The Henry Cow Legend 1973


Unrest 1974


Henry Cow & Slapp Hapyy: Desperate Straights 1975


In Praise of Learning 1975


Concerts 1976


Western Culture 1978


The Henry Cow Facsimile Box (zijkanten), 7cd's en eventueel de 3" bonus cd hieronder, 2006


Henry Cow with Mike Westbrook Brass Band And Frankie Armstrong: mini-cd (3") voor de 200 eerste inschrijvers (genummerd en met je naam) van The Henry Cow Facsimile Box, 2006


40th Anniversary Box - The Studio: Volumes 1-5, 5cd, 2008


40th Anniversary Box - The Road: Volumes 1-5, 5cd box, 2008


40th Anniversary Box - The Road: Volumes 4-10, 4cd+1dvd box, 2008


De drie, bovenstaande boxen op een rij


A Cow Cabinet Of Curiosities; gratisCD, genummerd en met je naam voor de vroegtijdige inschrijvers op de boxen


The Henry Cow Book 1968-1978(1982)



Elektrificerende koe op artistieke sokken
Ik heb iets met koeien; het zijn fascinerende dieren met een heel eigen karakter. Ze zijn sociaal, nieuwsgierig, houden van heuvels en zijn door hun meewarige blik de filosofen onder de dieren. In 1974 trok ik in een platenzaak in Maastricht een hoes uit de bak met aan de voorzijde een sok. In de linkerbovenhoek: Henry Cow. Wie of welke koe Henry was wist ik niet. De achterzijde van de hoes had een soort kettingsymboliek en in de binnenhoes stond een onduidelijke foto van de band. Het instrumentarium: altsax, klarinet, orgel, basgitaar, hobo, fagot, drums, stereogitaar, viool, xylofoon, piano. Dat is voor iemand als ik, altijd op zoek naar de grenzen van muziek, een aanlokkelijk aanbod. De lp bleek ook nog eens opgedragen te worden aan Robert Wyatt, de drummer van Soft Machine. Vandaag hoefde ik niet verder te zoeken, deze plaat ging mee.
Thuis werd ik geconfronteerd met een ‘pittige’ muzieksoort, muziek waar je duidelijk moeite voor moest doen om er iets van te begrijpen of te doorgronden. Niet zo’n plaat die je opzet om iets anders bij te doen of mee te neuriën. Dit zijn voor mij de e beste albums. En: dat blijven ze ook. De sok kreeg gezelschap van meer sokken, van kunstige voorzijde en later van een vijf-cd-box tot en met een serie van drie cd-boxen. Niet de muziek van alle dag, maar wel voor zo’n moment, dat je als muzieklefhebber soms overkomt. Wie Henry de Koe is weet ik nog steeds niet, daar wordt wat mysterieus over gedaan. Wel weet ik in tegenstelling tot 1974, het pre-internet-tijdperk nog, bijna alles van de band Henry Cow. Een bijzonder boeiende band, met boeiende musici en een even boeiende aanpak. Niet de makkelijkste, maar dat lag in de muziek al besloten. Zoals het al werd beschreven in New Musical Express: ‘one of the true underground bands of the present era…’.

Fred Frith (gitaar, basgitaar, viool, keyboards/1949- ) loopt tijdens zijn studie aan de Universiteit van Cambridge gelieerde bluesclub Tim Hodgkinson (saxen, klarinet, keyboards, gitaar/1949- ) tegen het lijf. Dat is in 1968. Ze merken dat ze het zelfde denken over muziek en, zoals dat vaker gaat, besluiten samen wat muziek te gaan maken. Een bepaalde stijl of richting is er niet, soms noemen ze het ‘dada-blues’, soms ‘neo-Hiroshima’. Welke naam maakte in feite niet uit, de muziek was behoorlijk vrij. Jazz was alom aanwezig, net als de eerder genoemde blues. De naam voor hun band: Henry Cow. Daar is veel over gevraagd, want de vernoeming naar Amerikaans componist Henry Cowell (1897-1965) ligt voor de hand. Cowell experimenteerde behoorlijk met klanken en ritmes. Naast ‘gewone’ klassieke muziek componeerde hij ook radicaal andere. Sommigen vonden hem ‘wild’. In dat opzicht is Cowell uniek. Hetzelfde verhaal gaat op voor Henry Cow, de parallel ligt dus voor de hand, net als de bijna-dezelfde-naam. Volgens Frith en Hodgkinson heeft de naam niets te maken met Cowell: “Hij hing gewoon in de lucht en leek ons prima voor onze band.”

Blijkbaar zag men iets in de muziek, want op 12 juni 1968 stonden ze in het voorprogramma van Pink Floyd tijdens het ‘Architects' Ball’ in Homerton College, Cambridge. Een soort thuiswedstrijd. Dat klinkt nu spannender dan het was; Pink Floyd had net Syd Barrett ‘vervangen’ door David Gilmour en was een band op zoek naar hun geluid en toekomst.

Frith en Hodgkinson kregen eind 1968 tijdelijk gezelschap van Andy Powell (basgitaar), David Attwooll (drums) en Rob Brooks (ritmegitaar). In december was dat alweer voorbij. Powell bleef nog even. Powell studeerde muziek aan King’s College bij Roger Smalley. Smalley liet de heren muziek horen van onder anderen Zappa, Soft Machine, Captain Beefheart en daagde ze uit langere en complexere muziek te maken. Het trio ging samen aan de slag. De band ging langzaamaan richting rockmuziek, Powell drumde, Frith speelde bas en Hodgkinson, na aandringen van de andere twee, speelde orgel. Het trio speelde vooral aan de Universiteit van Cambridge of in de buurt, maar werd in april 1969 weer een duo; Powell had wat anders te doen. Frith wisselde van bas naar viool, Hodgkinson voegde zijn blaasinstrumenten toe.
Later dat jaar haalde ze John Greaves (bas/1950- ) over om zich aan te sluiten. Daarna voegde drummer Sean Jenkins zich bij het trio, maar werd al snel weer vervangen door Martin Ditcham. Dit kwartet bleef meer dan een half jaar bij elkaar en speelde in 1971 tijdens het Glastonbury Festival. Daar speelde nog een andere band die daarna behoorlijk populair werd: Gong.
In juli stapte Ditcham op. Pas in september vonden ze door een advertentie in Melody Maker ‘drummer zoekt band’ een nieuwe drummer: Chris Cutler (slagwerk/1947- ). De band verhuisde naar Londen, klaar voor het echte werk.

Met deze bezetting deed Henry Cow mee (februari, 1971) aan een talentenwedstrijd van John Peel: ‘Rockortunity Knocks’. Daarna mochten ze een sessie doen voor BBC Radio (oktober, 1972), gevolgd door een andere sessie later dat jaar. Er zouden tussen 1973 en 1975 nog drie sessies volgen. Eén kwam terecht op Concerts. NME schreef naar aanleiding van deze concerten: ‘surely one of the most resilient and obstinate of that range of groups that is normally ignored by the popular music press…’

Ook in 1972 doet de band mee aan de uitvoering én het schrijven van de muziek voor ‘Euripides, the Bacchae door Robert Walker. Het werk was zwaar en intens en moest bovendien in drie weken klaar zijn. Tijdens het schrijven werd Geoff Leigh (blaasinstrumenten/1945- ) aan de band toegevoegd.
Eenmaal de smaak te pakken van het schrijven voor andermans uitvoeringen was de volgende stap het schrijven en uitvoeren van muziek voor een balletvoorstelling voor het Edinburgh Festival Fringe, samen met Ray Smith en de ‘Cambridge Contemporary Dance Group’ later dat jaar.
De ontmoeting met Smith bleek een belangrijke, want hij ontwierp en verzorgde later de karakteristieke hoes-sokken.

Terug in Londen werd een reeks concerten onder de namen ‘Cabaret Voltaire’ en de ‘Explorers' Club’ opgezet. Bij de concerten speelden ze zelf met een scala aan gasten, zoals: Derek Bailey, Lol Coxhill, Ron Geesin, David Toop, Ivor Cutler en sokkenmaker Ray Smith. Door deze concerten en het enthousiasme van met name Coxhill en Bailey werd de pers alerter en daardoor ook Virgin, de net opgerichte platenmaatschappij. Na veel onderhandelen tekende de band een contract (mei 1973). Veel keus was er eigenlijk niet, niemand was echt geïnteresseerd in de band… Het voordeel van het contract met Virgin was dat ze alles zelf mochten doen. En dat heeft Virgin geweten!

Twee weken later was de groep al present in de befaamde Manor Studio met opnamen. Technicus Tom Newman hielp de band zoveel dat ze na drie weken precies wisten hoe de studio werkte en hoe ze hun eigen muziek konden opnemen.
Met de eerste opnamen werd ook het politiek gezien rode tintje duidelijker. Een eerste manifestatie daarvan is ‘Nine Funerals of the Citizen King’.
De eerste plaat is bekend onder drie verschillende namen: The legend of Henry Cow, simpelweg Legend, maar ook Leg End. Aan het eind van het been bevindt zich…. Een sok!
De muziek viel voor velen moeilijk in een hokje te stoppen. De band liet er ook niet veel over los, ja, er waren invloeden van Zappa, met name Uncle Meat had enorme indruk gemaakt, maar ook van Soft Machine en Captain Beefheart. Voorzichtig werd er gesproken van ‘elektrische kamermuziek’. Dat zegt wel iets maar lang niet alles.
Om de plaat te promoten organiseerde Virgin een tournee, met een dubbelprogramma, samen met de ook net tot het label toegetreden Duitse band Faust. De ontmoeting zou nog lang doorwerken, want jaren later bracht Cutler op het dan eigen Recommended Records alle platen van Faust opnieuw uit en nog weer later in een cd-box: De Wümme Years (2000).

Gewend om onder druk te werken schreef de band tijdens de tournee alweer voor een nieuwe voorstelling, ditmaal voor een uitvoering van Shakespeare's Tempest. Enkele stukken hiervan komen terecht op kant A van de tweede plaat: Unrest.

Maar voordat die plaat er ligt gebeurt er nog van alles. In november 1973 doet een groot deel van de groep mee aan een prachtige live-uitvoering van Mike Oldfield’s Tubular Bells. In die liveband zitten ook musici uit Gong en Soft Machine; eigenlijk is het één grote familie daar op het podium.
Eind van het jaar toert Henry Cow door Nederland. Geoff Leigh spreekt het allemaal zo aan dat hij besluit te blijven. Later zou hij een eigen band beginnen: Red Balune. De andere vier leden zoeken een vervanger, maar niet per sé in het geijkte stramien. Daardoor komen ze terecht bij Lindsay Cooper (hobo, fagot, fluit/1951-2013).

Begin 1974 zat de net vernieuwde band opnieuw in Manor Studios om een tweede album te realiseren. Dat ging niet makkelijk. Cooper had nauwelijks haar verstandkiezen laten trekken of speelde al mee én, erger, er was niet genoeg materiaal voor een lp. Kant A werd gevuld met muziek die ze eerder al hadden geschreven voor The Tempest, kant B werd ter plekke gemaakt, bedacht, geïmproviseerd en uitgevoerd. Het leidde tot hoge spanningen en groepsleden die tijdelijk niet meer met elkaar wilden praten. Maar, uiteindelijk was de heuvel bedwongen, iedereen tevreden en kon de band weer verder met iedereen on speaking terms én een geweldig album.
In mijn toenmalige optiek was het grensverleggend. Zeker de combinatie van fagot met een ‘rockband’ was een ear-opener. Deze muziek mocht van mij terecht onder de noemer ‘avant-garde’ gerangschikt worden.
Tijden de opnamen ontmoetten ze een andere, weer Duitse, groep: Slapp Happy, bestaande uit: Peter Blegvad (gitaar/1951- ), Anthony Moore (keyboards/1948- ) en zangeres Dagmar Krause (1950- ). Slapp Happy had net hun eerste plaat voor Virgin gemaakt: Slapp Happy (1974).

Voor de promotie van Unrest volgde een tournee door het land, ditmaal met niemand minder dan Captain Beefheart. Door deze tournee zag de band de schaduwzijde van het artiestenbestaan en realiseerden ze zich dat ze als een soort rockband gewoon meededen met dat in hun optiek vreselijke circus. Tekenend was de opmerking van Beefheart na afloop van een concert: “That was the worst gig I ever did in the whole of my life and they (het publiek) loved it…”.
De gevolgen bleven niet uit, Cooper verliet de band of werd uit de band gezet. Daar verschillen de meningen over. Het overgebleven kwartet maakte de rest van de tournee (in Nederland) af.
Over hoe het verder mocht kon nog even wat langer nagedacht worden, want Slapp Happy vroeg Henry Cow om samen hun tweede album voor Virgin op te nemen. Die samenwerking bracht ‘Desperate Straights’ voort (1975). Een voor Henry Cow liefhebbers makkelijk in het gehoor liggende plaat, met korte song en echte liedjes, natuurlijk gezongen door Dagmar Krause. Slechts af en toe leek de band qua geluid de bocht uit te vliegen, maar dat maakte de muziek alleen maar boeiender. Nog steeds is het de vraag of het een Slapp Happy of een Henry Cow plaat is. Eigenlijk geen van beide, want het geluid past niet bij de een, maar ook niet bij de ander. Je zou kunnen spreken van een mooie synthese. Ondanks dat bleven beide bands bij elkaar.

Voor Henry Cow werd het nu wel tijd voor een derde sok, of een album met een heel duidelijk eigen klankkleur. In de koude winter en in een slecht verwarmde oefengymzaal begon de nieuw samengestelde groep aan de voorbereidingen. Al snel werd duidelijk dat beide groepen toch wel een ander karakter hadden. Eigenlijk lag dat voor de goede luisteraar al in Desperate Straights besloten. Veel ideeën werden zo bediscussieerd dat er niets van terecht kwam en daarmee verdween de spontaniteit uit de muziek. De samenwerking liep dus stuk. De bands gingen weer uit elkaar, maar anders dan verwacht: Krause voegde zich bij Henry Cow en Blegvad en Moore gingen solo of soms als duo verder. Moore verliet zelf de band zelf, Blegvad werd gevraagd om maar te gaan.
Met deze ontwikkelingen en een nieuw perspectief besloot Cooper terug te keren, waarmee Henry Cow nu een sextet werd met twee dames on stage.

‘In Praise of Learning’ verscheen in 1975. Dit keer een bloedrode hoes met dito sok. Op de hoes een mooie spreuk van John Grierson: ‘Art is not a mirror, it’s a hammer’. Ik heb er indertijd nog een button in stijl gemaakt met die tekst. Bijzonder is dat Geoff Leigh een kleine gastrol vervult. Andere gasten zijn de Zuid- Afrikaanse trompettist Mongezi Feza en Phil Becque (oscillator). Achteraf is Frith niet heel tevreden met de klank, omdat ze tijdens de opnames te maken kregen met nieuwe opnameapparatuur en vooral het fenomeen dolby: ‘De klank had een stuk warmer kunnen zijn’. De hoes weerspiegelt de inhoud goed. De titels liegen er niet om: War, Living In The Heart Of The Beast en Beautiful As The Moon- Terrible As An Army With Banners. De rood getinte politieke rand die aan de band hing werd met In Praise of Learning een stuk manifester.

Om het album te promoten was er weer een tour in eigen land, dit keer met ex-Soft Machine drummer Robert Wyatt. Wyatt had net ook een nieuwe, wat jazzy, experimentele plaat: ‘Ruth is Stranger than Richard’. Feza speelt trouwens ook mee op dat album.
Na de korte tour met Wyatt verlaat het gezelschap het Britse eiland om naar Europees vasteland te gaan en daar vervolgens bijna twee jaar te blijven en te toeren.
Bij die tour kregen ze weinig steun van hun platenmaatschappij; die vond de muziek sowieso te moeilijk en liet de band aan hun lot over waardoor ze alles zelf moesten regelen. Dat zat ook een beetje in het rode bloed, er was immers meer en meer een duidelijk socialistische onderstroom in de band. Het was dan ook steeds een afweging wat wel en wat niet te doen met hun platenmaatschappij. Ergerlijk was het dat Virgin niet eens de albums verkocht in de landen waar Henry Cow optrad.
Uiteindelijk leidde de aanpak van de band tot een bijna commune-achtige structuur waarbij promotie, tournee, reclame, bookingen, kookbeurten, besturen van bus en truck enzovoorts in eigen hand genomen werd. Daarbij werden ze meteen maar hun eigen manager. Iedereen kreeg, naast het muziek maken, een taak in de uitvoering. De communesetting werd ook beïnvloed door een hele reeks mensen die slechts zijdelings met de band te maken hadden, zoals partners, kinderen en zelfs de geluidstechnici. De groep rondom Henry Cow bestond altijd al uit een gezonde mix van mannen en vrouwen. Zo deed bijvoorbeeld de vrouw van John Greaves de live-mix, afgewisseld met Maggie Thomas.
Henry Cow bleef lang in Italië hangen. Na een concert in Rome (1975) lieten ze de bus en de truck staan en nodigde regionale en landelijke bands uit met hun te komen praten en spelen. Stormy Six was zo’n band, maar ook de PCI (de Italiaanse Communistische Partij) bracht de band graag een bezoek. De PCI regelde door hun contacten nieuwe concerten, vaak voor openlucht festivals of politieke manifestaties.

Langzaamaan werd het tijd voor een nieuw album, maar tijdens een korte tournee door Scandinavië (1976) verliet eerst Greaves de band. Hij zou later, samen met Blegvad en Lisa Herman, een heel bijzonder album opnemen: Kew.Rhone (1977). Vervolgens moest Krause vanwege gezondheidsproblemen afhaken. Daarmee werd de band gereduceerd tot een kwartet. Maar dat kwartet bleef wel op tournee. Het gemis aan de twee leden werd opgevangen door allee muziek live te improviseren. Daarvoor gebruikte ze bijvoorbeeld tapes die op elke willekeurig moment aan- en uitgezet konden worden; ze wisten dan zelf niet wat er op dat moment op de tape klaar stond, maar het was wel een al dan niet hinderlijk element in het geluid. Het maakte de groep muzikaal steeds sterker en steeds minder afhankelijk van de vaste structuren van composities. Jammer alleen was dat juist dit zo voor Henry Cow belangrijke element tot 2008 verborgen bleef voor bijna iedereen die nooit hun concerten bezocht of kon bezoeken.

De volgende plaat werd door de gedwongen live-aanpassingen ook een andere dan verwacht. Concerts (1976) werd opgenomen voor het Noorse Compendium-label. Het was een dubbel-lp met vooral geïmproviseerde of elementen van al eerder opgenomen stukken. Er was materiaal van de BBC Peel-sessie (1975), uit het New London Theatre (1975), het Italiaanse Udine (1975) het Høvikodden Arts Centre, Oslo (1975) en onze eigen, Groningse Vera (1974). Op de oude lp-kant B/2 doet Robert Wyatt mee op twee tracks: Bad Alchemy en met zijn eigen werk Little Red Riding Hood Hits The Road. Net als hun werkwijze ‘on the road’ was ook aan deze plaat alles zelf gedaan, tot en met de mastering en het hoesontwerp aan toe. Daarom dit keer geen sok, maar pentekeningen dor eigen geluidstechnicus Maggie Thomas. Grootstedelijke gebouwen, fabrieken en legers versus het lieflijke platteland. Diezelfde Maggie had op Legend meegezongen in de track Teenbeat en was al enige tijd aan de band verbonden.
Virgin vond het album niet interessant en bracht de plaat daarom niet meer uit op het ‘hoofdlabel’, maar haar sublabel Caroline (1976). Eigenlijk zou Henry Cow volgens het contract nog een plaat voor Virgin op moeten nemen. Virgin zag dat anders, want ze verdiende niets aan deze band. Nadat de band wees op de clausule van de eersteklas studio werd met wederzijdse goedkeuring het contract ontbonden.

Eenmaal terug in London sloot Henry Cow zich tijdelijk aan bij Mike Westbrook Brass Band en folkzangeres Frankie Armstrong om samen het Orckestra op te zetten. Beetje in de stijl van Sun ra’s Arkestra. Het Orckestra speelde eerst on Londen en daarna in Frankrijk, Italië en Scandinavië. Hoe het klonk is te horen op de gelimiteerde en persoonlijke bonus-cd die zit bij de eerste Henry Cow Facsimile Box (2006). Dat is een de box met alle reguliere albums (5 cd’s, één dubbel-cd en de mini-cd) tot dan toe.
Parallel aan de uitvoeringen met het Orckestra zette Henry Cow een aantal festivals op: Music for Socialism en Its May Festival. Daardoor konden ze voor het eerst sinds drie jaar in eigen land spelen, maar beide festivals mondden uit in een fiasco en ze verloren een flink deel van het toch al zo karige geld dat ze hadden.

Tussendoor was de band op zoek gegaan naar een nieuwe bassist en vond die in de persoon van Georgie Born (1955- ). Born is eigenlijk celliste, maar had bedacht dat ze best bas kon spelen, als die maar anders gestemd werd. Born had een gedegen muzikale opleiding. Met haar komst waren er nu drie mannen en drie vrouwen in de band. Daar kunnen veel bedrijven zelfs nu nog wat van leren. Door Born’s komst konden nog complexere muziekstukken uitgevoerd worden. Tim Hodgkinson’s ‘Erk Gah’ was zo’n stuk. He bleek zo moeilijk dat het niet terecht kwam op het volgende album, maar gelukkig wel later, in de verjaardags-boxen.

Born kwam, Krause, die soms nog wel meespeelde ging; nu definitief. Haar gezondheid was broos en toeren nu echt niet verantwoord meer. Als een soort tussenoplossing werd bedacht dat ze wel de stukken voor het nieuwe album kon inzingen. Opnames begonnen in januari 1978, maar al snel liepen de opnames vast en wel op Erk Gah. In allerijl begonnen Frith en Cutler nieuw werk te schrijven, veelal songgericht, omdat dat met Krause afgesproken was. Terug in Londen vond iedereen dat de zang te dominant aanwezig was en besloten werd die tracks voor een separate release te bewaren. Uiteindelijk gebeurde dat, maar niet onder de vlag van Henry Cow, maar die van Art Bears (Hopes and Fears, 1978). Achteraf was dat de aanzet tot meer Art Bears albums.
Min of meer voor en parallel aan de opnames was Cooper met Born en Maggie Nichols een eigen band gestart: F.I.G. (Feminist Improvising Group). Voor deze groep werd de Nederlandse Annemarie Roelofs trombone, tuba, viool/1955- ) gevraagd. Haar koperwerk riep de interesse op van de heren Cow. Gevolg: Frith, Cooper, Hodgkinson en Cutler, minus Krause en Born, maar wel aangevuld met Annemarie Roelofs, begonnen in juli en augustus in 1978 met een reeks nieuwe opnamen. Die vormden uiteindelijk het vijfde (als je Desperate Straight meetelt, zesde) album: Western Culture (1978). Tijdens de opnames besloten iedereen dat het, na tien moeizame jaren, genoeg geweest was en dat Henry Cow als band zou stoppen. Wel zou iedereen verder gaan in andere samenwerkingsvormen.

Eerder, in maart 1978, had vooral Chris Cutler de politiek, muzikaal soortgelijke en zelfstandig functionerende bands als Stormy Six (Italië), Univers Zero (België), Samla Mammas Manna (Zweden) en Etron Fou Leloublan (Frankrijk) uitgenodigd om naar Londen te komen en te spelen op een door hem en vooral Nick Hobbs georganiseerd festival: RIO. RIO staat voor: Rock in Opposition. De naam RIO, bleef en werd uitgedragen naar andere landen en andere festivals.

Henry Cow’s laatste concert was op 25 juli 1978. Dat is dus nog voor de opnamen van de laatste plaat. Het concert was in Milaan, Italië. In het persbericht stond: ” Although the group as a commodity, as a name, ceases to exist the work of the group will go on …".

Western Culture, zonder het soksymbool, verscheen op het net opgezette eigen label: Broadcast. Het label leidde een kortdurende bestaan, want al snel zette Chris Cutler Recommended Records op. Dat laatste label bestaat tot op de dag van vandaag en Cutler heeft inmiddels zorg gedragen voor vele releases en re-releases van niet alleen Henry Cow en Art Bears, maar ook bands als Etron fou Leloublan, This Heat en Faust al dan niet in mooie boxen.

In 1982 verscheen een zelfgemaakt boekje: The Henry Cow Book. Het was een goedkoop geprint boek, gemaakt en samengesteld door Chris Cutler en Tim Hodgkinson. Het bestond uit knipsels, contracten, kanttekeningen, budgetberekeningen, foto’s, tekeningen en een korte biografie en discografie. Ondanks het povere drukwerk een boeiend boek, omdat het veel meer nog dan de platen én in het pré-internet-tijdperk inzicht gaf in het functioneren van Henry Cow als band en als (leef-)gemeenschap.

Henry Cow kwam nooit meer bij elkaar in de oude samenstelling, wel waren er kortdurende samenwerkingen, bijvoorbeeld in 1993 toen Cutler, Cooper en Krause werden gevraagd voor Tim Hodgkinson’s track ‘Hold the Zero Burn’. De track ging eerder door het leven als… Erk Gah.
In 2006 speelden Cutler, Frith en Hodgkinson samen tijdens een concert in New York.
In 2013 overleed Lindsay Cooper. Als eerbetoon werd in november 2014 een reek concerten gegeven waarin Cooper’s werk en leven centraal stond. Present waren: Chris Cutler, Fred Frith, John Greaves, Tim Hodgkinson, Annemarie Roelofs en Dagmar Krause. Deze groep speelde Cooper’s werk, zoals ‘Oh Moscow’. Er was ook een Henry Cow-set, maar daarbij deed Krause niet mee. De tijdelijke 2014 Cow bestond uit: Cutler, Frith, Greaves, Hodgkinson, Roelofs, Michel Berckmans (fagot), Alfred Harth (houten blaasinstrumenten). Hetzelfde programma en door dezelfde musici werd uitgevoerd in Forli, Italië.

Het kleine aantal studio-albums, vier (als je Desperate Straights niet meerekent), gaf, achteraf gezien, nauwelijks weer wat Henry Cow live zo boeiend maakte. Vooral de onverwachte spelelementen, improvisaties, uitdagingen zoeken kwam in de studio niet naar voren. Op Concerts werd een tipje van de sluiter opgelicht, maar het karakter kwam pas echt goed naar voren bij de releases van de vele live-concerten in de 40th Anniversary Boxen (2009). Op negen cd’s en een toegevoegde DVD kwam de ware aard veel meer naar voren. Daar was goed te horen waar het kamerorkest toe in staat was. De muziek grenst soms aan modern klassiek, aan geïmproviseerde jazz, aan experimentele rock, maar is bovenal heel eigen. Henry Cow’s muziek is uniek, onmiddellijk herkenbaar en heeft een heel eigen karakter. Terugkijkend naar het karakter van koeien: sociaal, nieuwsgierig, uitdagend, filosofisch; men had eigenlijk geen betere naam voor de band kunnen kiezen. Cow was wellicht ook al genoeg geweest. Maar, de toevoeging Henry is zeker niet verkeerd. Henry is behalve een naam een natuurkundige eenheid die wordt gebruikt voor de zelfinductie van een spoel (even technisch: een spoel heeft een zelfinductie van 1 henry als een verandering in de stroomsterkte van 1 ampère per seconde een inductiespanning veroorzaakt van 1 volt).
Henry Cow is in die zin een elektrificerende band, maar dan wel op artistieke sokken.
 
tekst: Paul Lemmens december 2018 -  plaatjes: © Recommended Records