Mon ami Rico!

De familie Crolla speelt een belangrijke rol in mijn leven. Ik woon al ruim dertig jaar samen met Ellen en maak zo het wel en wee van de familie met deze achternaam mee. Ellen roept door haar uiterlijk en mooie, bruine ogen tijdens vakanties vaak de vraag op of ze uit het zuiden komt, Italië of Griekenland? Nee, uit de Achterhoek! Maar nieuwsgierig geworden naar de niet vaak voorkomende naam Crolla ben ik eens gaan zoeken. Ook ooms in de familie zijn op zoek geweest en met enige zekerheid zouden we kunnen zeggen dat de familie lang geleden enkele wortels in Napels had. Zoekend naar meerdere Crolla’s kom je bokskampioenen, ijssalons, pizzeria én een gitarist tegen. De overeenkomst is meestal iets Italiaans, maar natuurlijk trok de gitarist mijn aandacht.

Henri Enrico Crolla (26-02-1920 – 17-10-1960) wordt algemeen gezien als een van de Grote Franse artiesten. Dan heb je meteen een probleem, want de meest grote Franse artiesten zijn alleen groot en bekend in Frankrijk en daarbuiten nauwelijks. Crolla zit zelfs met zijn populariteit nog aan de rand ervan, want hij is een vertegenwoordiger van ‘Jazz Manouche’, in plat Nederlands: zigeunerjazz. Dat is nu niet bepaald een heel populair genre in de populaire Franse muziek, meer iets voor kenners, de connaisseurs.

Henri, bijnaam Rico, is geboren in Napels, maar door de slechte werkomstandigheden en de opkomst van het nieuwe fascisme in Italië na de Eerste Wereldoorlog vertrekken zijn ouders – vader Antonio en moeder Térésa - naar Frankrijk. De familie Crolla – vrienden ook van de familie Rota (ja die van Nino) stond bekend als graag geziene artiesten op festivals en reisden voor de oorlog door Italië, Frankrijk en Duitsland. Na de oorlog komt de klad erin en wordt er meer en meer neergekeken op de artistieke kant van wat dan wordt gezien als ‘zigeuners’. In Frankrijk aangekomen vestigen ze zich in Parijs in de buurt van Porte-de-Choisy, een metrostation, omdat daar meer immigranten en Sinti wonen. De kleine Rico is kind aan huis bij de familie Reinhardt. Het ventje wordt door iedereen verwend en door moeder - ‘la belle Laurence’ - ongeveer opgenomen in de familie. Zo maakt Crolla ook als kind al kennis met de tien jaar oudere Django en dienst broer Joseph.

Instrumenten zijn er genoeg in beide families en het is dan niet heel vreemd dat Crolla op zijn derde begint met het plukken aan de snaren van een mandoline. Hij blijkt talent te hebben en staat al gauw achter zijn ouders op straat, die daar uien en knoflook verkopen. Vader Antonio moedigt hem aan door te gaan, want hij ziet het talent van zijn zoon. Als hij acht jaar is kan hij – na schooltijd - alleen de straat op en loopt zo langs de terrassen van de Parijse cafés en populaire brasserieën, zoals La Coupole om daar met wat populaire deuntjes wat bij te verdienen.

Tijdens die zwerftochten ontmoet hij Lou Bonin. Crolla is dan al dertien. Bonin stelt hem voor aan andere musici, Paul Grimault en de broers Jacques en Pierre Prévert. Samen vormen ze een groepje vrienden. Grimault komt over de vloer bij schilder Émile Savitry en die kent weer de broers Ferret, (muzikanten ook) en komt zo weer terecht bij de muziek van de broers Reinhardt, die inmiddels met hun Hot Club de France een nieuwe weg in de jazz hebben gevonden: snel, beweeglijk, spontaan, maar vooral: vrij. Door al deze ontmoetingen weet Crolla wat hij voortaan wil: gitaar spelen. Hij krijgt een gitaar van Grimault en gaat fanatiek aan de slag.

Henri Crolla ontdekt de jazz nu goed en is vaak te vinden in een van de eerste jazzclubs in Parijs: ‘Le Boîte à Sardines’ (prachtige naam), waar hij optredens bijwoont van onder anderen Coleman Hawkins, Bill Coleman en Benny Carter; Amerikanen die veelvuldig in Parijs spelen. In het sardineblik ontmoet Crolla Gus Viseur (accordeon) en met hem begint hij vaker bij de sardines op te treden.

Omdat Crolla nog steeds officieel Italiaan is wordt hij opgeroepen om in dienst te treden, Mussolini heeft manschappen nodig voor de strijd. Dat ziet hij helemaal niet zitten. Hij ontsnapt uit de kazerne en komt via een omweg terug naar Parijs. In de oorlog is er weinig tijd en geld voor vertier en levert optreden niet veel geld op. Crolla moet zijn kost op een andere manier verdienen en meldt zich daarom aan in de bouw en als daar geen werk is als kolensjouwer.

In 1945 stond Henri Crolla in het vakblad ‘Jazz Hot’, als derde genoemd in de categorie ’beste gitaristen’. Op nummer één Django Reinhardt en nummer twee: Roger Chaput. In 1946 wordt Crolla officieel Frans en daarna begint zijn echte carrière. Als dank voor zijn inzet voor de jazz in moeilijke tijden ontvangt Crolla in 1947 de prijs daarvoor, toegekend door de Academie du Jazz. Het jaar daarop ontmoet Crolla voor het eerst Yves Montand; die ontmoeting blijkt heel belangrijk.

De Parijse jazzclub ‘Schubert’, aan de Boulevard de Montparnasse, programmeert de band, Crolla Jazz, die naast Crolla bestaat uit Charles Harry, Pierre Fouad en Emmanuel Soudieux (bas). Crolla is inmiddels zelf aan het componeren en laat Prëvert een van zijn werken horen: ‘Cireurs de Souliers de Broadway’. Prévert vindt dat hij dat op moet nemen en laat het stuk daarom horen aan Yves Montand. Die vond het zo geweldig dat hij het zelf ging uitvoeren en bovendien vroeg aan Crolla of hij in diens begeleidingsband wilde komen spelen. Dat betekent ook dat hij het pauzeprogramma zou gaan verzorgen. Een uitgelezen kans dus.

Tijdens een van die optredens stelt Montand Crolla aan een jonge journaliste voor, Colette Ravier. Cupido was waakzaam en schoot onmiddellijk zijn pijlen af; later zou hij Colette dan ook vragen met hem te trouwen. Simone Signoret, waarvoor Crolla in de oorlogsjaren ooit een schetsje maakte als ‘vriendin van de flora’, noemt Colette als blijk van waardering liefkozend ‘Crolette’. Colette was een groot liefhebster van de muziek van Crolla; ze vond dat hij prachtig speelde, ze noemde het: “Magisch en heel anders dan de stijl van Django. Crolla heeft iets teders, zachts en dat element voegde iets nieuws toe aan de muziek”.

Het samenwerken met Montand levert Crolla meer en meer succes op, zo wordt hij gevraagd te spelen in de film ‘Souvenirs de Perdus’ (1950). Het jaar daarop begeleidt hij Eddie Constantine op het door Prëvert geschreven nummer ‘Chant/Song’ en speelt in de begeleidingsband van Boris Vian en Louis Bessières bij hun cabaretshow ‘La Fontaine des Quatre-Saisons’.

Montand vraagt hem in 1954 te spelen in de filmpauzes bij een bioscoop. Zo ontmoet hij André Hodeir, muzikant, componist. Samen met hem, maar soms ook alleen, componeert Crolla muziek voor talloze (meer dan honderd) korte films en documentaires. Later componeren ze chansons voor bekende artiesten als Jean Gabin, Jeanne Moreau en Brigitte Bardot.

In 1954 gaat Club Saint Germain na een lange tijd van gesloten te zijn geweest opnieuw open. Crolla mag daar optreden en nodigt natuurlijk speciale gasten uit: violist Stéphane Grappelli en Emmanuel Soudieux, de favoriete bassist inmiddels ook van Django Reinhardt. Als vierde man vraagt hij drummer André MacKac. Volgens Soudieux is dit het ideale kwartet voor Crolla’s muziek.

Pas op zijn vijfendertigste krijgt Henri Crolla de kans zijn eerste eigen platen op te nemen. Dat hij er zo laat mee is komt eigenlijk door hemzelf: “Ik heb geen verwachtingen. Ik speel zoals ik het voel of geleerd heb, maar als je Django gehoord hebt, is het moeilijk je eigen plaat daarnaast te zetten.”

Hij mag opnemen voor Vega en vraagt daarvoor onder anderen zijn oude makker Emmanuel Soudieux, en Jacques David (drums), Martial Solal (piano) en Maurice Meunier (klarinet). Crolla pakt de zaken goed aan en neemt maar liefst vijf platen (singles) op. Het bleek de moeite waard, ‘Millepede’ (1000-poot, de bijnaam die Crolla kreeg van Prévert) liet goed horen dat hij wel degelijk waard was gehoord te worden en eigenlijk best naast Reinhardt kon staan.
In 1956 (mijn geboortejaar) is Crolla samen met Montand te vinden in het Oostblok. Montand heeft daar een tournee in landen waar de ‘moderne’ muziek veelal nog onbekend is. Later dat jaar neemt Crolla een lp op, ‘Notre ami Django’, een eerbetoon aan zijn ‘broertje’ en de inmiddels populaire Django Reinhardt die in 1953 overleden is. De plaat is voor Paul Paviot dé aanleiding een film te maken over Django Reinhardt. En – uiteraard – spelen in die film broer Joseph, Reinhardt, Stéphane Grappelli en Crolla mee.
Via (alweer) Montand komt Crolla in aanraking met Georges Moustaki en stelt die voor aan een andere kennis van hem: Édith Piaf. Een goede ingeving, want Moustaki en Piaf kregen een kortdurende liefdesaffaire, maar zouden daarna nog meerdere malen samenwerken.

In 1960 wordt Crolla ziek en overlijdt datzelfde jaar aan kanker. Kort voor zijn overlijden speelt hij nog in een film ‘Le bonheur est pour Demain’, van regisseur Henri Fabiani. Zijn vrienden treuren: ‘Crolla was onze muziek en nu is de muziek verbroken’.

Tijdens zijn leven maakte Crolla een paar singles en slechts drie lp’s: ‘Le Long des Rues’ (beloond met een Grand Prix di Disques – 1957), ‘Bonsoir Chérie’ en ‘Cést Pour Toi Que Je Joue’. Veelal speelt hij alleen, soms met een klein- of snaarensemble. Al, nou ja ‘al’, die opnamen zijn later ondergebracht in de mega-serie ‘Jazz in Paris’; een project van Gitanes onder de paraplu van Universal/EmArcy. In eerste instantie een box van 75, later aangevuld met een box van 25 en nog later aangevuld met losse releases én de ‘hors-série’. Crolla is met meerdere cd’s te vinden: Notre Ami Django (nummer 60), Begin the Beguine (80), Quand Refleuriront les Lilas Blancs (89), Jazz et Cinéma, vol. 5 (112). In de Hors-séries volgde: ‘Le Long des Rues’ (nummer 04, hoewel op het hoesje foutief nummer 06 staat). Daarmee is zo ongeveer al zijn werk, behalve al die filmscores, op cd gezet.

Met zo’n uitgave merk je dat de tijd van de geschiedenis relativeert, de ‘helden’ waar Crolla als jongere naar ging kijken, zitten, net als zijn eigen opnamen, in dezelfde Jazz in Paris boxen. Soms komt de wijsheid pas achteraf. Charles Delauny: “Ik wil vooral heel duidelijk maken dat Henri Crolla een van de allergrootse Franse jazz musici is en vooral een die eer betoont aan de Franse School (daarmee doelend op de Jazz Manouche)!”

Dat Crolla meer aandacht verdiende was een Italiaanse omroep ook opgevallen en heeft een documentaire over het leven van Henri Crolla gemaakt, Daarin zijn verhalen opgenomen van zijn vrouw Colette en Georges Moustaki.

Of het nu echt zo is of niet, het is natuurlijk leuk om te doen alsof Henri Crolla bij onze familie hoort. Uiteindelijk maakt het niet uit, maar de band die ik heb met muziek is ook de band die ik heb met Henri Crolla. Om in stijl te blijven, met zijn ode, sluit ik af met: mon ami Rico!