van Brazilië. Die reis liet hem een andere kant van het land zien, de armoede, de uitzichtloosheid. Het was voldoende om hem de rest van het leven politiek links te maken. Zijn eerste echte politieke taak was die als viceconsul in Los Angeles. Hij keerde terug in 1950, na het overlijden van zijn vader, maar vertrok daarna weer naar Frankrijk en vervolgens Uruguay. Tussen al die baantjes door publiceerde hij meerdere dichtbundels. In 1951 trouwt hij opnieuw, ditmaal met Lila Maria Esquerdo e Bôscoli. In hetzelfde jaar begint hij ook weer met schrijven voor een krant: filmkritieken en korte verhalen. Het brengt hem meer en meer in contact met cultuur in plaats van politiek.
In 1953 schrijft hij samen met Antônio Maria zijn eerste sambatekst: ‘Quando tu passas por mim’ (Als jij langsloopt). In 1956, bij het maken van een nieuw toneelstuk ontmoet de Moraes een jonge, onbekende muzikant: Antônio Carlos Jobim. Jobim zou de muziek schrijven voor het nieuwe stuk. Dat leidt tot een vriendschap. De Moraes heeft het druk met zijn werk, waarvoor hij van hot naar her reist, maar wel en passant voor de derde keer trouwt. Samen met Jobim schrijft hij tussendoor teksten voor een nieuw op te nemen plaat: Canção do Amor Demais van Elizete Cardoso. Twee composities zijn van een nog onbekende persoon: João Gilberto. Het leidt tot een samenwerking voor Gilberto’s eerste drie platen en heel wat opnamen van derden die deze nieuwe muziek ook wilde uitvoeren. De Moraes eerste publieke, muzikale optreden was in 1962, samen met Jobim en Gilberto. Natuurlijk stonden de ‘hits’ al op het programma: Garota de Ipanema, Insensatez en Chega de Saudade. Het bracht de Moraes blijkbaar tot een nieuw inzicht, want de man trouwde voor een vierde keer. Zijn teksten op muziek van Jobim of met gitarist Baden Powell leidde ook tot het maken van soundtracks voor Orfeu da Conceição, een bewerking van Orpheus en Eurydice en van de film: ‘Un Homme et un Femme’ van Claude Lelouch. De samenwerking met Baden Powell zorgde voor een heftige opleving in het schrijven, hoewel de muziek inmiddels meer richting Afro-Braziliaans ging en heftig klonk, later de zogenaamde Afro-samba genoemd.
Op vijfenvijftig-jarige leeftijd werd de Moraes ontslagen van zijn politieke functies; na een staatsgreep werd er speciaal gelet op homoseksuelen en dronkaards. Hij viel in de laatste categorie, maar dat was niets nieuws, immers iedereen wist daarvan. Wel kon hij hierdoor vol in zijn cultuur opgaan. Hij vond in gitarist, zanger Antônio Pecci Filho – Toquinho – een nieuwe partner voor zijn teksten en trouwde voor de vijfde, zesde en zevende keer. Een enkele keer trad hij op, meestal in kleine zalen, gezeten in het midden van het podium met een fles whisky onder handbereik. In 1980 overleed hij vanwege een zwakke gezondheid… Jaren later, in 2006, werd hij een diplomatieke ere hersteld en kreeg hij post-mortem de functie van ambassadeur.

Canção do Amor Demais, het album waar het allemaal mee begon, wordt (bron: Rolling Stone Brazil), inmiddels gezien als een van de honderd beste platen uit Brazilië ooit.